Schriftelijke vragen : Onderzoek Lucratiefbelangregeling (Ministerie van Financiën Februari 2025).
Vragen van de leden Idsinga (Nieuw Sociaal Contract) en Stultiens (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Financiën over Onderzoek Lucratiefbelangregeling (Ministerie van Financiën Februari 2025) (ingezonden 14 maart 2025).
Vraag 1
Klopt het dat private equity managers in veel gevallen op dit moment belasting betalen
in box 2 in plaats van in box 1, tegen een veel lager toptarief van 31 procent? Wat
rechtvaardigt volgens u dit verschil van 18,5 procentpunt?
Vraag 2
In hoeverre klopt het volgens u dat het hier om 3.000 gevallen gaat, zoals in het
onderzoek wordt genoemd? Bestaat de kans dat het in werkelijkheid om veel meer gevallen
gaat?
Vraag 3
Wat is de gemiddelde grondslag van deze groep van 3.000 belastingplichtigen in box 2?
Wat is het gemiddelde inkomen van deze groep in box 1?
Vraag 4
Klopt het dat een doorsnee private equity manager al snel enkele miljoenen per jaar
verdient? Zo nee, wat is wat u betreft een realistischere schatting? Indien u deze
vraag niet kunt beantwoorden, bent u dan bereid dit verder te onderzoeken?
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat heffing in box 1 in plaats van box 2, uitgaande van ongeveer
3.000 belastingplichtigen, een gemiddeld inkomen van vijf miljoen euro en heffing
tegen 49,5 procent in plaats van 31 procent, ongeveer 2,8 miljard euro oplevert? Heeft
u een nauwkeuriger schatting van de gederfde inkomsten door de huidige lucratief belangregeling?
Vraag 6
Bent u het ermee eens dat «lucratief belang» betekent dat het rendement op een belegging
disproportioneel hoog is en in feite een beloning is voor geleverde arbeid? Bent u
het ermee eens dat de consequentie daarvan zou moeten zijn dat deze beloning ook als
zodanig zou moeten worden belast?
Vraag 7
Bent u van mening dat het beperken van de druk op de uitvoeringscapaciteit van de
Belastingdienst van groter belang is dan het gelijk belasten van inkomen uit arbeid,
ongeacht de gebruikte constructie? Zo nee, kunt u toelichten waarom dit beginsel op
dit moment in de praktijk geschonden wordt door het inkomen van private equity managers
via de lucratiefbelangregeling in box 2 te belasten in plaats van in box 1?
Vraag 8
Is het rekenmodel waarmee bepaalbaar is wat de minimumprijs is voor de verwerving
van lucratieve rechten/belangen openbaar? Zo ja, kunt u dat model naar de Kamer zenden?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Bent u het ermee eens dat het buitengewoon ingewikkeld is de minimumprijs vast te
stellen van lucratieve rechten/belangen? Klopt het dat de vastgestelde minimumprijs
vaak niet wordt betaald en ook niet betaald kan worden door de deelnemer? Bent u het
ermee eens dat er dus geheven wordt over niet-bestaand inkomen van de deelnemer?
Vraag 10
Klopt het dat de deelnemer in de regel geld krijgt geleend van de private equity-firma
om de fiscale last te financieren? Wat is de fiscale behandeling van een kwijtschelding
van die schuld, mochten deelnemers bij een deconfiture de schuld niet kunnen voldoen?
Vraag 11
Bent u het ermee eens dat de schuld aan de private equity-firma ertoe leidt dat de
deelnemer er groot belang bij heeft in de eerste plaats de belangen van de aandeelhouder
te dienen en niet het belang van het desbetreffende bedrijf?
Vraag 12
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is heffing te laten plaatsvinden op basis
van daadwerkelijk genoten inkomen, gegeven de in de voorgaande vragen beschreven context?
Vraag 13
Klopt het dat het vaststellen van de minimumprijs voor de werking van de loonbelasting
en inkomstenbelasting een groot beroep doet op de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst?
Vraag 14
Bent u het ermee eens uitstel van heffing tot het moment van verzilvering van de lucratieve
rechten/belangen op basis van een verzoek vooraf daartoe uitvoeringscapaciteit vrij
zou maken?
Vraag 15
Bent u het ermee eens dat door alleen uitstel op verzoek vooraf toe te staan de informatiepositie
van de Belastingdienst goed geborgd zou blijven?
Vraag 16
Klopt het dat in de aangifte niet naar het bezit van een lucratief belang wordt gevraagd?
Wat is de reden daarvoor?
Vraag 17
Bent u bekend met het feit dat een zoekopdracht op rechtspraak.nl naar uitspraken
over lucratief belang na 1 januari 2015 127 resultaten oplevert? Bent u van mening
dat dit een «gering» aantal procedures is?
Vraag 18
Bent u bekend met de volgende zaken die twee belastingplichtigen betreffen in vergelijkbare
situaties: ECLI:NL:HR:2024:1132, ECLI:NL:GHDHA:2022:317, ECLI:NL:RBDHA:2019:9410,
ECLI:NL: GHDHA:2021:1985, ECLI:NL:HR:2024:1131, ECLI:NL:GHDHA:2022:314, ECLI:NL:RBDHA:2019:9405,
ECLI:NL:GHDHA:2021:1983, ECLI:NL:RBDHA:2019:9407, ECLI:NL:RBDHA:2019:9408, ECLI:NL:RBDHA:2019:9405 en ECLI:NL:RBDHA:2019:9406?
Vraag 19
Bent u van mening dat deze zaken een groot beslag leggen op de uitvoeringscapaciteit
van de Belastingdienst? Hoe is dit volgens u te rijmen met het feit dat de invoering
van de lucratiefbelangregeling ingewikkelde kwalificatie- en waarderingsdiscussies
moest voorkomen?
Vraag 20
Bent u het ermee eens dat bovenstaande zaken veel eenvoudiger zouden zijn geweest
zonder het bestaan van de doorstootregeling en de mogelijkheid lucratieve belangen
onder te brengen in box 2 en dat de belastingopbrengsten in dat geval ook hoger zouden
zijn geweest?
Vraag 21
Bent u het ermee eens dat er een te groot beroep is gedaan op ons rechterlijk systeem
omdat (nagenoeg) alle ambtenaren behalve de landelijk vaktechnisch coördinator (lavaco)
niet bekend waren met de lucratiefbelangregeling? Kunt u toelichten waarom de adviezen
van de lavaco in deze kwestie niet zijn opgevolgd?
Vraag 22
Klopt het dat het overgrote deel van de private equity-transacties bestaat uit het
aan- en verkopen van ondernemingen, zonder dat er daadwerkelijk geld wordt geïnvesteerd
in die ondernemingen? Kunt u aangeven hoeveel private equity-firma’s de afgelopen
jaren daadwerkelijk hebben geïnvesteerd in ondernemingen (los van de aankoop)?
Vraag 23
Kunt u uitgebreid uitleggen wat u bedoelt met de uitspraak dat de bestendiging van
het huidige systeem ook goed zou zijn voor het vestigingsklimaat? Voor wie van de
betrokken partijen wordt het vestigingsklimaat verbeterd en op welke manier is dat
in het belang van de Nederlandse economie of samenleving? Bent u het ermee eens dat
het verbeteren van het vestigingsklimaat niet relevant is voor de aangekochte onderneming,
aangezien deze al in Nederland is gevestigd?
Vraag 24
Bent u van mening dat Nederland een aantrekkelijk vestigingsklimaat moet hebben voor
private equity-managers? Zo ja, waarom? Vindt u dat de fiscaliteit daarvoor moet worden
gebruikt?
Vraag 25
Kunt u toelichten waarom in de in het onderzoek beschreven variant a de informatiepositie
van de Belastingdienst beter is geborgd dan onder de huidige regeling?
Vraag 26
Kunt u toelichten waarom u enerzijds de informatiepositie van de Belastingdienst belangrijk
acht en aan de andere kant geen vragen stelt in de aangifte inkomstenbelasting over
lucratief belang?
Vraag 27
Kunt u toelichten waarom een wijziging waarbij de hoofdregel in stand blijft en de
vrijstelling vervalt een fundamentele herziening van de huidige lucratiefbelangregeling
is en daarom veel van de wetgevings- en uitvoeringscapaciteit vergt?
Vraag 28
Bent u van mening dat de lucratiefbelangregeling in Nederland niet te veel af moet
wijken van de regelingen in omliggende landen? Zo ja, waarom wel? Welk risico ontstaat
als Nederland wel afwijkt? En als u deze mening heeft, waarom kiest u er dan niet
voor het tarief voor private equity-managers zodanig aan te passen dat het hoger komt
te liggen dan het belastingtarief voor «reguliere» beleggers, zoals in omliggende
landen het geval is?
Vraag 29
Klopt het dat de in het onderzoek beschreven variant b betekent dat in artikel 3.95b
van de Wet IB in lid 5 het woord «niet» wordt voorafgegaan door «voor xx%»? Klopt
het dat het effectieve tarief op 43 procent uit zou komen als aan artikel 3.95b lid 5
«voor 35%» zou worden toegevoegd? Zo nee, kunt u variant b nader toelichten?
Vraag 30
Kunt u toelichten wat wordt bedoel met «pakketbenadering» onder punt 5.3 in het onderzoek?
Vraag 31
Heeft u overwogen om de multiplier te beperken tot een bedrag van bijvoorbeeld 5.000.000 euro,
zodat het meerdere belast wordt tegen het tarief in box 1?
Vraag 32
Waarom is in het onderzoek geen variant opgenomen waarbij de huidige definitie van
lucratief belang wordt vervangen door een definitie die het gemaakte rendement als
uitgangspunt neemt voor de vaststelling of er sprake is van een lucratief belang?
Wat vindt u van deze variant? Klopt het dat hiermee ingewikkelde kwalificatiediscussies
kunnen worden voorkomen?
Vraag 33
Klopt het dat de verdragsonduidelijkheden van de huidige box 2-variant niet heel veel
anders zijn onder variant a en b omdat Nederland in beide gevallen nog steeds heft
op basis van een fictie?
Vraag 34
Bent u bekend met de aangenomen motie Idsinga c.s. (Kamerstuk 25 087, nr. 335) die verzoekt om de lucratiefbelangregeling zo aan te passen dat managers in de private
equity sector ten aanzien van hun carried interest worden belast naar het progressieve
tarief van box 1? Waarom wordt het verzoek uit deze motie nog niet uitgevoerd?
Vraag 35
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen zes weken beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
T. van Oostenbruggen, staatssecretaris van Financiën -
Indiener
Folkert Idsinga, Kamerlid -
Medeindiener
Luc Stultiens, Kamerlid