Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 4 juli 2024, over Mestbeleid
33 037 Mestbeleid
Nr. 558
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 12 september 2024
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de vaste commissie
voor Infrastructuur en Waterstaat hebben op 4 juli 2024 overleg gevoerd met mevrouw
Wiersma, Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over:
− de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 17 mei 2024
inzake publicatie CBS-monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest, eerste
kwartaal 2024 (Kamerstuk 33 037, nr. 541);
− de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 31 mei 2024
inzake routekaart plan van aanpak mestmarkt (Kamerstuk 33 037, nr. 542);
− de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 24 juni 2024
inzake reactie op verzoek commissie over de brief van Nevedi met betrekking tot uitvoeringstoets
van verlaging eiwit in melkveerantsoenen (Kamerstuk 33 037, nr. 543);
− de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 24 juni 2024
inzake onderzoek Stikstofbenutting en nitraatuitspoeling bij dierlijke mest en kunstmest
op gemaaid grasland (Kamerstuk 33 037, nr. 544);
− de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 26 juni 2024
inzake evaluatie Meststoffenwet en planning traject achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn
(Kamerstuk 33 037, nr. 545);
− de brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit d.d. 28 juni 2024
inzake voortgang onderwerpen mestbeleid (Kamerstuk 33 037, nr. 546);
− de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 3 juli
2024 inzake jaarlijkse rapportages mestbeleid (Kamerstuk 33 037, nr. 547);
− de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 3 juli
2024 inzake stand van zaken commissiedebat Mestbeleid (Kamerstuk 33 037, nr. 548).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Graus
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, Postma
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Jansma
Voorzitter: Graus
Griffier: Jansma
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Beckerman, Bromet, Van Campen, Flach,
Graus, Grinwis, Holman, Kostić, Nijhof-Leeuw, Pierik, Podt en Vedder,
en mevrouw Wiersma, Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Aanvang 13.00 uur.
De voorzitter:
Als iedereen plaatsneemt, dan open ik het debat van de vaste commissie voor Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Er is een woordje bij gekomen, zoals u hoort.
Normaliter heet ik altijd eerst het publiek van harte welkom en de mensen thuis, maar
ik heet nu allereerst de nieuwe Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur van harte welkom. Ik heet ook de mensen op de publieke tribune, de mensen
die thuis kijken en luisteren via het digitale kanaal, en alle leden van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal van harte welkom. Het gaat vandaag over het mestbeleid.
Dat is een zeer interessant onderwerp. Persoonlijk hou ik heel erg van mest, ook qua
geur en zo.
Ik stel een spreektijd voor van vijf minuten per fractie, en vier interrupties in
de eerste termijn en vier interrupties in de tweede termijn per fractie. Als er geen
op- of aanmerkingen zijn, geef ik graag als eerste het woord aan mevrouw Bromet. Het
had heel wat voeten in de aarde. Het was gister een soort van koehandel over of dit
debat wel of niet tot stand zou komen, maar we zijn er.
Als eerste geef ik het woord aan mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Hartstikke fijn dat het uiteindelijk toch nog gelukt is om hier over zo’n
belangrijk en urgent thema het woord te kunnen voeren. Het had inderdaad heel veel
voeten in de aarde. Ik hoop niet dat dat een voorbode is van hoe er in deze nieuwe
samenstelling omgegaan wordt met de wensen van minderheden om debatten te voeren,
want het debat hier is onze corebusiness. Daarbij bestrijden we elkaar met argumenten.
Dat gaan we vandaag ook doen.
Het heeft me een hele middag en een hele avond gekost om dit met de collega’s voor
elkaar te krijgen. Dat is ook wel een beetje illustratief voor de lange adem die je
moet hebben bij het mestbeleid. Ik heb namelijk de verkiezingsprogramma’s van GroenLinks
en PvdA er nog eens op nageslagen. Ik vond een verkiezingsprogramma uit 1994, waarin
staat dat een teveel aan mest samen met een teveel aan bestrijdingsmiddelen het grootste
probleem van de landbouw vormt. Daar staat: «Het natuurbeheer wordt almaar duurder.
Bovendien worden natuur en landbouw steeds meer gescheiden.» Het voorstel van GroenLinks
in die tijd was: «Zowel regionaal als internationaal wordt de mineralenbalans in de
landbouw in evenwicht gebracht.» Dat is een mestvraagstuk. En er stond, in 1994 al:
«Dit betekent dat op korte termijn de mestproductie en mineralenverliezen flink dalen.
Productie en gebruik van kunstmest worden tot een minimum beperkt. Het overschot aan
dierlijke mest gaat omlaag door inkrimping van de veestapel.»
Voorzitter. Ik zit hier trouwens ook namens Volt, maar daarvan heb ik geen verkiezingsprogramma
uit de jaren negentig. Ik heb er wel eentje gevonden van de PvdA, van nog eerder,
uit 1989. Daarin staat: «De Meststoffenwet wordt volledig en zonder vertraging uitgevoerd.
Deze wordt aangevuld door maatregelen ter beperking van de groei en waar nodig van
de omvang van de veestapel.»
Voorzitter. Het is nu 2024 en we zitten nog steeds met hetzelfde probleem. Als we
toen ingegrepen hadden, dan was onze waterkwaliteit misschien wel op orde geweest.
We hebben in 2000 afgesproken dat de waterkwaliteit in heel Europa op orde moet komen.
In Nederland voldoet 24 jaar na deze afspraak slechts 1% van de wateren aan deze norm.
Ons water is vervuild. Ons drinkwater wordt steeds schaarser. Dat alles komt doordat
onze veestapel te groot is. Ik denk dat het niet anders kan dan dat er nu heel snel
ingegrepen wordt. Dat doet mij pijn, want als je twintig jaar lang een probleem aan
ziet komen, dan kan je maatregelen verzinnen om de pijn te verzachten. Maar als je
altijd je kop in het zand steekt en net doet alsof er geen probleem is, dan rest er,
zoals nu dreigt te gebeuren, alleen een faillissement voor 12.000 tot 15.000 boeren
die op de rand van de afgrond staan en misschien dit jaar al failliet gaan.
Voorzitter. Daarom voeren wij vandaag dit debat. We hebben een nieuwe Minister. Ik
wil haar heel veel succes wensen. Het zal een hele uitdaging worden, zeker voor een
Minister van BBB. Die partij heeft hier in de debatten namelijk toch altijd een taboe
gelegd op inkrimping van de veestapel. Ik heb een paar vragen aan de nieuwe Minister.
De eerste vraag is: vindt de Minister dat we in Nederland een mestprobleem hebben?
Ten tweede: wil de Minister het oplossen? En denkt zij dat het mestprobleem in Nederland
opgelost kan worden zonder krimp van de veestapel?
Er ligt hier in de Tweede Kamer al een tijdje een plan waarvoor er heel breed draagvlak
is. Dat heet: het plan-Adema. Dat is een keur aan deelplannen, waarbij er inderdaad
aangestuurd wordt op krimp van de veestapel. De vraag aan de Minister die ik heb,
is: gaat zij dit plan-Adema uitvoeren of gaat zij een nieuw plan maken? En hoort krimp
van de veestapel daar dan bij?
Voorzitter. Ik ben wel een beetje wantrouwig. In het vorige mestdebat heb ik gezien
dat de oplossing van de BBB is dat boeren mestzakken krijgen om mest in op te slaan,
dat er in industriegebieden tanks worden gevuld met overtollige mest en dat er boten
gaan rondvaren om mest in op te slaan. Ik wil de Minister vragen of dat ook haar idee
is voor het oplossen van de mestcrisis. Ik zou dat echt een aanfluiting vinden.
Ik weet wel dat de oplossing van de Minister is – dat staat ook in het hoofdlijnenakkoord
– om naar Brussel te gaan. Mijn vraag aan de Minister is dus wanneer zij een resultaat
verwacht van Brussel, gezien het feit dat er dit najaar al boeren failliet gaan. Tot
slot vraag ik wat de Minister gaat doen om de handhaving op orde te houden. Een paar
jaar geleden zei het openbaar ministerie zelf: de veestapel in Nederland is zo groot
dat handhavend optreden tegen illegaal mest uitrijden, niet kan.
Voorzitter. Ik heb nog één slotopmerking. Er komt een wet naar de Kamer, die al door
Minister Adema is ingediend, op zijn laatste dag. GroenLinks-PvdA zal bij die wet
een voorstel indienen om de grondgebonden boeren zonder derogatie, die eigenlijk de
voorlopers zijn in Nederland, te sparen als het gaat om een generieke korting. Want
die generieke korting zal er in onze ogen zeker komen, en wij vinden dat boeren die
het goed doen, geen slachtoffer moeten worden van de boeren die gewoon te veel mest
hebben voor de grond die zij hebben.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Bromet sprak vandaag niet alleen namens GroenLinks-PvdA, maar
ook namens Volt. Bedankt voor uw inbreng. Ik hoop trouwens niet dat dit de laatste
dag van voormalig Minister Adema is. Dan gaan we naar meneer Van Campen van de VVD.
Zijn er nog interrupties?
De heer Pierik (BBB):
Ik wil toch nog graag interrumperen. Mevrouw Bromet maakte een soort karikatuur van
de maatregelen die de BBB heeft voorgesteld in het vorige mestdebat. De BBB heeft
een tienpuntenplan neergelegd. De drie voorbeelden die zij noemt, staan onderaan de
lijst. Als het gaat om hoe wij de mestcrisis proberen op te lossen, zou ik mevrouw
Bromet eigenlijk graag willen adviseren om ook nog even te kijken naar de andere oplossingsrichtingen
die wij hebben aangedragen. Ziet mevrouw Bromet er iets in om bijvoorbeeld te kijken
naar de gasvormige verliezen?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het wel opmerkelijk dat mij verweten wordt een karikatuur te maken van de
voorstellen van de BBB, terwijl het toch echt voorstellen van de BBB waren. Het waren
natuurlijk wel idiote voorstellen, maar goed, ze waren van de BBB. Of ze nou onderaan
of bovenaan het lijstje stonden, maakt mij niet zo veel uit. Ik kan de vraag niet
beantwoorden, want ik weet niet waar de heer Pierik het over heeft. Ik weet wel dat
wij een expertbijeenkomst hebben gehad met deskundigen van de Meststoffenwet. Die
hebben ons verteld dat er maar één oplossing is voor het mestprobleem: een krimp van
de veestapel. Daar heb ik de BBB nog niet over gehoord.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet somde inderdaad die punten op. Ik heb dat ook niet ervaren als een
karikatuur, moet ik eerlijk zeggen. We moeten niet te kinderlijk naar elkaar toe zijn.
Het opsommen van feiten is geen karikatuur maken.
De heer Pierik (BBB):
Ik wil graag even uitleggen wat die gasvormige verliezen inhouden. Als mevrouw Bromet
dat niet weet, is dat toch wel een heel relevant punt in deze discussie, denk ik.
Wij hebben geen probleem met stikstof die vervluchtigt en wel in de koe gaat maar
niet in de mestput terechtkomt. Uiteindelijk moeten we kijken – dat gebeurt ook bij
varkensmest en dat zou eigenlijk ook bij rundveemest moeten gebeuren – van hoeveel
procent van die gasvormige verliezen we geen last hebben en van hoeveel procent wel,
althans, hoeveel procent wel in de mest terechtkomt. Dat is iets waar ik straks in
mijn inbreng nog even op terugkom. Dat is echt een substantieel verschil, dus ik wil
daar mevrouw Bromet nog graag een keer over bijpraten.
De voorzitter:
U weet dat we nog steeds de 30 secondenregel hanteren. Ik zal nu coulant zijn, omdat
u iets hebt uitgelegd, dus ik hou het bij twee interrupties voor u tot nu toe.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Het schrijnende is dat we nu spreken over het mestprobleem en de waterkwaliteit, terwijl
we nog veel meer problemen hebben als gevolg van de overmaat aan mest in Nederland.
Denk bijvoorbeeld aan het stikstofprobleem, dat ook nog niet opgelost is, of het klimaatprobleem.
Wat die gasvormige verliezen betreft; ik moet wel even in die discussie duiken, maar
als die uitstoot niet in het water terechtkomt, komt die wel in de lucht terecht en
hebben we daar op een andere manier weer last van. Ik geloof niet dat dit soort maatregelen
de oplossing gaan bieden. Dat hebben we nu 20, 30, 40 jaar geprobeerd. We moeten nu
eindelijk eens een keertje doorpakken, allereerst in het belang van de boeren zelf,
die nog steeds niet weten waar ze aan toe zijn.
De voorzitter:
Meneer Van Campen, Volkspartij voor Vrijheid en Democratie.
De heer Van Campen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb in deze commissie weleens vaker opgebiecht dat een
van mijn eerste acties als Kamerlid in 2021 was het controversieel verklaren van het
mestbeleid. Ik heb daarbij ook verteld dat ik toen al heel vlot toenmalig Minister
Schouten aan de telefoon kreeg. Ze vroeg waar ik in vredesnaam mee bezig was, omdat
zij en haar ambtenaren op dat moment druk bezig waren met de onderhandelingen voor
het verkrijgen van derogatie. Nadat ik op mijn schreden was teruggekeerd heeft de
Kamer vervolgens het mestbeleid niet langer controversieel verklaard. De Minister
kon door met de onderhandelingen voor het verkrijgen van derogatie. Uiteindelijk moest
de Minister-President eraan te pas komen. We kregen de derogatie, maar het was een
afbouwpad onder hele strenge voorwaarden.
Voorzitter. We kennen allemaal de schrijnende verhalen van boeren, vaak grondgebonden
bedrijven die geen contracten hebben met mestverwerkers, die achteraan in de rij kunnen
aansluiten omdat we te maken hebben met het afbouwpad derogatie. We weten dat die
verhalen de komende tijd alleen maar zullen toenemen. Die urgentie maakt dat het goed
is dat wij vandaag, voor het reces, alsnog debatteren over het onderwerp dat voor
ons in Den Haag misschien heel ver weg voelt. Maar als je melkveehouder of veehouder
bent, zijn dit dingen waar je ’s nachts van wakker ligt.
Voorzitter. Als liberaal heb ik een hekel aan overheidsingrijpen, maar in lijn met
mijn Kamerbreed ondertekende motie van december is ingrijpen nu eenmaal noodzakelijk
om de mestcrisis het hoofd te bieden. Er zijn wat de VVD betreft twee paden voor nodig.
Het eerste is de lobby in Brussel voor de verhoging van mestplaatsingsruimte en het
tweede is de verlaging van de mestproductie in Nederland.
Voorzitter. Ten eerste. De Minister zal zo snel mogelijk haar relaties in Brussel
moeten opbouwen, want het mestprobleem is uitsluitend een Nederlands probleem. De
penibele situatie waarin onze boeren zitten, wordt niet zo ervaren in andere lidstaten.
Sterker nog, onze Nederlandse boeren zijn zó goed in duurzaam en efficiënt voedsel
produceren dat we andere landen gewoon de markt af concurreren. Dat in combinatie
met een Europese Commissie die rechtser is, die nationalistischer zal worden en waar
Commissarissen in zullen zitten die eerder eigen boeren dan onze Nederlandse boeren
zullen bevoordelen, maakt dat, in navolging van haar voorganger, ook deze Minister
haar schoenzolen in Brussel zal moeten slijten voor begrip voor Nederland.
Voorzitter. Om op dat begrip in Brussel te kunnen rekenen moeten we niet alleen iets
komen halen, maar moeten we ook iets brengen. De kwaliteit van ons water verplicht
ons ertoe dat ook bij dit moeilijke vraagstuk moeilijke maatregelen genomen worden.
Eerder kon het kabinet rekenen op breed draagvlak voor het plan van voormalig Minister
Adema: verlaging van de mestproductie door afroming van overdracht van dierrechten
in combinatie met verlaging van eiwit in rantsoen, de invoering van een graslandnorm
om te komen tot een grondgebonden melkveehouderij, een brede beëindigingsregeling
voor boeren die vrijwillig willen stoppen en daarmee ruimte willen geven aan blijvers
en natuurlijk de toelating van kunstmestvervangers, RENURE. De krankzinnige situatie
waardoor boeren op dit moment dierlijke mest moeten afvoeren, waarna ze voor de vruchtbaarheid
van hun gewassen en de bodem vervuilende, kostbare kunstmest moeten inkopen, is natuurlijk
niet uit te leggen. Ook daarin zullen we stappen moeten zetten.
De voorzitter:
Er zijn twee interrupties. Allereerst mevrouw Beckerman, Socialistische Partij.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik heb meteen een vraag over de brede beëindigingsregeling. De heer Van Campen heeft
natuurlijk gelijk: als we iets willen, moeten we de hoeveelheid mest in Nederland
afbouwen. Dat is natuurlijk een hele pijnlijke maatregel, maar minder pijnlijk dan
een koude sanering. Hoe breed is die brede beëindigingsregeling? Hoeveel geld wil
de VVD daarvoor vrijmaken?
De heer Van Campen (VVD):
Dat is een goede vraag, maar het zal mevrouw Beckerman niet verbazen dat ik voor de
uitwerking daarvan in eerste instantie vooral naar de Minister kijk, omdat zij de
komende zomer aan de slag gaat om maatregelen uit te werken en met een voorstel te
komen. We hebben eerder met elkaar de Lbv en de Lbv-plusregeling gehad. Die lopen
door. Boeren die zich daarvoor hebben aangemeld, zullen daar nog altijd gebruik van
kunnen maken. De Minister heeft zelfs in haar hoorzitting aangegeven dat dat het geval
is en dat zij zal kijken wat dat opbrengt. Ik denk dat er aanvullend nog een andere
regeling nodig zal zijn, die je zo breed mogelijk en langjarig zal moeten aanbieden.
Maar ik zeg er wel bij dat die vrijwillig moet zijn. Op die manier kun je boeren die
misschien geen opvolger hebben en die ruimte willen maken voor boeren die willen blijven,
bijvoorbeeld in de grondgebonden veehouderij, ook die kans en gelegenheid geven.
Mevrouw Beckerman (SP):
Daar kunnen we natuurlijk niet zo heel veel mee.
Ik ga een tweede poging doen op een ander onderwerp. Een van de plannen die we van
BBB hebben gezien, is een gedoogbeleid: niet voldoen waaraan we moeten voldoen, maar
gedogen. Ik vroeg me af wat de VVD daarvan vindt, voornamelijk omdat de VVD zegt:
je moet effectief met de vuist op tafel slaan in Brussel. Is het dan nuttig om te
gedogen?
De heer Van Campen (VVD):
Het antwoord daarop is wat mij betreft nee. Sterker nog, deze coalitie schrijft in
het hoofdlijnenakkoord dat we ons zullen houden aan de verdragen en richtlijnen. We
hebben het vandaag over de Nitraatrichtlijn en we komen nog te spreken over de Kaderrichtlijn
Water en de Vogel- en Habitatrichtlijn. Dit kabinet, deze ministersploeg, zal zich
moeten verhouden tot de afspraken die zijn gemaakt. Gedogen hoort daar niet bij. Ik
kan me wel voorstellen dat ... We hebben, ook bij de uitvoering van het plan-Adema,
nu eenmaal te maken met het feit dat we ook in 2025 en 2026 nog een probleem hebben
met mest. Je zult dus wat moeten doen om te voorkomen dat Nederlandse veehouders door
nalatigheid van de overheid een milieudelict plegen, maar dat is wat mij betreft geen
inzet tot onderhandeling over een gedoogsituatie. Je moet de helpende hand vragen
aan de Europese Commissie, in de zin van: jongens, help ons; we zitten met deze situatie.
Maar dan zul je ook iets mee moeten brengen. Dan moet je de Europese Commissie ook
van iets substantieels kunnen voorzien. Ik heb daar net een aantal richtingen voor
meegegeven.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit allereerst een heel realistisch verhaal van de VVD. Mijn complimenten
daarvoor. We hebben vorige week een hoorzitting gehad met de nieuwe bewindspersonen.
Ik heb toen tegen de Minister gezegd: u heeft in het hoofdlijnenakkoord opgeschreven
«we gaan naar Brussel». De Minister antwoordde: er is geen plan B. Mijn vraag aan
de VVD is: hoeveel vertrouwen heeft de heer Van Campen in het idee om voor de zoveelste
keer naar Brussel te gaan?
De heer Van Campen (VVD):
Uitgerekend deze Minister is, met haar kennis van de sector, met haar praktijkervaring
en met haar grote hart voor het boerenbedrijf, in staat om de Europese Commissie ervan
te overtuigen dat we een helpende hand nodig hebben. Maar daarbij hoort geen vuist
op tafel. Ik heb de Minister ook horen aangeven: ik geloof in diplomatie. Ik ben best
sceptisch over de vraag of dat leidt tot een volwaardige derogatie tot aan 250 kilo
N, zoals we die altijd hebben gehad, maar we moeten het een kans geven. Ik denk dat
we het een kans kunnen geven op het moment dat we met een stevig pakket aan maatregelen
richting Brussel gaan, want we weten ook dat de waterkwaliteit onder derogatiebedrijven
goed is. Dat komt vanwege de graslandnorm, die is opgenomen als voorwaarde voor het
toepassen van derogatie. Ik denk dat je best een inhoudelijk gesprek met Brussel kunt
voeren over de grondgebonden melkveehouderij in combinatie met die graslandnorm. Maar
nogmaals, dan zul je wel iets moeten meenemen. Dan moet je niet alleen maar komen
halen, zoals we in de afgelopen jaren hebben gedaan. We kwamen met een menu aan martelvoorschriften,
die in de boerenpraktijk alleen maar leidden tot frustratie van ondernemerschap. Je
moet met robuuste en stevige voorstellen komen. Ik denk dat de richtingen van het
plan-Adema in ieder geval de legitimatie geven tot een gesprek in Brussel.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het allereerst goed om te horen dat het plan-Adema nog levend is bij de VVD.
Mijn tweede vraag is: als je als boer niet weet waar je je mest morgen kwijt kunt,
is het dan geen tijdverspilling om aan goede relaties in Brussel te werken en om daar
uitgebreid te gaan bakkeleien over iets waar al 100 keer over onderhandeld is?
De heer Van Campen (VVD):
Daarom moet je voor beide sporen gaan. Ik denk dat het de plicht is van de Nederlandse
regering om de situatie van Nederland in Brussel voor het voetlicht te brengen. Ik
denk dat het de plicht is van alle Europese lidstaten om dat gesprek te voeren met
de Europese Commissie. Als de Minister zegt dat ze dat niet meer gaat doen, dan heeft
de veehouder waar mevrouw Bromet mij naar vraagt, nog steeds een probleem, want die
zit letterlijk met de stront tot aan zijn enkels. Ik kan het niet anders zeggen; dat
is gewoon de praktijk. De praktijk op dit moment is dat die putten vol komen te zitten,
dat ze geen contracten hebben met mestverwerkers en dat ze de mest niet kwijt kunnen.
Daar zullen we een oplossing voor moeten verzinnen. Ik denk dat hier in Brussel begrip
voor is als we met een stevig pakket aan maatregelen onder de arm komen. Ik vind dat
de Kamer deze Minister het mandaat moet geven om met goede voorstellen een inhoudelijke
discussie te voeren met de Europese Commissie.
Mevrouw Podt (D66):
Sorry, voorzitter. Ik ga nog heel even door op een van de zinnen die meneer Van Campen
zei, want ik wil het eventjes heel precies weten. Hij gaf aan dat het plan-Adema legitimatie
tot een gesprek is in Brussel. Zegt hij daarmee ook dat wat hem betreft het plan-Adema
onverkort en met gezwinde spoed moet worden uitgevoerd?
De heer Van Campen (VVD):
Ik vind dat dat het streven moet zijn van de regering en vraag de Minister hoe zij
daarnaar kijkt en hoe zij de zomermaanden gaat gebruiken om dat plan tot operatie
te laten komen en in te dienen bij het parlement. Daar kom ik straks op terug in mijn
slot.
De voorzitter:
Dat gaan we dadelijk horen van de Minister. Mevrouw Podt.
Mevrouw Podt (D66):
Dat is goed om te horen. Ik zou zeggen dat we geen moment hebben te verliezen, maar
daar zit nog wel een zorg van mij bij. We willen natuurlijk de boel op de rails houden
en we willen aan de slag, maar het probleem is wel dat drie kwart van het geld dat
er eerder voor was gereserveerd is verdwenen. Dus hoe gaat meneer Van Campen nou aan
al die boeren uitleggen dat er met weinig geld eigenlijk nog meer moet gebeuren dan
we oorspronkelijke van plan waren?
De heer Van Campen (VVD):
De Minister heeft voor de komende periode, voor deze regeringstermijn, 5 miljard tot
haar beschikking. Daarnaast staat er 500 miljoen structureel ingeboekt voor agrarisch
natuur- en landschapsbeheer. Dus ik denk dat deze Minister, uitgerekend zij – ik heb
zojuist al lovende woorden over haar gesproken en die herhaal ik hier – in staat is
om daar een mooi pakket aan voorstellen voor te maken dat ook daadwerkelijk weer perspectief
geeft voor ondernemerschap en de boerenpraktijk. Volgens mij staat zij te popelen
om daar de komende zomer mee aan de slag te gaan en ik heb er meer dan vertrouwen
in dat dat succesvol gaat gebeuren.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Mevrouw Podt.
Mevrouw Podt (D66):
Ja, ik geloof helemaal dat ze staat te popelen. Volgens mij staan we allemaal te popelen.
Alleen is het punt natuurlijk wel dat er 5 miljard is – volgens mij is agrarisch landschapsbeheer
niet hetzelfde als het oplossen van de mestcrisis – en dat de vorige Minister daarvan
heeft gezegd: ik heb alleen al 4 miljard nodig voor die uitkoopregelingen. Dan blijft
er nog een miljard over voor die hele sloot aan maatregelen – ik kom er straks in
mijn eigen tekst nog even op terug – die ook nog genomen moeten worden volgens het
hoofdlijnenakkoord. Dus waar vindt de heer Van Campen dan dat de nadruk moet liggen
in dat ene miljard dat we nog over hebben na de uitkoopregeling?
De voorzitter:
U hebt hierna nog één interruptie. Meneer Van Campen.
De heer Van Campen (VVD):
Ik vind dat opkoop een onderdeel moet zijn van het pakket. Ik zeg daarbij nadrukkelijk:
niet met de krimp van de veestapel als doel, maar als gevolg van de beleidskeuzes
die wij hier als Kamer in de richting van het kabinet maken. Ik zou mevrouw Podt er
dan ook op willen wijzen dat we in de tijd dat ik met haar in een coalitie zat, een
bedrag van 25 miljard tot onze beschikking hadden dat we van jaar op jaar niet kregen
weggezet. De Algemene Rekenkamer heeft er ook opmerkingen over gemaakt dat we het
niet weggezet kregen. Ik zou het dus wel heel knap vinden als deze Minister in staat
is om de 5 miljard die we voor de komende drie jaar beschikbaar hebben gesteld weg
te zetten. Die 500 miljoen structureel, ga er maar aanstaan. Dus ik denk dat deze
Minister de handjes vol heeft aan het geld dat al wel beschikbaar is. Ik ben er ook
van overtuigd ... Het plan-Adema – dan gaan we even door op het plan-Adema – had een
reikwijdte van tien jaar. Adema had het over 4 miljard voor een opkoopregeling met
een reikwijdte van tien jaar. Reken dat eens terug, zou ik mevrouw Podt willen zeggen.
Nogmaals, er is 5 miljard beschikbaar voor de komende jaren.
De voorzitter:
Met Adema wordt nog steeds bedoeld de vorige Minister van LNV.
Mevrouw Podt (D66):
We zijn hem nog niet vergeten, hoor, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Podt, uw laatste interruptie.
Mevrouw Podt (D66):
Ik ga ’m toch even gebruiken, want ik vind het toch een rare gedachte om te zeggen
«we kregen dat geld eerder niet weggezet, dus bezuinigen we het maar weg», terwijl
het er nu op aankomt. Ik had ook liever gehad dat we dat al een paar jaar geleden
hadden gedaan, volgens mij wij allemaal, maar nu komt het eropaan. Dat is meneer Van
Campen toch met mij eens? Dan kan je toch niet zeggen: nou, dan zetten we het geld
maar weg en dan hopen we maar op het beste resultaat?
De heer Van Campen (VVD):
Ik zal hier eerlijk bekennen: mevrouw Podt raakt een gevoelige, pijnlijke snaar bij
mij. Je hoeft maar eenvoudig de vier verkiezingsprogramma’s bij elkaar te leggen,
hoe de vier partijen dachten over het stikstoffonds, maar in een coalitie is het geven
en nemen. Er zitten in dit hoofdlijnenakkoord ook heel veel punten waar wij als VVD
wel van zeggen «yes, dit hebben we binnengehaald» en dit is er een waar de andere
drie partijen, met name twee, anders over dachten. Dan moet je blij zijn met wat je
hebt. Dan zeg ik: nou jongens, er staat toch nog 500 miljoen structureel straks in
de boeken – dat kregen we als vorige coalitie niet voor elkaar – en de 5 miljard die
beschikbaar is voor de komende jaren. Ik vind het nu ook even aan het kabinet om met
voorstellen naar de Kamer te komen. We moeten de Minister ook niet al het gras voor
de voeten wegmaaien. Anders heeft ze de hele zomer niets meer te doen en dat zou ik
toch jammer vinden.
Mevrouw Vedder (CDA):
Ik ben blij te merken dat de heer Van Campen ten diepste hetzelfde vindt als ik van
het grotendeels schrappen van het transitiefonds, maar daar gaat mijn vraag niet over.
Mijn vraag gaat over de graslandnorm. Daar sprak de heer Van Campen net met nadruk
over. Ik hoor graag meer over waarom hij dat zo van belang vindt en hoe hij kijkt
naar het effect daarvan in de toekomst.
De voorzitter:
Een korte versie graag, meneer Van Campen.
De heer Van Campen (VVD):
Ik denk dat het noodzakelijk is om een goede bedrijfseconomische balans te krijgen
voor het boerenbedrijf, maar ook op ecologisch gebied. Ik hecht eraan te benadrukken
dat het gewoon onderdeel uitmaakt van het addendum op het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn.
Het wetsvoorstel dat moet worden ingediend om te komen tot een grondgebonden melkveehouderij
is dus een concessie die de Nederlandse regering al heeft weggegeven aan de Europese
Commissie bij het verkrijgen van de huidige afbouwderogatie. Je kunt altijd op je
beslissingen terugkomen, maar ik heb dat grapje één keer gemaakt met de heer Grinwis
toen we het hadden over de bufferstroken in het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn.
Nou, we kennen allemaal het gezicht van Minister Adema toen hij halsoverkop van de
Grüne Woche terug moest komen omdat Eurocommissaris Sinkevicius hem het afbouwpad
voor derogatie wilde afnemen. Ik denk dat de fronsende wenkbrauwen van de Europese
Commissie nog wat pessimistischer zullen staan als we zouden afstappen van het wetsvoorstel
grondgebonden melkveehouderij. Het is gewoon een concessie die we al hebben gedaan
en waar we wat mij betreft nu vaart mee moeten maken.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, u en meneer Flach zitten nog op covidafstand, zie ik. Daarmee lijken
jullie net Waldorf en Statler van The Muppet Show, die twee moppermannetjes. Meneer
Grinwis, uw interruptie alstublieft.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor de aanbeveling, voorzitter. Het heeft meer met onze microfoons te maken
dan met covid dan wel dat wij afstand proberen te houden.
Dank aan de heer Van Campen voor zijn consistente lijn ten opzichte van het laatste
mestdebat, nog in de vorige bedeling. Mijn vraag is wel of het klopt wat hij zegt
over de brede opkoopregeling. Er is een brede behoefte aan zo’n brede opkoopregeling,
omdat de mestplaatsingscrisis superurgent is. Die was er bij de start van de Lbv en
de Lbv-plus nog niet. Heeft hij daarin voldoende verdisconteerd dat er de komende
vijf jaar 1 miljard per jaar beschikbaar is? Mijn herinnering aan de woorden van de
heer Adema over de opkoopregeling die er zou komen tot en met 4 miljard ging niet
over de komende tien jaar, maar over de komende periode, omdat die regeling nog weleens
zwaar overtekend zou kunnen worden. Dit temeer daar in sommige provincies waar er
geen noodzaak was om zomaar mee te doen aan de Lbv en de Lbv-plus, zoals in de provincie
Zuid-Holland, waar zich volgens mij maar vijf bedrijven hebben aangemeld, Leiden in
één keer wel in last is en het aantal aanmeldingen waarschijnlijk veel hoger zal worden
dan in het verleden.
De heer Van Campen (VVD):
De heer Grinwis corrigeert mij terecht. Het plan-Adema ziet toe op de periode 2025–2029,
op 2025, 2026, 2027, 2028 en 2029; dat is dus vijf jaar. Ik zat er vijf jaar naast.
Dank aan de rekenmeester in ons midden. Maar dat doet niet af aan het feit dat – dat
schrijft Minister Adema ook in de brief – ik vind dat nog niet duidelijk is wat de
huidige Lbv- en Lbv-plusregeling opleveren, dus dat zullen we moeten zien. Ik vind
echter ook dat dat niet het excuus kan zijn voor het uitstellen van een volgende regeling.
Ik zie ook de noodzaak voor boeren die geen opvolger hebben en er wel uit zouden willen
stappen. Dat is volgens mij ook het punt dat de heer Grinwis wil maken. Ik zou de
Minister willen vragen hoe zij zo’n regeling zelf voor zich ziet. Ik was in de veronderstelling
dat het tien jaar was. Misschien zou je moeten overwegen om het inderdaad voor een
langjarige periode van tien jaar te doen. Misschien zou je de komende tien jaar een
vrijwillige regeling open moeten stellen, omdat we ook hebben geweten hoeveel onrust
er ontstaat in de sector als we zeggen «reageer binnen een jaar», zoals bij de Lbv
en de Lbv-plus. Er zijn heel veel boeren die zich het mes op de keel gezet gevoeld
hebben. Misschien zou je daarin meer ontspanning krijgen als je een regeling zou openstellen
voor een periode van tien jaar, zeg ik in de richting van de heer Grinwis en een luisterende
Minister, die alles wat we hier vandaag met elkaar wisselen de komende maanden hopelijk
gaat uitwerken en tot mooie, krachtige voorstellen gaat brouwen.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, let wel even op de tijd, alstublieft, want het waren twee interrupties.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik bedoelde het misschien wel meer andersom. De koude sanering die nu aan de gang
is en de mestplaatsingsruimtecrisis die nu urgent is, zijn acuut. Die maken vooral
de komende anderhalf jaar slachtoffers en daarna niet meer. Ik denk dus dat als je
hem juist nu openstelt, het aantal aanvragen in het eerste jaar zomaar de 1, 2, 3
miljard zou kunnen overtreffen. Hoe kijkt de heer Van Campen daartegen aan? Zou de
Minister deze zomermaanden niet ook al moeten benutten om de notificatieprocedure
in Brussel te doorlopen en om sowieso stappen te zetten in Brussel? Maar dat heeft
de heer Van Campen al gezegd.
De heer Van Campen (VVD):
Een paar dingen. Ja, ik denk dat we geen tijd te verliezen hebben en dat alle stappen
moeten worden gezet om alles klaar te zetten om ook zo’n regeling te kunnen openen.
Ik kan niet afwijken van de financiële verdeling die deze coalitie heeft gemaakt.
De heer Grinwis weet dat ook. Dat is de uitkomst van een onderhandeling. Dit is de
poen waar we het mee moeten doen voor de komende jaren. Het is wat het is. De Minister
zal daar een prioritering in maken, maar de urgentie wat betreft opkoop die de heer
Grinwis onderstreept, deel ik. Ik zou die ook in samenhang willen zien met de andere
voorstellen die bij het plan-Adema horen, zoals de afroming van dierrechten en kijken
wat RENURE aan innovatie kan opleveren. Ik noem de ambitie die we in de energietransitie
hebben om te komen tot groen gas, methaan uit drijfmest. We kennen volgens mij allemaal
die mooie voorbeelden in het landelijk gebied waar boeren, melkveehouders, vaak samen
collectieven starten om te kijken hoe ze dat kunnen afvangen en zo zorgen dat we van
de fossiele brandstoffen afkomen. Ik denk dus dat we een samenhang van maatregelen
moeten zien waar opkoop – daar moeten we niet kinderachtig over doen – ook een belangrijk
onderdeel van uitmaakt.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De VVD is een groot fan van RENURE. We hebben eerder echter gezien dat zulke technische
foefjes heel veel belastinggeld kosten en de boeren veel kosten, maar uiteindelijk
geen problemen oplossen. Kan de VVD nu garanderen dat RENURE niet gaat leiden tot
een lock-ineffect, niet de bestaande afspraken rondom het halen van natuurdoelen,
milieudoelen en andere doelen gaat afremmen, niet de extensivering gaat afremmen,
niet de mestfraude gaat verhogen en, het allerbelangrijkst, niet over een paar jaar
gaat leiden tot dezelfde situatie als waar we nu in zitten, met hetzelfde landbouwsysteem,
dezelfde problemen en boeren die weer tegen een muur zijn opgelopen?
De heer Van Campen (VVD):
Ik vind het jammer, want ik had toch een iets optimistischer toon van de Partij voor
de Dieren verwacht als het gaat om RENURE. We weten namelijk allemaal wat er komt
kijken bij de productie van kunstmest: een enorm gasverbruik en een enorme CO2-uitstoot. Dat zijn toch niet bepaald doelen die staan opgenomen in het partijprogramma
van de Partij voor de Dieren. Ik ben het wel met het lid Kostić eens dat het niet
zo kan zijn dat er een soort sluipweg wordt gevonden voor het wegzetten van mest.
Ik geloof en ik weet dat precisielandbouw, goed bodembeheer en kunstmestvervangers
een heel belangrijk onderdeel kunnen vormen.
Dan over de kosten van nieuwe innovaties. Ik denk dat dat geldt voor alle innovaties.
Ik denk dat het lid Kostić een groot voorstander zal zijn van kweekvlees, want dan
hoeven er geen dieren meer naar de slacht. Dat is ook peperduur op dit moment. Alles
wat begint en nieuw is, is kostbaar. Op een gegeven moment rol je dat uit en gaat
de markt het overnemen, en dan heb je een nieuwe staande praktijk. Zo werkt het volgens
mij in het leven.
De heer Flach (SGP):
De nood is hoog. Ik denk dat alle landbouwwoordvoerders ervan geschrokken zijn dat
het grootste deel van de miljarden van het transitiefonds verdwenen is. Kan de heer
Van Campen ons vanuit zijn positie binnen de VVD, de partij die ook de Minister van
Financiën levert, een inkijkje geven? Welke partij heeft dit nu binnengehaald? Is
het de VVD geweest die die miljarden heeft afgeroomd? Is het de BBB geweest die dat
heeft ingeleverd? Wilde de PVV dit? Hoe ging dat?
De voorzitter:
Hoe ging dat, meneer Van Campen? Ga eens lekker los.
(Hilariteit)
De heer Van Campen (VVD):
Mevrouw Nijhof en ik zitten elkaar aan te kijken. We hebben er zelf niet bij gezeten.
Dit is een ... Ik zou zeggen: we hebben een lang reces voor de boeg. Ik zou de heer
Flach willen oproepen om de vier verkiezingsprogramma’s naast elkaar te leggen. Dan
kan hij daar, intelligent als hij is, vast zelf de conclusies uit trekken.
De voorzitter:
Er zijn ook nog bilateraaltjes, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Het is een mooie poging om mijn vraag te omzeilen, maar daar komt de heer Van Campen
toch niet mee weg. Hij heeft die partijprogramma’s naast elkaar gelegd. Ik zou het
toch graag willen weten. Die 10 miljard verdwijnt niet zomaar. Geen enkele partij
vindt het fijn om geld dat er is, van de begroting weg te schuiven. Welke partij heeft
er nou de meeste invloed op gehad dat dat geld verdwenen is?
De voorzitter:
Kom op, meneer Van Campen, een tipje van de sluier.
De heer Van Campen (VVD):
Er waren geen ... Ik weet het niet! Ik ben niet het enige lid ... Misschien hebben
de andere collega’s ...
(Hilariteit)
De heer Van Campen (VVD):
Ik zie geen herkenning. Harm! Harm is de enige die aan tafel heeft gezeten. Ik zou
de heer Flach willen uitnodigen om dezelfde interruptie te plaatsen bij de heer Holman,
want dan leer ik ook nog eens wat vandaag.
De voorzitter:
Ja, de heer Holman hield zich net inderdaad verdacht rustig, zag ik. Meneer Van Campen,
u kunt verdergaan met uw betoog. U hebt nog 1 minuut en 40 seconden.
De heer Van Campen (VVD):
Ik ben me er terdege van bewust dat alles waar we het net over hebben gehad, pijn
doet. Het zijn pijnlijke maatregelen die impact hebben op boerenbedrijven. Maar we
realiseren ons ook dat als we niets doen – de geschiedenis rond het fosfaatrechtenstelsel
leert ons dat – er een ijskoude sanering van de veehouderij voor de deur staat. We
moeten dus enerzijds alles op alles zetten om in Brussel de zaken voor elkaar te krijgen
en anderzijds een plan B klaar hebben liggen met noodmaatregelen om de mestcrisis
op te lossen. Dat zijn ook twee lijnen van het hoofdlijnenakkoord. We vragen de Minister
om langs die twee lijnen van het akkoord het programma uit te werken en zo snel mogelijk
de bijbehorende wetsvoorstellen bij de Kamer in te dienen die ervoor zorgen dat de
mestproductieplafonds naar beneden worden gebracht en die de afroming van dierrechten
regelen, juist om de landing bij de Europese Commissie over een eventuele nieuwe derogatie
een goede kans te geven. Kan de Minister bevestigen dat beide wetsvoorstellen inmiddels
bij de Raad van State liggen? Wanneer verwacht zij hier een reactie op?
Voorzitter, tot slot. We zijn het aan boerenfamilies verplicht om nu maatregelen te
treffen, om de waterkwaliteit te verbeteren, om een koude sanering te voorkomen, zodat
de verdrietige geschiedenis van knelgevallen bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel
nooit meer zal gebeuren.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Campen, voor uw inbreng namens de VVD. De Partij voor de Vrijheid,
mevrouw Nijhof-Leeuw.
Mevrouw Nijhof-Leeuw (PVV):
Dank u, voorzitter. In aanloop naar het nog uit te werken hoofdlijnenakkoord en om
het actieprogramma mest een stap verder te brengen, zal de PVV vandaag aan de Minister
enkele suggesties en aandachtspunten meegeven die kunnen bijdragen aan een mooi toekomstperspectief
voor onze agrarische sector. In het actieprogramma mest zitten zeker goede elementen.
De PVV heeft echter niets teruggezien van de door de woordvoerders ingebrachte input
om de acute druk van de mestmarkt af te halen. Met de toelating van RENURE zal er
een puzzelstukje in de complexe puzzel gelegd worden. Ik heb daar een vraag over.
Mag dit minerale concentraat van 1 februari tot half september op zandgrond en tot
eind september op kleigrond uitgereden worden? Ik hoor graag de reactie van de Minister
daarop.
Nog even verder over RENURE. Het is onder andere zeer geschikt voor de akkerbouw,
waardoor ook het kunstmestverbruik teruggedrongen kan worden en er weer extra mestplaatsingsruimte
is. Het zal positief doorwerken op de nitraatuitspoeling. Daarmee verwijs ik naar
pagina 13 en 16 van het RIVM-rapport Landbouwpraktijk en waterkwaliteit, dat gisteren
op de RIVM-site geplaatst is. Er is in de afgelopen jaren veel nieuwe kennis ontwikkeld
over de gasvormige verliezen, waar ook de heer Pierik het al even over had. Hiervoor
verwijs ik ook graag naar het onderzoek van de heer Herman de Boer. We zien dat die
verliezen bij varkenshouders en pluimveehouders groter zijn dan berekend. Zo heeft
de ene een verlies van 25% en de andere een verlies van 45%. Die berekening is daardoor
een gemiddelde. Je hebt variaties die eronder en erboven zitten. Dat kun je niet altijd
in de verfijnde systemen terugvinden, vandaar dat er een eenvoudig systeem wordt gehanteerd.
Mineralen die de lucht in gaan, bijvoorbeeld ammoniak en stikstof, kun je niet afvoeren
uit je mestput, want ze zijn er immers niet meer. Minister, zou het daarom niet verstandig
zijn om net als bij de varkens- en de pluimveehouderij een ruimhartige correctie op
de gasvormige verliezen toe te passen? Ik bedoel dus bij de melkveehouders, of bij
de koeien; laat ik het maar zo zeggen.
Een toegevoegde verruiming is ook het tijdelijk verhogen van het verwerkingsvolume
binnen de vergunningen bij de mestverwerkers. Dan zal er meer ruimte gecreëerd worden.
Maar deze maatregel zou ook een stukje in de legpuzzel kunnen zijn. Dit is overigens
de bevoegdheid van de provincie. Daarover zou dan het gesprek met de provincies gevoerd
moeten worden.
Voorzitter. Stikstofkrakers kunnen ook extra mestplaatsingsruimte creëren, doordat
het eindproduct goed inzetbaar is, zowel via de Aa-lijst van de EU-mestwet als onder
de noemer van RENURE. Maar naast het pleisters plakken voor de korte termijn zal de
Minister ook met haar collega van IenW in gesprek moeten om de Nitraatrichtlijn te
herzien. Onze Nitraatrichtlijn moet in lijn liggen met de lidstaten om ons heen en
moet alleen gebieden als «kwetsbaar» aanduiden als de waterkwaliteit daar beneden
de norm is. Dit geeft ruimte voor de derogatie in gebieden waar de waterkwaliteit
voldoet aan de norm, zoals bijvoorbeeld bij grasland. De PVV constateert ook dat er
regelmatig conclusies worden getrokken uit de data die reeds achterhaald zijn. Doelsturing
op basis van actuele data is essentieel voor de waterkwaliteit. Een dashboard waarop
de boer kan zien hoe het ervoor staat op zijn akkers en wat het effect is van een
wijziging in de werkwijze, zal enorm helpen om de waterkwaliteit te verbeteren en
te behouden.
Voorzitter. De PVV maakt zich ook zorgen over de stalvloeren. Wij ontvangen signalen
dat goedgekeurde vloeren niet leverbaar zijn, behalve een vloer die heel veel duurder
is. Overigens lezen wij ook in de media dat er vergunningen afgegeven worden ondanks
dat de vloer niet het gewenste resultaat geeft.
Voorzitter. Ik wil ook aandacht vragen voor het generiek verlagen van het mestplafond
ongeacht de sector. Wij vinden dat het vergelijkbaar is met generiek mestbeleid ongeacht
de waterkwaliteit. De pluimveemest is een hoogwaardig product dat vrijwel volledig
hergebruikt wordt. 95% wordt verkocht aan andere sectoren. De resterende 5% gaat op
het land om tarwe te produceren om te gebruiken in het voer voor het eigen pluimvee.
Dat is een geweldig mooi voorbeeld van kringlooplandbouw.
De voorzitter:
U dient af te ronden.
Mevrouw Nijhof-Leeuw (PVV):
Afsluitend, voorzitter. Meer bemestingsruimte voor de korte termijn, voor het einde
van het bemestingsseizoen. De putten moeten leeg voor eind september.
Voorzitter. Er is genoeg werk aan de winkel voor de nieuwe Minister. Wij wensen haar
dan ook heel veel succes en zien uit naar de uitwerking van het regeerakkoord. We
zien dat met vertrouwen tegemoet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng namens de PVV.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De komende jaren gaat het mestoverschot in Nederland oplopen tot 800.000 volle tankwagens
met mest. Hoe gaat de PVV dat oplossen?
Mevrouw Nijhof-Leeuw (PVV):
Ik heb net een paar punten genoemd, bijvoorbeeld de stikstofkrakers en de mestverwerking,
waarmee je het uit elkaar gaat trekken, zodat je het op het land kunt gebruiken en
de dikke fractie op een andere manier kunt verwerken. Ik denk dus dat er genoeg innovatieve
punten zijn. Innovaties, bijvoorbeeld in het voerspoor, zorgen voor minder mest. Ik
denk dus dat er genoeg suggesties zijn, maar wij kijken ook uit naar de lijn van en
de uitwerking in het regeerakkoord. We zijn benieuwd welke richting de Minister daarin
kiest. Wij hebben nu alleen onze suggesties gedaan. Het staat iedereen vrij om zijn
eigen suggesties te geven.
De voorzitter:
Dank u wel. Geachte afgevaardigde Beckerman van de Socialistische Partij.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel. Welkom aan de nieuwe Minister.
In 2008 verzuchtte Minister Verburg dat zij hoopte de laatste Minister te zijn voor
wie het mestbeleid een hoofdpijndossier is. Vandaag zitten we met een nieuwe Minister,
die we zeker geen hoofdpijn toewensen, maar die misschien, zeker na gisteren, al wel
een klein beetje hoofdpijn heeft van dit dossier. Dit is in alles politiek falen,
met grote gevolgen voor boer, leefomgeving en natuur. Het wordt elke keer maar weer
vooruit geschoven in de hoop op een magische oplossing om uit de shit te komen, een
technische oplossing of een oplossing uit Brussel. Maar we hebben gezien dat hoe langer
we wachten, hoe groter de wanhoop wordt bij boeren die klemzitten. Hoe langer we wachten,
des te dieper de crisissituatie, des te duurder de oplossingen en hoe pijnlijker en
minder goed. De enige oplossing is minder mest, minder dieren, meer boeren: een landbouw
waarin goed verdiend kan worden op kleinere, grondgebonden schaal.
Voorzitter. Het meest springende punt in dit debat is natuurlijk de vraag of de door
voormalig Minister Adema voorgestelde brede stoppersregeling doorgang kan vinden.
Dat is een vrijwillige regeling die zorgt voor een permanente krimp om te voorkomen
dat er een koude sanering ontstaat, waarbij boeren niets anders kunnen dan stoppen.
Wat gaat de nieuwe Minister doen? Wil zij deze brede regeling daadwerkelijk verder
vormgeven boven op de eerdergenoemde regeling? Zo niet, wat wil zij dan doen voor
boeren die acuut dreigen te moeten stoppen?
Maar veel belangrijker is hoe we ervoor zorgen dat boeren kunnen blijven. Ze moeten
kunnen blijven op een manier dat we er met minder dieren voor kunnen zorgen dat er
een goed inkomen te verdienen is. U weet dat mijn partij vindt dat de verantwoordelijkheid
niet keer op keer enkel op het boerenerf moet worden neergelegd. Er is een keten die
jarenlang schaalvergroting heeft aangejaagd en die jarenlang verdiend heeft aan groot-groter-grootst.
Ook de Rabobank moet dus haar eigen shit opruimen.
Ik wil even terug naar dat plan-Adema. Ik haal daar een citaat uit: «Voor een succesvolle
aanpak is het van belang dat ketenpartijen en banken in de aankomende jaren ondersteuning
bieden aan die bedrijven die passen bij het toekomstbeeld van een grondgebonden melkveehouderij.»
Hij noemde een aantal heel concrete maatregelen, bijvoorbeeld aflossingsvrije periodes,
een meerprijs voor grondgebonden melkveehouders en specifieke marktconcepten, en maatwerkfinanciering.
Die zouden dus ook echt geleverd moeten worden door ketenpartijen. Hij schrijft in
zijn eerste brief, of eigenlijk in de bijlage, dat deze maatregelen in mei zouden
zijn uitgewerkt. Maar dat is niet gebeurd. Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe de nieuwe
Minister hierin staat. Hoe staat het nu, hoe staat zij hierin, welke maatregelen wil
zij vragen van ketenpartijen en hoe dwingend zou ze dat willen maken?
Voorzitter, ik kijk heel even naar de tijd.
De voorzitter:
U heeft nog twee minuten.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ah, dat is mooi.
Over hoofdpijn ... Dat is niet om te lachen, mevrouw Bromet. Een beetje hoofdpijn
over RENURE. De afgelopen jaren hebben we natuurlijk steeds gezien dat er technische
oplossingen gepresenteerd werden om uit verschillende landbouwproblemen te komen.
Niemand is tegen innovatie en ook de Socialistische Partij is dat zeker niet, maar
we hebben heel vaak gezien dat boeren zich nog dieper in de schulden moesten steken
om vervolgens te concluderen dat de maatregelen weliswaar winstgevend waren voor de
verkopers maar niet voldoende deden om het doel te halen. Wij maken ons toch wel zorgen
dat deze geschiedenis zich met RENURE gaat herhalen. We zien dat opnieuw een zeer
dure installatie wordt gepresenteerd als een wondermiddel. Ik ben benieuwd of de Minister
die cijfers kan overnemen, maar ik las in Melk van het Noorden dat het 6 ton per bedrijf
zou gaan kosten. En de Rabobank becijferde dat het alleen terug te verdienen is door
bedrijven met 500 koeien. Ik ben benieuwd of deze cijfers kloppen. Ik zag een uitspraak
van Ruud Hendriks, docent bodemvruchtbaarheid, waarin hij zegt dat het vestzak-broekzak
is en dat RENURE een verdienmodel is van de mestbewerkers en een verliesmodel voor
de boeren. Graag een reactie. Het zou er bovendien ook voor kunnen zorgen dat er minder
weidegang plaatsvindt.
Ik vond de zin van columnist Stevelink ook wel mooi: «Met RENURE doen we onszelf nog
even een blinddoek voor, maar uiteindelijk moet je de draak in de ogen kijken.» Hoe
staat de nieuwe Minister hierin? Ik zeg dit niet omdat wij elke innovatie willen blokkeren,
maar omdat wij niet willen dat dit weer een nieuwe schuld om de nek van boeren wordt,
die uiteindelijk minder oplevert dan we ervan gehoopt hadden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Beckerman. U sprak namens de SP. Er is een interruptie van mevrouw
Nijhof-Leeuw.
Mevrouw Nijhof-Leeuw (PVV):
Ik zou graag een vraag aan de collega stellen over RENURE en de capaciteit. Is mijn
buurvrouw ervan op de hoogte dat RENURE al jaren als een pilot bij mestverwerkingsbedrijven
draait? Er is dus al wel degelijk capaciteit op verschillende plekken. Het kan daarna
op andere plekken uitgebreid worden. Maar er is dus al zeker capaciteit, waardoor
het nu al wat lucht kan geven in het mestprobleem.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, dat klopt, maar ik noemde al wel de zorgen die wij hierbij hebben. De heer Van
Campen, uw buurman, heeft al best vaak hartstochtelijk gepleit voor RENURE. Het interessante
daarbij vond ik altijd de claim dat het zou kunnen leiden tot minder kunstmestgebruik.
Dat is natuurlijk een erg belangrijk doel en ook iets waarin wij mee kunnen gaan.
Overigens hebben we ook gezien dat er natuurlijk genoeg boeren zijn die op een andere
manier boeren en daardoor ook zonder kunstmest kunnen. Die boeren hebben dus geen
mestprobleem. Zijn er boeren die hier al mee werken? Ja, dat klopt. Helaas is de eerste
die het gebruikt heeft, geloof ik, binnen een jaar failliet gegaan. Dat zagen wij
in een recent artikel van Follow the Money. Er zijn inderdaad mogelijkheden, maar
mijn zorg zit ’m erin dat we het een heel individuele oplossing maken, waarvoor boeren
zich weer in de schulden moeten steken. Interessant was dat mevrouw Nijhof-Laan net
zelf een voorbeeld gaf van zo’n innovatie die vervolgens een peperdure oplossing wordt,
waarvoor een extra lening nodig is: de stalvloeren. Zo’n vloer is er niet; die wordt
wel vergund, maar die blijkt niet goed genoeg te zijn. Dat zijn precies onze zorgen,
ook voor RENURE.
Mevrouw Nijhof-Leeuw (PVV):
Ik hoor mevrouw Becker, pardon, mevrouw Beckerman, zeggen dat de eerste die RENURE
gebruikte al failliet is, om het maar even simpel uit te drukken. Op meerdere plekken
in Nederland en zeker in Brabant staat men in nauw contact met het ministerie. Er
zijn mestverwerkingsbedrijven die hiervoor al tien jaar lang een pilot draaien, die
heel succesvol is. Ik wil er dus eigenlijk van af dat die op omvallen staan, want
dat is absoluut niet het geval. Het is een supermooi mineralenconcentraat dat heel
goed werkt voor de bodem, als je inderdaad het een en ander moet toevoegen. Ik wil
dus af van het idee dat het alleen maar duur zou zijn. Het is een deel, een puzzelstukje.
Ik denk dat we een grote puzzel te leggen hebben, zeker op de korte termijn. Dit zou
een klein stukje in de legpuzzel kunnen zijn, maar zeker niet het enige. Dat hebt
u mij ook niet horen zeggen.
De voorzitter:
Dit waren twee interrupties. U hebt er nog eentje, mevrouw Nijhof.
Mevrouw Beckerman (SP):
Het zegt ook wel weer wat dat het na tien jaar nog een pilot is. Ik wil het eigenlijk
omdraaien voor mevrouw Nijhof-Laan. Het punt is niet dat wij niet snappen dat er technisch
heel veel innovaties mogelijk zijn, bijvoorbeeld om kunstmest overbodig te maken,
wat een doel is dat wij steunen. De vraag is alleen of dit voor ons de beste oplossing
is. We zien namelijk dat het in hetzelfde cirkeltje zit als andere oplossingen. Het
zorgt ervoor dat boeren misschien weer een grote lening moeten aangaan en dat weidegang
mogelijkerwijs verminderd wordt, terwijl wij veel meer zien in een oplossing waarbij
we boeren met minder vee beter laten verdienen. Dat is voor ons een betere oplossing
dan weer een misschien wel hele dure technische oplossing, die bovendien zorgt voor
minder weidegang. Die zorgen hebben wij hier uitgesproken. Ik zou denken dat we de
PVV daarin aan onze kant kunnen vinden, ook omdat ze zelf haar zorgen heeft uitgesproken
over een andere innovatie, waar veel problemen mee zijn geweest en die eerder als
een klein deel van de oplossing werd gepresenteerd, namelijk die stalvloerconstructies.
De voorzitter:
Het is overigens «mevrouw Nijhof-Leeuw». U zei «mevrouw Nijhof-Laan», en mevrouw Nijhof
zei later «mevrouw Becker». Als u de naambordjes omkeert, hebt u daar geen last meer
van; dan kunt u het zien. Mevrouw Nijhof-Leeuw, uw laatste interruptie.
Mevrouw Nijhof-Leeuw (PVV):
Dat is soms wel makkelijk, vooral als je tegen de achterkant aan zit te kijken.
Ja, het kan voor de ene boer een te grote investering zijn, terwijl het voor de andere
boer wel een oplossing kan zijn. Dat heeft te maken met de terugverdientijd. Realiseert
u zich wel: als je meer mineralenconcentraat kunt uitrijden en het dus droog op je
land kunt verwerken, heb je niet al die vrachtwagens vol kunstmest nodig, die klauwen
met geld kosten. Het hangt af van de financiële positie van het bedrijf en de terugverdientijd
is voor de een wat korter dan voor de ander, maar ik denk zeker dat het voor verschillende
bedrijven een oplossing is. Maar gaat u mij nu niet vastpinnen op de tijden of de
jaren. Ik denk dat het per bedrijf verschillend is. Ik ben door mijn interrupties
heen, dus ik kan u geen reactie meer geven.
De voorzitter:
Maar u krijgt nog wel een tweede termijn, uiteraard.
Mevrouw Beckerman (SP):
De terugverdientijd kan verschillen, maar wij vroegen juist of de Minister de cijfers
van ... Ik zie dat mevrouw Nijhof met een collega praat. Wilt u het antwoord horen?
De Rabobank becijferde dat het alleen terug te verdienen is voor boeren met minimaal
500 koeien. Onze vraag daarbij was: moeten we er niet eerder voor zorgen dat ook kleinere
boeren, met minder koeien, die ook naar buiten gaan, een goed inkomen kunnen verdienen?
Zou het niet veel slimmer zijn om daarop in te zetten, in plaats van op wederom zo’n
dure, technische oplossing? Het doel, namelijk het oplossen van de mestcrisis en het
overbodig maken van kunstmest, delen we natuurlijk geheel, maar dat kan ook op een
andere manier.
De heer Pierik (BBB):
Ik vind het wel een mooi betoog van mevrouw Beckerman, want zij is echt betrokken
bij het verdienmodel van de boeren. Zij zegt: met minder dieren meer verdienen. Dat
is mooi, maar waar komen die extra verdiensten dan vandaan en wat voor gevolgen heeft
dat voor het boodschappenmandje van onze burger? Daar ben ik eigenlijk wel benieuwd
naar.
Mevrouw Beckerman (SP):
Daar kan ik echt heel erg over uitweiden. Wij hebben deze debatten heel vaak gevoerd.
Ik denk dat het erbij begint dat we veel meer moeten produceren voor de Nederlandse
markt. Dat is ook een van de redenen waarom mijn partij, en uw partij overigens ook,
steeds heel veel van die handelsverdragen heeft afgewezen. We moeten er dus voor zorgen
dat Nederlandse boeren niet meer puur produceren voor de export en voorkomen dat we
goedkopere producten importeren die volgens veel slechtere normen zijn gemaakt. Dat
is heel belangrijk voor mijn partij. Dat is ook waarop we elkaar hebben gevonden.
Ten tweede vinden wij het heel erg belangrijk dat de ketenpartijen veel meer van dit
soort producten in hun schappen gaan leggen. Dat is ook een punt waarop we meermalen
gezamenlijk moties hebben ingediend of gesteund. Ik noemde ze net in mijn betoog.
We zeiden dat je de mestcrisis niet enkel kunt afwentelen op het boerenerf; je zult
ook aan ketenpartijen een bijdrage moeten vragen. Dat zat ook in het plan-Adema. Er
werd beloofd om dat concreet te maken in mei, maar dat is niet gebeurd. Dat zijn dus
twee elementen daarbij. Een derde, heel erg belangrijk element is: waar geeft de overheid
haar geld aan uit? De 500 miljoen voor landschapsbeheer werd net even genoemd. Voor
ons is het heel belangrijk dat je dat doet en dat je boeren die hun bedrijf op die
manier vormgeven, echt beloont. Daar hebben we natuurlijk veel debatten over gehad.
Het GLB en de ecosysteemdiensten: het zijn allemaal dingen die wij van harte steunen.
En dan uw punt: wat betekent dat nou voor de prijs in de supermarkt? Dat is best een
interessante vraag. Wij hebben een paar keer verwezen naar de Europese mogelijkheid
om de producten uit je eigen land in de supermarkt te bevoordelen. Ik weet niet of
dat samen met uw partij was, maar in ieder geval wel samen met Volt, die er vandaag
niet is. Frankrijk heeft daar bijvoorbeeld wetgeving voor gemaakt. Relatief kort geleden
hebben wij een motie aangenomen gekregen waarin wordt verzocht om ook in Nederland
naar dat soort wetgeving te kijken, waardoor dat soort producten, Nederlandse producten,
in de supermarkt een goede prijs hebben. Ik hoop dat dit nog staat, dus misschien
vraag ik het zo ook eventjes aan de Minister. Frankrijk deed dat dus al. Wij vragen
dus ook om een bijdrage van de keten, want heel vaak wordt nu gezegd dat de boodschappen
dan duurder worden, maar dat is niet altijd het geval. Kijk naar boeren die hun eigen
producten verkopen. Die hebben vaak een goede, schappelijke prijs. De winst zit niet
zelden bij de supermarkt. Wij hebben weleens het voorbeeld gegeven van het eitje.
De voorzitter:
Er zijn genoeg voorbeelden gegeven. We gaan niet naar de eitjes toe, want we moeten
de tijd bewaken.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, voorzitter, maar het is zo’n leuke vraag en ik heb zo veel plannen om ervoor te
zorgen dat er een goed verdienmodel komt. Ik ben zo’n voorstander van dat goede verdienmodel
dat ik daar graag voorbeelden van geef. Een boer krijgt maar € 0,08 voor dat ene eitje,
terwijl de supermarktprijs maar stijgt en stijgt. De winst blijft vooral bij de supermarktketens
en komt niet terecht op het boerenerf. Nou ja, dit zijn een paar van die plannen.
Maar ja, nou ja, ik mag niet meer.
De heer Van Campen (VVD):
Wat nog wel aanwezig is op het boerenerf, is mest, om het nog maar even terug naar
het topic te brengen, haha. Toch nog even over RENURE. Deze coalitie heeft in het
hoofdlijnenakkoord grote ambities opgeschreven over doelsturing. We willen van middelsturing
naar doelsturing. We willen van depositiebeleid naar emissiebeleid. Dat klinkt allemaal
heel abstract. Als je daar op een verjaardag op een heel hoog niveau met mensen over
praat – dat doe ik overigens niet heel vaak op verjaardagen – dan ga je vaak heel
erg met elkaar op, maar als er keuzes gemaakt moeten worden, dan kunnen die best wel
pijn doen. Dan heb je het bijvoorbeeld over de vermindering van vergunningsruimte
voor uitstoot. Dat is doelsturing, emissiesturing. Ik zou mevrouw Beckerman willen
vragen of we nou zo op de stoel van die boer moeten gaan zitten. Als we straks we
aan de ene kant kunstmestvervangers, RENURE, hebben en aan de andere kant de doelen
op het gebied van de waterkwaliteit kunnen waarborgen, moeten we ons dan hier een
oordeel vormen over wat het boerenvakmanschap, in die stal, op dat land, kan bieden?
Moeten wij hier praten over al die verschillende instrumenten in de gereedschapskist
van een ondernemer als wij met elkaar zeggen dat hij daarvan gebruik kan maken op
voorwaarde dat de waterkwaliteit goed is, de natuurkwaliteit goed is en de uitstoot
wat vermindert?
Mevrouw Beckerman (SP):
Op die manier klinkt dat heel leuk, hè, een vrije keuze. Prima. Maar mijn punt is
dat wij hier weer een soort van wondermiddel ... We weten jarenlang dat zo’n mestcrisis
eraan zit te komen. In noemde het net: in 2008 verzuchtte Minister Verburg dat zij
hoopte dat zij de laatste Minister was die daarvan hoofdpijn zou krijgen. We weten
dat die eraan komt en we weten dat we al heel lang letterlijk in de shit zitten, maar
vervolgens wachten we elke keer op dat wondermiddel. Dáár ging mijn kritiek of mijn
vraag over. Mijn zorg is dat, als je als overheid propageert dat er een wondermiddel
is, en boeren dus ... Kijk, als iemand zelf een keuze maakt, dan is dat prima. Maar
als je het als wondermiddel gaat propageren, gaan mensen zich vervolgens weer tot
de nek in de schulden steken omdat ze denken: dat is gepropageerd als wondermiddel.
Het is de politiek die dat heeft gepropageerd, maar vervolgens blijkt het niet of
onvoldoende te werken. De overheid moet zich dan afvragen of zij dat weer wil doen.
We hebben al een paar keer eerder gezien dat wondermiddelen in de praktijk toch veel
minder bleken te werken. U kent ze ook: de stalvloeren. Die bleken veel minder goed
te werken. Dus dat zijn mijn zorgen hierbij. Moeten we weer een wondermiddel propageren,
terwijl we niet goed weten of dat wel terug te verdienen is en of mensen zich niet
extra in de schulden steken? Of moeten we komen met een wat meer permanente oplossing,
waarbij we mensen echt helpen met omschakelen en ervoor zorgen dat dat een goed verdienmodel
wordt?
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Van Campen, tevreden? Oké. Dan gaan we naar mevrouw Podt, Democraten
66.
Mevrouw Podt (D66):
Voorzitter, dank u wel. Na een rommelige start gisteren ben ik wel blij dat we hier
vandaag alsnog zitten. Er zijn vast veel verschillen van inzicht. Die zien we ook
nu in het debat, maar wat iedereen die hier vandaag zit bindt, is dat we heel graag
een goede oplossing willen voor de mestcrisis. Ik zeg het maar gelijk: wat mij betreft
is een goede oplossing ook een snelle oplossing. Want met iedere week die we langer
wachten holt de datum van 1 januari 2025 dichterbij. Het is een datum die, als we
niet heel snel wat doen, voor veel boeren diepe praktische en financiële ellende betekent,
want dan mogen ze minder mest produceren en uitrijden. Dat was de reden dat ik en
veel andere partijen dit debat zo noodzakelijk vonden en het zo noodzakelijk vonden
om dit debat nú te voeren. Want als we wachten tot na het reces, is 2025 nog maar
drie maanden weg. Dat is simpelweg te laat. Ik ben heel blij dat de nieuwe Minister
tijdens de hoorzitting al aangaf dat het oplossen van de mestcrisis een van haar prioriteiten
gaat zijn.
Voorzitter. De mestcrisis komt bepaald niet uit de lucht vallen. Dat onze wateren
de slechtste kwaliteit hebben in de Europese Unie en dat wij de derogatie gaan kwijtraken
is al jaren bekend. Helaas is elke keer gekozen voor uitstel en afstel. De voorgangers
van de Minister hebben vele malen en tot op het laatste moment geprobeerd om nóg een
uitzondering te krijgen. Zonder succes. In Brussel is het geven en nemen, en wij hebben
vooral genomen. De waterkwaliteit is niet verbeterd. Het landbouwakkoord is geklapt
en we hebben ons niet aan afspraken gehouden. «Met de vuist op tafel» werkt dan niet.
Dan moet je relaties opbouwen en laten zien dat je het meent met die waterkwaliteit.
Dat kost tijd, en ondertussen zien de boeren die mestcrisis op zich afstormen. Jonge
en gezonde boerenbedrijven gaan we verliezen als we niets doen. Daarom is mijn eerste
vraag aan de Minister: heeft zij in beeld hoeveel boerenbedrijven mogelijk failliet
zullen gaan als de druk op de mestmarkt niet wordt opgelost? Want dat de nood hoog
is, staat vast. Daarom kwam Minister Adema met een plan dat kon rekenen op een Kamermeerderheid.
De noodmaatregelen voor mest, zoals vermeld in het hoofdlijnenakkoord, liggen dus
voor het oprapen. De graslandsubsidie is geregeld en de rest van het samenhangende
pakket is duidelijk uiteengezet in een routekaart. Dat stemt mij hoopvol, maar ik
heb nog wel vragen over de financiering en de routekaart.
Tijdens de hoorzitting verwees de nieuwe Minister naar de 5 miljard die nog over is
van het transitiefonds. Ik zei het net al even: haar voorganger sprak over zo’n 4
miljard om in te zetten voor de vrijwillige uitkoopregeling. Dan is er nog 1 miljard
over voor de andere plannen in het akkoord. Ik heb ze even snel opgeschreven: innovatie,
voerspoor, robotisering, regie van het Rijk op de vergunningverlening van mestverwerking
met minder ambtenaren, dierwaardige veehouderij, gebiedsgerichte instandhouding van
de natuur, waar het vorige kabinet 25 miljard voor had gereserveerd, de naamsverandering
van LNV en een maximale ondersteuning bij het toekomstbestendig maken van de visserijvloot.
Dat moet dus eigenlijk allemaal uit die 1 miljard. Volgens mij hoef je niet bij het
CPB te werken om te zien dat dit tientallen miljarden gaat vragen. Hoe zal de Minister
al deze beloftes waarmaken met 1 miljard op zak?
Voorzitter. Ik begrijp natuurlijk dat deze Minister nog maar net in functie is, maar
de crisis en die routekaart manen tot spoed. Daarom wil D66 nú doorpakken met het
plan-Adema. Dus kan deze Minister aangeven dat ze dit onverkort gaat uitvoeren? En
kan ze toezeggen dat we nog voor Prinsjesdag inzicht krijgen in de opzet en de financiële
dekking van de twee zaken die voor dat moment in de routekaart staan? Dat is de beëindigingsregeling
en de wijziging van de Meststoffenwet voor de verlaging van de mestproductieplafonds
en de afroming van 30%.
Voorzitter. We hebben het nu over een mestcrisis, een acuut probleem dat op de korte
termijn opgelost moet worden én een symptoom van een grotere uitdaging, namelijk het
in balans brengen van onze landbouw met de natuur. Want ja, om onze gewassen te laten
groeien hebben we mest nodig. Maar laten we dan goed kijken hoeveel we nodig hebben.
Nu produceren we eerst en weten we vervolgens niet waar we het kunnen laten. Met dat
in het achterhoofd ben ik erg blij dat Minister Adema eindelijk stappen ging zetten
richting meer grondgebondenheid en zo richting een echte langetermijnvisie voor de
landbouw. Welke stappen wil deze Minister zetten om toe te werken naar een langetermijnvisie
voor de veehouderij?
Voorzitter. Laten we blijven werken aan perspectief voor de boeren en voorkomen dat
gezonde boerenbedrijven ten onder gaan aan de besluiteloosheid van Den Haag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Podt, netjes binnen de tijd. Dank u wel daarvoor. Zij sprak namens D66. Dan
mevrouw Vedder, Christen Democratisch Appèl.
Mevrouw Vedder (CDA):
Dank, voorzitter. Allereerst mijn hartelijke felicitaties aan Minister Wiersma. Welkom
in de naar mijn bescheiden mening leukste commissie van de Tweede Kamer. Een commissie
die elkaar opvallend vaak weet te vinden, heb ik gister opgeschreven, om te doen wat
nodig is. Behalve misschien gister, zeg ik met een knipoog. Mijn complimenten ook
aan de Minister voor de brief die ze vannacht heeft gestuurd en het feit dat we hier
vandaag met elkaar het debat aangaan. Het laat zien dat deze Minister niet alleen
de Kamer serieus neemt, maar vooral ook de dreigende crisis in de sector. Als Kamerlid
en als boerin ben ik haar daar dankbaar voor.
Voorzitter. De situatie is urgent. In een eerder debat heb ik gezegd dat er straks
duizenden boeren zijn die een onmogelijke keuze moeten maken: koeien naar de slacht
of een milieudelict begaan. En straks, dat is nu. Want over acht weken al is het uitrijseizoen
voorbij. Een deel van de sector zal zijn mest kwijt kunnen, maar tegen een gigantisch
hoge prijs. Een deel van de sector kan zich nog voor geen miljoen een weg uit de shit
kopen, want er zijn 400.000 vrachtwagens mest te veel. Waar moet dat in hemelsnaam
heen?
Voorzitter. In de aanloop naar dit debat hebben wij een enquête uitgezet in ons agronetwerk.
Daarin kregen wij reacties als: wij zijn koeien aan het afvoeren, mest wordt niet
opgehaald, niemand wil het hebben. De mestcrisis kan niet wachten. Hoe gaat deze Minister
verder met het plan van aanpak van Adema? Wordt dit voortgezet? Welke delen wel, welke
delen niet? Hoe zit het bijvoorbeeld met de brede beëindigingsregeling? Hoe betrekt
de Minister hier het crisisplan van de sector bij en de provincies? Ik hoor graag
per vraag een specifiek antwoord, want ik vind het heel belangrijk wat we tussen nu
en die acht weken gaan doen.
Andere reacties waren: «rekeningen kunnen nu al niet meer worden betaald», «we staan
diep in het rood», «hopen dat je niet bij degenen hoort die gaan omvallen» en «ik
zie een slagveld onder collega’s». Ziet de Minister kansen om de de-minimisregeling
te verruimen om meer steun mogelijk te maken? Hoe staat het met de verhoging van de
subsidie Behoud grasland? Maar vooral: welk handelingsperspectief kan de Minister
boeren geven die op dit moment al aangeven in financiële problemen te zitten?
Andere quotes waren: «wij waren bezig kunstmestvrij te worden maar we voeren nu weer
kunstmest aan», «veel zorgen over de gezondheid van de bodem, gezondheid van gewassen
en mijn vee», «kunstmest kan de daling in mineralen en sporenelementen nooit opvangen»,
«we hebben onze koeien opgestald om het beetje dierlijke mest wat we nog hebben zo
efficiënt mogelijk in te zetten».
Voorzitter. Ik heb het eerder gezegd: de streep door de derogatie is net zo onlogisch
en net zo onrechtvaardig als de streep door de pulsvisserij. Ik heb gehoord van deze
Minister dat ze volle kracht gaat inzetten op het opbouwen van relaties in Brussel.
Heel goed, onze volle steun daarvoor vanuit het CDA. Wat ons betreft is een graslandderogatie
wel het minste als we met gezond boerenverstand kijken naar waterkwaliteit. Maar het
opbouwen van relaties kost ook tijd, en tijd hebben boeren nu niet. Nu niks doen is
kiezen voor een heiharde koude sanering. Dus welke maatregelen gaat de Minister ondertussen
in Nederland treffen? Kortom, wat is plan B en wanneer gaat dit in werking?
Voorzitter. Innovatie, mestverwerking, RENURE en doelsturing zijn allemaal voorbijgekomen.
Deze punten zijn allemaal belangrijk voor het halen van de Kaderrichtlijn Water en
andere doelen. Een van mijn grootste frustraties is dat de sector hierin vele malen
sneller opschakelt dan het Rijk, en dat het Rijk er telkens hopeloos achteraan hobbelt.
Wat gaat de Minister doen om te zorgen dat we hier als overheid in kunnen versnellen?
Is de Minister het ook met ons eens dat de meeste vormen van innovatie die ik net
noemde, vaak geen invloed hebben op de mestproductie? En is de Minister het met ons
eens dat plan B voor het dealen met de mestcrisis eigenlijk maar twee knoppen kent,
namelijk óf minder mest, óf minder N’etjes en P’tjes in die mest? Of wil de Minister
niet aan de kant van de mestproductie gaan ingrijpen, maar juist aan de kant van de
mestplaatsing? Dat is voor mij een hele belangrijke, cruciale vraag. Gaat de Minister
overschrijding van gebruiksnormen en mestplafonds bijvoorbeeld gedogen, waar de sector
ook toe oproept? Hoe ziet de Minister dit? Welke reactie verwacht de Minister vanuit
Brussel? Zijn we hier, bijvoorbeeld financieel, op voorbereid?
Voorzitter. Nog drie afsluitende, korte vragen. Hoe gaat de Minister uitvoering geven
aan onze motie over de 1 oktoberregeling voor vanggewassen, die door de huidige extreme
weersomstandigheden enorm onder druk staan? Twee. Hoe kijkt de Minister naar de wijziging
die haar voorganger heeft aangebracht in het wetsvoorstel rond verliezen van kippen-
en varkensrechten? Vindt zij deze aanpassing voldoende? Gaat dit voorstel na het advies
van de Raad van State zo snel mogelijk naar de Tweede Kamer? De derde vraag is: is
de Minister bereid om in de Lbv- en de Lbv-plusregeling de eisen over het legen van
mestkelders aan te passen, zodat de regelingen kunnen bijdragen aan het oplossen van
de mestcrisis in plaats van tegen te werken? En geeft dat dan vervolgens geen problemen
met bijvoorbeeld staatssteun?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Vedder. U sprak namens het CDA. Er zijn twee interrupties. Allereerst
meneer Van Campen en dan meneer Holman.
De heer Van Campen (VVD):
Ik ga iets geks doen. Ik ga mevrouw Vedder vragen naar haar ervaring als melkveehouder.
Ik zou haar het volgende willen vragen. In het plan-Adema zit een aantal onvoorstelbare
rotmaatregelen, waarvan ik zelf toch ook het pleidooi heb gehouden dat we ze moeten
nemen. Zou mevrouw Vedder ons eens kunnen meenemen in wat zij hoort als zij in haar
omgeving als melkveehoudster op de buurtborrel of op verjaardagen collega’s spreekt?
Hoe wordt daarover gesproken?
Mevrouw Vedder (CDA):
Nou heb ik zo braaf mijn best gedaan om niet weer de boerin uit te hangen. Ik ben
altijd bezorgd dat ik dat te vaak doe, maar nu vraagt de heer Van Campen ernaar dus
doe ik het toch. Ik moet constateren dat buurtborrels niet zo vaak meer voorkomen
als een paar jaar geleden. Dat is al heel veelzeggend. Ik zie om mij heen melkveehouders
staken in een leeftijdscategorie waarin je dat eerder nooit zag. Ik heb het dan over
veertigers, dertigers en mensen die op het punt staan om een bedrijf over te nemen
en toch afhaken, tot groot verdriet van hun ouders of voorgaande generaties en ook
vaak van henzelf. En ja, de maatregelen in het pakket-Adema zijn echt pittig. Het
alternatief is dat we geen maatregelen nemen en dat er een koude sanering over het
platteland raast. Dan krijgen we een ongericht slagveld.
Ik vind het al verdrietig genoeg dat er zo veel animo is voor beëindigingsregelingen.
Maar als dat er dan toch is, benut het dan als mensen, zoals ik en collega’s, denken:
dit is een spel waarin wij niet langer het hoofd boven water kunnen houden; wij zijn
bereid om plaats te maken voor mensen die door willen naar de toekomst. Benut dat
dan, in plaats van een ongerichte koude sanering haar verwoestende werk te laten doen.
Benut die ruimte van vrijwillige stoppers voor de jonge boeren die door willen. Alles
wat ik en mijn collega’s aan ruimte kunnen maken, hoeven zij niet meer weg te innoveren.
Elke innovatie die we gaan inzetten om onze doelstellingen te behalen, werkt per definitie
kostprijsopdrijvend en is slecht voor het verdienvermogen. Jonge boeren staan te schreeuwen
om meer lucht en meer ruimte. Ik heb heel veel geloof in onze techniek – ik ben zelf
een techneut – maar het kan niet de enige weg uit dit probleem zijn. Het gaat niet
snel genoeg helpen om dit probleem binnen anderhalf tot twee jaar het hoofd te bieden.
Ik waardeer het voorbeeld van mijn PVV-collega, maar het geloof in dat we dit technisch
het hoofd kunnen bieden is te groot.
Ik vind het mijn taak als volksvertegenwoordiger en als boerin om eerlijk te zijn
over wat er op ons afkomt, om te zeggen dat dat ernstig is en dat we daar verstandig
mee moeten omgaan. We moeten niet zeggen: «Het is te ingewikkeld. We krijgen te veel
pushback, want we gaan vervelende dingen doen. Dan doen we maar niks en laten we het
maar gebeuren.» Ik wil dat niet. Ik kan daar niet mee leven.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Vedder. Meneer Van Campen, uw laatste interruptie.
De heer Van Campen (VVD):
Eigenlijk is het niet meer nodig om hier woorden aan toe te voegen, maar ik hecht
daar in die zin aan omdat dit type maatregelen waar we met elkaar als landbouwwoordvoerders
het debat over voeren vaak wordt gezien en geïnterpreteerd als «ze willen de agrarische
sector weg hebben». En daar is geen enkele sprake van. Ik denk dat het betoog van
mevrouw Vedder nadrukkelijk laat zien waarom het ook in het belang is van boeren die
door willen om deze moeilijke maatregelen te nemen en ik ben haar heel dankbaar voor
het delen van die ervaring.
De voorzitter:
Dank u wel voor die mooie woorden, meneer Van Campen. Meneer Holman.
De heer Holman (NSC):
De fractievoorzitter van mevrouw Vedder hield gisteren ook een verhaal over een PBO-achtige
structuur in de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, om bijvoorbeeld te komen
tot een Afrekenbare Stoffenbalans. Hoe ziet u dat en welk onderdeel kan dat zijn van
het mee helpen oplossen van het probleem?
Mevrouw Vedder (CDA):
Dank. Dat is een onderwerp dat dicht bij mijn hart ligt, dus ik loop het gevaar dat
ik te veel woorden ga gebruiken. Mijn fractievoorzitter had het gisteren inderdaad
over productschappen. Ik denk dat er een andere vorm nodig is, maar wat ik zie, is
dat we de afgelopen veertien jaar vakkundig slagkracht en organisatiekracht uit de
sector hebben gesloopt, met het schrappen van het Ministerie van LNV, met het schrappen
van productschappen. Daar hebben we nu last van. Toen gaf het misschien een opgelucht,
verlossend gevoel en dachten we «we kunnen het allemaal zelf wel», maar nu zitten
we letterlijk en figuurlijk in de shit in een heleboel sectoren op een heleboel punten
en zien we steeds weer hoe graag de sector zichzelf wil organiseren. Daar komen ook
by far de meest verstandige plannen vandaan om dat te doen, maar de doorzettingsmacht
is er niet. Ik snap heel goed dat bijvoorbeeld ZuivelNL kopschuw is geworden na het
drama van het invoeren van de fosfaatrechten. Het is ongelofelijk dapper geweest dat
de sector dat op zich heeft genomen, want het was kiezen tussen dat of verzuipen,
maar ik snap dat de sector het moeilijk vindt om daar zonder instrumenten mee door
te gaan.
Het is dus mijn stellige overtuiging dat wij als wij meer het vakmanschap en de daadkracht
van de sector willen benutten, die er gewoon zijn, die sector meer organisatiekracht
zullen moeten geven. Doe dat in ketenverband. Laat de sectoren dat zelf oppakken,
maar stimuleer ze er in ieder geval in. Verbind er dan ook instrumenten aan waarmee
ze die doorzettingsmacht in handen krijgen. Leg daar bijvoorbeeld ook de opdracht
weg: help ons met het uitwerken van doelsturing. Want o, mijn god als we dat hier
in Den Haag gaan doen. Nou, dan ga ik denk ik wat anders doen, want dat zie ik niet
goedkomen. Dus laat de sectoren dat in hemelsnaam uitwerken. Dan ben ik ervan overtuigd
dat er gewoon een systeem kan gaan staan waarin boeren weer hun vakmanschap kunnen
benutten en we weer zicht hebben op toekomstperspectief.
De voorzitter:
Dank u wel. Bètaboerin, Kamerlid en techneut. Bedankt voor uw inbreng namens het CDA.
Meneer Holman, Nieuw Sociaal Contract.
De heer Holman (NSC):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik complimenten geven aan de Minister en haar
succes wensen. Ik vind het hartstikke stoer van u dat u hier zit en met ons het gesprek
aangaat vandaag. Succes.
We spreken vandaag over mest, een onderwerp dat al decennialang op de politieke agenda
staat. Hoe ziet de toekomst van de landbouw eruit na twintig jaar pappen en nathouden?
Twintig jaar falend overheidsbeleid, zo noem ik het maar. Ondernemers, agrariërs,
zijn de dupe van wat wij hier in Den Haag niet hebben gedaan en hebben nagelaten.
We moeten het nu oplossen. Daar hebben we een zeer grote verantwoordelijkheid voor.
Zonder helder structuurbeleid worden die ondernemers de dupe, dus we moeten echt wat
doen. Hier ligt de uitdaging. Jonge boeren, het familiebedrijf en het grondgebonden
bedrijf dreigen de dupe te worden, zeker in de veehouderij, van dit beleid en dat
mag wat ons betreft niet gebeuren.
Mijn fractie ziet drie routes die we hebben te gaan. Eén – anderen hebben het al genoemd:
we moeten kijken welke ruimte er is in Europa om verlichting voor de agrarische sector
te krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van graslandderogatie. Er zijn ook een heleboel
andere voorbeelden genoemd: 1 oktober, de mogelijkheid van mestaanwending in de akkerbouw
en dat soort zaken. Kan de Minister op korte termijn hier iets over zeggen en kijken
wat mogelijk is? Kan de Minister, in september bijvoorbeeld, een plan van aanpak aan
ons presenteren voor hoe zij omgaat met Brussel, welke maatregelen zij onder de arm
meeneemt om met haar charmeoffensief dat zij heeft aangekondigd Europa te overtuigen
en ruimte te creëren voor Nederland?
Twee. Een oplossing is om te kijken wat we kunnen doen met innovatie – veel collega’s
hebben daar wat over gezegd – op het gebied van voer en bemesting, maar ook innovatie
in technische middelen. In de rondetafelgesprekken die we een maand geleden hebben
gehad, werd ook duidelijk dat je voordat je innovaties gecertificeerd en juridisch
geborgd hebt een lange weg te gaan hebt. Dat zal op korte termijn niet te veel opleveren,
maar op lange termijn misschien iets meer. Dus daar moeten we zeker aan werken.
Een derde mogelijkheid is de oplossing van het verminderen van de hoeveelheid mest.
Dit jaar gaan we het met 10% minder plaatsingsruimte waarschijnlijk net redden. Volgend
jaar, als er nog 10% bij komt, gaan we echt een megaprobleem krijgen en gaan de boeren
echt vastlopen. Dus er komt echt iets op ons af. Adema heeft op verzoek van de Kamer
een paar plannen gepresenteerd. Met brede steun in de Kamer heeft hij iets neergelegd.
Dat moet voortvarend opgepakt worden. Daar zitten twee dingen in. Ik zou de Minister
willen aansporen om na de vakantie met een plan te komen en, analoog aan wat de andere
collega’s hebben gezegd, om het wetsvoorstel hier zo spoedig mogelijk ter behandeling
voor te leggen, waarbij we 30% afroming voor alle sectoren kunnen implementeren en
dat op 1 januari van kracht kan zijn. Dat is mogelijk binnen de termijnen. Dan helpt
dat in elk geval voor volgend jaar.
Hetzelfde geldt voor de opkoopregeling conform het hoofdlijnenakkoord, waarin we hebben
geschreven dat we een permanente vrijwillige opkoopregeling willen, gericht op oudere
bedrijven met wat ik maar «een vorm van structuurbeleid» noem, waarbij we dus ook
nadenken over waar we heen moeten. Mijn aanbeveling aan de Minister zou zijn om zich
heel goed te realiseren wat de politieke realiteit is in dit huis. De politieke realiteit
hier is dat wij een denkrichting voor ogen hebben waarvan wij graag willen dat zij
daar voortvarend mee aan de gang gaat.
Dan wil ik ook iets zeggen over het bijna-landbouwakkoord. De Minister zegt dat wij
moeten doorontwikkelen. Dan is mijn vraag: waarheen? We gaan allemaal hard lopen,
maar we hebben niet duidelijk waarheen wij willen lopen. Het landbouwakkoord was een
goed akkoord. Dat kan een hele goede basis zijn om door te ontwikkelen en een visie
te krijgen op waar we heen moeten, maar dan moeten we dat wel willen. Dan moeten we
dat oppakken. We hebben hier in de Kamer ook een discussie gehad over die visie. We
hebben een motie aangenomen om aan de hand van het Wageningse model van zes dilemma’s,
waar wij zeven van hebben gemaakt, een toekomstvisie te maken. Ik herinner mij nog
dat het op een LTO-symposium dit voorjaar is gepresenteerd en dat iedereen daar enthousiast
over was. Wij hebben geconstateerd dat LTO, waar wij zijn geweest, daar ook over nadenkt.
Wil de Minister na de vakantie met ons in gesprek gaan om te kijken hoe en waar wij
willen landen en waar wij de sector heen willen hebben?
Als laatste. We hadden het net over het mestplafond, dat 10% gaat dalen. Dat is volgens
mij een gegeven. Denkt de Minister daar ook zo over? Wat is de consequentie daarvan?
Er zijn nieuwe cijfers gekomen over 2023. Ik heb ze even op een rijtje gezet en uitgerekend.
Wat mevrouw Nijhof zei over andere sectoren ...
De voorzitter:
U dient af te ronden.
De heer Holman (NSC):
Oké. Goed. Ik constateer dat dat behoorlijke consequenties heeft. Als u geïnteresseerd
bent in wat voor consequenties dat heeft, moet u dat maar even aan mij vragen.
De voorzitter:
Dank u wel. En wij kennen geen «zomervakantie» maar een «zomerreces». Een aantal dagen
daarvan kunnen inderdaad vakantie zijn, maar die tijd behoort ook te worden besteed
aan stages, werkbezoeken, voorbereidingen van debatten en andere dingen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Een goed betoog van collega Holman. Hij zei iets moois over doorontwikkelen. Tegelijkertijd
bepalen ondernemers dat natuurlijk deels zelf. Het gaat ook om de koers die wij uitzetten
in beleid. Mijn vraag is om dat punt eens toe te passen op dit mestdebat. We hebben
het over afromen bij transacties voor categorieën als varkens, pluimvee en melkvee,
maar er zijn ook diercategorieën die helemaal niet meedoen. Daar zijn geen productierechten
voor. Voor kalveren lag er, geloof ik, zo’n beetje een brief klaar op het ministerie
om naar de Kamer te sturen. Die is niet meer verstuurd. Voor geiten speelt dat ook.
Hoe kijkt de heer Holman daarnaar? Welke rol moeten deze diercategorieën zonder productierechten
hebben in deze mestplaatsingscrisis? Als we het solidair aan zouden pakken, dan zouden
we misschien ook de categorieën in ogenschouw moeten nemen die nu niet in de plannen
zitten.
De voorzitter:
Dat was uw laatste interruptie.
De heer Holman (NSC):
Ik ben blij dat de heer Grinwis belangstelling heeft voor de vraag die ik net aanstipte.
Ik kan daar nu mooi wat over vertellen. Het mestplafond gaat naar beneden. Wij hebben
inderdaad de categorieën koeien, kippen, varkens en overig. In overig zitten voor
een heel groot deel kalverhouderijen. «Overig» is net zo groot als bijvoorbeeld varkens.
Ik zou er sterk voorstander van zijn om kalveren te scheiden van overig en daar een
aparte categorie van te maken. We moeten kijken hoe we dat kunnen organiseren en vorm
kunnen geven. Verder hebben paarden ook best wel een aandeel. Ik zie daar een hele
grote paardenhouder op de publieke tribune zitten. Het heeft geen consequenties voor
zijn mest. Dat is één.
Het volgende dreigt en dat wil ik echt even noemen. Er gaat hier namelijk iets gebeuren
wat consequenties heeft. Mevrouw Nijhof zei dat we moeten kijken of kippen en varkens
wel gekort moeten worden. Er staat iets aan te komen. Stikstof is niet het probleem;
fosfaat is het probleem. Op grond van de laatste cijfers komt het fosfaat van de koeien
na afroming 12% boven het plafond te liggen. Als je daar dan ook nog bij zou rekenen
dat je kippen en varkens niet gaat korten, maar die ook nog gaat toerekenen aan de
koeien, dan ga je richting 17% boven het huidige fosfaatplafond. Stikstof kun je redelijk
naar beneden brengen. Bij fosfaat is dat veel moeilijker. Dit ga je niet halen. 1 januari
2026 word je daarop afgerekend. Als wij niets doen, als we dat niet vormgeven, het
plan van Adema niet overnemen en gaan doen wat LTO wil en heeft voorgesteld, dan dreigt
eind volgend jaar een generieke korting in de melkveehouderij van 10%, 15%. Dat moeten
we te allen tijde voorkomen. Dat zou een ramp zijn. Dat zou voor mijn geachte boerin-buurvrouw
echt desastreus zijn. We moeten goed nadenken over wat de consequenties dan zijn.
Ik doe nogmaals de oproep aan de Minister om onder ogen te zien wat er gebeurd is.
Maak voort, en laten we niet in politieke discussies komen, maar laten we aan de slag
gaan. Ik heb drie sporen genoemd. We hebben geen keuze, we moeten ze alle drie tegelijk
doen.
Mevrouw Vedder (CDA):
Ten eerste zitten we hier natuurlijk voor alle boeren in heel Nederland. Ik wilde
eigenlijk de heer Holman vragen hoe hij kijkt naar de rol van de sector in dit hele
verhaal. Maar ja, hij had ook nog consequenties die hij niet kon benoemen. Laat ik
daar dan maar eens mee beginnen.
De heer Holman (NSC):
Die consequenties heb ik al een beetje genoemd. Dat zijn de consequenties die voortkomen
uit wat de sector wil. We worden natuurlijk bestookt met een hele hoop visies en opdrachten.
We krijgen ze mee, met daarin wat hier te zeggen en wat hier te doen. Ik wel. Ik was
erg onder de indruk van het plan waar het NAJK mee komt. Zij steken hun nek uit, hebben
visie, nemen verantwoordelijkheid. Een zeer, zeer groot compliment richting hen. Ik
raad de Minister aan het plan van het NAJK in haar tas te steken, dat een paar keer
goed te lezen en te kijken wat ze daarvan kan gebruiken. Ik ben zeer teleurgesteld
in de LTO en de reactie van de LTO. Ik ben zeer teleurgesteld in het optreden van
de voorzitter van de LTO. Op een populistische, radicale manier predikt hij voortdurend
iets van: «We doen wat Brussel niet wil; de ingebrekestelling komt dan maar. Infractie?
Ach, daar dealen we wel mee; we gaan naar de rechter en we lossen het wel op.» Dit
is echt een ramp voor de sector. De uitwerking die ze hebben ten aanzien van varkens
en kippen leidt tot die 17% overschrijding van fosfaat. Waarom offert de LTO de melkveehouderij
op omwille van ik zou niet weten welk argument? Ik vind dit onverantwoord. Ik kan
me eigenlijk ook niet voorstellen waarom de vakgroep Melkveehouderij dit laat gebeuren,
want de verhalen die ik daar hoor zijn volstrekt anders. Is dat een helder antwoord?
De voorzitter:
Er zijn geen interrupties meer. Dan gaan we naar meneer Pierik van de BoerBurgerBeweging.
De heer Pierik (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil natuurlijk ook allereerst Onze Minister van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van harte feliciteren met haar nieuwe rol. Het
is een buitengewoon dappere stap.
De voorzitter:
Meneer Pierik, waarschijnlijk stoort uw laptop de microfoon. Dat geeft een hele nare
galm. Dank u wel, misschien helpt het zo wel. Sorry, we hebben uiteraard de tijd stopgezet.
De heer Pierik (BBB):
Zal ik de felicitaties aan de nieuwe Minister even afronden? Het is een buitengewoon
dappere stap in eveneens buitengewoon complexe tijden. We hebben het er hier vanmiddag
uitgebreid over. Er is een stevige mestcrisis en ik denk dat we die zo stevig als
mogelijk is, moeten aanpakken. Daar gaat mijn inbreng ook verder over. Het is ook
heel fijn dat we zo snel met elkaar het debat kunnen voeren over een urgent probleem
in de Nederlandse veehouderij.
Duizenden boeren zitten al jarenlang in onzekerheid. Collega Van Campen had het over
1994 en er zijn al andere jaartallen genoemd, maar het wordt steeds eerder. In 1984
had Minister Braks het zelfs al over mestoverschotten. Toen begonnen de problemen,
als het gaat om de mestcrisis, eigenlijk al. We hebben het vandaag dus niet over een
onbekend fenomeen. Toch wil ik wel even de directeur van het Nederlands Centrum voor
Mestverwaarding quoten. Hij zei namelijk: in Nederland hebben we een overschot aan
stikstof in mest, niet een overschot aan stikstof als meststof. Dat is treffend, heel
treffend. We kunnen alle stikstof uit dierlijke mest op het land kwijt. De gewassen
hebben die stikstof zelfs nodig, maar door omstreden regels zijn boeren verplicht
om een groot aandeel van die stikstof in de vorm van kunstmest toe te dienen. Daar
wordt het milieu alleen maar slechter van.
Voorzitter. We zien dat duizenden boeren door de regels van de afgelopen jaren en
de afgelopen kabinetten niet alleen worstelen met de mestafzet, maar ook met de toenemende
zorgen over het voortbestaan van hun bedrijf. Dit betekent dat er ook op korte termijn
maatregelen moeten komen die de boer weer perspectief bieden. De BBB-fractie wil de
Minister graag een aantal suggesties meegeven. Allereerst willen we de Minister vragen
om eens goed te kijken naar de gasvormige verliezen. Mevrouw Nijhof had het er ook
al over. Dat is echt iets wat de mestmarkt zou kunnen verlichten. Momenteel wordt
in de excretienormen van melkkoeien gerekend met 9% gasvormige verliezen. In het rapport
van Herman de Boer staat dat het minstens 16,6% moet zijn. In Frankrijk zijn de excretiecijfers
van melkkoeien ook een stuk lager dan die in Nederland. De BBB-fractie vraagt de Minister
om nader te onderzoeken of de gasvormige verliezen en de excretiefactoren op korte
termijn kunnen worden aangepast.
Daarnaast willen we dat innovaties om de spanning in de mestmarkt te verlichten, makkelijker
en sneller de ruimte krijgen. We vragen de Minister ook of het verlenen van vergunningen
voor zulke innovaties eenvoudiger kan. Verder willen we ook dat de juridische borging
ervan sneller van de grond kan komen. Daarnaast willen we dat er meer stoffen aan
de Aa-lijst van meststoffen worden toegevoegd. Zo kunnen boeren en het bedrijfsleven
zo snel mogelijk aan de gang met innovatieve projecten die maken dat er minder kunstmest,
in plaats van dierlijke mest, gebruikt hoeft te worden. Ook is het belangrijk dat
zo snel mogelijk de bufferzones rondom Natura 2000-gebieden verkleind worden, en dat
niet langer heel Nederland wordt aangewezen als een kwetsbare zone.
Tot slot willen we de Minister vragen of het mogelijk is om het uitrijseizoen voor
mest te verlengen. Zo ontstaat er niet meer plaatsingsruimte, maar zijn er wel meer
mogelijkheden om de mest, die door het extreem natte voorjaar niet uitgereden kon
worden, in een hopelijk groeizaam najaar alsnog te kunnen gebruiken voor de groei
van de gewassen. Zo kan een begin gemaakt worden met het afschaffen van de kalenderlandbouw.
Kortom, er zijn mogelijkheden om de mestmarkt te verlichten. We hebben er alle vertrouwen
in dat deze nieuwe Minister daarmee voortvarend aan de slag zal gaan, zodat de boeren
in Nederland weer perspectief krijgen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Pierik namens de BBB. Er zijn diverse interrupties. We beginnen
met mevrouw Beckerman van de SP.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik heb een hele concrete vraag. Is de BBB nog steeds voorstander van een gedoogbeleid
volgens de Europese regels zoals die in 2022 golden?
De heer Pierik (BBB):
De BBB is voor het naleven van de wettelijke bepalingen die zijn vastgelegd. We vinden
gedogen vooralsnog geen optie.
Mevrouw Beckerman (SP):
Niet om flauw te doen, maar we zagen in uw plan van april dat u voorstelde om dat
te doen.
De voorzitter:
Ik zei niks. U bedoelt de heer Pierik.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik bedoel zeker de heer Pierik. Los van wat we daar inhoudelijk van vinden, denken
we dat dat de kansen in Brussel niet per se heel veel groter zal maken. We hadden
net een interruptiedebatje over de keten. We zagen in de eerste versie van het plan
van Adema staan dat we meer moeten vragen van de keten. Dat zou in mei worden uitgewerkt.
Dat is nog niet zo. Deelt de BBB-fractie onze mening dat dat concreet moet worden
gemaakt? Zo ja, hoe?
De voorzitter:
Dat was uw laatste interruptie, mevrouw Beckerman. Meneer Pierik.
De heer Pierik (BBB):
Wij moeten gewoon alles uit de kast halen om een generieke korting te voorkomen en
om die mestcrisis op te lossen. Ketenpartijen zullen daar ook een rol in moeten spelen/opnemen.
Als het gaat om deze mestcrisis zeg ik weleens dat je eigenlijk aan twintig knoppen
tegelijk moet draaien. Ik heb er een paar genoemd. We hebben in april er in het tienpuntenplan
ook een aantal genoemd. Ik denk dat we al die punten bij onze nieuwe Minister neer
moeten leggen. We moeten zeggen: kom in de zomer met een compleet maatregelenpakket
en een regeerakkoord waarin al die punten verwerkt zijn. Dan hoop ik dat het gedogen
daar in ieder geval niet in voorkomt, maar het valt natuurlijk niet uit te sluiten.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Bromet, het is ook uw laatste interruptie.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik zie dat de BBB met oplossingen komt die totaal onrealistisch zijn. Daarmee zadelen
ze hun eigen Minister met een onmogelijke opdracht op. Tegelijkertijd is er hier in
de Kamer een breed draagvlak voor het plan van de vorige Minister. Hoe kijkt de heer
Pierik daarnaar? Is er vanuit de BBB ook steun voor het plan van voormalig Minister
Adema?
De heer Pierik (BBB):
Dank voor de vraag. De goede dingen in het plan van Adema zullen ongetwijfeld overgenomen
worden. Daar staat de BBB ook achter. De BBB heeft altijd geroepen: als er op een
vrijwillige manier uitkoop mogelijk is en als dat lucht creëert voor de sector, dan
moeten we zorgen dat we daar niet voor gaan liggen. Dat kan echt wel helpen. We hebben
natuurlijk in het maatregelenpakket al gezien dat er vrij uitbundig energie en geld
gestopt wordt in de Lbv-plusregelingen. De keerzijde is wel dat er dan toch ook bedrijven
opgekocht worden, waarvan ik denk dat dat misschien eigenlijk een vorm van kapitaalvernietiging
is. Ik ben bij boeren geweest die een splinternieuwe stal hebben die acht ton heeft
gekost, en die nu gesloopt wordt, omdat ze mee gaan doen aan die opkoopregeling. Dus
er mankeert hier en daar nog wel wat aan die opkoopregeling. Ik hoop wel dat onze
nieuwe Minister straks met een maatregelenpakket komt dat in ieder geval niet resulteert
in kapitaalvernietiging.
De heer Holman (NSC):
De heer Pierik hield een interessant betoog over gasvormige verliezen. Ik weet veel,
maar ik weet nog net niet hoe dat allemaal precies uitwerkt. Ik moet daar de komende
week nog even goed op studeren. Dat gaat mogelijk iets betekenen voor de verlichting
van stikstof, want het gaat helemaal slaan op stikstof. Ik vertelde u net dat er een
fosfaatoverschot van 17% ontstaat, als de plannen van LTO worden uitgevoerd, door
geen korting op varkens en kippen in te voeren, maar het allemaal bij melkveehouderij
neer te leggen. Hoe waardeert u de plannen van LTO? Als u die positief zou waarderen,
hoe denkt u dan in vredesnaam een oplossing te kunnen bedenken voor die 17% fosfaatoverschot?
Wat betreft stikstof zouden we het misschien kunnen redden, maar dit is echt het grote
gevaar voor de toekomst.
De heer Pierik (BBB):
Dank voor de vraag. Het fosfaatprobleem gaat in de toekomst inderdaad een groter probleem
worden, misschien nog wel groter dan het stikstofprobleem; dat onderstreep ik. Tegelijkertijd
vind ik het op dit moment nog te prematuur om te zeggen: joh, we moeten bepaalde sectoren
ontzien of zwaarder aanpakken. Ik wil die vraag eigenlijk ook bij Onze Minister neerleggen,
want we hebben heel veel suggesties gedaan en ideeën in de groep gegooid, dus laten
we even afwachten waar Onze Minister mee komt in het regeerakkoord.
De voorzitter:
Meneer Holman, uw laatste interruptie.
De heer Holman (NSC):
Aan de ene kant snap ik de redenering van de heer Pierik, maar als ik het goed doordenk
en goed bereken, betekent 17% fosfaat in de melkveehouderij dat een grote categorie
jonge boeren, grondgebonden bedrijven en familiebedrijven de nek om wordt gedraaid,
om het maar even boud te zeggen. De intensieve veehouderij en zeker de echt intensieve
veehouderij worden hiervan de winnaars en blijven grotendeels op de been. Ik wil die
vraag niet neerleggen bij de Minister. Ik denk dat wij er in de Kamer wel een mening
over hebben. In het debat in september wil ik graag zeggen wat onze mening is en hoe
we dat in kunnen vullen.
De heer Pierik (BBB):
Ik hoor eerlijk gezegd geen vraag in het betoog van de heer Holman.
De heer Holman (NSC):
Wat vindt de heer Pierik daarvan?
De heer Pierik (BBB):
Helder. Daar kan ik wel wat over zeggen. We hebben natuurlijk heel veel sectoren in
de landbouw, zoals de melkveehouderij. Ik vind eigenlijk dat we heel genuanceerd moeten
kijken naar de intensieve veehouderij. Er zitten in de intensieve veehouderij ook
bedrijven die behoorlijk in een kringloop werken, die hun varkens en kippen voeren
met reststoffen uit de voedingsmiddelenindustrie en die het ook heel goed doen wat
betreft mestverwerking. Het gaat mij veel te ver als we nu alleen de intensieve veehouderij
afserveren als sector waar de ellende vandaan komt. Ik vind dus eigenlijk dat je dat
heel genuanceerd moet bekijken. Je moet kijken in hoeverre die bedrijven ook bezig
zijn met een stukje verduurzaming. Bedrijven die bezig zijn met een stukje verduurzaming
en verdere stappen zetten in de kringloopgedachte moeten gewoon mee kunnen blijven
doen.
Mevrouw Vedder (CDA):
Eerlijk gezegd ben ik nog een beetje mijn gedachten aan het ordenen, want ik hoor
de BBB ook vandaag weer zeggen ... Nou, ze zijn overduidelijk geen groot voorstander
van opkoopregelingen. Mijn collega zei net: als je het mij vraagt, is het misschien
kapitaalvernietiging. Maar dan denk ik: zo’n besluit is toch niet aan de mensen die
aan deze tafel zitten? Mensen die opteren voor een opkoopregeling doen dat omdat ze
constateren dat hun pad niet toekomstbestendig is. Ik hoor BBB telkens zeggen: «We
gaan geen opkoopregelingen doen. We hebben ze niet meer nodig. We gaan zo’n prachtig
perspectief schetsen dat die opkoopregelingen niet meer nodig zijn.» Dat zijn de woorden
van uw fractievoorzitter, meneer Pierik. Het hele budget wordt geschrapt. Het alternatief
is dus dat je mensen geen keus laat. Dan is het gewoon stikken. Dan is het gewoon
koude sanering. Kunt u me nou nog een keer ... Ik snap werkelijk niet welke gedachtekronkel
maakt dat je zegt: met een uitkoopregeling kunnen we stoppers helpen naar een fatsoenlijke
volgende stap en de volgende generatie helpen door het verlichten van de taken die
er al liggen. Al die wateropgaves, klimaatopgaves en stikstofopgaves blijven namelijk
gewoon gelijk. Die veranderen niet.
De voorzitter:
Dat was uw laatste interruptie, mevrouw Vedder.
De heer Pierik (BBB):
Dank voor de vraag. Ik denk dat het goed is om de zaak ten aanzien van de opkoopregelingen
nog even verder te nuanceren. De BBB is niet tegen een vrijwillige opkoopregeling,
maar is vooral voor perspectief voor boeren die willen blijven. Boeren die willen
blijven moeten perspectief zien. Daar gaat het om. In de huidige opkoopregelingen
worden er boeren uitgekocht, terwijl ik denk: dat is echt zonde voor de Nederlandse
landbouw, omdat het boeren met ontzettend mooie bedrijven zijn. Nieuwe stallen moeten
dan helemaal uit elkaar gehaald worden. Dat is een vorm van kapitaalvernietiging waar
wij niet blij van worden. Daar komt bij dat we het geld dat we willen investeren in
de sector, willen investeren in bedrijven die over vijf, tien jaar ook nog toekomstperspectief
hebben. Het heet nu wel «vrijwillige opkoopregeling», maar er zijn bedrijven die zo
onder water staan en waar zo veel paniek is, bij wijze van spreken, dat ze zeggen:
nou ja, het moet maar. Boeren adviseren de kinderen dan om het bedrijf maar niet over
te nemen, omdat ze vinden dat er onvoldoende perspectief is. Dat vinden wij doodzonde.
Wij willen zo veel mogelijk investeren in bedrijven die ervan uitgaan dat ze, als
het gaat om het verdienmodel, over vijf jaar ook nog kunnen bestaan, zodat er perspectief
is op die boerenbedrijven.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De maatschappij vraagt dat we alle klimaat-, natuur- en milieudoelen halen. Er wordt
massaal gevraagd om een verbetering van dierenwelzijn. Deze coalitie heeft gezegd
dat ze zich zal houden aan bestaande afspraken, waaronder de Wet dieren. We hebben
gezegd dat de veehouderij in 2040 dierwaardig moet zijn. Dat betekent dat dieren dan
niet meer aangepast mogen worden aan het systeem, maar eindelijk zichzelf kunnen zijn.
We weten dat de maatregelen die we nu voor mest nemen, ook moeten bijdragen aan al
die doelen. Anders is het veel verspild geld. Mijn concrete vraag is: welke integrale
maatregelen wil de BBB nemen om die doelen inderdaad te halen?
De heer Pierik (BBB):
Dank voor de vraag. In het hoofdlijnenakkoord hebben we een aparte paragraaf besteed
aan dierwaardige veehouderij. Daarin staan precies de maatregelen die we voor ogen
hebben om de veehouderij verder te laten toewerken naar meer dierwaardigheid. De laatste
jaren zijn natuurlijk ook al behoorlijke stappen gezet om de dierwaardigheid in de
veehouderij verder te bevorderen. Als het gaat om het onthoornen, zijn er plannen
gemaakt en als het gaat om ingrepen bij dieren, zijn er stappen gezet. Varkens mogen
niet meer aangebonden worden. Er zijn al heel wat stappen gezet in de veehouderij.
Gezien het hoofdlijnenakkoord gaan we verdere stappen zetten om toe te werken naar
een meer dierwaardige veehouderij.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik zou het appreciëren als mijn vraag wordt beantwoord. Ik vroeg namelijk naar integrale
maatregelen om al die doelen te halen, dus niet alleen maar dierwaardigheid, waar
de heer Pierik een vaag antwoord op gaf. Ik wil graag concrete maatregelen horen.
Welke maatregelen heeft BBB in gedachten – die mis ik namelijk – om al die doelen
waar de maatschappij om vraagt, te halen?
De heer Pierik (BBB):
Daarvoor verwijs ik gewoon naar het hoofdlijnenakkoord. Op pagina 11 en 12 staan precies
de maatregelen die we voor ogen hebben. Dan gaat het bijvoorbeeld over transport over
lange afstanden.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dan heb ik er toch nog iets positiefs uit gekregen.
Een laatste vraag dan. Ik was echt not amused over wat er gisteren gebeurde. We hadden
als Kamer in meerderheid afgesproken dat we dit debat zouden voeren, juist vanwege
de urgentie. De BBB en andere coalitiepartijen hebben gisteren net van tevoren het
debat geannuleerd. Er was persaandacht nodig om het nu te laten plaatsvinden. Wat
opviel, is dat de fractievoorzitter van BBB zei: ik bescherm mijn mensen. Ik wil van
de heer Pierik horen wat dat nou precies betekent. Tegen wie of wat wil BBB de Minister
beschermen en waarom is dat nodig?
De heer Pierik (BBB):
Volgens mij voeren we hier een mestdebat. Gisteren heeft er een democratisch proces
plaatsgevonden over hoe deze procedure is verlopen. Daar wil ik het graag bij laten.
De voorzitter:
Waarvan akte. We gaan naar het lid Kostić van de Partij voor de Dieren. Uw inbreng,
alstublieft.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. We zitten zo diep in de shit, letterlijk en figuurlijk, dat
we aparte debatten moeten voeren over mest. De oorzaak van de mestcrisis is heel simpel:
we zijn het meest veedichte land ter wereld. Onze vee-industrie overschrijdt alle
grenzen. We weten al dat het heel slecht is voor de volksgezondheid, maar de gigantische
hoeveelheid mest die uit de industrie stroomt, bedreigt ook ons water en onze dier-
en insectensoorten. We zijn inmiddels op het punt terechtgekomen dat we bijna te weinig
bestuivers hebben voor ons voedsel, voor voedselzekerheid. Ik vraag de Minister om
daarop te reflecteren, aangezien zij de Minister van Voedselzekerheid is.
Boeren zijn de slachtoffers van een laffe overheid die geen keuzes durft te maken
en ze steeds de verkeerde kant op heeft gestuurd, maar niemand hier heeft het over
de grootste slachtoffers, namelijk de 500 miljoen dieren achter de mest die we elk
jaar fokken, gebruiken en doden. Niemand hier heeft het over de ellende van ontstekingen,
longaandoeningen en kreupelheid of over de 30 miljoen voelende wezens die de stal
niet eens levend uit komen. Hoe minder dieren in dit moreel verrotte systeem moeten
leven, hoe beter. Decennialang is er door de overheid weinig anders gedaan dan belastinggeld
verspillen aan technische fopmaatregelen en pleisters plakken. Het komt erop neer
dat we met mestmillimeteren en foefjes een overvolle mestemmer proberen net niet over
te laten lopen. Het resultaat: de problemen zijn nog steeds niet opgelost, maar de
boeren zijn wel verder in de problemen gebracht.
Beste mensen, hoe lang blijven we dezelfde fouten maken? Die mestemmer moet nu eerst
halfleeg. Minder dieren is minder mest is minder problemen. Dat is niet alleen de
sleutel voor het oplossen van de mestproblemen, maar is ook goed voor onze gezondheid,
klimaat, schone lucht, dierenwelzijn en economie. Dat betekent ook: meer ruimte voor
natuur en ontspanning. Dat is het positieve verhaal dat de VVD zou moeten delen in
plaats van steeds weer terug te vallen op het aanprijzen van technieken die het huidige
systeem in stand houden.
Maar met het negeren van de koe in de kamer missen we prachtige kansen om boeren en
burgers mee te nemen naar een gezond voedselsysteem. Deze coalitie heeft beloofd zich
aan alle afspraken rond natuur, klimaat, gezondheid en bodemwaarden te houden. We
hebben ook de Wet dieren, waarover ik het net ook had. Erkent de Minister die afspraken?
En erkent de Minister dat integrale maatregelen noodzakelijk zijn en dat die allemaal
een positieve bijdrage moeten leveren aan die afspraken? Wat we wat de Partij voor
de Dieren betreft moeten doen, is in ieder geval fokbeperkingen opleggen, want hoe
minder dieren er nu worden geboren, hoe minder er straks vroegtijdig naar de slacht
moeten. Daarnaast moet er een maximum komen op het aantal dieren per hectare en afroming
van rechten bij handel. Dit betekent ook grootschalig inzetten op het extensiveren
van de landbouw en het ondersteunen van biologische boeren die zonder mest werken.
Voorzitter. De Partij voor de Dieren kijkt positief naar innovaties die echt werken
en bijdragen aan een diervriendelijk en gezond systeem. We hebben hier in de Kamer
boeren op bezoek gehad die zonder mest biologische groenten telen en ex-veehouders
die Nederlandse soja voor plantaardige zuivel telen. Dat zijn de innovaties die we
zouden moeten promoten.
Maar ...
De voorzitter:
Er is een interruptie van meneer Flach, SGP.
De heer Flach (SGP):
Ik wachtte even af of er misschien ook nog wat vriendelijke woorden kwamen voor de
boeren in ons land, die toch echt wel heel veel gedaan hebben. Maar het eerlijke verhaal
is dat de Partij voor de Dieren gewoon een reductie van de veestapel met 75% als doel
heeft. Dat is bekend. Daar draait u ook niet omheen. Maar dan past het daarbinnen
toch ook om richting al die melkveehouders, varkenshouders en pluimveehouders, die
allemaal keihard gewerkt hebben om de hoeveelheid mest, de stikstofexcretie en de
fosfaatexcretie naar beneden te brengen, eens te zeggen dat dat toch een forse prestatie
is geweest?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik vind het jammer dat mijn collega nu doet alsof wij hier niet eerder gesprekken
en debatten over hebben gehad, want ik heb in elk debat benadrukt dat wij de boeren
niet als de schuldigen zien. De boeren hebben ontzettend hun best gedaan. Zij hebben
gewoon gedaan wat de overheid al die jaren van ze heeft gevraagd ... Nee, de overheid
heeft ze daar zelfs naartoe geduwd, naar intensivering, naar schaalvergroting, naar
zo veel mogelijk produceren tegen zo laag mogelijke kosten. Dat hebben zij gedaan.
Ze zijn ook, door onder anderen de VVD, gestuurd met technische foefjes die uiteindelijk
niet bleken te werken, maar waar ze wel heel veel geld voor moesten betalen. Dus ik
heb alle waardering voor de goede bedoelingen van de boeren, maar ik spreek hier vooral
over de kabinetten die eigenlijk geen keuze hebben durven maken. Die spreek ik hierop
vooral aan. Ik wijs daarnaast op een mooiere toekomst, op de potentie daarvan. Ik
snap de SGP gewoon niet, die maar blijft hangen in dit hele foute systeem, waarvan
niet alleen de boeren slachtoffer worden, maar ook die 500 miljoen dieren per jaar.
Daar hoor ik de SGP dan weer niet over. Waarom hoor ik de SGP daar niet over? Waarom
moet de Partij voor de Dieren de enige partij zijn die het heeft over die dieren?
Die zitten namelijk gewoon achter die mest.
De voorzitter:
Meneer Flach, uw laatste interruptie.
De heer Flach (SGP):
Eigenlijk wordt er een vraag aan mij gesteld, dus ik weet niet of mij dat in 30 seconden
lukt. Het is inderdaad zo dat de visie van de SGP en de visie van de Partij voor de
Dieren enorm verschillen. Wat ons bindt, is dat we in ieder geval de doelstellingen
van de waterkwaliteitsrichtlijnen willen halen. Alleen, de weg daarnaartoe is heel
verschillend. Ik denk dat de Partij voor de Dieren niet tevreden zou zijn als we de
waterkwaliteit halen met hetzelfde aantal dieren, terwijl dat voor de SGP wel zou
gelden. Het gaat ons om de doelen voor water, lucht, dierenwelzijn en dergelijke.
Maar voor de Partij voor de Dieren gaat het daadwerkelijk om het terugdringen van
de hoeveelheid dieren. Dat is gewoon een heel ander doel. Daardoor heb je echt een
andere bril op als je kijkt naar de resultaten. Ik ben blij dat u in ieder geval toegeeft
dat het een grote prestatie is van de boeren dat zij die reductie hebben gehaald.
Dat zie ik dan maar als een compliment uit uw mond, geadresseerd aan de boeren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik vind het wel jammer dat de SGP weer niet ingaat op hoe het nu met de dieren staat
en wat het in stand houden van dit systeem betekent voor al die 500 miljoen dieren
in dit land. Ik vind het ook jammer dat de SGP niet ingaat op de suggesties van de
Partij voor de Dieren als het gaat om de transitie naar een gezondere landbouw. Ik
heb het over minder dieren, maar wel een gezonder verdienmodel voor de boeren, zodat
zij niet moeten concurreren in de verschrikkelijke wereldmarkt. Ze kunnen dan meer
aandacht hebben voor hun dieren en kunnen misschien andere zaken doen, zoals we eerder
hebben gezien in de Tweede Kamer. Ik heb het over veeboeren die gewoon overschakelen
naar het telen van plantaardige producten.
De voorzitter:
Meneer Flach heeft geen interrupties meer, maar hij kan daar dadelijk in zijn eigen
termijn nog op terugkomen, mocht hij dat wensen. Het lid Kostić gaat verder. U heeft
nog 1 minuut en 48 seconden.
Kamerlid Kostić (PvdD):
O, spannend!
Ik had het net over innovaties die wel werken, maar inzetten op RENURE is weer een
duur foefje. De techniek is onzeker en de partijen die RENURE nu zitten aan te prijzen,
spelen gewoon Russische roulette met levens van dieren en boeren. Boeren worden weer
op kosten gejaagd, die zij vervolgens moeten terugverdienen, vaak door intensivering.
Dat creëert een afhankelijkheid van de hoeveelheid mest, remt de transitie naar een
gezond landbouwsysteem af en zit de mogelijkheid om andere groene doelen te halen
in de weg. Kan de Minister garanderen dat deze zorgen onterecht zijn? Kan de Minister
ons verzekeren dat er in ieder geval geen belastinggeld naar RENURE gaat, ook gezien
het beperkte budget van dit kabinet?
RENURE heeft ook een hoog sjoemelmestgehalte en verhoogt het risico op nog meer mestfraude.
De mestfraude is nu al zo groot dat zelfs het OM vraagt om een krimp van het aantal
dieren in de veehouderij. «De prikkel om te frauderen met mest is gewoon groot,» zei
de NVWA in februari nog. Welke maatregelen gaat de Minister met het kabinet nemen
tegen mestfraude?
Ten slotte, voorzitter. Waarom kan de kalversector nog steeds uitbreiden? Waarom worden
in deze mestcrisis eigenlijk nog steeds kalfjes uit andere landen hiernaartoe gesleept,
zo vraag ik de Minister. Vorig jaar zijn er 106.000 kalfjes uit Ierland naar Nederland
gehaald; piepjonge dieren, dagenlang onderweg. Wat vindt de Minister hiervan? Is zij
bereid om zich maximaal in te zetten om zulke langeafstandsdiertransporten te stoppen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, lid Kostić namens de Partij voor de Dieren. We komen bij de laatste twee
sprekers: meneer Flach en meneer Grinwis. U krijgt het goed, want alleen meneer Pierik
heeft nog één interruptie over, dus niets staat u in de weg. Geniet ervan op deze
laatste dag voor het reces! We beginnen met meneer Flach van de mannenbroeders, de
Staatkundig Gereformeerde Partij. We zetten de tijd aan.
De heer Flach (SGP):
Jammer, voorzitter, want ik had nog wel een paar scherpe vragen van collega Kostić
verwacht, maar dat kan nu dus niet.
Voorzitter. Dat we zo snel al met de nieuwe Minister om tafel zitten om te spreken
over het landbouwbeleid, staat eigenlijk symbool voor de urgentie van de opgaven waar
de boeren voor staan. Er staat zo veel op het spel. Denk aan de melkveehouders met
volle mestputten, maar ook aan de schrijnende onzekerheid bij de duizenden PAS-knelgevallen.
Deze ondernemers en hun gezinnen zijn niet gebaat bij blufpoker of behendige debatten,
of het nu linksom of rechtsom is. Zij hebben een kabinet nodig dat weet wat er speelt
en dat de mouwen opstroopt om deze opgaven aan te pakken. Ik weet dat de nieuwe Minister
hiervoor wil gaan. Ik wens haar daarbij namens de SGP veel wijsheid en zegen toe.
Dan nu de mestcrisis. Bij het vorige commissiedebat heb ik aangegeven dat het plan
van Minister Adema weinig perspectief bood voor de korte termijn. Een graslandnorm
haalt de komende jaren weinig uit, nog los van de vraag of je nieuwe knelgevallen
wilt creëren. De structurele opkoopregeling doet dat ook niet. RENURE, afroming bij
rechtentransacties in de melkveehouderij en het voerspoor dragen wel bij, maar lang
niet genoeg. Waar denkt de SGP dan aan?
Door het natte lenteweer ... Mijn blaadjes liggen door de war, voorzitter.
De voorzitter:
We hebben de tijd even stopgezet, geen probleem.
De heer Flach (SGP):
Excuus voor deze onderbreking. Als we naar Brussel gaan om wat derogatie terug te
krijgen, zullen we ook wat moeten bieden. Alleen een stapel rapporten meenemen die
laten zien dat dierlijke mest niet meer uitspoelt dan kunstmest zal helaas niet voldoende
zijn. Ik denk aan de mogelijkheid voor melkveehouders om voor een graslandderogatie
te kiezen gekoppeld aan verlaging van de totale stikstofgebruiksnorm. Anders denk
ik aan een derogatie voor blijvend grasland en een korting op de totale stikstofgebruiksnorm
bij een hoog bodemoverschot. Waarmee wil de Minister Brussel overtuigen, vraag ik
haar.
Minister Adema had niet alleen 30% afroming voorgesteld – hij is trouwens nog nooit
zo veel genoemd als in dit debat – ...
(Hilariteit)
De heer Flach (SGP):
Minister Adema had niet alleen 30% afroming bij overdracht van productierechten voor
de melkveehouderij voorgesteld, maar ook voor de varkens- en de pluimveehouderij.
Die laatste twee sectoren produceren nu echter onder hun sectorplafonds. Ik vraag
aan de Minister of het wel reëel is om de afroming voor die sectoren mee te nemen
in het wetsvoorstel. Ik waarschuw ook voor het vastpinnen van verlaagde sectorplafonds.
Zorg voor voldoende flexibiliteit en reken niet met seizoensmatige pieken.
De vorige Minister dacht aan een brede stoppersregeling met een geschat budget van
4 miljard euro. Dan zou de 5 miljard uit het hoofdlijnenakkoord snel op zijn. Het
versnellen van natuurlijke verkoop in de melkveehouderij is op zich goed, maar het
moet beginnen met perspectief voor blijvers en opkoop is een sluitstuk met focus op
de opkoop van bedrijven met verouderde stallen. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
Door het natte lenteweer is het groeiseizoen later gestart. Wil de Minister ervoor
zorgen dat het uitrijseizoen voor mest verlengd wordt? Dat geeft op korte termijn
wel degelijk wat lucht. Voor verschillende teelt is het ook onmogelijk om voor 1 oktober
te oogsten. Gaat de Minister die 1 oktobermaatregel aanpassen?
De SGP heeft eerder voorgesteld om niet heel Nederland aan te wijzen als kwetsbaar
gebied in het kader van de Nitraatrichtlijn. Onder meer het rivierengebied en gebieden
in Noord-Nederland met veel grasland kunnen prima buiten schot blijven door gebruik
te maken van artikel 3.4 van de Nitraatrichtlijn in plaats van de luie variant van
artikel 3.5. Het is mooi dat dit is overgenomen in het hoofdlijnenakkoord. Zoals staat
in het hoofdlijnenakkoord, kan dit ook per direct, zonder toestemming van Brussel.
Hoe gaat de Minister dit oppakken?
Een korte klap is ook te maken door het aanwijzen van NV-gebieden te baseren op recente
data van het landbouwaandeel. Dan zouden in de waterschappen Noorderzijlvest en Amstel,
Gooi en Vecht NV-gebieden geschrapt kunnen worden. Pakt de Minister dit snel op?
Ik blijf nog even bij de cijfers. Onderzoek laat zien dat de excretiecijfers voor
melkvee, dus de hoeveelheid stikstof in koeienmest, weleens lager kunnen liggen dan
de cijfers waar de overheid mee rekent. Dat gaat ook over het gasverlies, waar eerder
over gesproken werd. Wil de Minister hiervoor corrigeren zodat er niet onnodig mest
wordt afgevoerd?
Veehouders die al een saneringsbeschikking hebben gekregen, hikken aan tegen de deadline
voor de afvoer van mest. Sommigen hebben volle mestkelders en vragen zich af of ze
deze mest op tijd wegkrijgen. Wil de Minister enige flexibiliteit bieden?
Mestverwerking en -opslag in akkerbouwgebieden draagt bij aan kunstmestvervanging.
Vergunningverlening is echter een slepend knelpunt. Gaat de Minister afspraken maken
met medeoverheden om hier ook vaart mee te maken?
Aan het eind heb ik nog een hartenkreet, voorzitter. Het wrange is dat alle pijn voor
de sector door afschaffing van de derogatie en de verlaging van productieplafonds
weinig oplevert voor de waterkwaliteit. Weet u waar de SGP wel enthousiast van wordt?
Ik noem als voorbeeld het Boeren Innovatie Netwerk de Peel. Veehouders en akkerbouwers
werken daar samen om onder meer door slimme teeltrotaties nitraatverliezen te beperken.
Zo’n gebiedsaanpak werkt wél. Laat dat de motor van het beleid zijn, voor schoner
water en handelingsperspectief voor boeren.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Flach namens de SGP. Dat was netjes binnen de tijd. Tot slot in
deze eerste ronde meneer Grinwis van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. De kersverse Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur heeft het genoegen bijna meteen te mogen aantreden in deze commissie. De
aanloop naar dit debat had weliswaar iets weg van amateurtoneel, maar soit, we zijn
er om de zeer urgentie mestcrisis te bespreken, of beter gezegd: de mestplaatsingscrisis.
Het is een bestaanszekerheidscrisis voor duizenden veehouders. Ik ben benieuwd naar
de visie van de Minister hierop. Voordat ik verderga met de inhoud, wil ik haar van
harte feliciteren met het ministerschap en met de werkelijk prachtige landbouwsector
in haar portefeuille. Het is een keten vol met bedrijven, mensen met kennis, ondernemerschap,
innovatieve ideeën en met een soms kwetsbare natuur die ons is toevertrouwd. Ik wens
u veel wijsheid, sterkte en daadkracht.
Voorzitter. De Minister staat voor een grote opgave. We hadden al een opgave voor
een volhoudbaar verdienvermogen voor de boeren, de natuur en het klimaat. Daar is
sinds eind vorig jaar de acute mestplaatsingscrisis overheen gekomen. Die veroorzaakt
meer dan alle andere opgaven een kaalslag onder boerenbedrijven. De wanhoop is bij
veel agrarische ondernemers dan ook groot, vooral bij de gemiddelde of net iets kleiner
dan gemiddelde melkveebedrijven. Tot voor kort konden zij hun mest geheel op eigen
grond kwijt. Wat gaat de Minister juist voor deze kleinere en middelgrote bedrijven
betekenen? Hoe voorkomt zij dat de nu al gaande koude sanering vooral die helft van
de bedrijven raakt die het kleinst is c.q. het minst kan hebben qua saldo ieder jaar?
Tot voor kort konden ze hun mest dus prima kwijt op eigen grond. Het nieuwe kabinet
wil alles op alles zetten om de afbouw van de huidige derogatie terug te draaien.
Wat zou het mooi zijn om met de Europese Unie tot betere en wel werkbare normen en
afspraken te komen. Dat is geen korte klap, maar vergt een taai onderhandelingsproces.
Gelet op de eind volgend jaar aflopende derogatie is die tijd er niet. Wat wordt de
Brusselstrategie van deze Minister? Is dat dezelfde als die van haar voorganger, dus
eerst leveren op reductie van vee en mest tot onder de mestplafonds en vervolgens
naar Brussel voor een vorm van derogatie dan wel herziening van de Nitraatrichtlijn?
In het hoofdlijnenakkoord staat ook: «In de tussentijd wordt bezien welke noodmaatregelen
er nodig zijn om de mestcrisis op te lossen.» Zoals de Minister weet, is haar voorganger
in april al met een pakket gekomen. Hij heeft toen een samenhangend pakket gepresenteerd
waarmee hij de crisis voor een deel, slechts voor een deel, onder controle kon krijgen.
De heer Van Campen onderstreepte dat gehele plan zojuist nog. Gaat de nieuwe Minister
door met het uitvoeren van het gehele plan, van al deze maatregelen, zou ik haar willen
vragen. Zo niet, wat gaat ze dan anders doen om een generieke korting af te wenden?
Zij weet ook dat niet kiezen ook kiezen is. Dat is kiezen voor de ondergang van de
vaak niet zo grote gezinsbedrijven. Daarom is dit een zeer urgente vraag.
Gaat de Minister door met het voorstel tot wetswijziging om de mestproductieplafonds
te verlagen en de afromingspercentages te verhogen? Is ze bereid toe te zeggen het
wetsvoorstel na ommekomst van de Raad van State zo spoedig mogelijk bij de Kamer in
te dienen? Vindt zij dat haar voorganger met zijn brief van afgelopen vrijdag voldoende
tegemoet is gekomen aan de consultatiereacties, of heeft ze meer aanpassingen in het
wetsvoorstel in petto? Wat gaat zij nog meer doen om een generieke korting te voorkomen,
conform de eerder aangenomen motie van de Kamer?
Voorzitter. Gaat de Minister aan de slag met de vrijwillige brede beëindigingsregeling,
die bovenop de bestaande Lbv- en Lbv-plusregelingen komt? Er werd al opgemerkt dat
die aantrekkelijker moet zijn voor bedrijven met oudere opstallen. Volgens de routekaart
worden we uiterlijk op Prinsjesdag geïnformeerd over de invulling en de financiële
dekking van de regeling die op 1 januari 2025 opengesteld zou moeten worden. Kunnen
we daarop rekenen? Wanneer moet daarvoor de notificatie in Brussel starten?
Wat zijn de ambities van de Minister als het gaat om de sectoren die nu niet te maken
hebben met productierechten, met fosfaatrechten of dierenrechten, zoals voor de kalveren
en de geiten? Ik weet dat er op het ministerie hard is gewerkt aan visies en plannen
daarvoor. Is de Minister bereid deze, bijvoorbeeld met betrekking tot de kalveren,
naar de Kamer te sturen?
Hoe gaat de Minister bevorderen dat we zo spoedig mogelijk meer mestverwerkingscapaciteit
organiseren? De partij van de Minister wil immers niet minder dieren, maar de mestplaatsingscrisis
is slechts op twee manieren op te lossen als extra plaatsingsruimte niet op korte
termijn uit Brussel naar ons toekomt. Dat kan met minder vee of met meer mestverwerking,
of een combinatie van beide. Maar het bijbouwen van mestverwerkingscapaciteit kost
tijd.
Voorzitter. Bepaalde gebieden zijn ten onrechte aangewezen als met nutriënten verontreinigde
gebieden – collega Flach had het daar ook al over – zoals de waterschappen Noorderzijlvest
en Amstel, Gooi en Vecht. Daar is de bijdrage van landbouw niet meer dan 19%. Dat
is aangetoond in deze waterschappen en dat is onafhankelijk en goed onderbouwd. Wil
de Minister zo spoedig mogelijk overgaan tot aanpassing van de aanwijzing van deze
gebieden en wil zij daarbij niet wachten tot ook het laatste waterschap zijn gegevens
op orde heeft?
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, ik sla een stukje over. Ik sluit me ten slotte aan bij wat vragen die
zijn gesteld, onder anderen door de collega’s Nijhof, Pierik en Flach, over de gasvormige
verliezen. Ten slotte sluit ik me ook aan bij de 1 oktobervraag over het stoppen met
de kalenderlandbouw.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis, voor uw inbreng namens de ChristenUnie. We gaan schorsen
tot 15.40 uur ... Meneer Pierik, u wilt toch nog uw laatste joker inzetten? Hij kan
het niet laten. Meneer Pierik, ga uw gang.
De heer Pierik (BBB):
Ik kan deze interruptie natuurlijk niet laten liggen, dus ik wil deze toch graag gebruiken
om de heer Grinwis het volgende te vragen. Hij noemt heel veel verschillende dingen,
ook van het maatregelenpakket van oud-minister Adema. Maar ik ben eigenlijk wel benieuwd
welke maatregelen hij dan voor ogen heeft die de mestcrisis op korte termijn kunnen
oplossen. Het zijn vooral de langeretermijnoplossingen die benoemd worden, maar we
zitten natuurlijk met een acute mestcrisis. Welke zaken zou de heer Grinwis graag
naar voren schuiven als oplossingen op de korte termijn?
De voorzitter:
Dat was meteen uw laatste interruptie, meneer Pierik.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank aan de heer Pierik voor deze vraag. De crisis is echt urgent en zo groot dat
we moeten erkennen dat wij als overheid deze crises, die van bovenaf ontstaan door
het sterk verkleinen van de mestplaatsingsruimte in een paar jaar tijd, niet zomaar
kunnen oplossen. Maar wat we wel kunnen doen en wat op korte termijn in ieder geval
een begin van ruimte biedt, is enerzijds aan de technische en modelmatige kant kijken.
Zoals de heer Pierik ook terecht heeft gezegd, worden die gasvormige verliezen tot
nu toe eigenlijk verkeerd ingerekend bij de melkveehouderij, als je dat vergelijkt
met de pluimveehouderij en de varkenshouderij. Laten we dat aanpassen. Dat biedt een
beetje lucht. Mijn oproep aan de Minister is om dat met terugwerkende kracht in 2024
te doen, als dat kan.
Dat zijn dus maatregelen. Maar denk ook aan het wetsvoorstel dat nu bij de Raad van
State ligt over de afroming. Natuurlijk gaat het niet om enorme percentages ieder
jaar, maar laten we geen tijd verloren laten gaan en zo snel mogelijk dat wetsvoorstel
in de benen helpen. Elke transactie waar je die afroming op kan toepassen, is immers
de meest pijnloze manier om de hoeveelheid mest te verkleinen. Een brede beëindigingsregeling
biedt wel degelijk soelaas als je die snel in de benen helpt. De nood is namelijk
zo hoog, zeker bij de bedrijven die geen kant op kunnen met de mest en geen saldo
hebben waar ze gigantisch op kunnen interen. Mijn oproep aan de Minister is daarom
ook: start zo snel mogelijk die notificatie in Brussel en kom ondertussen met een
brief naar de Kamer over hoe die regeling eruitziet. Dan kun je wel degelijk enige
ruimte bieden. Maar ik erken: al neem je alle maatregelen, dan nog kunnen wij de crisis
niet op korte termijn oplossen. Maar laten we in ieder geval doen wat onze hand vindt
om te doen.
De voorzitter:
Kijk, met deze woorden gaan we de schorsing in. We schorsen tot 15.40 uur. Ik verzoek
de Kamerleden even naar mij toe te komen. Dank u wel. Tot zo meteen.
De vergadering wordt van 15.10 uur tot 15.41 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug allemaal. Voordat ik het woord ga geven aan onze kersverse Minister,
wil ik haar even complimenteren. Ik heb in de afgelopen achttien jaar nooit eerder
meegemaakt dat de Minister überhaupt binnen de gestelde tijd terug was en zelfs eerder
dan de Kamerleden. Ze was zelfs eerder dan meneer Van Campen vandaag. Complimenten
daarvoor. Dat heb ik echt nog nooit eerder meegemaakt.
Mevrouw de Minister, ik wil aan u vragen of u in blokjes gaat werken. Als u iedere
keer even het blokje noemt, dan sta ik aan het einde van het blokje de interrupties
toe. Dan loopt het allemaal wat ordelijker.
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. Ik heb in ieder geval drie blokjes: de inbreng en suggesties voor
de aanpak van de mestcrisis vanuit de Kamer, de beëindigingsregeling en RENURE.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw de Minister. Dan mag u beginnen. De interrupties mogen dus iedere
keer pas aan het einde van een blokje.
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. Ik was op tijd terug, want ik heb begrepen dat deze commissie niet
van wachten houdt. We zijn gisteren misschien niet helemaal goed van start gegaan,
excuses daarvoor. Ik hoop dat we vandaag een nieuw begin kunnen maken. Ik zit hier
natuurlijk als kersverse Minister op een van mijn eerste werkdagen voor een debat
over het mestbeleid. Dat geeft wel aan hoe urgent de Kamer dit onderwerp ervaart,
maar hetzelfde geldt voor mij. Het is een van de meest urgente onderwerpen van dit
moment. Ik heb dat in mijn hoorzitting ook aangegeven. Het is dus begrijpelijk en
terecht dat dit bij jullie ook een hoge urgentie heeft. Daarom ben ik blij dat we
hier vandaag toch met elkaar over in gesprek kunnen gaan en ik mijn oor te luisteren
kan leggen bij jullie. Alle tips en suggesties die jullie meegeven, neem ik uiteraard
mee.
Ik ga in de zomer met het departement aan de slag om het hoofdlijnenakkoord uit te
werken. Er zijn dus ook een aantal vragen waar ik nu nog niet op vooruit kan lopen.
Ik denk ook dat dat logisch is. Maar als we het hoofdlijnenakkoord in een regeerprogramma
hebben uitgeschreven, gaan we daar uiteraard opnieuw met elkaar over in gesprek. Het
is heel begrijpelijk dat dit zo’n urgent thema is. De financiële zorgen en de zorgen
op het boerenerf in het algemeen zijn groot. Dat voel ik ook.
Het verlies aan plaatsingsruimte voor dierlijke mest komt met name door de afbouw
van de derogaties en een aantal andere genomen maatregelen. Die hebben veel impact
gehad, waardoor we nu in deze situatie zitten. Daardoor zitten we nu in deze situatie.
Meerdere leden van deze commissie hebben mij gevraagd hoe we deze problemen aan gaan
pakken en hoe ik aankijk tegen de aanpak van het vorige kabinet. Ik zal daar eerst
even op hoofdlijnen op ingaan. Daarna behandelen we de specifieke vragen in blokjes,
zoals zojuist afgesproken.
Er is mij alles aan gelegen om deze problemen de urgente aanpak te geven die ze verdienen.
Daarbij is een generieke korting iets wat we absoluut willen voorkomen. Dat onderschrijft
het hoofdlijnenakkoord ook en dat is ook al een aantal keren aangehaald. Dit kabinet
is ook niet voornemens om te sturen op een gedwongen krimp van de veestapel. Dat staat
in het hoofdlijnenakkoord. Verder staan in het hoofdlijnenakkoord nog een aantal maatregelen
genoemd. Die moeten ook bijdragen aan het verlagen van de druk op de mestmarkt. Daarnaast
heeft het vorige kabinet een plan van aanpak gepresenteerd met verschillende bouwstenen.
Zoals zojuist ook al werd aangehaald, heeft de sector ook suggesties gedaan met voorstellen
voor het oplossen van de problemen met betrekking tot de mestmarkt.
Ik denk dat die verschillende maatregelen en bouwstenen te vatten zijn in drie sporen.
Dat betreft onder andere het vergroten van de plaatsingsruimte voor dierlijke mest.
Ik heb de opdracht om de gesprekken over derogatie toch weer te houden, zoals zojuist
ook een aantal keer is genoemd. Ik ben blij om hier ook te horen dat in deze commissie
toch wel redelijk breed leeft dat we daarmee aan de slag moeten. Dat ga ik ook absoluut
doen. De andere sporen gaan over het verminderen van de productie van dierlijke mest,
de verwerking van mest en eventueel de export van dierlijke mest. Dat zijn de drie
sporen, de drie lijnen die gaan lopen.
Uiteindelijk gaan we aan de slag met een mix van maatregelen. Een deel daarvan zal
op de korte termijn al effect sorteren en een ander deel zal pas effect sorteren op
de langere termijn. Er zitten ook een aantal maatregelen in die vereisen dat wij opnieuw
in gesprek gaan met de Europese Commissie. Zoals uw Kamer ook weet, is dat waarschijnlijk
niet iets wat op de korte termijn direct geregeld is. Daarnaast zal dit kabinet met
het hoofdlijnenakkoord in de achterzak wel een accentverschuiving aanbrengen in de
aanpak van de mestmarkt. Dat is terug te zien in het hoofdlijnenakkoord. Het is logisch
dat dit ook herkenbaar terug te zien zal zijn in de aanpak van dit kabinet.
Ik heb een aantal herkenbare zaken gehoord. Toen ik gisteren voor het eerst echt even
op het departement was en in gesprek ging met mijn ambtenaren, heb ik direct gevraagd
om een aantal zaken nader uit te werken. Dat betreft onder andere de met nutriënten
verontreinigde gebieden, de aanwijzing van kwetsbare zones en kalenderlandbouw. Ik
heb ook al gevraagd om te kijken of er iets mogelijk is in het kader van de verruiming
van het mestrijseizoen. We hebben een nat voorjaar gehad en weten dat dit niet het
optimale moment is om mest uit te rijden. Daar zitten ook een aantal stappen in. Daarvoor
moeten we onder andere een wetenschappelijke onderbouwing hebben. De CDM is daar dus
bij betrokken. Ook moeten we terug naar de Europese Commissie, die daar kennis van
moet nemen. Ik weet ook dat je niet met zo’n uitstel moet komen in de laatste week
voordat het seizoen afloopt, want daar kunnen boeren niet op wachten. Dat is ook iets
wat we gisteren besproken hebben in ons eerste gesprek op het departement.
Ik ben ook bereid om constructief te kijken naar de mogelijkheden voor opslag van
mest. Opslag van mest is echt een kortetermijnoplossing voor de acute situatie, maar
zou, weliswaar tijdelijk, een bijdrage kunnen leveren. Daarbij zullen ook de mogelijkheden
van de Omgevingswet moeten worden bezien. Dat zou kunnen betekenen dat je inderdaad
met silo’s of mestzakken gaat werken. Dat is echt een tussenoplossing voor de huidige
situatie. Daarnaast zullen we op meerdere schaakborden moeten gaan spelen en zullen
de fasering en de tijdsdimensie van de bouwstenen en de uitwerking van maatregelen
die we kunnen inzetten divers zijn. Dit betekent dat we wel focus en fasering gaan
aanbrengen, maar dat is iets waarmee ik later bij jullie kom, want dat hebben we gisterochtend
in het uurtje met de ambtenaren nog niet helemaal kunnen uitwerken. Daarover later
meer.
Uiteraard staat zorgvuldigheid voorop. We weten allemaal hoe belangrijk dat is; kijk
ook naar de PAS-problematiek. Uw opvattingen hier in de Kamer, de realiteit buiten
en de wisselwerking met partijen buiten, de landbouw, en de Europese dimensie zijn
allemaal van belang. Die gaan we allemaal grondig verkennen, met alle elementen op
tafel, zodat daarna de definitieve architectuur van de totaalaanpak bepaald kan worden.
Zoals ik zojuist al zei, is dit iets wat ik de komende weken ga doen. Dat zal onderdeel
zijn van het regeerprogramma dat door dit kabinet wordt opgesteld en dat voor Prinsjesdag
naar de Kamer gestuurd zal worden. Daarover zullen we met elkaar in gesprek gaan.
Daarvoor ga ik de komende weken – dat is vanaf vandaag – in gesprek met het ministerie,
maar ook met sectorpartijen en deskundigen. Uiteraard is de inbreng die ik vandaag
van uw Kamer hoor, daar ook onderdeel van.
In dit debat heb ik van uw Kamer gehoord over de zwaartepunten van de aanpak van de
problematiek op de mestmarkt. Dan wil ik nu naar de blokjes toe, want daarin komen
veel vragen aan de orde.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw de Minister. Tot zover even. Voordat u aan uw blokjes begint,
laat ik nu ook wat vragen toe.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De Minister heeft het over een accentverschuiving. De eerste accentverschuiving die
ik hoor, is dat zij serieus werk gaat maken van die mestzakken en die silo’s als tussenoplossing.
Mijn vraag aan de Minister is of een tussenoplossing ook een oplossing is en waar
die mest dan in the end blijft.
Minister Wiersma:
Ik heb nog niet direct gezegd dat we daar direct actief werk van gaan maken. Ik heb
gezegd dat we openstaan voor dergelijke ideeën. Als we gaan kijken naar oplossingen
en die nader uitwerken in de komende weken, staan we daarvoor open. We gaan dus kijken
of dat ook in combinatie kan. In het plan van het vorige kabinet staat ook iets over
mestverwerking en export. Zouden we dat aan elkaar kunnen koppelen? Maar goed, zoals
ik zojuist ook al zei, gaan sommige zaken al zo ver op de inhoud in dat ik daar vandaag
nog niet concreet op vooruit kan lopen. Maar wij staan open voor alle mogelijke oplossingen,
zeker voor die op de korte termijn.
De voorzitter:
Dank u wel voor de beantwoording.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik zou meteen nog een vraag willen stellen. Een van de oplossingen die de BBB hier
suggereert, is om een gedoogbeleid in te stellen, dus om dingen te doen die eigenlijk
niet mogen. Ziet de Minister dat ook als een van de opties die ze wil openhouden?
Minister Wiersma:
Mevrouw Bromet, volgens mij hoorde ik het lid van de BBB zeggen dat zij ook de vastgestelde
wetten en regels onderschrijven. Dat geldt uiteraard ook voor dit kabinet. Dat staat
ook in het hoofdlijnenakkoord.
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat de Minister aan het blokje ... Mevrouw Podt?
Mevrouw Podt (D66):
Ja, toch nog heel even over de mestzakken en silo’s en zo. De Minister zegt: het is
een tijdelijke oplossing. Ik vraag me dan af hoe ze dat «tijdelijk» ziet, want ik
geloof dat er 800.000 wagens vol met mest zijn. Volgens mij zei mevrouw Bromet dat
eerder ook. Dus ja, dat levert dan toch op geen enkele manier een bijdrage aan de
oplossing? Ik kan me daar gewoon niets bij voorstellen.
Minister Wiersma:
We hebben dat artikel ook gelezen. Mijn ambtenaren hebben daar ook al even naar gekeken.
Die zeggen dat dit uiteindelijk is gebaseerd op een hypothese en dat alle doorrekeningen
van de NPLG-plannen en alle onzekerheden over wat nog niet staand beleid is daar ook
in meegerekend zijn. Dat voorziet dus niet helemaal in de actuele situatie. Verlies
van derogatie en de aanwijzing van met nutriënten verontreinigde gebieden hebben per
direct een situatie doen ontstaan die voor de korte termijn een aantal oplossingsrichtingen
zoekt. We hebben daarbij gezegd dat we openstaan voor alle mogelijkheden. Maar goed,
ik ga de komende weken keihard aan de slag met het departement om te bekijken wat
dat concreet wordt. We komen na het reces gewoon bij uw Kamer terug met een antwoord
op de vraag hoe we dat in samenhang zien.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan stel ik voor dat de Minister de andere blokjes gaat behandelen. We
beginnen met het blokje over de oplossingen voor de mestcrisis, toch?
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. Ja, dit is het blokje inbreng Tweede Kamerleden/ suggesties aanpak
mestcrisis. Ik heb dat met die blokjes al heel vaak gezien, maar het is toch even
wennen als je dat zelf moet gaan verwoorden, maar ik doe mijn best.
De eerste vraag gaat over het uitwerken van het wetsvoorstel langs de twee lijnen
van het hoofdlijnenakkoord. Dat wil zeggen: de Europese inzet, de derogatie en het
pakket met noodmaatregelen. Kan ik dat wetsvoorstel zo snel mogelijk bij de Tweede
Kamer indienen? Liggen beide voorstellen met betrekking tot afroming en mestproductieplafonds
bij de Raad van State? Wanneer verwacht ik een reactie? Dat was de eerste vraag. Mijn
antwoord voorziet in de vragen van de heer Van Campen, de heer Holman, mevrouw Vedder,
de heer Flach en de heer Grinwis, die er niet is.
De voorzitter:
Nee, de heer Grinwis is er even niet, maar hij wordt waargenomen. Zijn team luistert
en kijkt dus mee.
Minister Wiersma:
Oké, dan gaan we daarmee beginnen. Zojuist zei ik ook al in de inleiding: de aanpak
is voor mij urgent. We gaan daar deze zomer mee aan de slag. We gaan dan alle elementen
grondig verkennen, zodat ik daarna de definitieve architectuur van die aanpak kan
bepalen. Het vorige kabinet heeft twee maatregelen, die nog voor de zomer actie vereisen,
al in gang gezet, waaronder het wetsvoorstel mestproductieplafonds. Dat wetsvoorstel
is eind juni, na instemming van de ministerraad, al voor advies verzonden naar de
Raad van State. Het volgende vind ik wel belangrijk. Zojuist zei ik in mijn inleiding
ook: ik doe er vandaag niks bij en ik doe er niks af. Ik ben zelf dus ook heel erg
benieuwd naar het advies van de Raad van State. Ik ga dat grondig bestuderen. In de
tussentijd ben ik ook benieuwd waar we nou precies staan in het licht van de Lbv en
de Lbv-plusregeling. Daar heb ik inmiddels zelf ook heel veel vragen over uitgezet.
Als we dan dus een beetje een foto, een totaalplaatje, hebben van wat de opgave nog
is en welke maatregelen passend zijn om te nemen ... In het licht daarvan komt dat
terug in de bredere uitwerking van het hoofdlijnenakkoord, waar we elkaar nog over
zullen spreken. Mijn streven is dus om dat kort na het zomerreces aan de Kamer te
sturen, met het verzoek om daar spoedig met elkaar over in gesprek te gaan, zodat
het wetsvoorstel eventueel per 2025 van kracht kan worden, conform de toezeggingen
in de derogatiebeschikking.
De volgende vraag gaat over ... O, sorry.
De voorzitter:
Gaat u rustig door, mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Excuus, voorzitter. Ik dacht dat er een vraag kwam.
De volgende vraag gaat over de resultaten die wij verwachten vanuit Brussel, ook gezien
het feit dat veel boeren nu al in de financiële problemen zitten. Er staan inderdaad
meerdere maatregelen in het hoofdlijnenakkoord die in Europees verband geregeld moeten
worden. Dat geldt onder andere voor de inzet op derogatie, maatregelen voor het mestbeleid,
bredere maatregelen in het landbouw- en visserijdossier en, daarbuiten overigens,
het asieldossier. We hebben dus flink veel werk te verzetten en te doen. De timing
is wel heel erg van belang, want niet alles zal in één keer kunnen. Succes is daarin,
zoals zojuist ook al werd aangehaald, niet gegarandeerd. We gaan de zaken die we in
willen brengen goed inhoudelijk onderbouwen. Daarbij gaan we laten zien dat we als
Nederland niet alleen komen om iets te halen, maar dat we ook iets brengen. Dat brengen
zie ik toch echt wel in een goede uitwerking van dit hoofdlijnenakkoord met een goed
onderbouwd plan. Ik ben benieuwd. Als we dat allemaal klaar hebben, met die resultaten
en dat plan in de hand, wordt de kans op succes groter.
Zoals jullie weten ben ik over twee weken al in Brussel, want dan is de Landbouw-
en Visserijraad. Dat zal beginnen met een kennismaking en het investeren in de relaties,
zoals ik in de hoorzitting ook gezegd heb, en wat mij betreft ook met de inhoud. We
hebben zojuist een aantal zaken gehoord die inhoudelijk heel goed te onderbouwen zijn.
Die neem ik zeker mee. Dat vergt wel nadere uitwerking. Dat neem ik deze zomer mee.
Dat betekent niet dat we nu niks doen. Ik ga dus al naar Brussel. Dat is al in anderhalve
week. Daar ga ik eerst eens kennismaken met mijn collega’s van andere lidstaten. Volgens
mij is dat het begin. Vervolgens ga ik hier met mijn departement een goede agenda
voor samenstellen. Dat hebben we gisteren in dat uurtje nog niet gered.
Er was nog een vraag, onder andere van de SGP, over wat we doen om men ervan te overtuigen
om een afbouwderogatie te verlenen. Zoals ook in het hoofdlijnenakkoord staat, gaan
we natuurlijk alles op alles zeggen om toch de afbouw zoals die nu is, terug te draaien
en betere afspraken te maken. Ik besef dat we daarvoor echt wel veel werk moeten verzetten,
dat dat niet vanzelf gaat en dat we daar echt in moeten investeren, maar dat zijn
we verplicht aan de boeren en de landbouw van Nederland. Zoals ik zojuist ook al zei,
heb ik gehoord: we kunnen niet alleen iets halen, we moeten ook iets brengen. Dat
is absoluut iets wat ik mee zal nemen in de agenda richting Brussel. In de komende
weken gaan we bekijken hoe we dat op gaan pakken. Daar ga ik zo snel mogelijk mee
aan de slag.
Dan heb ik nog een onderwerp, namelijk de ruimte voor graslandderogatie. De heer Holman
van NSC vroeg hoe we dit op korte termijn doen en of we in september een plan van
aanpak met betrekking tot de strategie in Brussel kunnen delen met de Kamer. Ik heb
daar zojuist gedeeltelijk op gereageerd, denk ik. De timing is van belang. Ik neem
dit mee deze zomer en ga ervan uit dat wij in september echt wel de contouren van
deze aanpak kunnen delen.
Dan kom ik op een vraag van mevrouw Vedder van het CDA, over het plan B. Ze zei: «Het
opbouwen van relaties kost tijd. Die hebben we niet. Welke maatregelen gaan we ondertussen
treffen en wanneer treden die in werking?» Hier moeten we echt de komende weken uitwerking
aan gaan geven. We moeten het plan voor de mestmarkt en de strategie voor Europa uitwerken.
Dat gaan we doen met de bouwstenen in de hand die er al liggen. De maatvoering, de
inrichting en de timing hebben ook weer invloed op de financiële uitwerking daarvan.
Ik kan daar op dit moment niet op vooruitlopen. We zeiden zojuist namelijk ook al
dat dit wel zorgvuldig moet gebeuren. Het zou onzorgvuldig zijn als ik daar nu hele
concrete uitspraken over doe. Daarvoor heb ik namelijk nog te weinig voorbereidingstijd
met het departement gehad. Maar we gaan natuurlijk kijken welke noodmaatregelen mogelijk
zijn voor de korte termijn. Ook daar gaan we deze zomer mee aan de slag.
Dan kom ik op het onderwerp van het uitzonderen van de grondgebonden boeren van de
generieke korting. Dat was een vraag van mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA. Wij hebben
sowieso als kabinet de opdracht gekregen om een generieke korting te voorkomen. Dat
staat ook in het hoofdlijnenakkoord. Het wetsvoorstel met betrekking tot die productieplafonds
ligt nu bij de Raad van State. Dat advies gaat er komen. Dan gaan we kijken hoe we
dat mee kunnen nemen in de aanpak van dit kabinet. In de Meststoffenwet is overigens
al opgenomen – ik ben trouwens ook nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van
het stelsel van fosfaatrechten – dat grondgebonden boeren uitgezonderd zijn van een
generieke korting. Dat is onderdeel van die wet. Daarnaast neem ik daarbij uiteraard
ook de input mee.
Dan is er nog een vraag van mevrouw Vedder van het CDA, over haar motie over vanggewassen.
Ze vroeg hoe we daar uitvoering aan gaan geven. Het is een bijzonder nat voorjaar
geweest. Ik realiseer mij dat de boeren echt veel later hebben kunnen poten of zaaien
en dat dit consequenties heeft voor de vraag of het gaat lukken om op 1 oktober een
vanggewas gezaaid te hebben. Hierover is al een advies opgevraagd bij de Commissie
van Deskundigen Meststoffenwet, de CDM. Er is wat betreft maïs ook een expertcommissie
in het leven geroepen. We zorgen ervoor dat die zich gaan buigen over de vraag of
1 oktober haalbaar is. We zijn dus op dit moment bezig met daar uitvoering aan geven.
Dit zal ik ook meteen doen voor die andere gewassen. Daar informeren we uw Kamer zo
snel mogelijk over, want we snappen dat dit onder hoge tijdsdruk staat en dat de landbouwers
gewoon duidelijkheid en zekerheid nodig hebben wat betreft wanneer ze die vanggewassen
in moeten zaaien. Dat loopt dus.
Dan was er nog de vraag van zowel de heer Pierik als de heer Flach over het uitrijseizoen.
We hebben daar wel een onderbouwing voor nodig. We weten dat de mestgift door het
natte voorjaar later op gang is gekomen. We weten ook dat het, juist om te voorkomen
dat er veel afspoelt, belangrijk is dat mestgiften verspreid worden. Je wil niet dat
boeren in een kort tijdsbestek zo veel mogelijk mest moeten uitrijden omdat ze nu
eenmaal aan een datum gebonden zijn, ook als blijkt dat de omstandigheden dan niet
helemaal optimaal zijn. Maar we kunnen dat alleen doen door de CDM hiernaar te vragen.
Maar ik zei het al: een van de eerste dingen waar ik het departement om gevraagd heb,
is om daarmee aan de slag te gaan. Ik herken dat namelijk. We zijn dus bezig met die
vraag, maar er moet een milieukundige onderbouwing komen. Dit pakken we dus met prioriteit
op.
Dan waren er nog een aantal vragen met betrekking tot het rapport van Herman de Boer
en die gasvormige verliezen. Ik ken zijn rapporten ook, niet alleen dit rapport. Ik
heb er vaak naar verwezen, ook als ik zelf debatteksten mocht schrijven. Ik ben dus
bekend met het rapport. De CDM heeft eerder ook al soortgelijke conclusies getrokken.
Dat was in 2021. Maar op dit moment is het actualiseren van de ... Sorry?
De voorzitter:
U mag zo door. Kan het iets rustiger aan de linkerkant, alstublieft? O, ik hoor dat
mevrouw Beckerman haar collega water wilde geven.
Minister Wiersma:
Een beetje hoffelijkheid is altijd goed in deze Kamer.
De voorzitter:
Dat is heel vriendelijk, maar dat kan ook zonder geluid. Mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Het actualiseren van de excretieforfaits is eigenlijk ook een thema dat al lang loopt,
want zeker in dit geval, waarin de gasvormige verliezen vooral bestaan uit niet-schadelijk
stikstofgas, hoeft een veehouder inderdaad minder dierlijke mest van zijn bedrijf
af te voeren. Dat draagt ook bij aan een verlaging van de druk op de mestmarkt. Wij
zijn hierover al in contact met de CDM, de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet,
die mij hier wetenschappelijk over gaat adviseren. Zodra ik meer weet, komen wij daar
uiteraard op terug bij jullie Kamer. We zullen dat ook meenemen bij de uitwerking
van dat plan, waarmee we ook naar jullie toe komen.
De voorzitter:
Ook dank aan de Minister voor het duiden van die afkorting, want dat wordt enorm gewaardeerd
door mensen die minder ter zake deskundig zijn en die vanuit thuis kijken en luisteren.
Dat wilde ik u nog zeggen.
Minister Wiersma:
Ik doe mijn best.
Dan waren er nog een aantal vragen van mevrouw Vedder. Wat gaan we doen om te zorgen
dat er versneld wordt in de uitvoering? Ben ik het ermee eens dat veel vormen van
innovatie geen invloed hebben op de mestproductie en dat er maar twee knoppen zijn:
minder mest of minder N en P? Welke keuzes gaan we hierin maken? Dit zijn van die
zaken die zo specifiek zijn dat ik er op dit moment niet op vooruit kan lopen, maar
bij de uitwerking van het regeerprogramma zullen daarover wel nadere stukken opgenomen
worden. Daar komen we dus later op terug.
Dan was er nog een vraag van mevrouw Vedder. Het waren best wel veel vragen. Ziet
de Minister kans om de de-minimisregeling te verruimen om meer steun mogelijk te maken?
Hoe staat het met de verhoging van de subsidie Behoud grasland? Wat is het handelingsperspectief
voor boeren die in financiële problemen zitten?
Ik heb gisteren direct al even gevraagd naar de de-minimisregeling. Ik begrijp dat
er op dit moment ook in Europees verband gekeken wordt of het bedrag van 20.000 verhoogd
kan worden. Dat loopt dus. Dat zou ook wel mijn inzet zijn. Als daar meer over bekend
is, komen we daar uiteraard op terug.
De Eerste Kamer gaat begin juli stemmen over de suppletoire begroting. Daarin zitten
het subsidiebedrag en het plafond voor het behoud van het graslandareaal. Dat zal
worden verhoogd. De € 20 per 10 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare terugval
in de mestplaatsingsruimte is in dat voorstel verhoogd naar € 50. Het plafond gaat
van 50 miljoen naar 85 miljoen. Dat is dus wel even onder voorbehoud, vanwege de Eerste
Kamer. U heeft dus alle reden om uw partijen nog even te tippen en een positief stemadvies
te geven.
Dan was er nog een vraag van de heer Pierik en mevrouw Nijhof inzake de bufferzones
en de kwetsbare zones. De vraag was om te reflecteren op het verkleinen van de bufferzones
rondom Natura 2000-gebieden en niet langer heel Nederland aan te wijzen als kwetsbare
zone. De zone van 250 meter rondom Natura 2000-gebieden is opgenomen op basis van
een advies van Wageningen. In de derogatiebeschikking stond ook dat we zo’n zone moesten
gaan invullen. Dat is onderdeel van de afspraken die we gemaakt hebben met de Europese
Commissie. In het hoofdlijnenakkoord staat dat we die terug zouden willen brengen
naar 100 meter, maar als we willen terugkomen op gemaakte afspraken, zullen we daarover
eerst in gesprek moeten gaan met de Europese Commissie. Ik zal u binnenkort informeren
over hoe ik deze afspraken op korte termijn ga uitvoeren. Ik denk dat we daar zo meteen
in een totaal vragenpakketje over kwetsbare zones op terugkomen. Die houdt u dus van
mij tegoed.
O, daar hebben we het onderwerp kwetsbare zones al. De vragen van de heer Flach van
de SGP, maar ook van de heer Pierik en mevrouw Nijhof hebben we samengebracht. Zij
stelden hun vragen ook omdat het in het hoofdlijnenakkoord staat. In principe geldt
het actieprogramma Nitraatrichtlijn in de aangewezen kwetsbare zones óf op het hele
grondgebied. Ik heb ook al een uitsplitsing laten maken van welke landen wat doen.
Dat is een beetje fiftyfifty in de lidstaten. Ik ben zelf ook nog wel benieuwd wat
de onderbouwing daarvan is. Die heb ik nog niet paraat. Maar in Nederland zijn de
regels ter bescherming van de waterkwaliteit, zoals de gebruiksnorm voor dierlijke
mest van 170 kilogram, in heel Nederland geïmplementeerd.
Om specifieke kwetsbare zones aan te kunnen wijzen, zullen we moeten onderbouwen in
welke gebieden in Nederland de waterkwaliteit nu goed is en zonder de maatregelen
uit het actieprogramma goed blijft. We moeten namelijk ook de kans op verontreiniging
of eutrofiëring door fosfaten en nitraten uit agrarische bronnen meewegen. Ik kan
daar nu dus nog niet op vooruitlopen. Wij gaan onderzoeken waar dat van toepassing
zou zijn en of we kwetsbare zones kunnen aanwijzen. Dat gaan we per gebied doen. Dat
vereist een heel gedegen onderbouwing. Dat is een hele hoop werk. Wij zullen de zomer
nodig hebben om de mogelijkheid hiertoe verder uit te werken. Zodra we daarover meer
op papier hebben, komen we daar direct mee terug naar jullie Kamer.
Ik wilde nog zeggen dat de Europese Commissie inderdaad is gestart met een evaluatie
van de Nitraatrichtlijn. Mevrouw Nijhof refereerde daaraan. Op dit moment vinden er
in expertgroepen gesprekken plaats over de consultatie. Medio 2025 komt de Commissie
met een evaluatieverslag. Dan wordt er meer duidelijk over wat de herziening van de
Nitraatrichtlijn uiteindelijk gaat betekenen, ook voor ons.
Dan kom ik bij het onderwerp gedoogoverschrijding van gebruiksnormen. Zijn wij voornemens
in te grijpen op het beleid met betrekking tot mestplaatsing? Ga ik overschrijding
gedogen? Daar heb ik volgens mij zojuist in de inleiding antwoord op gegeven. Wij
houden ons aan de wet. Welke reactie verwacht ik uit Brussel? Zoals ik in mijn inleiding
ook zei, is de aanpak van de mestproblematiek zeer urgent. Daar ben ik mij van bewust.
Er moeten oplossingen komen. Daar gaan we echt hard mee aan de slag. De komende weken
staan voor mij in het teken van met het departement echt de diepte in gaan. We gaan
een totaalplaatje maken van ons instrumentarium, van de bouwstenen die er al liggen
en van het bouwwerk dat we daarvan kunnen bouwen. De komende weken ga ik daarmee aan
de slag. Ik kan daar nu niet tot in detail op vooruitlopen, omdat het echt vereist
dat ik dit goed ga voorbereiden met het departement. Daar hebben we helaas nog geen
tijd voor gehad. Ik zou het liefst nu al een heel uitgebreide oplossing hebben, maar
daar zijn die twee dagen ministerschap helaas net te kort voor. Maar het heeft de
hoogste prioriteit. Neem van mij aan dat het bovenaan mijn agenda staat.
De heer Flach en de heer Grinwis hebben een aantal vragen gesteld over de aanwijzing
van met nutriënten verontreinigde gebieden. Het gaat dan over de bronnenanalyse en
een aantal waterschappen dat daar zelf nog onderzoek naar gedaan heeft. Op dit moment
vindt er inderdaad een actualisatie van de bronnenanalyse plaats. Daarbij wordt het
aandeel van de landbouwbijdrage herijkt. Dat is op dit moment nog niet gereed. Het
vorige kabinet heeft dat al in werking gezet. Het punt is dat dat wel voor alle waterschappen
uniform moet gebeuren. Daar wordt op dit moment aan gewerkt. Uiteindelijk heeft het
vorige kabinet wel afspraken gemaakt over de aanwijzing van met nutriënten verontreinigde
gebieden, dat dat zou gaan gelden voor het jaar 2024 en het jaar 2025. Ik heb daar
zelf ook wel vragen over. Ik weet bijvoorbeeld dat een gedeelte van een waterschap,
toevallig Friesland – daar is maar één waterschap – als met nutriënten verontreinigd
is aangewezen, terwijl ik weet dat zij nagenoeg tegen de norm of zelfs op de norm
zitten op dit moment. Zij hebben mij ook gevraagd: hoe kijk je ernaar en kunnen we
er dan uit? Wij hebben alleen de afspraak gemaakt met Europa, met Brussel, dat het
voor ’24 en ’25 geldt. Dus dit zal ook onderdeel zijn van het pakket aan vragen dat
ik daar neer zal moeten leggen. Dat vereist afstemming en nader overleg. Daar ga ik
zo snel mogelijk naar kijken en daar kom ik zo spoedig mogelijk bij jullie op terug.
Dat was dit kopje.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw de Minister. Tot zover blokje één. Interrupties. Ik begin even
bij mevrouw Bromet, dan de heer Flach en dan gaan we de rest langs. Mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de Minister zeggen: we kunnen niet alleen halen in Brussel, maar we moeten
ook brengen. Ik hoor haar vooral over wat er gehaald moet worden en ik hoor nog helemaal
niks over wat we gaan brengen. Mijn vraag is dus wat we gaan brengen, zeker in het
licht van dat ik nog helemaal niks heb gehoord over een krimp van de veestapel. De
Commissie van Deskundigen Meststoffenwet heeft tegen de Kamer gezegd: dat is de enige
optie om dit probleem op te lossen.
De voorzitter:
Mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. Ik had mezelf gemutet. Dat vinden sommige mensen thuis soms wel
handig.
Ja, wat we gaan brengen. Kijk, wat we gaan brengen, is natuurlijk wat ik zojuist ook
zei. We gaan het hoofdlijnenakkoord uitschrijven en dat maakt daar onderdeel van uit:
welke aanpak ziet dit kabinet voor zich om om te gaan met de landbouw en de agrarische
sector in Nederland? Wat ons betreft – ik hoorde de heer Flach dat ook zeggen – staan
de doelen echt voorop. Het halen van de doelen moet vooropstaan; daar gaan we een
plan voor maken. De krimp van de veestapel is daarbij voor dit kabinet geen doel op
zich. We weten alleen wel dat er al veel is ingeschreven op de Lbv en de Lbv-plus.
Die regelingen zetten we d – dat was het volgende kopje, dus dan loop ik een beetje
vooruit op blokje twee – en die brede beëindigingsregeling komt er ook. Dat staat
ook in het hoofdlijnenakkoord. Die komt er. Voor dit kabinet – dat staat ook in het
hoofdlijnenakkoord, dus dat is de opdracht die ik heb – is veereductie geen doel op
zich, maar ik heb ook de prognose van wat het gaat doen op het moment dat alle inschrijvingen
van bedrijven voor de regeling worden gehonoreerd. Ik denk dat er, zeker als we kijken
naar 2015 of het jaar 2000, een behoorlijke krimp van de veestapel is geweest als
deze regelingen zijn afgerond, met daarbij de kanttekening dat die beëindigingsregeling
ook nog komt.
De voorzitter:
Ik heb even de volgorde aangehouden. Voor zover ik het kon volgen, was de heer Flach
als tweede. Meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Ik heb een vraag over de met nutriënten verontreinigde gebieden. De vorige Minister
zei: ik wil het voor alle waterschappen uniform doen. Dan hebben we het eigenlijk
over begrip «rechtsgelijkheid», maar je zou ook kunnen kijken naar het begrip «rechtszekerheid»
op het moment dat een waterschap kan aantonen: ik zit onder die 19%, dus zou ik niet
meer moeten worden aangewezen als een NV-gebied. Waar geeft de Minister prioriteit
aan, aan rechtsgelijkheid of aan rechtszekerheid?
De voorzitter:
De Minister.
Minister Wiersma:
Als we verschillende methodes gaan gebruiken – dat hebben we natuurlijk ook met het
meetprotocol voor de emissiearme stalvoeren bekeken – moeten we daar uiteindelijk
wel eenduidigheid in zien te krijgen, omdat je anders ongelijkheid krijgt. Ik volg
daarin dus wel het spoor van het oude kabinet, waarbij we nu breed gaan kijken naar
een actualisatie van die bronnenanalyse.
De heer Flach (SGP):
Dan nog een tweede, andere vraag. Die gaat over de stikstofgebruiksnorm. Is de Minister
het met de SGP eens dat het bijzonder is dat die 170 kilogram zo scherp wordt gehandhaafd,
terwijl wel mag worden aangevuld met kunstmest tot die totale gebruiksnorm? Ziet ze
daar ook mogelijkheden in in de richting van Brussel?
De voorzitter:
Excellentie.
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. De heer Flach vindt hierin een medestander. Het hoofdlijnenakkoord
spreekt zich ook uit voor derogatie, die uiteraard ook een uitzondering is, een wetenschappelijk
onderbouwde uitzondering overigens, op die 170 kilogram stikstof. Er is zojuist in
dit debat al een aantal keren aangehaald wat het uiteindelijk kost, bijvoorbeeld aan
gas, om kunstmest te produceren. We hebben ook het onderzoek van Herman de Boer gezien
over de gasvormige stikstofverliezen; dat werd aangehaald. Maar hij heeft ook een
onderzoek gedaan naar nitraatuitspoeling. Bij de stukken zit ook nog iets over nitraatuitspoeling
bij kunstmest en dierlijke mest, waaruit blijkt dat ook in dat kader, dus in milieutechnisch
opzicht, die 170 kilogram over dierlijke mest wel te onderbouwen valt. Daarvoor hebben
we eerder ook derogatie verleend gekregen. Dat is ook waarom we weer voor derogatie
met Brussel in gesprek zullen gaan.
De voorzitter:
Ik weet niet of mevrouw Beckerman ... Niet? Dan ben ik bij mevrouw Podt nu.
Mevrouw Podt (D66):
Richting de Minister zeg ik: ik heb veel waardering. Ik zie dat ze echt probeert om
zo duidelijk mogelijk antwoord te geven. Dat lijkt me op dit moment nog niet makkelijk.
Ze straalt ook urgentie uit; dat is heel fijn. Maar juist daarom hoop ik dat ze toch
nog even antwoord kan geven over het plan-Adema. Ik vroeg namelijk of ze bereid is
om dat onverkort uit te voeren. Mijn punt is het volgende. Ik hoor de Minister heel
veel maatregelen noemen die niet onder het plan-Adema vallen. Daar kunnen we natuurlijk
best over praten. Maar dan zou ik zeggen: doe dan Adema-plus, dus doe dan in ieder
geval Adema en kijk verder wat je eventueel nog wil doen met mestzakken of iets anders.
Mijn vraag gaat dus vooral om het volgende. Gaat de Minister niet alleen aan de slag
met de beëindigingsregeling die ze noemt en met de graslandsubsidie, maar echt met
alle maatregelen die in het plan staan?
Minister Wiersma:
Dit is wat ik zojuist bedoelde met «ik doe er vandaag niets bij en niets af», denk
ik. Ik ga er open in. Ik zie dat er hele goede maatregelen in het plan-Adema staan.
Ik zei bijna «plant-Adema», maar dat is het niet helemaal! In het licht van de uitwerking
van het hoofdlijnenakkoord komen we er na het reces op terug. Ik doe vandaag dus geen
toezeggingen over iets erbij of eraf doen. Maar er staan hele goede instrumenten in.
Daar gaan we zeker goed naar kijken.
De voorzitter:
Dit is al uw laatste interruptie, omdat u zulke lange vragen stelt. Dat is de 30 secondenregeling.
Mevrouw Podt (D66):
Ik begrijp het eerlijk gezegd niet zo goed. Ik snap niet wat de Minister bedoelt met
«er komt niets bij; er gaat niets af». Ik denk dat we geen tijd te verliezen hebben.
Dus als we nu de hele zomer gaan nadenken over wat we uit dat plan wel gaan doen en
wat niet ... Het voordeel dat we hebben is dat dit er ligt; hier is een Kamermeerderheid
voor. Dit is er op instigatie van de VVD gekomen; iedereen heeft zich erachter geschaard.
Volgens mij moeten we ervoor zorgen dat we dit gelijk gaan implementeren. Is de Minister
dat met mij eens?
Minister Wiersma:
Ik heb natuurlijk ook een opdracht met het hoofdlijnenakkoord. Zojuist gaf ik het
al aan wat betreft het verlagen van de productieplafonds: afijn, die afspraak hebben
we gemaakt in de laatste derogatiebeschikking, dus dat is een feit. We hebben gezegd
dat we ons aan de wet- en regelgeving houden. Maar waar het gaat om bijvoorbeeld de
afroming, wil ik echt even kijken wat nu de situatie is. Wat is het doelgat dat er
nog is? Dat zijn technische zaken, die we de komende weken op het departement even
op een rijtje gaan zetten. Wat is de foto van dit moment? Waar staan we als we alle
beleidssporen doorrekenen? Ik wil geen onnodige ingrepen doen. Dus als het noodzakelijk
is, dan nemen we dit mee, maar ik ga er wel echt even kritisch naar kijken. Er zitten
echt goede dingen in het plan-Adema. Daarmee ben ik het helemaal eens. Het is ook
fijn dat het breed draagvlak heeft. Dan weten we in ieder geval dat we daar sowieso
mee aan de slag kunnen.
De voorzitter:
Mevrouw Nijhof-Leeuw. Iedereen die zijn vinger heeft opgestoken, staat genoteerd.
Maar we moeten een hele lijst af.
Mevrouw Nijhof-Leeuw (PVV):
Nog heel even over de gasvormige verliezen. Ik heb namelijk begrepen dat het inmiddels
om een ministeriële regeling gaat. Ik ben benieuwd wat de conclusies zijn, als de
Minister daar met het departement naar gekeken heeft. Ik zou dus toch wel om een kleine
toezegging willen vragen, namelijk dat zodra er een verdere uitwerking is, de Kamer
daar middels een brief van op de hoogte gesteld wordt.
De voorzitter:
Mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Dat zeg ik toe. Bij dezen.
De voorzitter:
Dan wordt deze toezegging genoteerd door onze griffier. Dank u wel. Dan gaan we naar
meneer Holman.
De heer Holman (NSC):
Voorzitter. Even ter verificatie. Ik begrijp dat de 10%-verlaging van het mestplafond
een politiek feit is, waar we naar moeten handelen. Ik zie ook de derogatiebeschikking.
Ik denk dat we kans maken om daar wat op te regelen. Ik denk dat het mestplafond een
gegeven is. Deelt de Minister die mening?
De voorzitter:
Mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Zoals ik aangaf, zijn dit onderdelen van vaste afspraken. Dus dat ligt er en daar
hebben we ons aan gecommitteerd.
De heer Holman (NSC):
Nog een vraag, voorzitter. U hebt het over met iets onder de arm naar Brussel gaan.
De voorzitter:
Ik ga met niks onder de arm naar Brussel. U moet de vraag aan de Minister stellen
via de voorzitter.
De heer Holman (NSC):
De Minister gaat waarschijnlijk naar Brussel met iets onder de arm. Vragen die in
Brussel gesteld gaan worden aan de Minister, zijn ongetwijfeld: hoe gaat u de instandhouding
van de natuur vormgeven en hoe gaat u de doelen van de Nitraatrichtlijn wat betreft
water halen, hoe gaat u dat doen? Wat is het antwoord van de Minister daarop?
De voorzitter:
Mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. Dank ook aan de heer Holman voor deze vraag. Ik denk echt dat dit
onderdeel is van de uitwerking van het pakket. Er is ook een publicatie gepubliceerd
over nitraat, over het grondwater. Nou ja, dat ziet er goed uit. Wat betreft het oppervlaktewater
weten we dat er nog stappen te zetten zijn. Wat betreft de landbouw zie ik ook mogelijkheden
voor een koppeling met de ANLb-middelen die er zijn, om daar ook aan te werken. Dit
is echt onderdeel van het totaalpakket waar wij nu echt heel rap mee aan de slag moeten
om dat uit te werken. Ik denk dat ik na de zomer de vraag van de heer Holman beter,
concreter kan beantwoorden.
De voorzitter:
Dat wordt nog even wachten, meneer Holman. Meneer Pierik.
De heer Pierik (BBB):
Ik heb toch nog even een vraag over die gasvormige verliezen. Ik begrijp dat de Minister
de Commissie van Deskundigen Meststoffen erbij wil betrekken om te kijken wat voor
impact die gasvormige verliezen hebben, ook in relatie met excretiefactoren. Is de
Commissie van Deskundigen Meststoffen de meest aangewezen organisatie om dat te doen
of wil de Minister ook andere wetenschappelijke rapporten betrekken bij dit onderwerp?
De voorzitter:
Excellentie.
Minister Wiersma:
Voor de heer Pierik: de CDM is natuurlijk wel het vaste adviesorgaan van het Rijk.
Dus bij advisering rondom mestzaken is het gebruikelijk dat de CDM daarin ... Het
is ook de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet. Dus ja, dat is wel het eerste
orgaan waar wij advies ophalen.
Mevrouw Vedder (CDA):
Als ik het goed heb begrepen, heb ik de Minister horen zeggen dat het gedogen van
overschrijding van een mestplafond of gebruiksnorm in ieder niet im Frage is. Dat
antwoord begrijp ik ook, want we wonen in een rechtsstaat en dus hebben we ons te
houden aan de wet. Ik zou de Minister graag willen vragen wat ze zou zeggen tegen
de boeren die tussen nu en acht weken hun mest gaan uitrijden en die zich nu al in
de situatie bevinden dat ze hun mest niet kwijt kunnen. Ik heb er heel veel begrip
voor dat we nog geen uitgewerkt plan hebben liggen. Dat snap ik ook volkomen. Dat
dat na het zomerreces zo snel mogelijk komt, vind ik hartstikke fijn. Maar ik weet
ook hoe groot de onzekerheid is bij de categorie boeren die nu met een mestoverschot
zitten, die dat gewoon domweg niet kwijt kunnen. Ik ben dus heel benieuwd wat de Minister
deze mensen zou willen meegeven.
De voorzitter:
Excellentie.
Minister Wiersma:
We houden ons natuurlijk aan de wet. Waar het gaat om overschrijding van productieplafonds
– dat hebben we in het verleden natuurlijk ook gezien – maken we een plan om weer
in overeenstemming te komen daarmee. Dus dat je die nooit zult overschrijden, kun
je nooit zeggen. Dat weet mevrouw Vedder ook, denk ik. De problemen op de bedrijven
zijn groot. Ik ben me daar ook van bewust. Ik heb zelf ook op een boerderij gewoond,
dus ik weet hoe dat landt op een boerenerf, wat dat betekent en wat voor stress daarbij
komt kijken. Dat hoeft niemand mij te vertellen, want ik ben me daar heel goed van
bewust. Maar ik kan in deze twee dagen nog niet met een concrete oplossing komen.
We gaan deze zomer kijken of we echt kortetermijnmaatregelen kunnen bedenken. Dat
zit voor een deel in het vergroten van de plaatsingsruimte. Als de gesprekken in Brussel
goed zijn, bijvoorbeeld wat betreft de met nutriënten verontreinigde gebieden, zou
dat lucht kunnen geven. Maar dat kan ik op dit moment echt nog niet direct zeggen,
dus ik zou tegen de agrariërs zeggen: hou vol.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet en dan de heer Van Campen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb respect voor de Minister, die vandaag voor het eerst hier zit, maar ik heb
toch ook het idee dat zij nog een beetje in sprookjeswonderland leeft. Wij hebben
het hier in de Kamer gehad over het plan-Adema. Dat zijn pijnlijke maatregelen. Zelfs
als we dat plan zouden uitvoeren, zouden we niet kunnen voorkomen dat er straks bij
alle boeren nog vee af moet om aan de normen te voldoen. Dat is een discussie die
we nu nog niet voeren, maar die heel pijnlijk gaat worden. Heeft de Minister er wel
enig idee van dat dat op het programma staat? Ze doet net alsof ze nu opnieuw gaat
beginnen, maar wij zijn al veel verder. We hebben haast. Er liggen al een heleboel
ideeën. Ik vind dat de Minister toch nog heel veel zegt «nou, ik ga eens kijken wat
ik wel doe en wat ik niet doe», terwijl dat wat er wél ligt eigenlijk al te weinig
is.
Minister Wiersma:
Zoals ik zojuist ook zei: er liggen goede bouwstenen en die nemen we allemaal mee.
Het plan-Adema is daar een cruciaal onderdeel van, maar ik wil dat echt bezien in
een totaalpakket met ook de uitwerking van het hoofdlijnenakkoord. Het moet wel echt
in een totaal passen. Wij gaan dat meenemen in de uitwerking. Ik zit hier op mijn
tweede dag als Minister. Ik heb nog niet de tijd gehad om al concreet antwoord te
ontvangen op heel veel vragen die ik heb. Dit is dus iets waarmee ik later bij jullie
zal terugkomen. Maar het plan-Adema is een vertrekpunt en daar staan heel goede dingen
in, met de kanttekening die ik zojuist noemde. We willen dat bezien in een totaalpakket,
waarmee we na de zomer bij jullie komen.
De heer Van Campen (VVD):
Ik wil ook mijn waardering uitspreken in de richting van de Minister, want ga er maar
aan staan: net beëdigd en meteen al een mestdebat. Dat is niet bepaald het meest lichtvoetige
beleidsonderwerp binnen de portefeuille van deze Minister en überhaupt van de leden
van het kabinet.
Voorzitter. We weten dat hierna een tweeminutendebat komt. Ik vind dat de Minister
de ruimte moet krijgen om zich de komende tijd met haar departement te verdiepen in
de betreffende thema’s. Ik zeg er tegelijkertijd ook bij, toch een beetje in navolging
van mevrouw Bromet: wij hebben als Kamer dit debat natuurlijk al vaak en veel met
elkaar gevoerd. Het is een trein die niet op gang hoeft te komen; het is een trein
die eigenlijk al op heel hoge snelheid rijdt.
Ik zou de Minister dus het volgende willen vragen. Ik weet dat ongeveer 1.400 veehouders
zich hebben ingeschreven voor de Lbv-plusregeling. Ik vind het ook heel logisch dat
de Minister eerst wil kwantificeren wat dat oplevert en dat zij kritische vragen heeft
gesteld over het wetsontwerp dat haar ambtsvoorganger naar de Raad van State heeft
gestuurd. Ik zou de Minister willen vragen om wel haast te maken, gelet op de urgentie,
omdat we volgens de derogatiebeschikking al vanaf 2025 aan de verlaging van de excretieplafonds
moeten voldoen. Afroming van fosfaatrechten en dierrechten is ook voor mijn fractie
een graat in de keel, maar het is de andere kant van de medaille waar het gaat om
het verlagen van de excretieplafonds. Daar legt de Minister zich terecht bij neer.
Dat is Europese wet- en regelgeving. Maar daar hoort ook afroming van die rechten
bij. Ik snap dat de Minister zich verdiept in de thematiek en vragen uitzet, maar
ik zou haar ook willen vragen op welk moment zij naar verwachting daarover een besluit
neemt of wanneer zij die wetten naar de Kamer zal sturen.
De voorzitter:
Dit was wel een hele lange interruptie, een hele bijbeltekst.
Minister Wiersma:
Ik herken de dingen die de heer Van Campen zegt, ook wat betreft de Lbv en de Lbv-plusregeling.
Daar moeten we echt werk van maken, dus daar moeten we gewoon zo snel mogelijk in
de uitvoering mee aan de slag. De voorstellen met betrekking tot afroming liggen nu
ter advisering bij de Raad van State. Op het moment dat die met een advies komt –
dat wordt ergens in augustus verwacht – is dat mooi in lijn. Dan zijn wij al heel
ver met het uitwerken van het hoofdlijnenakkoord, dus dan kunnen we dat totaalpakket
ook zien. Zodra het advies er is, zal ik dat met jullie delen. We kunnen dat dan gelijk
meenemen in het totaalpakket en ook aangeven hoe we dat in het licht van het hoofdlijnenakkoord
zien. Dat komt dus op zeer korte termijn naar jullie toe.
De heer Van Campen (VVD):
Afrondend. Dank voor het antwoord van de Minister. Ik denk dat deze Minister hier
een Kamer treft die zich collectief heel erg grote zorgen maakt over de situatie op
de mestmarkt en voor individuele veehouders. De Minister is nieuw en we zullen moeten
leren kennen waar haar prioriteiten liggen, maar zij vindt hier in ieder geval een
Kamerlid dat graag gerustgesteld wil worden dat we de maatregelen nemen en dat de
zorgen die hier breed worden gevoeld, aan bod komen. Ik hoop die geruststelling vandaag
ook van de Minister te ervaren.
Minister Wiersma:
Die urgentie wordt zeker gevoeld. Ik hoop echt dat dat duidelijk is. Ik ben ook nauw
betrokken geweest bij het wetsontwerp fosfaatrechtenstelsel. Daarbij was er aanvankelijk
een forse overschrijding van het fosfaatrechtenplafond. Het melkveefosfaatplafond
bestond op dat moment nog uit 84,9 miljoen kilogram fosfaat. Na afschaffing van het
melkquotum met een gebrek aan sturingselementen in de vorm van dierrechten, zijn dat
fosfaatrechten geworden. Toen was de mening dat boeren met die fosfaatrechten ruimte
zouden kunnen hebben, door efficiënter met fosfaat om te gaan, om meer vee of melk
te kunnen produceren. Maar uiteindelijk is na het fosfaatreductieplan gebleken – dat
heeft ook te maken met de excretieforfaits, die om allerlei redenen nu nog niet geactualiseerd
zijn – dat er niet 84,9 miljoen kilogram fosfaat geproduceerd werd, maar ergens in
de 70 miljoen kilogram. Dat zat dus ver onder het plafond. Dat heeft in de sector
heel diep ingegrepen. Dat heeft echt veel leed gekost. Dat was nog voordat de Programmatische
Aanpak Stikstof viel. Daarom wil ik het zorgvuldig doen. Ja, wat we moeten doen, moeten
we doen, maar ik wil echt voorkomen dat we twee keer zo hard ingrijpen als nodig is.
Daarom wil ik ook de zorgvuldigheid waarborgen. De urgentie is er zeker, maar ook
zorgvuldigheid is nodig. Ik heb tijd nodig – ik zal dat overigens wel binnen de kortst
mogelijke tijd doen – om zo goed mogelijk al die cijfers op een rij te zetten. Ik
heb zelf ook echt heel veel vragen, waar ik heel graag met het departement over in
gesprek wil gaan. Maar goed, die vragen heb ik nog niet kunnen stellen omdat er ik
er nog maar heel eventjes geweest ben.
De voorzitter:
Meneer Van Campen, uw laatste interruptie.
De heer Van Campen (VVD):
Ik snap het. Volgens mij is ons er juist alles aan gelegen om ingrepen te voorkomen.
De Minister spreekt over een ervaring uit het verleden waarbij we te laat waren. Bij
het fosfaatrechtenstelsel waren we te laat en was een korting nodig. Terecht is de
Minister kritisch op data die misschien achteraf niet bleken te kloppen. Het is heel
goed dat zij die zorgvuldigheid betracht. Alleen, hier is juist sprake van de noodzaak
tot het nemen van maatregelen om zo’n korting te voorkomen. Ik hoop dat de Minister
zich heel goed realiseert dat dit een geruststelling is waar deze Kamer, of in ieder
geval ikzelf en mijn fractie, naar op zoek zijn.
Minister Wiersma:
Ja, ik realiseer mij dat. Geen zorgen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Het is de tweede dag voor deze Minister en zij zit meteen al in de mest, gewoon bijna
letterlijk in de shit. Ik denk dat de Kamer heel veel sympathie ervoor heeft dat de
antwoorden nu nog niet concreet kunnen zijn. Dat is logisch. Tegelijkertijd merk ik
bij mijzelf dat het ook onbevredigend is dat we straks twee maanden met reces gaan
en vervolgens terugkomen op een moment waarop er al letterlijk geen mest meer mag
worden uitgereden. Ik zou een advies willen vragen aan de Minister. Zouden we hier
niet, ook als Kamer, weer eerder over moeten spreken? De tweede dag, dat snappen wij.
Maar twee maanden wachten is ook wel heel erg lang. Deelt de Minister het gevoel dat
twee maanden wachten niet echt het gevoel van urgentie is dat nu nodig is, terwijl
dat zwaard van Damocles boven zo veel mensen hangt?
Minister Wiersma:
Wij kunnen ook geen ijzer met handen breken. Wij gaan daar echt mee aan de slag. Als
het gaat om die uitrijdata: dat loopt. Mocht dat geëffectueerd worden, dan wachten
wij daar niet op als dat kan. Ik kan alleen geen ijzer met handen breken. Wij komen
er op de kortst mogelijke termijn op terug. Als uw Kamer eerder terug wil komen: ik
ben er wel.
De voorzitter:
Zijn er nog interrupties op dit blokje? Zo niet, dan gaan we verder met het tweede
blokje. Lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Voorzitter, ik had vanaf het begin mijn vinger omhoog.
De voorzitter:
Dan moet u ’m wat hoger steken. Ik heb ’m niet gezien. Als u even uw vingertje achter
de microfoon omhoogsteekt, dan zie ik het niet.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik was weer eens te bescheiden, blijkbaar.
Nee, maar ik wil eerst even iets checken. Dit is een blokje met suggesties van de
Kamer, begreep ik. Ik had toch nog wel vragen over de oplossingen die de Minister
voor zich heeft. Komen de integrale aanpak en de afspraken die zijn gemaakt nog, of
moet ik u daar nu even aan herinneren?
Minister Wiersma:
Zoals ik zojuist zei, is de integrale aanpak echt iets wat binnen het hoofdlijnenakkoord
uitgewerkt zal worden. In mijn inleiding gaf ik al aan dat dat iets is waar ik vandaag
nog geen antwoord op kan geven. Met de uitwerking van het hoofdlijnenakkoord zal het
aan jullie Kamer gepresenteerd worden.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dan ga ik nu toch mijn interruptie gebruiken, want dit is geen bevredigend, of eigenlijk
geen enkel antwoord op de vraag die ik had gesteld. Mijn vraag is of de Minister de
verschillende afspraken die zijn gemaakt over het halen van natuurdoelen, milieudoelen
en de doelen van de Wet dieren et cetera in ieder geval respecteert en of ze begrijpt
dat we die moeten halen. Gaat ze ook kijken naar maatregelen die bijdragen aan het
behalen van al die doelen in plaats van dat we steeds aan kokerbeleid gaan doen, waarbij
wordt gekeken naar deelproblemen in plaats van naar het hele plaatje en naar alle
problemen die opgelost moeten worden?
Minister Wiersma:
Uiteraard is een integrale aanpak goed, daar waar zo veel mogelijk koppelkansen liggen.
RENURE is daar ook een voorbeeld van. Dat kan én gasverbruik voorkomen, omdat er minder
kunstmest geproduceerd hoeft te worden, én het is gunstig op het gebied van ammoniakemissie.
Daar waar maatregelen te nemen zijn die op alle gebieden positief bijdragen, zullen
wij daar uiteraard zo veel mogelijk naar kijken. Dat is niet altijd mogelijk. We weten
bijvoorbeeld ook dat de reductie van stikstofemissies en de reductie van broeikasgasemissies
soms ook hand in hand gaan, maar dat is niet in alle gevallen zo. Ik denk dus dat
we de brede mix aan maatregelen open moeten houden.
Om terug te komen op het eerste deel van uw bijdrage: ik heb gezegd dat wij de wet
en de wettelijke kaders onderschrijven. Daarbinnen bewegen wij ons met onze voorstellen.
De voorzitter:
Dank u wel. Wij gaan nu ... Het lid Kostić? Dit is uw derde interruptie.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Derde?
De voorzitter:
Ja. U moet me dankbaar zijn dat ik u net afkapte, want anders had u er al twee aan
uw broek gehad. Mensen denken vaak: waarom kapt hij diegene af? Maar ik hou die 30
secondenregel vaak in de gaten voor leden. Daar kan ik ze mee redden, omdat daarmee
een tweede interruptie wordt voorkomen.
We gaan naar blokje twee, maar ik heb eerst een vraag aan mevrouw de Minister. Kijk,
we zouden om 17.00 uur stoppen. Er is geen tweede termijn, maar we willen niet te
ver uitlopen. Heeft u voor die twee blokjes nog lang nodig, mevrouw de Minister?
Minister Wiersma:
De twee andere blokjes zijn wel kleiner.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we beginnen. We zullen iets uitlopen, maar dat mag ook. Het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik gebruik toch maar mijn derde interruptie, want dit is echt even belangrijk. Ik
mis van de Minister een ideologisch beeld. Welke soort landbouw ziet zij voor zich
over vier jaar, als zij klaar is? Wat wil ze bereikt hebben met betrekking tot al
die afspraken op het gebied van water, milieu en dieren? Ik begrijp dat zij nu niet
ingaat op alle individuele maatregelen, maar ik wil wel van haar horen wat zij over
vier jaar voor zich ziet op al die gebieden.
Minister Wiersma:
Ik loop al een tijdje mee in het landbouwbeleid. Er is in de afgelopen jaren heel
veel gedaan op al die gebieden. Ik weet dat er nog heel veel stappen gezet worden
met innovaties in alle sectoren, ook op dit moment. Dat is ontzettend mooi. Ik denk
dat wij alle vormen van landbouw koesteren, of het nou biologische of hooginnovatieve
landbouw is; volgens mij hebben we het allemaal nodig. Het is aan ons om daarin met
faciliterend beleid te komen. Maar als het lid Kostić bedoelt of wij kiezen voor één
type landbouw, dan is daarop mijn reactie dat dit kabinet er voor alle vormen van
landbouw is.
De voorzitter:
Ik wil de Minister vragen om terug te gaan naar blokje twee, over de beëindigingsregeling.
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. Daar zijn verschillende vragen over gesteld door verschillende partijen,
waaronder D66, VVD, de heer Grinwis, die hier helaas niet aanwezig is, en de heer
Flach. Die had er ook al aan gerefereerd. In het hoofdlijnenakkoord staat een ruimhartige,
langdurige stoppersregeling. Ik heb er veel over gehoord. Verder onderschrijf ik ook
wat mevrouw Vedder daarover zei, namelijk dat je op dit moment zelfs boeren ziet stoppen
van wie je niet zou verwachten dat zij eraan toe zijn om dat bedrijf op te geven.
Ik hoop dat we met het nieuwe beleid straks toch weer perspectief kunnen bieden aan
dat soort boeren die verder willen. Maar als het gaat om een vrijwillige uitkoopregeling:
daar gaan we in voorzien.
Ik ben als bestuurder van de provincie Friesland ook bedrijven tegengekomen met weinig
toekomstperspectief, omdat er bijvoorbeeld geen opvolger is en het in de huidige situatie
lastig is om het bedrijf te verkopen. Zij zeiden tegen mij: wij kunnen niet meedoen
met een regeling. Dat sluit wel heel erg aan bij kijken naar het autonome vermogen
in de sector. Dat gaat om de vraag: waar kunnen we zo veel mogelijk ruimte creëren
door daarbij aan te sluiten? Maar voor boeren die eigenlijk nog niet aan stoppen toe
zijn en die nog goede bedrijven hebben, hoop ik echt dat we met elkaar gewoon toekomstperspectief
kunnen creëren. Dat staat voor mij voorop.
Kort samengevat, want ik moet natuurlijk ook op de tijd letten: die ruimhartige regeling
komt er wel. Maar hoe we die precies gaan invullen, is weer zo concreet dat we daarop
terugkomen. Of dat die eerder geraamde 4 miljard van de 5 miljard wordt ... De financiële
situatie waar we nu mee te maken hebben, is anders, dus dat komt in de uitwerking
terug. Daar gaan we goed naar kijken, maar die komt er zeker. Dat zeg ik ook tegen
de bedrijven die mij al eerder hierover benaderd hebben. Daarmee hoop ik ruimte te
creëren.
De voorzitter:
Dit was ook al het einde van uw blokje? Dank u wel.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, ik ga toch maar even. De Minister had het net over «het zorgvuldig doen» en gaat
straks van alles voorleggen aan experts. De Minister heeft het daarbij eigenlijk alleen
maar over de belangen van de sector, maar zij heeft ook andere belangen mee te wegen,
ook wettelijk gezien. Dan gaat het bijvoorbeeld over de belangen van gewone burgers,
die straks, als we de mestverwerkingscapaciteit gaan opschalen, moeten leven naast
nog meer mestfabrieken. Er is nu al sprake van burgers die klagen over geluidsoverlast
en gevaar voor de gezondheid. En dan zijn er natuurlijk nog de dieren, die in de ellende
zitten. Gaat de Minister de maatregelen die zij straks gaat maken, ook toetsen op
hun bijdrage aan meer dierenwelzijn en of ze rekening houden met de gezondheid van
mensen?
De voorzitter:
Dat was de laatste interruptie voor het zomerreces van het lid Kostić.
Minister Wiersma:
In het kader van de Wet dieren gaan we daar natuurlijk nog uitwerking aan geven, waar
dat vooral in terugkomt. Ik denk dat het Ministerie van IenW uiteindelijk vooral over
de emissies met betrekking tot de gezondheid van dier en mens gaat. Er werd net ook
veel gezegd over mest, veel mest. Maar het zijn bouwstoffen en als het uiteindelijk
gaat om emissies, dan is ook de landbouw er veel aan gelegen om zo weinig mogelijk
verliezen te hebben op een bedrijf. Als het gaat om dat soort emissies: daar werken
we aan, daar hebben we ook al concrete plannen voor en daar liggen ook al bouwstenen
voor. Ik noem de Afrekenbare Stoffenbalans. Dus als het gaat om de gezondheid en dat
soort emissies, dan is er altijd een integrale afweging. Ik zie dat dat niet helemaal
het gewenste pad is van het lid Kostić. Maar goed, vanuit deze kant kijken wij wel
hoe we de doelen kunnen bereiken en daarbij vindt een zo breed mogelijke afweging
plaats.
Mevrouw Vedder (CDA):
Ik ben heel blij met het antwoord van de Minister op mijn vraag over de brede beëindiging.
Ik zou graag aanvullend willen weten of deze regeling voor 1 januari van kracht zou
kunnen gaan; dat hoop ik echt. En gaat de Minister dan ook in de zomer alvast het
notificatieproces richting Brussel in gang zetten om die deadline ook te halen?
Minister Wiersma:
Op dit moment wordt alles in gang gezet om hieraan uitvoering te geven, maar ik kan
niet toezeggen of we dat gaan halen. Maar we komen daarmee wel zo gauw mogelijk bij
u terug.
De voorzitter:
Okidoki. Mevrouw de Minister, we gaan naar RENURE, het laatste blokje. De heer Van
Campen zal heel blij worden van dat blokje. Hij heeft gelukkig geen interrupties meer,
dus ga rustig uw gang.
Minister Wiersma:
Ik dacht al: wat is het rustig hier.
Er is veel gesproken over RENURE, onder andere over de kosten daarvoor en de schulden
die boeren daarvoor zouden moeten maken, en dat dat dan alleen met schaalvergroting
zou kunnen. Er is gevraagd of de cijfers kloppen. Ik heb de cijfers zo niet paraat.
Ik geloof dat de inschatting wel iets aan de ruime kant was. Ik wil benadrukken dat
RENURE er nog niet is. Er ligt nu een voorstel van de Europese Commissie, maar we
hebben er vanuit Nederland al heel lang een inzet op gepleegd om dat op het kleed
te krijgen. Er is dus een zeer positieve grondhouding, omdat het op heel veel terreinen
echt kan bijdragen als we het hebben over integrale afwegingen. Er is natuurlijk minder
mestafvoer en er is minder aankoop van kunstmest, en er zijn dus ook minder vervoersbewegingen
over de weg. Dat pakt voor heel veel milieudoelen goed uit. Hoe het verdienmodel precies
uitpakt, is ook afhankelijk van hoe dat geïmplementeerd en opgeschaald wordt. Volgens
mij werd ook door een van de leden hier benoemd dat innovaties in het begin vaak relatief
duur zijn, maar dat ze betaalbaarder worden op het moment dat er meer gebruik van
wordt gemaakt. RENURE is een van de inzetten geweest van het vorige kabinet. Daar
zal dit kabinet ook zeker op blijven inzetten.
Dan was er de vraag of we kunnen reflecteren op een uitspraak van Ruud Hendriks. Het
is niet zo dat RENURE alleen interessant is voor de mestverwerkers en niet voor de
boeren, want het wordt daar ook al toegepast, zoals net werd aangehaald. De technieken
kunnen zowel door boerenbedrijven als mestverwerkers worden gebruikt. Zoals ik net
ook al zei: ik heb de cijfers nog niet helemaal paraat, maar het hangt ook van de
implementatie en opschaling af. Dit was in zekere zin dezelfde vraag.
Dan had het lid Kostić nog de vraag of we kunnen garanderen dat er geen belastinggeld
naar RENURE gaat. In het hoofdlijnenakkoord hebben we natuurlijk middelen gereserveerd
voor innovatie, maar ook voor de opkoopregeling. Daar gaan we plannen voor maken.
Wat ons betreft is RENURE daar een onderdeel van. Het is ook in lijn met de inzet
van het vorige kabinet. Ik weet bijvoorbeeld ook dat er in Friesland een breed aangenomen
motie ligt om te kijken of er op de kortst mogelijke termijn een pilot uitgevoerd
kan worden met RENURE, omdat iedereen daar heel enthousiast over is. Er gaat hoe dan
ook wel belastinggeld naartoe.
Er was ook een vraag over het mineralenconcentraat, namelijk of dat van 1 februari
tot half september op zandgrond en tot eind september op kleigrond kan worden uitgereden.
Op dit moment is RENURE nog niet toegestaan. Het is er nog niet. Er ligt een voorstel
vanuit de Europese Commissie. Mineralenconcentraat mag van 16 februari tot 31 augustus
op grasland uitgereden worden en van 16 februari tot 31 juli op bouwland, en onder
bepaalde voorwaarden iets langer, namelijk tot 15 september. Zodra RENURE er is, komen
we daarop terug, maar het is op dit moment nog een voorstel. Dit was overigens een
vraag van het lid Nijhof, maar die is er ook niet meer, zie ik.
De laatste vraag is van mevrouw Beckerman. Zij vroeg hoe ik in RENURE sta. Ik denk
dat de antwoorden op de vorige vragen al een beetje een tipje van de sluier hebben
opgelicht. Nederland heeft zich jarenlang ingespannen om dit mogelijk te maken. Kunstmestvervangers
dragen bij aan heel veel verschillende doelen. Ik ben heel blij met het voorstel dat
is gepubliceerd om het gebruik van RENURE mogelijk te maken. Op dit moment werk ik
aan de voorbereidende werkzaamheden die met jullie gedeeld zijn in de brief van 24 april
jongstleden om de toepassing ook in Nederlandse wet- en regelgeving mogelijk te maken.
Dan kunnen we daar dus echt concreet handen en voeten aan geven, zodra de Europese
Commissie dat mogelijk maakt.
Dat was de laatste vraag die ik in mijn mapje had. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw de Minister. Er zijn vier interrupties. Sorry?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Gaan we niet eerst het rondje onbeantwoorde vragen doen?
De voorzitter:
Ja, maar ik ga even het rijtje langs. We beginnen met mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Het is natuurlijk het eerste debat, dus ik probeer het vriendelijk te doen, maar ik
heb hier wel moeite mee. We hebben gezien dat dit ook door het vorige kabinet als
wondermiddel werd gepropageerd, maar we zien steeds meer signalen: let op, Tweede
Kamer, kijk uit, let op je zaak. Denk aan de kop van Het Financieele Dagblad: «Gesjoemel
en raadsels rond wondermiddel tegen mestcrisis». Dat legde ook een citaat voor van
Follow the Money: kijk nou uit, want je bent straks weer volgende problemen aan het
creëren.
Waar ik moeite mee heb – dat leg ik toch aan de Minister voor – is als je zegt dat
we er wel belastinggeld aan gaan uitgeven, maar dat je die cijfers niet paraat hebt.
Ik snap dat het misschien niet nu kan, op de tweede dag, maar zou de Minister de Kamer
dan toch schriftelijk een wat inhoudelijkere reactie kunnen sturen om op al die aspecten
in te gaan?
Minister Wiersma:
De meningen zijn vaak verdeeld over innovaties. Het is natuurlijk geen verplichting
om dit te gaan doen. Het is een van de instrumenten die in de instrumentenkoffer zitten,
die een oplossing kunnen bieden voor bedrijven die daar heil in zien. Ik weet dat
boeren uiteindelijk ondernemers zijn, dus die zullen zelf dat plaatje ook rondrekenen
om te kijken of dit een oplossing kan zijn. We kunnen daarover wel meer informatie
op papier zetten, want ik vind het zelf ook wel mooi om er even een mooi overzicht
van te maken. Dat zeg ik toe.
De voorzitter:
Kijk eens aan, mevrouw Beckerman. U hebt geen interrupties meer.
Mevrouw Beckerman (SP):
Nee, maar bij een toezegging hoort een datum en die wil ik er dan wel graag bij.
De voorzitter:
Zeker. Dat is het volgende. Dat vragen wij altijd netjes. Bij de meeste toezeggingen
heeft ze het er al zelf bij gezegd.
Minister Wiersma:
Ik hoor dat het het handigst is bij deze toezegging dat het onderdeel is van het totaalpakket,
dus dan komen we daar na het reces op terug, maar dan maken we hier een speciaal onderdeel
van.
De voorzitter:
Na het reces is heel breed.
Minister Wiersma:
Voor Prinsjesdag.
De voorzitter:
U hebt een paar keer gezegd: kort na het reces. Dan neem ik aan dat het twee of drie
weken is, in ieder geval voor het herfstreces.
Minister Wiersma:
Excuses daarvoor. Ik heb zelf geen reces, dus ik weet helemaal niet wanneer die datums
zijn. Voor Prinsjesdag.
De voorzitter:
Dat is een concretere toezegging. Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Meestal sluit de Minister af met een blokje varia, maar dat was er nu niet. Misschien
is dat de reden dat ik het antwoord op drie vragen gemist meen te hebben. Die zal
ik heel kort herhalen. Een vraag was of de afroming van de sectorplafonds voor pluimvee
en varkens wel reëel is. Een andere vraag ging over de flexibiliteit bij veehouders
die al een saneringsbeschikking hebben en tegen de deadline aanhikken. De derde vraag
is of de Minister afspraken gaat maken met medeoverheden over mestverwerking en opslag,
omdat daar nogal het een en ander aan de hand is met vergunningverlening.
Minister Wiersma:
Die tweede vraag had ik in de vorige termijn niet meegekregen.
Wat betreft vergunningverlening: die bevoegdheid ligt inderdaad bij de provincies.
Ik weet dat daar grote problemen zijn, want ik ben zelf net provinciebestuurder af.
Daarover gaan we ook in gesprek met de provincies. Dat kan een barrière zijn. We zien
het belang dat de vergunningverlening weer op gang komt, maar dat vereist denk ik
ook een goed pakket en een uitgeschreven hoofdlijnenakkoord.
Even kijken. Wat was uw eerste vraag?
De heer Flach (SGP):
Dat ging ook wel heel snel. Ik had gezegd dat er 30% afroming is bij de overdracht
van productierechten. Dat geldt dus ook voor de varkens- en de pluimveehouderij. Maar
die produceren nu al onder hun sectorplafonds. De vraag was of het dan wel reëel is
om ze mee te nemen in dat wetsvoorstel.
Minister Wiersma:
Dit is een hele concrete vraag. Dat ga ik echt bekijken. Dit is natuurlijk wel onderdeel
van het plan-Adema. In dat licht gaan we daar de komende tijd naar kijken. Ik wil
wel even benadrukken dat we de sectorplafonds landelijk hebben afgesproken en dat
Europa vooral kijkt naar het landelijke totaalplafond. Dit is echt iets specifieks
waarvan ik ook zeg dat ik daar nu niet op vooruit kan lopen. Dat is iets wat ik deze
zomer, de komende weken, echt goed wil bekijken.
De voorzitter:
Wanneer worden deze vragen beantwoord? Nog tijdens het reces of neemt u dat mee na
het zomerreces?
Minister Wiersma:
Dit is onderdeel van de uitwerking van het plan.
De voorzitter:
Dat is goed, prima. Het lid Flach.
De heer Flach (SGP):
Dit is dan mijn laatste interruptie. Die tweede vraag had de Minister gemist. Die
herhaal ik graag nog even, maar meer als een soort aanmoediging. Er zijn veehouders
die al die saneringsbeschikking hebben gekregen en die echt met die deadline voor
het afvoeren van de mest zitten. Mijn vraag is of de Minister daar flexibel mee zou
willen omgaan.
Minister Wiersma:
Ja, excuses. Ik had die vraag inderdaad nu voor de tweede keer laten liggen. Dat is
helaas wel onderdeel van de staatssteunbeschikking, in die zin dat het opheffen van
de productiecapaciteit daar onderdeel van uitmaakt. Wij zijn daar wel aan gebonden
in het kader van staatssteun, dus ik kan niet zeggen: laat dat maar even staan. Maar
goed, wat we al gaandeweg besproken hebben bij de opslag is dat we daar wel mee bezig
zijn. Maar dat zal in die zin voor deze bedrijven niet veel ruimte bieden, verwacht
ik, omdat dit onderdeel is van de staatssteunregels.
De voorzitter:
Er waren ook nog een aantal vragen van het lid Kostić open blijven staan. Zij heeft
geen interrupties meer.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, helaas.
De voorzitter:
Mevrouw Vedder, ik kom eraan. Ik doe het altijd in volgorde van binnenkomst.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik kom nu alleen nog terug op de vragen die niet beantwoord zijn en dan begin ik bij
de vragen over RENURE. Ik had een aantal zorgen over RENURE benoemd, zoals over de
onzekerheid van technieken. Dat blijkt ook uit een aantal pilots. Er zijn ook zorgen
over desinvesteringen en over de lock-ineffecten, dus dat boeren moeten investeren
en afhankelijk worden van de grote hoeveelheden mest en dus in dat systeem blijven
zitten. Het remt ook de overgang naar een gezonde landbouw. Het zou ook andere groene
doelen op het gebied van natuur en dierenwelzijn kunnen afremmen. En er is de fraudegevoeligheid.
Kan de Minister nu met zekerheid al die zorgen wegnemen of zegt zij dat zij daar nog
even goed naar moet kijken en dat zij daarop terugkomt na het zomerreces?
Minister Wiersma:
De effecten nemen we mee bij de uitwerking van RENURE, dus daar komen we op terug.
Volgens mij heb ik zojuist in principe wel geantwoord op die andere vragen. De effecten
nemen we mee bij de uitwerking van RENURE.
De voorzitter:
Ik ga dadelijk nog de toezeggingen voorlezen, het lid Kostić. Daar staat ook bij dat
het voor Prinsjesdag komt. Dat wordt allemaal voorgelezen, dus geen zorgen daarover.
Mevrouw Vedder nog, ten slotte.
Mevrouw Vedder (CDA):
Ja, ik had ook een onbeantwoorde vraag, die net al een beetje beantwoord is. Die ging
over het uitstel van de sloopverplichting van de Lbv en de Lbv-plus. Ik hoorde net
Minister Wiersma antwoorden dat deze botst met de staatssteun. Dat is ook precies
waar ik naar vroeg. Maar het is wel een belofte die is gedaan in het hoofdlijnenakkoord.
Daar staat in dat boeren die gebruikmaken van de Landelijke beëindigingsregeling,
Lbv en Lbv-plus, uitstel krijgen van de sloopverplichting totdat de mestmarkt weer
stabiel is. Moet ik daar dan de conclusie uit trekken dat dit stuk van het hoofdlijnenakkoord
niet is gelukt?
De voorzitter:
Wij zeggen altijd: de Minister van LVVN. We zeggen nooit: Minister Wiersma. Privé
is het Femke Wiersma, maar hier is het voor u: de Minister van LVVN. Zo doen we dat,
als we de Minister aanspreken. Mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Dank, voorzitter. Wat ik zojuist zei: dit zijn bestaande kaders op het moment dat
we daar iets mee willen. Ik had dat even gemist uit het hoofdlijnenakkoord, maar ik
ken dat verder inmiddels redelijk uit mijn hoofd. Dan is dat ook onderdeel van de
gesprekken die we daar gaan voeren. We kunnen niet zomaar eenzijdig de verplichtingen
en de afspraken die we gemaakt hebben verbreken, ook omdat we daarover nog echt wat
vragen hebben. Maar het is wel onderdeel van de staatssteunregeling. Als we daarvan
willen afwijken, dan zullen we daar ook het gesprek over gaan voeren.
De voorzitter:
Het lid Kostić, tot slot, want er is nog iets van u niet beantwoord, geloof ik.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, daar gaan mijn vragen nu alleen even over.
De voorzitter:
Ja, maar wel kort, alstublieft.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Als de vragen waren beantwoord, dan waren we ook snel klaar.
De voorzitter:
Laten we daarom maar snel verdergaan.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, oké. Er zijn drie vragen niet beantwoord. De eerste is ... Sorry, aan mijn rechterzijde
wordt gesproken. Dat mag, maar laat mij dit heel even afmaken. Ik benoemde dat de
mestfraude zo groot is dat het OM zich zorgen maakt en zegt dat we de veestapel moeten
inkrimpen, omdat dat de enige oplossing is om die mestfraude onder controle te krijgen.
Mijn vraag is welke maatregelen de Minister met het kabinet gaat nemen tegen de mestfraude.
Minister Wiersma:
Het OM-onderzoek dateert volgens mij uit 2018. Er zijn sindsdien al een aantal zaken
gedaan, waaronder het realtime monitoren van mest. Het is natuurlijk van groot belang
dat bedrijven de mestregelgeving naleven, ook bij een grote druk op de mestmarkt.
Een onderdeel van het Plan van aanpak mestmarkt is een taskforce. Deze is gericht
op monitoring en signalering van ontwikkelingen op de mestmarkt. Daarmee kunnen we
ingrijpen en handhaven waar nodig. We blijven inzetten – dat deed het vorige kabinet
ook – op gerichte regelgeving, het verbeteren van de naleving van regels en het terugdringen
van mestfraude. Ik denk dus dat er sinds 2018 best wat ontwikkelingen zijn geweest
en ook stappen zijn gezet. De ontwikkeling daarvan gaat nog steeds verder.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik noemde ook de NVWA, die in februari 2024 heeft gezegd dat de prikkel om te frauderen
te groot is.
Maar goed, ik ga over naar de twee resterende vragen die niet zijn beantwoord. Waarom
kan de kalversector nog steeds uitbreiden? En waarom worden in deze mestcrisis nog
steeds kalfjes uit andere landen hiernaartoe gesleept? Wat vindt de Minister daarvan
en is de Minister bereid zich maximaal in te zetten om zulke langeafstandstransporten
te stoppen?
De voorzitter:
Ja, maar nu is het echt goed geweest, want u bent nu rupsje-nooit-genoeg.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Maar ik ben de vragen aan het voorlezen die ik al had gesteld.
De voorzitter:
Alle vragen die niet zijn beantwoord, worden meegenomen; dat ga ik dadelijk ook voorlezen.
We gaan nu afronden. We blijven niet iedere keer maar doorgaan.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is niet mijn schuld.
De voorzitter:
Nee, maar daarom geef ik u ook de kans, tot drie keer toe, om die vragen beantwoord
te krijgen.
Minister Wiersma:
Wat betreft de kalveren: wij zijn onderdeel van de Europese Unie, dus wij functioneren
op een Europese markt en in dat kader kunnen wij de import van kalveren niet verbieden.
De randvoorwaarden aan het transport worden gesteld in de Europese Transportverordening.
Zoals ook in het hoofdlijnenakkoord is opgenomen, is dat iets waar we naar gaan kijken,
met name wat we kunnen doen met het langeafstandstransport van dieren. Daar zullen
we ons dus voor inzetten binnen het hoofdlijnenakkoord. Daarin staat dit punt concreet
opgenomen. We zullen daar ook inzet op plegen binnen Europa.
De voorzitter:
Dank u wel. Kostić?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, dit is de laatste vraag die nog niet beantwoord is. Ik had het ook over voedselzekerheid.
Deze Minister is ook Minister van Voedselzekerheid. Er is een grote afname van bestuivers
en er dreigt zelfs een tekort aan bestuivers voor ons voedsel. Ik had gevraagd wat
de Minister hiervan vindt en wat ze eraan gaat doen.
De voorzitter:
Dit was echt de laatste. Alstublieft, mevrouw de Minister.
Minister Wiersma:
Dit kabinet kijkt anders naar de wenselijkheid van het aanpassen van de omvang van
de veestapel en de veedichtheid. Voedselzekerheid is echt een speerpunt van dit kabinet.
Daar gaan we ook op inzetten. Dat is ons standpunt ten aanzien daarvan.
De voorzitter:
Daar gaan we het bij laten. U gaat over de vragen en de Minister gaat over de antwoorden.
Basta, einde oefening. Ik ga het nu voorlezen. Er is een toezegging gedaan.
− De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal de Kamer voor Prinsjesdag
informeren over de stand van zaken met betrekking tot gasvormige verliezen en – dat
woord kan ik ook niet meer horen na vandaag – RENURE, en ingaan op de resterende vragen
die gesteld zijn tijdens het debat.
Zo gaan we het doen. Daar zit alles bij, mevrouw Kostić. Is dat akkoord, mevrouw de
Minister? Omdat we geen tweede termijn hebben, geef ik nu het lid Bromet even de kans
om een tweeminutendebat aan te vragen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ja, voorzitter. Ik heb twee weken geleden al een vooraankondiging gedaan van een tweeminutendebat
vanavond. Die wil ik graag handhaven.
De voorzitter:
Kijk, dat wordt allemaal doorgeleid naar de Griffie plenair.
Mevrouw de Minister, u hebt nu twee vuurdopen doorstaan: de hoorzitting en ook dit
eerste debat. Ik sluit me aan bij verschillende woordvoerders. Ik vind het ook knap
hoe u dat doet binnen twee dagen. Dat zou heel veel mensen niet gelukt zijn. Het was
bijna niet te merken dat u pas twee dagen Minister bent. Het is logisch dat nog niet
alle vragen beantwoord kunnen worden. Heel veel succes. Ik wens de Minister ook een
gezegende zomer. Denk ook aan uw gezin en uw dieren, zodat u niet alleen maar opgaat
in het werk, want het gezin blijft altijd het belangrijkste wat er bestaat.
Ik dank de mensen op de publieke tribune en ook de mensen thuis, de Kamerbode en de
Dienst Verslag en Redactie. Hartelijk dank aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
en onze trouwe griffier. Ik wens iedereen een heel gezegende zomer toe. Kom allemaal
veilig weer terug. Ik dank jullie allemaal. Een gezegende avond.
Sluiting 17.12 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.J.G. Graus, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
W.L. Postma, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.