Brief regering : Stand van zaken van een aantal moties in het domein landelijk gebied en stikstof
35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS
33 576
Natuurbeleid
Nr. 358
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2025
Op 2 april 2025 vindt het commissiedebat Stikstof en natuur plaats.
Middels deze brief stuur ik uw Kamer voorafgaand het commissiedebat de stand van zaken
van een aantal openstaande moties en toezeggingen.
De volgende onderwerpen komen in deze brief achtereenvolgens aan bod:
– Actualisatie ambtelijke inschatting potentiële stikstofreductie Lbv-regelingen
– Inzichtelijk maken effect voorgenomen klimaatmaatregelen stikstof
– NPLG
– Kustprovincies
– Overige
1. Actualisatie ambtelijke inschatting potentiële stikstofreductie Lbv-regelingen
Afgelopen oktober heb ik uw Kamer voor het eerst geïnformeerd over de ambtelijke inschatting
van de stikstofreductie die potentieel met de Lbv-regelingen kan worden gerealiseerd.1 Ik heb toegezegd om uw Kamer periodiek te informeren over nieuwe inzichten hieromtrent.
Op 20 december 2024 sloten de Lbv-plus en Lbv kleinere sectoren.2 Dit is aanleiding geweest om een nieuwe analyse uit te voeren. Na sluiting is één
van de onzekerheden die bij de vorige analyse nog speelde, komen te vervallen. Het
staat nu immers vast dat er geen aanvragen meer ingediend zullen worden. Deze nieuwe
analyse is een actualisatie van de analyse van oktober jl. Dit betekent dat een nieuw
«100%-scenario» is berekend. Bij dit 100%-scenario is de aanname gedaan dat de circa
1300 ondernemers die op de peildatum (11 maart 2025) nog een actieve subsidieaanvraag
hadden, daadwerkelijk overgaan tot beëindiging van hun veehouderijbedrijf of een locatie
van hun veehouderijbedrijf. Ondernemers die voor de peildatum de aanvraag hebben ingetrokken
of van wie de aanvraag ambtshalve is komen te vervallen, zijn niet meegenomen in deze
analyse.3 Omdat deelname aan de Lbv-regelingen geschiedt op basis van vrijwilligheid en ondernemers
zich nog kunnen terugtrekken, is het aannemelijk dat het 100%-scenario in de praktijk
niet gerealiseerd gaat worden. Wel geeft het een indicatie van de verwachte ordegrootte
van de depositiereductie. Bij de analyse is de 25 kilometergrens gehanteerd. Op dat
vlak wijkt de ambtelijke analyse af van ramingen zoals die worden opgesteld door het
kennisconsortium van PBL, RIVM en WUR4
5.
Op basis van de benoemde uitgangspunten, ziet de potentiële depositiereductie per
regeling er als volgt uit:
Potentiële depositiereductie (mol/ha/jaar)
Lbv
2,00
Lbv-plus
33,77
Lbv kleinere sectoren
1,25
Totaal
37,02
Het beeld dat uit de nieuwe analyse ontstaat is in lijn met wat verwacht mag worden
op basis van de vorige analyse: de drie Lbv-regelingen samen zorgen potentieel voor
een forse depositiereductie. De totale potentiële depositiereductie die volgt uit
de nieuwe analyse is hoger dan bij de vorige analyse. Dit valt te verklaren door het
feit dat na de peildatum die is gehanteerd bij de vorige analyse de Lbv-plus nog open
stond voor het indienen van subsidieaanvragen. Tevens heeft van 18 november tot en
met 20 december 2024 de Lbv kleinere sectoren nog opengestaan.
Met een potentiële reductie van deze omvang wordt een forse stap gezet in het reduceren
van stikstofuitstoot en -depositie. Zoals ik in oktober jl. ook reeds aangaf, is de
potentiële reductie echter onvoldoende om volledige stikstofopgave in te vullen. Daarom
werkt dit kabinet in de ministeriële commissie economie & natuurherstel aanvullend
beleid uit om tot voldoende doelbereik te komen en Nederland van het slot te halen.
Verwachte deelname aan de regelingen
Zoals aangegeven is het niet waarschijnlijk dat alle ondernemers die op de peildatum
een actieve subsidieaanvraag hadden ook daadwerkelijk hun veehouderij beëindigen.
Veehouders kunnen gedurende de looptijd van hun aanvraag nog terugkomen op hun besluit.
Hoe verder in het subsidieproces, hoe zekerder het is dat de ondernemer daadwerkelijk
zal stoppen. Voor het inschatten van de potentiële afname van de mestproductie bezie
ik wat een zo realistisch mogelijke inschatting is van het aantal ondernemers dat
overgaat tot definitieve beëindiging.
Het vertalen van die inschatting naar de potentiële stikstofreductie die met de Lbv-regelingen
kan worden gerealiseerd gaat echter gepaard met een extra onzekerheid. De reductie
in stikstofdepositie die wordt gerealiseerd met de beëindiging van een veehouderij
hangt namelijk in belangrijke mate af van de locatie en daarmee de afstand tot overbelaste
Natura 2000-gebieden. Voor het maken van een prognose is het daarmee niet alleen van
belang om een inschatting te maken hoeveel of welk percentage van de veehouders daadwerkelijk
gaat stoppen, maar ook om een inschatting te maken van de ligging van deze veehouderijen
ten opzichte van overbelaste Natura 2000-gebieden.
Impact uitspraken vergunningverlening intern salderen op deelname
Vanuit diverse bronnen zijn er berichten geweest dat deelnemers aan de regelingen
momenteel geen vergunning kunnen krijgen voor een door hen voorgenomen nieuwe activiteit.
Aanvankelijk was beoogd deze nieuwe activiteit met intern salderen mogelijk te maken.
Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 18 december jl. ten aanzien
van vergunningverlening intern salderen is duidelijk geworden dat er voor de nieuwe
activiteit vaak een vergunning nodig is, en is minder zeker geworden dat de nieuwe
activiteit met intern salderen kan worden gemotiveerd.
Ik voel mij, als eigenaar van de regeling én verantwoordelijke voor het stikstofbeleid,
verantwoordelijk voor het oplossen van dit probleem. Dat doen we samen met de provincies,
gemeenten en omgevingsdiensten, aangezien zij het bevoegd gezag zijn en dus het uiteindelijke
besluit nemen over de vergunningen en andere toestemmingen die de ondernemer nodig
heeft als hij een andere activiteit op de locatie wil starten.
Met provincies is daarom gewerkt aan een juridische redeneerlijn voor deze specifieke
groep ondernemers, die onderbouwt dat maximaal 15% resterende stikstofruimte mag worden
ingezet voor de nieuwe activiteit. Hierin wordt meegewogen dat deelname aan deze regeling
juist heel veel oplevert voor de natuur. Inmiddels hebben provincies ook bestuurlijk
aangegeven dat zij deze redeneerlijn in de praktijk zullen gaan toepassen. Op korte
termijn zullen deelnemers aan de Lbv-regelingen hierover nader worden bericht. We
hopen op deze manier een oplossing gevonden te hebben in het mogelijk maken van de
toekomstplannen van een grote groep deelnemers aan de Lbv-regelingen.
We onderzoeken daarnaast of het de deelnemers kan helpen om de termijnen te verlengen
voor de fase waarin dieren en mest moeten worden afgevoerd.
Wegnemen stempel piekbelaster
Deelname aan een van de regelingen onder de aanpak piekbelasting geschiedt op basis
van vrijwilligheid. Desalniettemin hoor ik van ondernemers dat zij ervaren een stempel
te hebben gekregen. Dat vind ik zeer onwenselijk. In de motie-Holman c.s. heeft uw
Kamer zich hier ook over uitgesproken. Ik vind het daarom van belang om duidelijk
te zijn naar ondernemers die voldoen aan de drempelwaarde van de aanpak wanneer dit
label wordt weggenomen. In het Commissiedebat stikstof, NPLG en natuur van 4 december
jl. (Kamerstuk 35 334, nr. 327) heb ik reeds aangegeven dat dit kabinet de term «piekbelaster» in beginsel niet
meer zal bezigen. Ik heb echter ook aangegeven dat het stempel niet nu in één keer
weg kan worden genomen. De regelingen onder de aanpak zijn nog in uitvoering en als
gevolg daarvan kan het voorkomen dat ik in voorkomende gevallen genoodzaakt ben te
verwijzen naar de groep die voldoet aan de drempelwaarde van de aanpak piekbelasting.
Met het voornemen om de term niet meer te bezigen, beschouw ik de genoemde motie-Holman
c.s. als afgedaan (Kamerstuk 30 252, nr. 133).
2. Inzichtelijk maken effect voorgenomen klimaatmaatregelen op stikstof
Op 6 maart jl. heeft PBL de tweejaarlijkse Emissieramingen Luchtverontreinigende Stoffen
gepubliceerd. Deze rapportage bevat ook de nieuwste ramingen voor de emissies van
ammoniak en stikstofoxiden tot aan 2035, waarbij PBL rekening heeft gehouden met het
klimaat- en energiebeleid, het stikstofbeleid, het luchtkwaliteitsbeleid en overig
beleid dat van invloed is op de emissies zoals het mestbeleid.
Met publicatie van deze ramingen kan voldaan worden aan het openstaande onderdeel
van de motie van het lid de Groot6, namelijk het verzoek aan de regering om inzichtelijk te maken hoeveel effect de
voorgenomen klimaatmaatregelen in de industrie en mobiliteit hebben om stikstof te
reduceren. In mijn Kamerbrief over de «aanpak Nederland van het slot, perspectief
voor sectoren en herstel van natuur» van 14 februari jl. (Kamerstuk 35 334, nr. 332) heb ik bovendien bij de inzet op spoor 2 beschreven dat de maatregelen gericht op
een geborgde daling van stikstofemissies gericht zullen zijn op alle sectoren en dat
het uitgangspunt hierbij is dat alle sectoren evenwichtig bijdragen. Ook dit geeft
invulling aan de motie Tjeerd de Groot.
3. NPLG
In de afgelopen jaren zijn meerdere moties ingediend rondom het Nationaal Programma
Landelijk Gebied (NPLG). Met het vervallen van het NPLG worden enkele van deze openstaande
moties afgedaan. Andere moties behouden betekenis en neem ik mee in de verdere ontwikkeling
van het kabinetsbeleid. Hieronder wordt uiteengezet welke moties worden afgedaan.
De motie Boswijk «verzoekt de regering om de positie van de boer in de gebiedsprocessen
dusdanig te borgen dat zij zowel praktisch als met gebruikmaking van de juiste ondersteuning
kunnen deelnemen aan de gebiedsprocessen en de Kamer hierover te informeren bij de
presentatie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied.» 7
Ik hecht er waarde aan dat boeren zoveel mogelijk zelf aan het roer staan bij de vormgeving
van hun toekomst. Via het Agrarisch Natuurbeheer zijn boeren zelf aan zet. In het
kader van de kabinetsaanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur zal het Rijk in een aantal
gebieden extra rijksinzet leveren. In deze gebieden zal ik mij ervoor inspannen dat
boeren kunnen deelnemen aan gebiedsprocessen of door middel van zaakbegeleiders individueel
worden geholpen.
Ik blijf zaakbegeleiding beschikbaar houden, zoals reeds aangegeven in mijn brief
van 29 november 2024 over de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur8. Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan. Voor de zomer zal ik uw Kamer informeren
over de uitwerking van de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur.
De motie Tjeerd de Groot «Verzoekt de regering zorg te dragen dat keuzes in het landbouwakkoord
voldoende concreet zijn gemaakt, zodat deze tijdig in het NPLG kunnen worden meegenomen,
en indien dit niet lukt het kabinet deze keuzes zelf tijdig heeft gemaakt zodat het
NPLG geen vertraging oploopt wanneer het landbouwakkoord niet tot passende keuzes
komt.»9
Vanwege het niet sluiten van het landbouwakkoord en het stoppen van het NPLG is deze
motie niet meer uitvoerbaar. Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan.
De motie Grinwis «Verzoekt de regering zich tijdens de onderhandelingen over het landbouwakkoord
in te zetten voor de stimulering van natuurinclusieve, biologische, circulaire landbouw
en agroforestry, waaronder voedselbossen, en dit tevens in te passen in het NPLG en
het een volwaardige ontwikkelrichting te laten zijn.»10
Vanwege het niet sluiten van het landbouwakkoord en het stoppen van het NPLG is deze
motie niet meer uitvoerbaar. Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan.
4. Kustprovincies
De motie Van Campen11 verzoekt de regering «om in lijn met het doel «maatwerk per gebied» in het NPLG samen
met (kust)provincies tot een actieplan te komen om in de behoefte van zoetwater te
kunnen voorzien en verzilting tegen te gaan en maatregelen in het NPLG op te nemen
die sturing op het gebied van de staat van instandhouding kunnen bieden».
Voor wat betreft de staat van instandhouding in de Natura 2000 gebieden aan de kust
is, in samenspraak met de provincies, een analyse gemaakt. Dit leidt tot de volgende
bevindingen: de natuurdoelanalyses geven weer dat in Noord-Holland, Zuid-Holland en
Zeeland de opgaven in de duingebieden het meest urgent zijn.
Depositie van stikstof is in deze gebieden een belangrijke drukfactor, naast andere
drukfactoren, zoals verdroging en de recreatiedruk. De stikstof die neerslaat in de
duinen in de kustprovincies is voor een belangrijk deel afkomstig van bronnen in het
buitenland. Gegeven de situatie in de natuurgebieden aan de kust is op dit moment
de toestemmingsverlening voor stikstof veroorzakende activiteiten niet of zeer beperkt
mogelijk.
Ook voor de duingebieden geldt dat bronmaatregelen op nationaal en internationaal
niveau van groot belang zijn voor het behoud van de natuur en toestemmingverlening.
Het kabinet werkt hiervoor aan onder meer een stikstofaanpak buitenland en stikstofreductie
vanuit zeescheepvaart. Realiteit is dat de effecten hiervan over een langere periode
(komende decennia) zichtbaar zullen zijn.
Daarom is het belangrijk dat ook nationale bronmaatregelen bijdragen aan vermindering
van de depositie van stikstof aan de kust. In aanvulling op de bronmaatregelen die
in het kader van klimaat, milieu en stikstof binnen alle sectoren worden getroffen,
zijn in dit verband, ook voor de kustprovincies, aanvullende bronmaatregelen van belang,
welke de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel in verkenning heeft.
Tegelijk zijn gebiedsgerichte maatregelen noodzakelijk. Via de middelen die het kabinet
beschikbaar heeft gesteld aan provincies in het kader van een deel van het programma
Natuur en de koplopermaatregelen landelijk gebied worden maatregelen in de kwetsbare
duingebieden genomen die bijdragen aan natuurherstel. Dit gebeurt in aanvulling op
gebiedsgerichte maatregelen van de waterschappen en het Rijk.
De kustprovincies hechten aan erkenning van de uitdagende situatie en opgave waar
zij met betrekking tot natuur, stikstof en vergunningverlening voor gesteld staan.
Het is belangrijk dat provincies en Rijk de inspanningen en maatregelen voor natuurbehoud
en -herstel voortzetten, waarbij deze over een langere periode effect zullen sorteren.
Als inzichtelijk is welke maatregelen zijn en zullen worden getroffen om behoud en
verbetering van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te borgen, komt er meer ruimte
voor toestemmingverlening. Gegeven de situatie aan de kust is hiervoor een brede benadering
met bijdragen van alle sectoren van belang.
Aanvullend op de natuur- en stikstofopgaven richt de motie Van Campen zich op verzilting,
zoetwaterbeschikbaarheid en de toekomst van de landbouw in de kustprovincies. Op basis
van bevindingen op deze thema’s is er een uitwerking naar mogelijke acties en maatregelen
gestart voor het deelgebied Zuidwestelijke Delta. Dit gebeurt onder regie van de provincie
Zeeland en met medewerking van het Rijk. Op basis van de ervaringen in dit gebied
zal worden bezien of verbreding naar andere gebieden aan de kust mogelijk is. Over
de voortgang van dit deel van de motie zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Overig
In het plenaire debat over de stikstofontwikkelingen (20 februari 2025) is door de
Kamer een aantal moties aangenomen op dit onderwerp. Ik beraad mij nog op de uitvoering
van deze moties en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren.
Tot slot informeer ik u, zoals verzocht door het lid Podt tijdens de Regeling van
Werkzaamheden van 26 maart jl., over het onderzoek naar de economische effecten van
de stikstofproblematiek. Zoals ik u eerder heb aangegeven tijdens het tweeminutendebat
van 19 december zal dit onderzoek in het tweede kwartaal van dit jaar naar uw Kamer
worden verzonden. Het onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd door CE Delft en SEO
Economisch Onderzoek. Er wordt in het onderzoek gekeken naar de transmissiekanalen
waardoor stikstofproblematiek leidt tot economische schade en naar de kwantificering
hiervan.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur