Schriftelijke vragen : De CO2-heffing en het verduurzamen van de Nederlandse industrie
Vragen van het lid Bontenbal (CDA) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de CO2-heffing en het verduurzamen van de Nederlandse industrie (ingezonden 2 april 2025).
Vraag 1
Kunt u een actueel beeld schetsen van de snelheid waarmee de Nederlandse industrie
verduurzaamt en de rol die de realisatie van benodigde infrastructuur en andere randvoorwaarden
zoals voldoende snelle vergunningverlening, betaalbare energieprijzen en nettarieven,
beschikbare subsidies en de hoogte van de CO2-heffing daarbij spelen?
Vraag 2
Kunt u tevens in beeld brengen wat de gevolgen voor de Nederlandse CO2-emissies zijn van de recente besluiten van industriële bedrijven om hun productie
in Nederland af te schalen of te stoppen? Hoeveel CO2-reductie zal het stoppen van deze productielocaties opleveren?
Vraag 3
Wat betekenen de ontwikkelingen met betrekking tot de snelheid waarmee de industrie
verduurzaamt voor de verwachte opbrengsten van de CO2-heffing industrie? Klopt het dat alleen de emissies die gereduceerd moeten worden
om het heffingsdoel van de CO2-heffing te halen, worden beprijsd en dat het feit dat er opbrengsten van de CO2-heffing worden verwacht dus betekent dat het heffingsdoel niet wordt gehaald?
Vraag 4
Welke berekening ligt ten grondslag onder de raming van de opbrengsten van de CO2-heffing en met hoeveel megatonnen CO2 wordt het heffingsdoel overschreden? Kunt u de berekening van de verwachte inkomsten
van de CO2-heffing delen met de Kamer?
Vraag 5
Worden de inkomsten van de CO2-heffing nog steeds geraamd op 291 miljoen euro of is er inmiddels een nieuwe raming
beschikbaar? Indien deze niet beschikbaar is, wanneer wordt er dan wel een nieuwe
raming verwacht?
Vraag 6
In hoeverre gaat de stelling van het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) nog op dat
met name in cluster 6 de kans bestaat dat bedrijven zonder reëel handelingsperspectief
een heffing zullen moeten betalen, omdat de kans op tijdige toegang tot energie-infrastructuur
(CO2, waterstof, elektriciteit) daar kleiner is dan in de vijf grote clusters1?
Vraag 7
Hoe groot is de kans op tijdige toegang tot energie-infrastructuur (CO2, waterstof, elektriciteit) in de verschillende industrieclusters? Zijn er daarbij
grote verschillen tussen de clusters? Is hier recent studie naar gedaan? Zo niet,
acht u het dan wenselijk om hier wel zo snel mogelijk onderzoek naar te laten doen?
Vraag 8
In hoeverre acht u het uitvoerbaar en rechtvaardig om naar aanleiding van de motie
Postma/Rooderkerk (Kamerstuk 29 826, nr. 240) alleen cluster 6 bedrijven met plannen voor elektrificatie vrij te stellen van de
CO2-heffing of te compenseren en dit voor de andere industrieclusters niet te doen? Voor
hoeveel cluster 6 bedrijven zou een dergelijke regeling een uitkomst kunnen zijn en
op welke wijze moeten deze bedrijven aantonen dat zij in aanmerking komen voor vrijstelling
of compensatie?
Vraag 9
In hoeverre zal een vrijstelling voor cluster 6 bedrijven leiden tot onwenselijke
gevolgen zoals onduidelijkheid en juridische procedures die ook als risico werden
genoemd in de discussie over een hardheidsclausule?
Vraag 10
Indien er toch vrijstelling wordt verleend aan cluster 6 bedrijven, klopt het dat
dit (net zoals bij het schrappen van de gehele CO2-heffing) effect heeft op het doelbereik van de CO2-heffing? Hoeveel megaton CO2-reductie zal hiermee niet ingevuld worden?
Vraag 11
Klopt het dat het rekenmodel waarmee het PBL de CO2-uitstoot van de industrie berekent ook netwerkkosten, energiebelastingen, de IKC
en de VCR meeneemt? Klopt het dat als een of meerdere van deze variabelen wijzigt,
dit altijd tot een verandering van de CO2-uitstoot in 2030 leidt (dus niet alleen als de CO2-heffing aangepast wordt)?
Vraag 12
Op welke manier zit het ongelijke speelveld dat ontstaat in Europa in het rekenmodel
van het PBL? Houdt het model ook rekening met de verschillen in energie- en netwerkkosten
tussen Europese lidstaten en het verschil tussen Nederland en de rest van de wereld?
Vraag 13
Klopt het dat het PBL zelf aangeeft dat in het rekenmodel geen rekening wordt gehouden
met een verandering in productievolumes van de industrie, terwijl dit wel op dit moment
het geval is (lagere productie)? Wat zou er gebeuren als er wel rekening gehouden
wordt met veranderende productievolumes? Moet het rekenmodel op dit punt worden aangepast
of is dat te complex?
Vraag 14
Klopt het dat het PBL al jarenlang, maar ook nog in de Tariefstudie 2024, waarschuwt
voor weglekeffecten? Is dat wat we nu in de praktijk zien gebeuren?
Vraag 15
Klopt het dat het PBL ook al jarenlang zegt dat er sprake is van een waterbedeffect
binnen de EU, namelijk dat een lagere emissie in de industrie in Nederland gecompenseerd
wordt binnen het EU Emissions Trading System (EU ETS) in andere EU-lidstaten?
Vraag 16
Neemt u de waarschuwing van het PBL serieus dat een te hoge nationale CO2-heffing de kans op afschalen van industriële productie in Nederland vergroot, waarmee
wel de emissies in Nederland worden verminderd, maar er niet wordt bijgedragen aan
de verduurzaming van de industrie in Nederland?
Vraag 17
Deelt u de constatering dat dit risico zich al voordoet en dat het verlagen of schrappen
van de nationale heffing een snelle en effectieve maatregel is om afschalen van industriële
productie te voorkomen, zodat de Nederlandse industrie wel hier kan verduurzamen?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Henri Bontenbal, Tweede Kamerlid