Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op de vragen van het lid Westerveld over het toepassen pijnprikkels in jeugdzorginstellingen
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het toepassen pijnprikkels in jeugdzorginstellingen (ingezonden 10 februari 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Karremans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
24 maart 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2024–2025, nr. 1453.
Vraag 1
Kunt u verklaren hoe het kan dat u in antwoord op eerdere Kamervragen stelt dat het
toepassen van een bokkepootje valt onder de definitie van «kindermishandeling» terwijl
het Openbaar Ministerie (OM) in de brief aan Daisy erkent dat bokkepootjes zijn toegebracht,
maar ook stelt dat er «geen aanwijzingen gevonden dat er door medewerkers (opzettelijk)
buiten de geldende kaders of protocollen is gehandeld op het gebied van fysiek ingrijpen.»?
Deelt u de mening dat dit een andere lezing is van de wet?
Antwoord 1
Zoals eerder in de media1 is verschenen hebben meerdere voormalig bewoners van behandelcentrum Woodbrookers
aangifte gedaan, waarop politie en justitie een onderzoek zijn gestart. Het Openbaar
Ministerie (OM) heeft in september 2024 besloten om het onderzoek naar mogelijke mishandelingen
te beëindigen. Deze beslissing heeft in één geval tot een artikel 12 Wetboek van Strafvordering
(12 Sv-procedure) geleid. Dat betekent dat er sprake is van een lopende procedure
en ik daarover geen inhoudelijke mededelingen kan doen.
Vraag 2
Welk beoordelingskader hanteert het OM? Hoe kan het dat dit beoordelingskader het
toepassen van een handeling die als doel heeft pijn toe te brengen (een bokkepootje)
niet kwalificeert als «kindermishandeling»? Hoe is dit te rijmen met de Jeugdwet en
met internationale mensenrechtenverdragen?
Antwoord 2
Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 1 aangeef, is er sprake van een lopende procedure
zodat ik geen inhoudelijke mededelingen kan doen. In antwoord op eerdere vragen van
het lid Bruyning heb ik u reeds laten weten dat het OM heeft onderzocht in hoeverre
de medewerkers van het behandelcentrum Woodbrookers hebben gehandeld in overeenstemming
met geldende wet- en regelgeving en de toen geldende protocollen die betrekking hadden
op de FMT-methode (fysiek mentale weerbaarheidstraining).2 De Nederlandse regelgeving moet, als het gaat om het beperken van grondrechten voldoen
aan de eisen van de Grondwet en de internationale mensenrechtenverdragen. De Jeugdwet
voldoet aan die eisen. Als instellingen richtlijnen en protocollen vaststellen, dan
zullen deze ook altijd moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving.
Vraag 3
Welke methodes zijn er precies toegestaan in de jeugdzorg? Welke concrete interventietechnieken
vallen daar precies onder? Wat is het kader waar medewerkers op kunnen terugvallen
wanneer zij in een risicovolle situatie terechtkomen? Wat is daarin concreet toelaatbaar?
Antwoord 3
De Jeugdwet stelt nadrukkelijk voorwaarden aan het toepassen van vrijheidsbeperkende
maatregelen zoals het vastpakken en vastpakken en vasthouden. Uitgangspunt is altijd
het nee, tenzij beginsel: alleen vrijheidsbeperking als er geen minder zwaar alternatief
is, het proportioneel is en naar verwachting effectief. En vrijheidsbeperking moet
gericht zijn op:
• het waarborgen van de veiligheid van een jeugdige of anderen;
• het afwenden van gevaar voor de gezondheid van een jeugdige of anderen; of
• het bereiken van de met de jeugdhulp beoogde doelen voor de ontwikkeling van de jeugdige,
die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen.
Aanbieders van gesloten jeugdhulp moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers volgens
de geldende richtlijnen opleiden zodat vastpakken en vasthouden alleen gebeurt op
basis van dit nee, tenzij beginsel en zonder toediening van pijnprikkels. Zij maken
gebruik van methodes waarbij ontwikkelingsgericht gewerkt wordt en die de-escalatie
bevorderen. Voorbeelden van methodieken zijn de presentiebenadering, geweldloos verzet
of nonviolent resistance en positive behaviour support. Daarnaast voorziet de richtlijn
Residentiële jeugdhulp professionals van handvatten voor het hanteren van regels en
het omgaan met regelovertreding.
Vraag 4
Wat is de precieze definitie van «Geweld» zoals beschreven in de Jeugdwet onder artikel 4.1.8
en de meldcode Geweld door hulpverleners?
Antwoord 4
In artikel 1.1 Jeugdwet is een definitie van geweld bij de verlening van jeugdhulp
of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgenomen.
In de memorie van toelichting staat dat geweld van welke aard ook vanzelfsprekend
achterwege dient te blijven bij de verlening van jeugdhulp en bij de uitvoering van
een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering3. Dit betekent dat «geweld» in de brede zin van het woord moet worden uitgelegd. In
de leidraad van de IGJ wordt geweld dan ook als volgt gedefinieerd: «geweld bij de
verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering:
lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging
daarmee, door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde
instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in opdracht
van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een andere
jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel
bij de aanbieder verblijft».
Ik ben echter niet bekend met een meldcode «Geweld door hulpverleners».
Vraag 5
Op welke manier controleert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of er sprake
is van «vastpakken en beethouden» (artikel 6.3.2.2) zoals beschreven in de memorie
van toelichting bij de Wet Rechtspositie Gesloten Jeugdhulp? Is het inspectiekader
aangepast na ingang van de wet?
Antwoord 5
De IGJ heeft in het afgeronde toezicht op de gesloten jeugdhulp gecontroleerd op alle
vormen van vrijheidsbeperking zoals deze op dat moment in de veldnormen stonden en
nu in de aangepaste Jeugdwet staan. Vastpakken en vasthouden is er daar één van. Daarbij
heeft de IGJ de volgende norm uit het voor de gesloten jeugdhulp geoperationaliseerde
toetsingskader gehanteerd: vastpakken en vasthouden wordt alleen ingezet in situaties
van acute onveiligheid en met toepassing van het 4-ogen principe. De IGJ heeft op
vrijheidsbeperking gecontroleerd door over de toepassing hiervan in gesprek te gaan
met jongeren en medewerkers. Ook heeft de IGJ gekeken naar de geregistreerde incidenten
en toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen door de instellingen en gecontroleerd
of de scholing van medewerkers op orde was. Het toezichtkader dat de IGJ hanteert
voor de gesloten jeugdhulp is aangepast na ingang van de wet.
Vraag 6
Op welke manieren wordt in de opleiding voor hulpverleners en jeugdbeschermers nu
geleerd wat wel en niet is toegestaan volgens de huidige wet- en regelgeving? Hoe
worden begeleiders in instellingen opgeleid zodat ze weten wat ze moeten doen als
die fysieke begrenzing noodzakelijk is? Hoe is dit onderdeel van opleidingen en nascholingstrajecten?
Heeft iedere hulpverlener die met minderjarigen werkt hier kennis van genomen?
Antwoord 6
In de landelijke opleidings- en competentieprofielen van de bacheloropleidingen tot
hbo-pedagoog en social worker profiel jeugd zijn recht en wetgeving opgenomen als
onderdeel van het onderwijs. Tijdens hun opleiding doen studenten onder andere kennis
over de actuele maatschappelijke context van hun werk op, gebaseerd op onder andere
politicologie, recht, beleid en wet- en regelgeving. De HBO-opleidingen pedagogiek
en de vijf landelijke opleidingsoverleggen hebben de landelijke profielen in het domein
sociaal werk van de sector hogere sociale studies opgesteld.
Professionals volgen, eenmaal werkzaam, ook scholing binnen hun organisatie. Zo krijgen
professionals in de gesloten jeugdhulp bijvoorbeeld structureel training in de-escalerend
werken en het voorkomen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Ik verwijs hierbij ook
naar de beantwoording van eerdere Kamervragen4.
Daarnaast voorziet de richtlijn Residentiële jeugdhulp professionals van handvatten
voor het hanteren van regels en het omgaan met regelovertreding.
Tenslotte geldt voor SKJ-geregistreerde professionals dat zij meerdere geaccrediteerde
na- en bijscholingsopleidingen op het gebied van verbale en fysieke agressiepreventie
en -hantering kunnen volgen.
Niet alleen professionals, maar ook jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
hebben een verantwoordelijkheid in het bevorderen en blijven ontwikkelen van de vaardigheden
van professionals. Zij zijn namelijk verplicht om ervoor te zorgen dat geregistreerde
professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende
professionele standaarden.
Vraag 7
Kunnen jongeren die in het verleden in een instelling zaten nog steeds gebruik maken
van de klachtenregeling van deze instellingen of is de enige optie die hen rest een
civielrechtelijke procedure? Wanneer dat laatste het geval is, deelt u dan de mening
dat deze procedure in schril contrast staat met het belang van laagdrempelige manieren
om misbruik aan te kaarten en erkenning te krijgen?
Antwoord 7
Op grond van artikel 4.2.1 Jeugdwet hebben jongeren de mogelijkheid een formele klacht
in te dienen bij de klachtencommissie van de betreffende jeugdhulpaanbieder. De klachtenprocedure
heeft tot doel dat de jongere zich gehoord voelt en mogelijk genoegdoening krijgt,
het bewaren en/of herstellen van de hulpverleningsrelatie en het verbeteren van de
kwaliteit van zorg. De Jeugdwet schrijft geen termijn voor waarbinnen de klacht moet
zijn ingediend. In het klachtenreglement van de betreffende jeugdhulpaanbieder kan
echter wel een termijn zijn opgenomen waarbinnen de klacht dient te zijn ingediend.
Deze termijn kan per klachtenregeling verschillen.
Naast de klachtenprocedure kan een civielrechtelijke procedure worden gestart, bijvoorbeeld
in het geval van een vermeende onrechtmatige daad. De insteek van de civielrechtelijke
procedure is anders dan het doel van een klachtenprocedure. In een civielrechtelijke
procedure gaat het voornamelijk om het vaststellen van rechten en verplichtingen.
Het is uiteindelijk de rechter die beoordeelt of sprake is van onrechtmatig handelen
op grond waarvan een recht op schadevergoeding kan bestaan. Een civielrechtelijke
procedure is geen laagdrempelige manier om misbruik of misstanden aan te kaarten,
dat ben ik met u eens. Wel kunnen jongeren op bij een eventuele procedure op een laagdrempelige
wijze worden ondersteund door bijvoorbeeld de kinderen- en jongerenrechtswinkel en
Jeugdstem. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Vraag 8
Bedoelt u met uw antwoord op vraag 12 dat er een aparte evaluatie komt van de aanbevelingen
van het rapport van Commissie De Winter, aangezien deze commissie niet is meegenomen
in de recente rapportage over het Schadefonds Geweldsmisdrijven? Zo ja, weet u wat
de publicatiedatum is? Wordt in de evaluatie naar de aanbevelingen van Commissie De
Winter ook gekeken naar de groep mensen die buiten de boot viel bij het aanvragen
van een geldbedrag via de tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming, omdat zij
net buiten de criteria vielen, zoals jongeren die na 2019 mishandeling in een instelling
hebben meegemaakt of op het moment waarop het gebeurde net 18 waren geworden?5
Antwoord 8
De Universiteit voor Humanistiek, onder coördinatie van het WODC, evalueert alle erkenningsmaatregelen
naar aanleiding van het rapport van de Commissie De Winter. De tijdelijke regeling
financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg is hier onderdeel
van. In het onderzoek is ook aandacht voor (de gevolgen van) de afbakening van de
regeling. Het WODC verwacht de evaluatie nog voor de zomer te publiceren. U ontvangt
deze evaluatie.
Vraag 9
Klopt onze lezing dat personen die jeugdhulp in het verleden kregen, het recht hebben
hun (medisch) dossier op te vragen en dit in principe ingewilligd moet worden? Klopt
het ook dat (delen van) dossiers niet vernietigd mogen worden zonder toestemming van
de betrokkene? Wat kan een betrokkene doen als inzage in het dossier wordt onthouden
of delen daarvan niet meer lijken te bestaan?
Antwoord 9
Op grond van artikel 7.3.8 Jeugdwet zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om een dossier
bij te houden. Desgevraagd verleent de jeugdhulpverlener de betrokkene inzage in de
gegevens uit het dossier ingevolge artikel 7.3.10 Jeugdwet. Betrokkenen van twaalf
jaar en ouder hebben een zelfstandig recht op inzage in hun gegevens uit het dossier.
De wettelijk vertegenwoordigers van minderjarigen hebben – zolang de minderjarige
de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt – eveneens een zelfstandig inzagerecht.
Het feit dat recht op inzage in gegevens uit het dossier bestaat, betekent echter
niet dat de betrokkene recht heeft op het «volledige» dossier. Het dossier kan namelijk
ook gegevens bevatten van «derden». De verstrekking van deze informatie blijft achterwege
voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van derden. Ook kan de hulpverlener besluiten om geen inzage in (bepaalde)
gegevens uit het dossier te verlenen indien hij daardoor niet geacht kan worden de
zorg van een goed jeugdhulpverlener in acht te nemen. Zie in dit verband artikel 7.3.10
en 7.3.11 lid 3 Jeugdwet.
Wat betreft het bewaren en vernietigen van het dossier. In beginsel bewaart een jeugdhulpverlener
het dossier gedurende twintig jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste
wijziging in het dossier heeft plaatsgevonden, of zoveel langer als redelijkerwijs
uit de zorg van een goed jeugdhulpverlener voortvloeit. In de tussentijd worden gegevens
uit het dossier niet vernietigd, tenzij de betrokkene daartoe een uitdrukkelijk verzoek
doet en zich geen weigeringsgrond uit het tweede lid van artikel 7.3.9 Jeugdwet voordoet.
Is het dossier (onbedoeld) zonder verzoek daartoe vernietigt, verloren of kwijtgeraakt,
dan dient de jeugdhulpaanbieder na te gaan of er sprake is van een datalek dat moet
worden gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en betrokkenen.
Indien een instantie privacyrechten niet of onvoldoende naleeft, kan de betrokkene
een klacht indienen bij de betreffende instantie of de Autoriteit Persoonsgegevens.
Daarnaast kan de betrokkene (zonder advocaat) een verzoekschrift indienen bij de Sector
Civiel van de rechtbank.6
Vraag 10
Deelt u de mening dat een website met informatie en chatten met medewerkers van het
CIE (zoals in antwoord op vraag 10) nuttig is, maar wel wat anders is dan langdurige
en gespecialiseerde slachtofferhulp, die soms noodzakelijk is? Zo ja, wat gaat u doen
om dit te regelen en zo daadwerkelijk opvolging te geven aan de aanbevelingen?
Antwoord 10
Het CIE is opgericht in lijn met de aanbeveling van Commissie De Winter dat slachtoffers
hun verhaal kunnen vertellen en erkenning kunnen krijgen voor hun nare herinneringen.
Het CIE helpt slachtoffers waar mogelijk in de toeleiding naar passende zorg in het
bestaande reguliere hulpaanbod. De evaluatie van de erkenningsmaatregelen zoals genoemd
onder vraag 8 zal ook ingaan op de wijze waarop het CIE tegemoetkomt aan de behoeften
van slachtoffers.
Vraag 11
Bij wie kunnen jongeren terecht die in een instelling zaten die diverse keren door
de IGJ is berispt, onder toezicht heeft gestaan en uiteindelijk zelfs is gesloten
vanwege geconstateerde misstanden, nu de strafrechtelijke weg afgesloten lijkt te
zijn? Deelt u de mening dat jongeren die in een instelling zaten, en aangeven daar
mishandeld te zijn, recht hebben op een eerlijk proces en daar ook laagdrempelige
juridische ondersteuning bij nodig is? Zo ja, waar kunnen zij terecht? Zo nee, hoe
rijmt u dit met de aanbevelingen van Commissie De Winter?
Antwoord 11
Zoals ik in mijn antwoorden van 8 november 2024 aangaf, kan ik mij zeer goed voorstellen
dat jongeren die geweld hebben meegemaakt in een instelling behoefte hebben aan individuele
erkenning en genoegdoening.7 Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld doordat een instelling excuses maakt
voor leed dat een jeugdige bij hen heeft ondervonden, of een gesprek tussen jeugdigen
en hun oud-behandelaars. Een andere mogelijkheid is via de klachtenregeling van de
instelling, of de strafrechtelijke route door middel van een aangifte bij de politie.
Het is aan het OM te bepalen of er sprake is van een strafbaar feit dat kan worden
vervolgd. Ik kan me daarbij voorstellen dat slachtoffers die aangifte hebben gedaan,
teleurgesteld zijn als de aangifte niet tot een vervolging leidt. Tegen de beslissing
van het OM niet tot vervolging over te gaan, kan een klacht bij het gerechtshof worden
ingediend (12 Sv-procedure). De jongere kan de instelling civielrechtelijk aanspreken
en zo nodig een gerechtelijke procedure te starten. In dat geval is het uiteindelijk
aan de rechter om te beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen.
Het recht op een eerlijk proces is opgenomen in onze Grondwet en diverse internationale
(mensenrechten) verdragen. Dit recht geldt ook voor jongeren die te maken hebben gehad
met ongeoorloofd geweld. Jongeren kunnen daarbij op een laagdrempelige wijze worden
ondersteund door bijvoorbeeld de kinderen- en jongerenrechtswinkel en Jeugdstem.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.