Brief regering : Diverse visserij onderwerpen
29 675 Zee- en kustvisserij
Nr. 230
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 juni 2024
Hierbij informeer ik de Tweede Kamer over een aantal onderwerpen aangaande het visserijbeleid.
Het gaat om de positie van vis in de eiwittransitie, de herziening van het contigentenstelsel
(zie ook bijlage 1), de tussenevaluatie van het Visserij Innovatie Netwerk (zie ook
bijlage 2), de verkenning actieve visserij binnen windparken op de Noordzee (zie ook
bijlage 3), de gemeenschappelijke aanbeveling Doggersbank en gemeenschappelijke aanbeveling
voor instandhoudingsmaatregelen, de blauwdruk Maripark en tot slot de schelp- en schaaldierensterfte
in de Oosterschelde. Hierbij licht ik ook de stand van zaken met betrekking tot de
motie Van der Plas c.s. (BBB) toe (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1492).
Positie van vis in de eiwittransitie
De eiwittransitie – het opschuiven naar een eetpatroon met in verhouding minder dierlijke
en meer plantaardige eiwitten – is één van de vijf sporen van de Nationale Eiwitstrategie,
die bijdraagt aan de strategische autonomie en beoogt om minder afhankelijk te worden
van de import van eiwitrijke gewassen als soja van buiten de EU en hierin meer zelfvoorzienend
te worden. Een verandering van ons eetpatroon met daarin in verhouding minder dierlijke
en meer plantaardige eiwitten kan hierbij helpend zijn. Daarnaast is een in verhouding
hogere consumptie van plantaardige eiwitten ook belangrijk voor onze gezondheid en
leidt het tot een verlaging van de milieu-impact van ons voedingspatroon.
Op 28 maart 2024 heb ik uw Kamer een brief gestuurd over de «huidige situatie van
de eiwittransitie in Nederland»1. In deze brief heb ik de algemene stand van zaken toegelicht, waarin ik niet specifiek
op verschillende productgroepen ben ingegaan. Zoals ook aangegeven in de «Visie voedsel
uit zee en grote wateren» wil ik graag benadrukken dat voedsel uit zee belangrijk
is.2 Vis, schaal- en schelpdieren (mariene eiwitten) hebben een unieke positie in ons
eetpatroon omdat ze een gezond en duurzaam alternatief kunnen zijn voor andere dierlijke
eiwitten. Mariene eiwitten hebben een uitzonderingspositie ten aanzien van de transitie
die we willen maken van dierlijk naar plantaardig, omdat in Nederland niet iedereen
het voedinsgadvies voor vette vis haalt.Het Voedingscentrum adviseert, op basis van
de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad, om één keer per week (vette)
vis te eten. Gemiddeld haalt slechts 60% van de Nederlanders dit advies. Hier ligt
dus nog perspectief voor consumenten om gezonder te gaan eten.
In het kader van de Nationale Eiwitstrategie en de strategische autonomie van Nederland
en de EU constateer ik dat de consumptie van vis, schelpdieren en andere mariene eiwitten
in Nederland nauwelijks invloed heeft op de import van soja van buiten de EU die met
name benut wordt voor diervoeder. De uitzonderingspositie van mariene eiwitten betekent
concreet dus dat de eiwittransitie – de verschuiving van dierlijke naar plantaardige
eiwitten – met name gerealiseerd moet worden door gemiddeld minder vlees te gaan eten,
met name minder rood en bewerkt vlees. Dit draagt direct bij aan een betere gezondheid,
lagere milieu-impact en levert een bijdrage aan de vermindering van de afhankelijkheid
van soja-import.
Herziening contingentenstelsel
Sinds 1976 hanteert Nederland een systeem van individuele vangstrechten voor zeegaande
vissers (contingentenstelsel). In juli 2022 heeft mijn ambtsvoorganger besloten tot
een herziening van dit stelsel. De saneringsregeling in 2022 vormde het aangrijpingspunt
hiervoor. De herziening beoogt verduurzaming te stimuleren en een betere toegang voor
nieuwkomers tot het stelsel mogelijk te maken. De herziening is tevens noodzakelijk
om het stelsel voor de toekomst juridisch robuust te maken.
Ik heb aangegeven bij de herziening alle noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten
en ruimte te nemen voor afstemming met de sector, deskundigen en andere belanghebbenden.
In het proces om te komen tot een voorstel voor de herziening zal daarom gebruik worden
gemaakt van kennis en kunde binnen, maar vooral ook buiten het departement zodat we
alle beschikbare kennis aanboren. Een zorgvuldig proces waarin de stakeholders bij
elke fase goed worden meegenomen vergt tijd, waardoor de eerder aangekondigde inwerkingtreding
van een herzien stelsel in 2025 niet haalbaar is. Op dit moment verwacht ik dat met
ingang van 2027 met een herzien stelsel gewerkt kan worden. Ik zal op korte termijn,
in overleg met de sector, besluiten wat deze langere overgangstermijn betekent voor
de vervallen contingenten naar aanleiding van de sanering welke momenteel ter beschikking
worden gesteld aan de PO’s.
Wageningen Marine Research (WMR) heeft onderzoek gedaan naar het stimuleren van verduurzaming
door beloningsinstrumenten in te zetten zoals onderzoeksondersteuning en subsidies,
publiekelijke waardering voor verduurzaming door de sector en het faciliteren van
samenwerking: «Selectief vissen belonen. Een verkenning van mogelijke beloonsystemen voor vrijwillig
gebruik van selectiviteitsmaatregelen in de Nederlandse visserij» (zie bijgevoegd het rapport). Een van de beloningen die hierin wordt benoemd is extra
toegang tot quotum. De uitkomsten van dit rapport zal ik betrekken bij de herziening
van het contingentenstelsel.
Tussenevaluatie Visserij Innovatie Netwerk (VIN)
Bij het aanbieden van de Innovatie-agenda 2022–2030 «Duurzame Kottervisserij op de
Noordzee» (Kamerstuk 29 675, nr. 210) is aangegeven dat in 2023 een tussenevaluatie plaats zou vinden van het VIN. Hierbij
bied ik u het eindrapport van de tussenevaluatie aan: «Een veelbelovende start vraagt om een weloverwogen vervolg».
De onderzoekers constateren dat het VIN zich sinds de start goed heeft ontwikkeld.
Het rapport geeft aan dat er sprake is van kennisontwikkeling en de onderzoekers zien
dat er initiatieven worden opgestart zoals het project Octopus, de «BlueBox», het
Helixproject, het Masterplan «Het Nieuwe Vissen» en de geleverde input bij het opstellen
van de regeling «Verbetering energie-efficiëntie van vissersvaartuigen». Daarbij biedt
het VIN volgens de onderzoekers een platform voor ontmoeting en zijn relaties die
in het verleden onder spanning hebben gestaan genormaliseerd. Er lijkt weer sprake
van een gezonde samenwerking naar een toekomstbestendige sector, maar het netwerk
is nog kwetsbaar.
In de aanbevelingen staat onder andere dat de deelnemers van het netwerk gezamenlijk
een keuze moeten maken voor verdere ontwikkeling. Drie scenario’s worden daarbij voorgesteld:
gaat het netwerk het accent leggen op «ontmoeten», «leren» of «handelen» of een combinatie
hiervan? Volgens de aanbevelingen moeten de deelnemers van het VIN nadenken met welke
innovaties zij aan de slag willen en hoe dit aansluit bij de ontwikkelbehoefte. Daarnaast
moet ook ingezet worden op het vergroten van de betrokkenheid van alle deelnemers
van het VIN om de positieve ontwikkeling van het VIN door te zetten. Het werken in
coalities kan hierbij helpen.
Het is goed dat deze tussenevaluatie er ligt. Gezien de conclusies en de aanbevelingen
uit het evaluatierapport en daarbij in ogenschouw nemend dat het VIN pas één jaar
bestaat, ben ik trots op wat er is neergezet. Dit zijn de eerste stappen en daarmee
zijn we er niet. Innovaties in de visserij is een belangrijk onderdeel van de visie
«Voedsel uit zee en grote wateren» en de uitvoeringsagenda. Het VIN kan een belangrijke
bijdrage leveren aan de transitie van de visserij en dan is het van belang dat het
VIN zich blijft doorontwikkelen. De aanbevelingen uit de evaluatie neem ik daarbij
ter harte. Uiteraard pak ik dit op samen met de deelnemers van het VIN. Bij de doorontwikkeling
wordt nadrukkelijk ook de verbinding gezocht met de werkgroep Voedseltransitie van
het Noordzeeoverleg (NZO). Samen met alle deelnemers van het VIN en het NZO zetten
we zo de volgende stap in de transitie van de visserij. Om de doorontwikkeling van
het VIN en de bijdrage van het VIN aan een positief innovatieklimaat in de visserij
goed te blijven monitoren zal ik in 2025 een nieuwe onafhankelijke evaluatie laten
uitvoeren.
Tegelijkertijd is het belangrijk om op gebied van innovatie de internationale samenwerking
te zoeken, zodat we samen met andere lidstaten innovatieve ideeën kunnen doorontwikkelen
en praktijkrijp kunnen maken. Die samenwerking moet worden aangejaagd, waarbij ook
de puls blijvend onder de aandacht moet worden gebracht. Naast het VIN kan, zoals
ik heb aangegeven tijdens het debat op 4 juni jl., een innovatiegezant ondersteunen
in het aangaan van de internationale samenwerking en verkrijgen van draagvlak voor
innovaties waaronder de pulsvisserij.
Verkenning actieve visserij binnen windparken op de Noordzee
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief «startnotitie voor de Voedselvisie uit zee en
grote wateren»3, ben ik begonnen met het onderzoeken óf en zo ja onder welke voorwaarden vormen van
actieve visserij op termijn in windparken toegestaan kunnen worden, rekening houdend
met ecologische kaders en ander gebruik. Dit als invulling van de gewijzigde motie
Van der Plas c.s. (BBB)4 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1492). Deze verkenning doe ik in overleg met de Minister voor Natuur en Stikstof, de Minister
van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister voor Klimaat en Energie. Ik informeer
uw Kamer hierbij graag over de stappen die nu worden gezet.
Op dit moment wordt breed geïnventariseerd welke mogelijkheden er in potentie zouden
kunnen zijn voor actieve visserij binnen windparken en welke kennisleemten er ten
aanzien van die mogelijkheden dan nog zijn. Hiervoor worden gesprekken gevoerd met
onderzoekers, experts en stakeholders. Deze laatste groep wordt onder meer benaderd
via de werkgroep «Gebiedspaspoorten en Medegebruik» van het Noordzeeoverleg. Daarin
zitten vertegenwoordigers vanuit de visserijsector, maar ook andere belanghebbenden
op dit gebied, zoals bijvoorbeeld de windsector en natuurorganisaties. In juni zal
er een enquête worden gehouden waarin stakeholders kunnen aangeven welke kennis zij
van belang achten bij het maken van de afweging óf en zo ja onder welke voorwaarden
vormen van actieve visserij op termijn in windparken toegestaan zouden kunnen worden.
Vervolgens zal er een onderzoeksplan worden opgesteld voor het beantwoorden van de
noodzakelijke onderzoeksvragen voor het maken van een zorgvuldige afweging. De inzet
is om deze afweging met het volgende Programma Noordzee (2028–2033) te kunnen maken.
Daarnaast wijs ik uw Kamer ook graag op het onderzoek «Exploring co-use of offshore
wind farms by passive fisheries in Borssele wind farm, the Netherlands» (zie bijgevoegd
het rapport) dat Wageningen Marine Research in samenwerking met Wageningen Economic
Research en MARIN in mijn opdracht heeft uitgevoerd, in nauwe samenwerking met een
groep betrokken vissers. Binnen dit project is er met vier verschillende passieve
vistuigen geëxperimenteerd binnen windenergiegebied Borssele. Het rapport gaat in
op de kansen en uitdagingen op het gebied van passief vissen binnen windparken, zowel
als het gaat om operationele zaken, veiligheid, visserijtechnieken, economische haalbaarheid,
als ecologische aspecten. Op basis van een gelimiteerd aantal testdagen concluderen
de onderzoekers onder andere dat passieve visserij in offshore windparken technologisch
mogelijk en veilig lijkt te zijn, maar dat deze tak van visserij de huidige visserijpraktijk
slechts kan aanvullen en niet kan vervangen. Deze uitkomst sterkt wat mij betreft
de noodzaak om ook de mogelijkheden voor actieve visserij binnen windparken te onderzoeken.
Daarnaast lopen er op dit moment nog aanvullende testen met het passieve tuig staandwant,
waarvan de resultaten mid 2025 worden verwacht.
Gemeenschappelijke aanbeveling Doggersbank en gemeenschappelijke aanbeveling voor
instandhoudingsmaatregelen
In het Noordzee-akkoord is afgesproken toe te werken naar 15% vrijwaring van bodemberoerende
visserij in ecologisch waardevolle gebieden in 2030. Hier geef ik invulling aan door
gemeenschappelijke aanbevelingen in te dienen bij de Europese Commissie, die als bevoegd
gezag die aanbevelingen kan omzetten in gedelegeerde handelingen. Middels die gedelegeerde
handelingen worden de noodzakelijke maatregelen om tot 15% vrijwaring te komen vastgelegd.
Op 19 oktober 2023 heb ik een gemeenschappelijke aanbeveling ingediend bij de Europese
Commissie op basis van artikel 11 van het Gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB).
In deze aanbeveling stel ik voor om instandhoudingsmaatregelen te nemen in twee managementzones
in het Natura2000-gebied de Doggersbank. Het voorstel is om in die managementzones
alle vormen van bodemberoerende visserij te weren ten behoeve van het behoud van het
bodemhabitat. De gemeenschappelijke aanbeveling is door het Wetenschappelijk Technisch
en Economisch Comité voor Visserij (WTECV) positief beoordeeld en op dit moment is
het aan de Europese Commissie om de aanbeveling om te zetten in een gedelegeerde handeling.
De verwachting is dat de maatregelen uiterlijk in Q1 2025 van kracht zullen zijn.
Tegelijkertijd werk ik aan een gemeenschappelijke aanbeveling voor instandhoudingsmaatregelen
voor (delen van de) de Natura2000-gebieden en Kader Richtlijn Mariene strategie (KRM)
gebieden Klaverbank, Bruine Bank, Friese Front, Borkumse Stenen, Zuidelijke Doggersbank
en Centrale Oestergronden. Hierover vindt momenteel afstemming met andere lidstaten
plaats zoals de hiervoor te volgen procedure vereist. Wanneer deze afstemming met
positief resultaat is afgerond, zal ik de gemeenschappelijke aanbeveling indienen
bij de Commissie en uw Kamer hierover informeren. Hiermee zal het totaal van ecologisch
waardevolle gebieden die gevrijwaard zijn van bodemberoerende visserij komen op 13,7%.
In het NZO wordt gesproken over hoe invulling te geven aan de resterende 1,3%, waarover
uw Kamer zich heeft uitgesproken met de motie Flach (SGP) c.s. (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 88).
Blauwdruk Maripark
Een Maripark is een natuurinclusief maritiem bedrijventerrein binnen windparken waarmee
randvoorwaarden worden gecreëerd om duurzaam ondernemerschap van bestaande en opkomende
activiteiten te faciliteren. Dit concept is ontstaan vanuit de Community of Practice
Noordzee waarin betrokken overheden, ondernemers, onderzoekers en NGOs met elkaar
bespreken wat nodig is om de Duurzame Blauwe Economie te realiseren. Ik heb EY gevraagd
om samen met de leden van de Community of Practice Noordzee en op basis van internationale
studies een blauwdruk voor een natuurinclusief Maripark te ontwikkelen om te komen
tot volwaardig (nieuw) ondernemerschap voor voedselproductie op zee met een positieve
impact op het ecosysteem. Deze blauwdruk is recentelijk opgeleverd5. De komende tijd zal ik dit rapport bestuderen en besluiten welke inzet hier vanuit
de overheid wenselijk op is.
Schelp- en schaaldierensterfte in de Oosterschelde
Vorig jaar is er melding gedaan van sterfte van Europese zeekreeften en Noordzeekrabben
in de Oosterschelde. Het uitgevoerde veterinaire onderzoek heeft destijds geen eenduidige
doodsoorzaak kunnen aanwijzen, waarmee de conclusie was dat waarschijnlijk niet een
ziekteprobleem ten grondslag lag aan de toenmalige sterfte. Eind maart is er wederom
melding gedaan van opvallende sterfte van Europese zeekreeften, Noordzeekrabben; en
ditmaal ook van mosselen, tapijtschelpen en kokkels in de Oosterschelde. Het is een
zorgelijke ontwikkeling dat de sterfte dit jaar meerdere diersoorten treft. Dit is
de reden dat ik in de afgelopen periode reeds meerdere onderzoeken heb uitgezet om
de doodsoorzaak te proberen te achterhalen. Er loopt onder andere een veterinair onderzoek
naar de aanwezigheid van bacteriën, virussen en parasieten. De eerste resultaten van
dit onderzoek zijn inmiddels binnen. Hieruit is vooralsnog geen veterinaire doodsoorzaak
gebleken. Daarnaast heb ik een onderzoek uitgezet naar de aanwezigheid van (natuurlijke)
toxinen of contaminanten in de dieren. De onderzoeken worden uitgevoerd in samenwerking
met de vissers. In samenwerking met de mosselsector is dit jaar ook een 2-jarig monitoringsprogramma
opgestart naar de mosselsterfte in de Oosterschelde. Naar verwachting krijg ik de
komende weken of maanden de resultaten van de verschillende onderzoeken gefaseerd
binnen. Wanneer hieruit meer duidelijkheid is over de doodsoorzaak wordt uw Kamer
hierover geïnformeerd.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
P. Adema
Indieners
-
Indiener
P. Adema, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.