Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bruyning over het antwoord op vragen over het bericht 'Kinderen in bedwang gehouden met pijnprikkels, commissie tegen martelen kijkt mee in Nederland'
Vragen van het lid Bruyning (Nieuw Sociaal Contract) aan de Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het antwoord van Staatssecretaris Karremans op vragen over het bericht «Kinderen in bedwang gehouden met pijnprikkels, commissie tegen martelen kijkt mee in Nederland» (ingezonden 26 februari 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Karremans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
1 april 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024–2025, nr. 1672. Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024–2025, nr. 1684.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het antwoord op de vragen van het lid Van den Hil door de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Jeugd, Preventie en Sport)
van 5 november 2024?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat de Staatssecretaris in de beantwoording van vraag 9 stelt dat het helaas
niet mogelijk is om altijd elk incident te voorkomen? Accepteert de overheid dat een
stelsel faalt en tot incidenten kan leiden? Kunt u uitleggen hoe dat verenigbaar is
met de verplichting van de overheid om een kind te beschermen tegen huiselijk geweld
en fysieke of emotionele verwaarlozing? Klopt het dat het recht op bescherming hiertegen
valt onder het bereik van de artikelen 2, 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens?
Antwoord 2
Op grond van internationale verdragen – waaronder het EVRM en het IVRK – rust een
positieve verplichting op de overheid om kinderen te beschermen tegen alle vormen
van geweld, mishandeling en verwaarlozing. Daarbij dient de overheid passende maatregelen
te treffen om geweld te voorkomen. Indien een kind wordt geconfronteerd met geweld,
dan heeft de overheid de plicht te zorgen voor passende ondersteuning en hulp en in
te grijpen als dat nodig is.
De kans op (gewelds)incidenten met kinderen kan ik (helaas) niet naar nul reduceren.
Echter, dat wil niet zeggen dat ik enige vorm van geweld tegen kinderen accepteer.
Geweld van welke aard ook dient vanzelfsprekend achterwege te blijven bij de verlening
van jeugdhulp en bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.
De Jeugdwet staat geweld dan ook niet toe. Het uitgangspunt is dat kinderen zo gezond
en veilig mogelijk opgroeien. Met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomst Scenario
werken we aan het versterken hiervan. Daarnaast werk ik aan de uitvoering van de motie
van lid Westerveld om: «Met de aanbieders voortvarend te werken aan oplossingen, te
zorgen dat uiterlijk over een jaar geen tekortkomingen meer zijn waarbij kinderrechten
worden geschonden en de Kamer proactief te informeren als dit niet lukt». 2
Vraag 3
Deelt u de mening dat uit de door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gerapporteerde
incidenten in vorenbedoelde instellingen en uit de beantwoording van uw vragen van
het lid Van den Hil volgt dat incidenten voortkomen uit onmacht en onjuiste of achterhaalde
opleiding en opvattingen binnen de betreffende instellingen? Kunt u uw mening toelichten?
Antwoord 3
De IGJ heeft geconstateerd dat vastpakken en vasthouden niet altijd correct gebeurt
wanneer bijvoorbeeld (tijdelijk) personeel op een ««oude» manier is opgeleid of een
beveiliger zonder juiste opleiding «bijspringt». Het is daarom belangrijk dat instellingen
scherp zijn op het niveau van de kwaliteiten en vaardigheden van professionals, ook
bij de inhuur van tijdelijk personeel. Het borgen van de kwaliteit van het handelen
van professionals is een gedeelde verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid
ligt enerzijds bij de jeugdprofessional die het directe contact heeft met jeugdigen.
De jeugdprofessional moet beschikken over passende vaardigheden en kwaliteiten, een
SKJ- of BIG-registratie en zich houden aan de geldende beroepscodes. Anderzijds is
de werkgever verantwoordelijk voor de kwaliteit van haar werknemers, zij moet namelijk
kunnen instaan voor hun kwaliteiten en vaardigheden. Dit doet een werkgever onder
andere door diploma’s en een Verklaring omtrent gedrag (VOG) aan haar werknemers te
vragen en door hen de ruimte en tijd te bieden zich blijvend te ontwikkelen.
Vraag 4
Deelt u de mening dat daaruit kan worden afgeleid dat de incidenten binnen de instellingen
voortkomen uit een falend beleid van het bestuur van de instellingen, dat immers de
mogelijkheden heeft om te beschikken over de gedraging van het personeel door toereikend
goed gekwalificeerd personeel aan te nemen en goed te trainen en dat men, de bestuurder,
daardoor aanvaardt (door niet in te grijpen of te trainen) dat de incidenten plaatsvonden
en konden blijven plaatsvinden? Kunt u uw mening toelichten?
Antwoord 4
Het voorkomen van incidenten binnen een instelling kan meerdere oorzaken hebben. In
de beantwoording van de bovengenoemde vragen van het Kamerlid Van den Hil staat bijvoorbeeld
dat jongeren ook pijn kunnen ervaren als gevolg van een escalatie waarbij medewerkers
een jongere vastpakken. Dat laat onverlet dat bestuurders eindverantwoordelijk zijn
voor de kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. Het is
de verantwoordelijkheid van de werkgever om te beschikken over gekwalificeerd personeel
en ervoor te zorgen dat professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming
van de voor hen geldende professionele standaarden. Niet voor niets neemt de IGJ de
verbeterkracht van een instelling (na een toezicht) mee in het wegen van het vertrouwen
dat de instelling zelf geconstateerde tekortkomingen zelfstandig kan en zal oplossen.
Vraag 5
Wat is uw standpunt over het bestuur van de betreffende instellingen als zij niet
gekwalificeerd personeel aannemen of onvoldoende trainen voor dergelijke situaties?
Antwoord 5
Ik kan geen uitspraken doen over het handelen van een bestuur. In het algemeen kan
ik melden dat jeugdigen en hun ouders recht hebben op zorg van goede kwaliteit die
voldoet aan professionele standaarden. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 aangaf,
is het bestuur van een instelling eindverantwoordelijk voor onder andere de kwaliteit
van de zorg. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de IGJ hebben gezamenlijk het
kader «Goed Bestuur» ontwikkeld, dat geldt voor alle zorgaanbieders, ongeacht de omvang
of organisatiestructuur. Dit kader is gebaseerd op wetgeving, veldnormen en goede
voorbeelden. Ook de Governancecode Zorg biedt bestuurders en toezichthouders een instrument
om de governance zo in te richten dat die bijdraagt aan het waarborgen van goede jeugdhulp.
Het is de taak van de raad van toezicht om toezicht te houden op het beleid van het
bestuur van een instelling en de algemene gang van zaken. Een raad van toezicht kan
een bestuurder, waarvan de raad oordeelt dat deze niet goed functioneert, schorsen
of ontslaan. Goede controle van de raad van toezicht, door bijvoorbeeld periodiek
contact met medezeggenschapsorganen uit de organisatie, verkleint het risico op incidenten
binnen instellingen.
Vraag 6
Bent u van mening dat hier de bestuurdersaansprakelijkheid zou moeten gelden en bestuurders,
als zij niet voldoende maatregelen nemen om dergelijke incidenten te voorkomen, ook
bij de rechter aansprakelijk gesteld moeten kunnen worden? Kunt u uw mening onderbouwen?
Antwoord 6
De hoofdregel is dat de organisatie wordt aangesproken en niet de bestuurder(s). Bestuurdersaansprakelijkheid
is derhalve een uitzondering. In sommige situaties is het evenwel gerechtvaardigd
dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk gesteld wordt. Dit kan zich onder andere
voordoen als personen of organisaties schade hebben geleden als gevolg van het handelen
(of nalaten) van een bestuurder.
Van bestuurdersaansprakelijkheid is in dat geval sprake als wordt voldaan aan de vereisten
van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en de bestuurder een voor hem/haar geldende
norm zodanig heeft geschonden dat hem persoonlijk een «ernstig verwijt» kan worden
gemaakt.
Of aan deze criteria wordt voldaan als de bestuurder nalaat maatregelen te treffen
om incidenten te voorkomen, hangt af van de omstandigheden en is in een voorkomend
geval ter beoordeling aan de rechter. In algemene zin is hierop geen bevestigend antwoord
te geven.
Vraag 7
Indien u het ermee eens bent, welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat dit
kan?
Antwoord 7
Uit het antwoord op vraag 6 volgt dat personen of organisaties die schade hebben geleden
door het handelen of nalaten van een bestuurder van een rechtspersoon, de bestuurder
aansprakelijk kunnen stellen. Of een bestuurder in een concreet geval daadwerkelijk
aansprakelijk is, hangt af van de omstandigheden en is ter beoordeling aan de rechter.
Vraag 8
Indien u het niet eens bent met hetgeen in vraag 6 is gesteld: waarom niet?
Antwoord 8
Uit het antwoord op vraag 6 volgt dat het aansprakelijk stellen van de bestuurder
van een rechtspersoon door de persoon of organisatie die schade heeft geleden in het
algemeen mogelijk is. Of de bestuurder in een concreet geval daadwerkelijk aansprakelijk
is, hangt af van de omstandigheden en is ter beoordeling aan de rechter.
Vraag 9
De Kamer ontvangt regelmatig signalen dat jongeren die aangifte willen doen tegen
de instelling of medewerkers van de instelling wegens mishandeling of geweld, door
de politie worden geadviseerd dit niet te doen of dat aangiften stelselmatig worden
opgelegd of geseponeerd: wat vindt u hiervan?
Antwoord 9
Iedereen heeft altijd het recht om aangifte te doen indien men slachtoffer is van
een strafbaar feit. Bij een melding door een jongere bij de politie gaat de politie
in gesprek met het slachtoffer om te bezien hoe deze het beste kan worden geholpen
en uitleg te geven over de opties. Daarin komt ook het proces van aangifte en bewijsvoering
ter sprake.
Er zijn ook andere manieren om als jongere individuele erkenning en genoegdoening
te verkrijgen. In mijn antwoorden van 8 november 2024 op vragen van het lid Westerveld
(GL/PvdA) ben ik hierop ingegaan.3 Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld doordat een instelling excuses maakt
voor leed dat een jeugdige bij hen heeft ondervonden, of een gesprek tussen jeugdigen
en hun oud-behandelaars. Een andere mogelijkheid is via de klachtenregeling van de
instelling. De jongere kan de instelling civielrechtelijk aanspreken en zo nodig een
gerechtelijke procedure te starten. In dat geval is het uiteindelijk aan de rechter
om te beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen.
Het recht op een eerlijk proces is opgenomen in onze Grondwet en diverse internationale
(mensenrechten) verdragen. Dit recht geldt ook voor jongeren die te maken hebben gehad
met ongeoorloofd geweld. Jongeren kunnen daarbij op een laagdrempelige wijze worden
ondersteund door bijvoorbeeld de kinderen- en jongerenrechtswinkel en Jeugdstem.
Het is uiteindelijk aan het Openbaar Ministerie (OM) te beslissen of het tot een vervolging
komt.
Vraag 10
Bent u van mening dat als kwetsbare jongeren binnen een beoogd beschermde en veilige
omgeving geconfronteerd worden met dergelijk geweld, zij altijd aangifte moeten kunnen
doen van strafbare handelingen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Antwoord 10
Zie het antwoord op vraag 9.
Vraag 11
In het verlengde van vraag 6: bent u van mening dat ook hier de bestuurdersaansprakelijkheid
moet gelden? Kunt u uw antwoord motiveren?
Antwoord 11
Uit het antwoord op vraag 6 volgt dat van (externe) bestuurdersaansprakelijkheid sprake
is als wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en
de bestuurder een voor hem/haar geldende norm zodanig heeft geschonden dat hem persoonlijk
een «ernstig verwijt» kan worden gemaakt.
Of aan deze criteria wordt voldaan hangt af van de omstandigheden en is in een voorkomend
geval ter beoordeling aan de rechter. In algemene zin is hierop geen bevestigend antwoord
te geven.
Vraag 12
Vindt u dat de overheid, die een verzwaarde zorgplicht heeft als kinderen op grond
van een kinderbeschermingsmaatregel worden geplaatst in een accommodatie voor jeugdzorg,
kinderen mag blijven plaatsen in instellingen die er blijk van geven dat zij de fysieke
veiligheid van kinderen niet borgen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Antwoord 12
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulpinstellingen, waaronder of sprake
is van een veilige situatie. Als daarvan geen sprake is dient de instelling in opdracht
van de IGJ een verbeterplan op te stellen. Bij een laag vertrouwen (in de verbeterkracht)
kan de inspectie andere interventies inzetten, zoals verscherpt toezicht of een aanwijzing.
Als de directe veiligheid van kinderen in het geding is, informeert de IGJ de plaatsende
instanties daarover.
Vraag 13
Klopt het dat de IGJ rapporteert4 dat de ombouw van gesloten jeugdzorg door de keten niet of onvoldoende wordt opgepakt
en daarover haar zorgen uit? Bent u op de hoogte dat de Rijksuniversiteit Groningen
beschikt over een onderzoeksopzet om een alternatief uit te werken door de geslotenheid
die nodig kan zijn, te bieden in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
en de Wet zorg en dwang? Overweegt u, gelet op de zorgen van de IGJ, aan deze universiteit
een onderzoeksopdracht te geven?
Antwoord 13
Het klopt dat IGJ haar zorgen geuit heeft dat de ombouw van de gesloten jeugdhulp
onvoldoende gepaard gaat met de opbouw van alternatieve vormen van hulp. Ik heb u
daarover eerder geïnformeerd.5 Ik ken de onderzoeksopzet van de Rijksuniversiteit Groningen niet. Ik zal daar navraag
naar doen.
Vraag 14
Bent u bereid de wet aan te scherpen, zodat mishandeling en andere zaken in de jeugdzorg
grond zijn voor een forse strafverzwaring, omdat deze jongeren aan de instellingen
zijn toevertrouwd en zij daarvoor betaald worden met publiek geld?
Antwoord 14
Het is uiteraard van groot belang dat gevallen van mishandeling in de jeugdzorg, waarbij
sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen de minderjarige en degene aan wiens
zorg hij is toevertrouwd, passend worden bestraft. Met de Wet herwaardering strafbaarstelling
actuele delictsvormen, die op 1 januari 2020 in werking is getreden, is de strafverzwaringsgrond
bij mishandeling van een minderjarige in een afhankelijkheidsrelatie dan ook uitgebreid
tot andere personen dan directe familieleden tot wie het kind in een afhankelijkheidsrelatie
verkeert, zoals personen werkzaam in zorginstellingen, internaten, op scholen en in
de buitenschoolse opvang. Deze strafverzwaringsgrond kan van toepassing zijn op medewerkers
in de jeugdzorg. In dergelijke gevallen kan de gevangenisstraf die is gesteld op het
gepleegde misdrijf met een derde worden verhoogd (artikel 304, eerste lid, aanhef
en onderdeel 1, Sr). Ook als een minderjarige stelselmatig wordt mishandeld, kan de
gevangenisstraf die op het misdrijf is gesteld, met een derde worden verhoogd (artikel
304, eerste lid, aanhef en onderdeel 2, Sr). Deze strafverzwaringsgrond is met dezelfde
wet geïntroduceerd, zodat bij langdurige mishandeling met vaak grote impact op slachtoffers
een zwaardere straf kan worden opgelegd.
Vraag 15
Bent u bereid om standaard schadevergoedingen vast te stellen voor jongeren bij overtreding
van verboden?
Antwoord 15
Ik zie vooralsnog geen aanleiding om de bestaande mogelijkheden tot het verkrijgen
van een vergoeding verder uit te breiden. Op dit moment kent ons systeem namelijk
al verschillende mogelijkheden om een schadevergoeding of tegemoetkoming te krijgen.
Indien sprake is van (im)materiële schade kan dit worden verhaald op de degene die
deze schade heeft veroorzaakt. Dit kan in een civiele procedure, maar dit kan ook
tijdens een eventuele strafrechtelijke procedure. In het strafrechtelijk kader is
het mogelijk om je als benadeelde partij te voegen in het strafproces. Als benadeelde
partij kan je de rechter verzoeken om een vergoeding van (im)materiële schade. In
een civiele procedure is het mogelijk om een schadevergoeding te verzoeken in het
kader van een onrechtmatige daad. In zowel de strafrechtelijke als civiele procedure
is het de rechter die beslist over de eventuele toe te kennen schadevergoeding.
Daarnaast kan een slachtoffer zich wenden tot het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Onder
bepaalde voorwaarden kent het Schadefonds een financiële tegemoetkoming toe. Zo moet
er onder andere sprake zijn van een geweldsmisdrijf met opzet of een seksueel misdrijf
waaruit ernstig lichamelijk of psychisch letsel is voortgekomen. De tegemoetkoming
wordt alleen toegekend indien de dader of een verzekering de schade reeds vergoedt.
Daarnaast kunnen slachtoffers van een gewelds- of seksueel misdrijf een aanvraag voor
een tegemoetkoming indienen bij het Schadefonds. Er gelden wel een aantal voorwaarden
om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming. Zo moet er o.a. sprake zijn van
een geweldsmisdrijf met opzet of een seksueel misdrijf, dient er sprake te zijn van
ernstig of lichamelijk letsel, dient het misdrijf in Nederland te hebben plaatsgevonden
en is relevant of een slachtoffer een eigen aandeel heeft in het gebeurde.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.