Brief regering : De toekomst van de sociale advocatuur
31 753 Rechtsbijstand
29 279
Rechtsstaat en Rechtsorde
Nr. 294
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 maart 2025
Eind vorig jaar heb ik aan uw Kamer de visie voor de versterking van de toegang tot
het recht gepresenteerd.1 Deze visie luidt: Iedereen in Nederland kan een passende en duurzame uitkomst vinden
voor een (juridisch) probleem. De sociale advocatuur levert een belangrijke bijdrage
aan het realiseren van deze visie. Sociaal advocaten vervullen een essentiële rol
in onze rechtsstaat en de toegang tot het recht. Het recht op rechtsbijstand is in
Nederland een grondrecht.2 Het is daarom ook van groot belang dat de toegang tot rechtsbijstand is gegarandeerd.
Sociaal advocaat Eva Bezem ziet «de sociaal advocatuur als een fundamenteel onderdeel van een democratische rechtsstaat.
Wetende dat veel advocaten met hun achtergrond en intellectuele capaciteit bij andere
bedrijven veel meer geld zouden kunnen verdienen, maar kiezen voor de sociale advocatuur
omdat ze dat graag willen: dat is super waardevol.»3 Ik onderschrijf deze visie en kan een keuze voor de sociale advocatuur dan ook alleen
maar toejuichen.
De afgelopen jaren is het aanbod aan sociaal advocaten gedaald. Enerzijds is dit een
gevolg van de vergrijzing, anderzijds van te weinig instroom van (jonge) sociaal advocaten.4 Daarnaast stroomt een aanzienlijk deel van de (jongere) sociaal advocaten al na een
beperkt aantal jaren uit het stelsel.5 Deze dalende trend is zorgwekkend en het tij moet gekeerd worden. De afgelopen jaren
zijn al verschillende maatregelen genomen om de sociale advocatuur te versterken.6 Zo is met de invoering van scenario 1 van de Commissie-Van der Meer I per 1 januari
2022 structureel geïnvesteerd in de sociale advocatuur en in december 2023 is een
eenmalige compensatie van in totaal 26 miljoen euro uitgekeerd aan rechtsbijstandverleners
werkzaam in het stelsel. Verder worden sinds 2021 de kosten van de beroepsopleiding
voor advocaat-stagiaires in de sociaal advocatuur vergoed. Daarnaast lopen er verschillende
initiatieven om de aandacht voor de sociale advocatuur in het onderwijs te vergroten.
Voortbordurend op de al in gang gezette maatregelen en initiatieven zie ik twee wegen
waarlangs de versterking van de sociaal advocatuur verder kan worden bevorderd: toekomstbestendigheid
en een redelijke vergoeding. In deze brief ga ik in op hoe ik deze twee routes ga
bewandelen. In het kader van de toekomstbestendigheidsroute zal ik ingaan op het visietraject
voor de toekomst van de sociaal advocatuur en zal ik een update geven over de verschillende
(al lopende) initiatieven. Ten aanzien van de redelijke vergoeding zal ik reageren
op het onlangs verschenen adviesrapport van de commissie-Van der Meer II waarin verschillende
aanbevelingen worden gedaan om de vergoedingen voor sociaal advocaten te verbeteren.7
In deze brief reageer ik ook op het verzoek van de Vaste Kamercommissie Justitie over
de pilot Samen Recht Vinden.
a. Toekomstbestendigheid: een duurzaam aanbod aan sociaal advocaten:
a. Visietraject toekomst van de sociale advocatuur
i. Toelichting visietraject
Met het plan van aanpak voor de sociale advocatuur uit april 2023 zijn verschillende
initiatieven en maatregelen in gang gezet voor met name de korte en middellange termijn.8 Alle betrokkenen zijn bezig om maatregelen te bedenken en uit te voeren om de dalende
trend van het aanbod sociale advocatuur te doorbreken. Tot op heden ontbreekt het
echter aan een visie op de toekomst van de sociale advocatuur. Het momentum is nu
om ook te kijken naar en werken aan maatregelen en initiatieven die noodzakelijk zijn
op de lange termijn. Waar willen we over 5–10 jaar staan? Samen met onder meer de
Nederlandse orde van advocaten (NOvA), de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) en de Vereniging
Sociale Advocatuur Nederland (VSAN) wordt daarom aan een vernieuwende en concrete
visie gewerkt. Naast dit kernteam worden bij het visietraject op verschillende momenten
ook andere belanghebbenden actief betrokken zoals rechtzoekenden, eerstelijns rechtshulpverleners
en rechtenstudenten.
Het visietraject bestaat uit vier fasen. Het traject bevindt zich momenteel in de
onderzoeksfase, waarin de context van het vraagstuk wordt verhelderd. Deze fase bestaat
onder meer uit observaties, het verzamelen van alle reeds ingezette maatregelen en
inbreng van bijvoorbeeld studenten en rechtzoekenden en een kijkje in de keuken bij
andere sectoren. Dit alles om inzichten op te doen rondom de huidige situatie van
de (sociale) advocatuur.
Vervolgens wordt gestart met de fase om naar de toekomst te kijken. De in de onderzoeksfase
verzamelde perspectieven zullen in deze fase gebruikt worden om verschillende, vernieuwende
en prikkelende toekomstscenario’s te vormen. Door meerdere scenario’s te verkennen
wordt een breed perspectief op de mogelijkheden voor de sociale advocatuur verkregen.
Hier zal ook de hierna genoemde diversiteit aan organisatievormen en kantoormodellen
bij betrokken worden.
Na deze twee fases waarin de volledige context duidelijk is geworden, de doelgroepen
zijn betrokken en gehoord en verschillende toekomstscenario’s zijn verkend, komen
we toe aan de derde fase: het ontwikkelen van de visie. Het kernteam zal een gezamenlijke
visie vormen die toekomstbestendig is en waar concrete stappen mee gezet kunnen worden.
Belanghebbenden krijgen de mogelijkheid om hierop feedback te geven. Op basis van
deze feedback zal de visie verder worden aangescherpt.
Het uiteindelijke doel, in de vierde en laatste fase van het visietraject, is om te
komen tot een visie die gedragen wordt door alle partijen, een toekomstbeeld waarin
iedereen zich herkent en waar men voor wil gaan staan. En waarop concreet maatregelen
kunnen worden genomen voor de lange termijn.
Begin februari heeft de eerste bijeenkomst van het kernteam plaatsgevonden. Tijdens
deze bijeenkomst is een stakeholdersanalyse gemaakt. Op basis daarvan wordt bepaald
welke partijen in het netwerk betrokken moeten worden als onderdeel van het visietraject.
Het streven is om het gehele visietraject aan het begin van de zomer 2025 af te ronden,
waarbij ook de doelen en maatregelen geformuleerd zijn om mee aan de slag te gaan.
Ik zal uw Kamer daarover vervolgens verder informeren.
ii. Discussiepunten ten behoeve van het visietraject
Zoals hierboven aangegeven is het visietraject met name bedoeld om over de lange(re)
termijn na te denken. Daarbij zal nagedacht worden over fundamentele vraagstukken
over hoe de sociale advocatuur er uit zou kunnen zien zodat deze toekomstbestendig
is. De hierna volgende denkrichtingen kunnen daarvoor als input dienen en deel ik
mede ten behoeve van het gesprek tijdens het commissiedebat gesubsidieerde rechtsbijstand
op 1 april a.s. met uw Kamer.
– Organisatievormen
Van belang is onder meer om na te denken over hoe het werken in samenwerkingsverband,
zoals kantoren, aantrekkelijk gemaakt en gehouden kan worden. Daarbij betrek ook de
vraag over de wenselijkheid van de waterscheiding tussen commerciële en sociale advocatuur
die in de loop der jaren in Nederland is ontstaan. Het ligt genuanceerd hoe sociaal
advocaten zich georganiseerd hebben en of er al dan niet ruimte is advocaat-stagiaires
aan te nemen, kantoormodernisering toe te passen en jonge advocaten in dienst te nemen.
Naar de toekomst toe zie ik aanknopingspunten in het eerdere WODC onderzoek naar alternatieve
bedrijfsstructuren9 en het vervolgonderzoek hierop naar de bestaande organisatievormen en in hoeverre
die doelgroepen bedienen, zoals vermeld in de twaalfde voortgangsrapportage stelselvernieuwing
gesubsidieerde rechtsbijstand.10 In de praktijk zie ik een aantal interessante organsiatievormen:
– de samenwerking tussen éénpitters, bijvoorbeeld de samenwerking «de Haagse Zuidas»;
– het opgaan van het Rotterdamse Advokatenkollektief en Op Zuid Advocaten in de stichting
Sociaal Advocaten Rotterdam;
– De overname van sociaal advocatenkantoor Bonnier advocaten door BrandMR.
Ik acht deze verschillende organisatievormen interessant, omdat zij gericht zijn op
de toekomst, ruimte en toekomstbestendigheid bieden aan jonge juristen en ook de hiervoor
genoemde waterscheiding zouden kunnen opheffen. Daarbij zie ik ook twee bewegingen
voor me: die van de toevoegingspraktijk die samenwerkt met de commerciële praktijk
en andersom, de commerciële praktijk die de samenwerking opzoekt met de toevoegingspraktijk.
Die laatste beweging kan ik ook niet los zien van de motie Ceder/Mutluer (CU/PVDA/GL).11 Deze motie roept de regering op om met wet- of regelgeving te bewerkstelligen dat
de gehele advocatuur gaat bijdragen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand,
door of door het leveren van die rechtsbijstand dan wel het betalen van een financiële
bijdrage. Waar mijn voorganger deze motie vooral via dialoog wilde bereiken, wil ik
toch gaan bezien of een wettelijke verplichting tot meer beweging in de maatschappelijke
bijdrage van de gehele advocatuur gaat leiden.
Een vraag die opkomt is of een sociaal advocaat een redelijk inkomen moet kunnen krijgen
met een volledige toevoegingspraktijk dan wel een grote mate van toevoegingen en een
klein deel betaalde zaken, vaak van rechtzoekenden die qua inkomen en/of vermogen
net boven de toevoegingsgrens zitten. Ook kan hierbij worden gekeken of meer samenwerking
gezocht kan worden met commerciële advocatenkantoren.12 Hierbij is wel van belang dat rekening wordt gehouden met specialisaties, verschillen
in rechtsgebieden en regio’s.
– Andere scenario’s
Daarnaast zijn ook andere scenario’s over de organisatie van de gesubsidieerde rechtsbijstand
denkbaar. Ik vind het interessant om in het kader van het visietraject voor de toekomst
van de sociale advocatuur ook de optie te verkennen van sociaal advocaten in loondienst,
bijvoorbeeld bij een (onafhankelijke) stichting. Ook kunnen scenario’s worden verkend
die vergelijkbaar zijn met het Finse rechtsbijstandsstelsel. Finland kent een gemixt
rechtsbijstandsstelsel dat bestaat uit zowel publieke als private rechtsbijstandverleners.
De rechtsbijstand wordt in principe verleend door rechtsbijstandverleners in dienst
van de Finse overheid. In bepaalde zaken die voor de rechter komen, kan voor het verlenen
van rechtsbijstand ook een particuliere rechtsbijstandverlener worden aangesteld,
als die daarmee instemt. Een rechtsbijstandverlener moet zich tijdens het uitoefenen
van zijn taak houden aan de reguliere gedragsregels voor advocaten.
Ook denkbaar zijn scenario’s met aspecten uit het Belgische rechtsbijstandssysteem.
België kent bijvoorbeeld een begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (pro
Deo rechtsbijstand). De opbrengsten van het fonds worden onder andere gebruikt voor
de vergoedingen van advocaten belast met de juridische tweedelijnsbijstand. In bepaalde
burgerlijke en strafzaken moet een bijdrage van 26 euro worden betaald aan het fonds.
Zonder betaling van deze bijdrage wordt de rechtszaak niet gestart. Mijn ambtsvoorganger
heeft eerder geschreven een fonds ten behoeve van de sociale advocatuur te onderzoeken.13 De gedachte daarachter was dat de commerciële advocatuur aan een dergelijk fonds
zou bijdragen. Het Belgische systeem heeft mijn interesse gewekt en ik ga tijdens
het visietraject in gesprek over de mogelijkheden van een fonds ten behoeve van de
gesubsidieerde rechtsbijstand.
Een ander interessant aspect van het Belgische systeem is dat advocaten in België
door de Belgische Orde van Advocaten verplicht mogen worden pro Deo op te treden.
Juridische tweedelijnsbijstand of pro Deo is de bijstand die wordt verleend aan rechtzoekenden
met een laag inkomen en minderjarigen. Gelet op de bijzondere rol die advocaten hebben
in een democratische rechtsstaat en de daaraan verbonden privileges, zoals het procesmonopolie,
mag van advocaten worden verwacht dat zij bijdragen aan het goed functioneren van
het rechtssysteem en derhalve aan het vertrouwen van de rechtzoekende in een behoorlijke
rechtsbedeling. De ambtshalve inschrijving van advocaten op de pro Deo lijst is gerechtvaardigd
door de noodzaak voor juridische bijstand aan on- en minvermogenden. De Belgische
overheid is gehouden om de juridische rechtsbijstand te waarborgen voor diegenen die
anders hun fundamentele recht op toegang tot de rechter niet zouden kunnen uitoefenen.14 Een ieder die voor het beroep van advocaat kiest wordt geacht de verplichtingen die
de wet aan de beroepsgroep oplegt, te kennen en te aanvaarden, met inbegrip van de
mogelijke verplichting om pro Deo rechtsbijstand te verlenen.
Elke lokale Orde in België heeft een Bureau voor Juridische Bijstand (BJB) dat instaat
voor de organisatie van de juridische tweedelijnsbijstand. De rechtzoekende kan zich
rechtstreeks tot het BJB wenden en het BJB zal, indien betrokkene in aanmerking komt,
een advocaat aanstellen. De rechtzoekende kan ook direct aan een advocaat zelf vragen
om pro Deo op te treden. Advocaat-stagiaires zijn overigens verplicht om deel te nemen
aan de tweedelijnsbijstand.
In Nederland is in artikel 13 van de Advocatenwet bepaald dat de rechtzoekende die
niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt om diegene bij te staan in een zaak,
waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend
door een advocaat kan geschieden, zich kan wenden tot de deken van de orde van advocaten
in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te
wijzen. De deken kan het verzoek alleen wegens gegronde redenen afwijzen. De aangewezen
advocaat is verplicht zijn of haar diensten te verlenen.
De deken spant zich ervoor in om een advocaat aan te wijzen die met de betreffende
specialisatie staat ingeschreven bij de Raad voor Rechtsbijstand ingeval de rechtzoekende
in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Is dit niet gelukt en heeft
de deken een advocaat aangewezen die niet staat ingeschreven bij de RvR, dan schrijft
de RvR deze advocaat voor deze ene zaak in.15 In de praktijk gebeurt dit laatste echter zelden, mede gelet op de waterscheiding
tussen de sociale en commerciële advocatuur. Ik denk dat het goed is om met elkaar
na te denken of in de praktijk niet meer aansluiting gezocht zou kunnen worden bij
het Belgische model zoals hiervoor omschreven. De commissie-Van de Meer II geeft in
haar rapport ook in overweging in hoeverre het aanwijzingsinstrument breder en vaker
zou kunnen worden ingezet.16 In het bijzonder wanneer er zich in een specifieke regio of op een specifiek rechtsgebied
tekorten voordoen. Ik zal over het aanwijzingsinstrument het gesprek aangaan met de
NOvA en de lokale orden.
Voorts zie ik mogelijkheden in een momenteel bij de RvR in ontwikkeling zijnde proces
voor de koppeling van rechtsbijstandverleners aan rechtzoekenden. De RvR en het Juridisch
Loket werken per 1 juli 2024 intensiever samen aan een beter systeem om rechtzoekenden
in contact te brengen met een advocaat als hun probleem zich daarvoor leent, het zogenaamde
«matchen». Hierover informeerde ik uw Kamer al in de Twaalfde Voortgangsrapportage
Stelselvernieuwing Rechtsbijstand.17 Hiermee kan de kerntaak van de RvR om zorg te dragen voor de organisatie van alsmede
de verlening van rechtsbijstand beter vorm worden gegeven.18 Het proces van matching vanuit de RvR zou wat mij betreft ook een belangrijke rol
kunnen spelen wanneer er zich in een specifieke regio of op een specifiek rechtsgebied
tekorten voordoen. Temeer nu de RvR zorg dient te dragen voor een zo evenwichtig mogelijke
spreiding van het aanbod van de verlening van rechtsbijstand in de ressorten.19
– Conclusie
Ik acht het gerechtvaardigd dat alle advocaten zich inzetten voor een goede rechtsbedeling
en dus ook voor alle rechtzoekenden. De overheid moet op grond van artikel 18 van
de Grondwet de toegang tot het recht borgen. Ik zie daarvoor wel een getrapte dan
wel een gedeeltelijke verantwoordelijkheid met de NOvA. De NOvA heeft immers als publiekrechtelijk
beroepsorgaan vergaande publiekrechtelijke bevoegdheden waar het advocaten aangaat
en kan niet zonder meer uitsluitend naar de rijksoverheid wijzen om maatregelen te
treffen. Ik kijk er naar uit om met uw Kamer over het voorgaande in gesprek te gaan.
b. Overige (lopende) initiatieven
Zoals hierboven vermeld lopen er op dit moment verschillende initiatieven en maatregelen
om de sociale advocatuur te versterken. Hieronder worden enkele uitgelicht.
i. Sociaal advocatenkantoor van de toekomst
De NOvA is samen met de RvR het project «Sociaal Advocatenkantoor van de Toekomst»
gestart. Dit project heeft als doel het schetsen van kantoormodellen die bijdragen
aan een robuust en toekomstbestendig aanbod van sociaal advocaten. Idealiter hebben
toekomstige sociaal advocatenkantoren ruimte om te innoveren en te digitaliseren,
mensen op te leiden en blijvend te werken aan kwalitatief goede rechtsbijstand.
Met het project worden sociaal advocaten gestimuleerd om op iedere mogelijke manier
samen te werken. Daarvoor is het belangrijk om inzicht te krijgen in de regionale
behoeften, de beschikbare mogelijkheden en de benodigde randvoorwaarden. Samenwerking
is belangrijk voor het delen van kennis, maar ook om een gezonde mix van advocaten
binnen kantoren te creëren. Het is een manier om te komen tot een gezond bedrijf met
een goede bedrijfsvoering en een meerjarenplan.
Er is ruimte voor variatie in samenwerkingsvormen. Denk aan samenwerkingsverbanden
waarbij de advocaten in loondienst werken, of samenwerkingsverbanden met advocaat-ondernemers
die kostendeling toepassen. Ook het hybride werken, dus op afstand, wordt steeds gebruikelijker.
De NOvA zal in samenwerking met de RvR de verschillende modellen de komende tijd in
kaart brengen. Dit zal uiteindelijk resulteren in een rapport met aanbevelingen en
concrete handelingsperspectieven voor sociaal advocaten.
Ik moedig het project van de NOvA en RvR aan en ben benieuwd naar de resultaten. Het
project sluit bovendien goed aan bij het visietraject waar de NOvA en RvR ook bij
betrokken zijn.
ii. Samenwerking rechtenonderwijs
Er is steeds meer aandacht voor de sociale advocatuur in het (rechten)onderwijs. Het
is belangrijk om meer studenten bekend te maken met het beroep van sociaal advocaat.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en partners vragen hiervoor voortdurend
aandacht op universiteiten en hogescholen met een rechtenopleiding. Er zijn inmiddels
mooie initiatieven ontwikkeld. Daarover informeerde ik uw Kamer al in de Twaalfde
Voortgangsrapportage Stelselvernieuwing Rechtsbijstand.20 Er wordt een presentatie ontwikkeld die advocaat-gastdocenten kunnen gebruiken bij
het geven van gastcolleges aan universiteiten en hogescholen. Verder wordt geïnvesteerd
in de bekendheid van de sociale advocatuur onder rechtenstudenten door middel van
een informatiecampagne.
Aandacht verdient ook het curriculum voor het rechtenonderwijs in Nederland. De (dreigende)
tekorten in de sociale advocatuur zien vooral op bepaalde specialisaties, die ook
breder, buiten de sociale advocatuur, meer aandacht behoeven. Ik denk vooral aan het
jeugdrecht en het familierecht, en verder aan het sociale zekerheidsrecht en het vreemdelingenrecht.
Het zou voor de toekomst van de sociale advocatuur heilzaam zijn als dergelijke vakken
breder aandacht krijgen in het algemene curriculum van de rechtenopleidingen in Nederland.
Hierover ben ik voornemens het gesprek aan te gaan met de raad van decanen rechtsgeleerdheid.
iii. Onderzoeken Kenniscentrum
Het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand heeft onderzocht welke drijfveren
en motieven sociaal advocaten hebben voor het werken op basis van een toevoeging.21 Dit onderzoek bevestigt dat deze bestaan uit een samenspel van ideële overtuigingen
en praktische overwegingen, en sluit daarmee aan bij eerdere onderzoeken naar de arbeidsmarkt
voor sociaal advocaten.
Het Kenniscentrum onderzoekt in opdracht van de RvR ook wat de drijfveren en motieven
zijn van sociaal advocaten die zich net hebben ingeschreven, en van sociaal advocaten
die zich uitschrijven. In de komende periode wordt een eerste rapport daarover verwacht.
De resultaten van deze onderzoeken van het Kenniscentrum zullen betrokken worden bij
het visietraject voor de toekomst van de sociale advocatuur.
iv. Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten
Om de instroom van advocaat-stagiaires in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand
te stimuleren, is in 2021 de subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten in
het leven geroepen. Het opleiden van een advocaat-stagiair is voor veel sociaal advocaten
financieel moeilijk op te brengen. De subsidieregeling is per 1 mei 2024 voor de vierde
keer verlengd. Per subsidieregeling is steeds ruim twee miljoen euro beschikbaar gesteld
waardoor de kosten van de beroepsopleiding voor circa 175 advocaat-stagiaires kunnen
worden bekostigd. Hierdoor wordt het voor sociaal advocaten aantrekkelijker om advocaat-stagiaires
aan te nemen. De subsidieregeling is door het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde
Rechtsbijstand geëvalueerd. In december 2024 is de eerste evaluatie gepubliceerd.22
De evaluatie ziet op de groep die tussen 2021 en 2023 gebruik heeft gemaakt van de
regeling. Voor het vaststellen van de impact van de regeling op de toestroom van nieuwe
aanwas in de sociale advocatuur komt het moment van onderzoek te vroeg. Daadwerkelijke
effecten op het aanbod van sociaal advocaten zijn pas op langere termijn goed vast
te stellen. Op basis van deze evaluatie kan voorlopig geconcludeerd worden dat de
subsidie een positieve bijdrage lijkt te leveren aan de aanwas van sociaal advocaten.
71 procent van de ondervraagde advocaat-stagiairs geeft aan de verwachting te hebben
om in de komende vijf jaar deel te blijven nemen aan het stelsel van gesubsidieerde
rechtsbijstand. Het onderzoek bevestigt daarnaast dat meer nodig is om voor voldoende
aanwas te zorgen. Voor een duurzame carrière in de sociale advocatuur is volgens de
patronen en advocaat-stagiairs ook verhoging van de vergoedingen en verlaging van
de werkdruk nodig.
De uitkomsten van de evaluatie betrek ik bij de besluitvorming over mogelijk meer
structurele voortzetting van de subsidieregeling. In dat kader vind ik het ook van
belang de samenhang van deze maatregel te bezien met andere (mogelijke) maatregelen
die de aanwas van nieuwe sociaal advocaten kunnen stimuleren. Voor de korte termijn
bezie ik op dit moment of de subsidieregeling nogmaals met een jaar verlengd kan worden.
v. Voorstel maatregelen VSAN
Op 27 februari jl. heeft de VSAN een aantal maatregelen voorgesteld voor de sociale
advocatuur voor de korte en lange termijn.23 Dit zijn: een begeleidingsvergoeding voor patroons van 15.000 euro per advocaat-stagiaire
per jaar, een garantstelling van 45.000 euro per stagiaire-ondernemers en een terugkeer
van de voorschotregeling voor advocaat-stagiaires. Met deze maatregelen kunnen volgens
de VSAN direct 200 nieuwe sociaal advocaten het veld betreden, verspreid over de over
verschillende regio’s in Nederland.
De maatregelen die de VSAN voorstelt vind ik interessant. Zo past een eventuele begeleidingsvergoeding
bij de al lopende maatregel van de subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten.
Verder heeft de RvR al eerder bij mij het knelpunt gesignaleerd van startende sociaal
advocaten die nog geen toevoegingen uitbetaald hebben gekregen. Daarover ben ik al
in gesprek met de RvR en de NOvA. Met betrekking tot de garantstelling ga ik het gesprek
aan met de NOvA. Ook zie ik daar mogelijkheden voor het betrekken van de commerciële
advocatuur. Ik acht het echter van groot belang om de door de VSAN voorgestelde maatregelen
in samenhang te bezien met andere opties om de sociale advocatuur te versterken. Deze
voorstellen betrek ik daarom ook bij het hiervoor genoemde visietraject waar de VSAN,
RvR en NOvA actief bij betrokken zijn.
b. Redelijke vergoeding: Beleidsreactie rapport Commissie-Van der Meer II
a. Korte weergave aanleiding rapport
Het uitgangspunt van het forfaitaire stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand is
dat een rechtsbijstandverlener (zoals sociaal advocaten en mediators) gemiddeld genomen
voor één uur werk één forfaitair punt krijgt vergoed. De afgelopen jaren klinkt vanuit
de beroepsgroep en de politiek herhaaldelijk de roep om de vergoedingen in het stelsel
te herijken. Gelet op het tijdsverloop is het aannemelijk dat er sinds de vorige herijking24 (gebaseerd op tijdbestedingsgegevens uit de periode 2014–2016) veranderingen in de
tijdsbesteding zijn opgetreden. Om die reden heeft mijn ambtsvoorganger eind 2023
besloten een herijkingscommissie in te stellen.25
Per 1 januari 2024 is hiervoor dan ook de commissie-Van der Meer II (hierna: de commissie)
ingesteld.26 De commissie had de opdracht om op onafhankelijke wijze te adviseren over de actualisatie
van het aantal toe te kennen punten per zaaksoort voor alle rechtsgebieden in het
stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. De bestaande systematiek van forfaitaire
vergoedingen is daarbij een randvoorwaarde. Het tweede deel van de opdracht aan de
commissie zag op het in beeld brengen of met een bruto omzet van een volledige gesubsidieerde
praktijk een netto jaarinkomen op het niveau van salarisschaal 12, trede 10 CAO Rijk
kan worden behaald en indien nodig een voorstel hoe dit inkomensniveau alsnog kan
worden bereikt. Op 3 maart jl. heeft de commissie haar adviesrapport gepresenteerd.27 Naast de aanbevelingen ten aanzien van de opdracht, heeft de commissie ook andere
aanbevelingen gedaan over het rechtsbijstandsstelsel. Ik ben de commissie erkentelijk
voor haar werkzaamheden.
b. Aanbevelingen commissie-Van der Meer II
De commissie doet in totaal 38 aanbevelingen. Deze aanbevelingen zijn op te splitsen
in twee delen: de hoofdaanbevelingen en de overige aanbevelingen. Een nadere toelichting
en eerste appreciatie van de aanbevelingen volgt hieronder. De aanbevelingen worden
gecategoriseerd besproken.
Financiële aanbevelingen
Aanpassen puntenaantallen
De commissie doet verschillende aanbevelingen om de vergoedingen voor gesubsidieerde
rechtsbijstand beter te laten aansluiten bij de werkelijk tijdsbesteding. Een van
de hoofdaanbevelingen is om de puntenaantallen voor verschillende zaken aan te passen.
Deze aanbeveling is gebaseerd op het tijdschrijfonderzoek van Cebeon.28 Over het algemeen wordt aanbevolen de puntenaantallen met één of twee punten te verhogen.
Er zijn enkele uitschieters waar de commissie adviseert de puntenaantallen met drie
of meer punten te verhogen en/of twee verschillende zaakcodes samen te voegen, bijvoorbeeld
voor zaakcodes in het arbeidsrecht, huurrecht en het personen- en familierecht. Voor
een aantal zaakcodes wordt aanbevolen het puntenaantal te verlagen.
Verhoging toeslagen
Ook stelt de commissie een algemene verhoging van de toeslagen voor met 35%. In, met
name, maar niet uitsluitend, strafzaken kunnen naast de forfaitaire vergoeding extra
toeslagen worden gedeclareerd voor gebeurtenissen die in de procedure hebben plaatsgevonden
en waaruit extra werkzaamheden zijn voortgevloeid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de
behandeling van het bevel tot gevangenhouding of bijstand aan de verdachte bij het
horen van getuigen. Uit het onderzoek van Cebeon blijkt dat zaken met één of meer
toeslagen en kortingen in de periode 2022–2023 gemiddeld ruim de helft meer tijd kosten
dan feitelijk aan punten is toegekend. Volgens Cebeon heeft de stijging twee mogelijke
oorzaken. Extra handelingen, zoals een extra zitting, zorgen voor extra tijdsbesteding.
Daarnaast is het mogelijk dat zaken waarin een toeslag wordt toegekend complexer zijn
dan «standaard zaken». Een grotere complexiteit zorgt, los van de extra handelingen,
eveneens voor een hogere tijdsbesteding ten opzichte van standaard zaken.
Aanpassing opvolgingstoeslag
Voorts beveelt de commissie aan de opvolgingstoeslag, nu bestaande uit twee punten,
te veranderen naar een percentage van 25% van het aantal punten dat voor de betreffende
zaak staat. Advocaten die een zaak van een andere advocaat overnemen ontvangen een
dergelijke opvolgingstoeslag. De huidige toeslag in combinatie met het moeten verdelen
van de totale vergoeding met de advocaat die wordt opgevolgd, wordt op dit moment
als te beperkt ervaren door advocaten. Met een percentage van het aantal punten per
zaak, staat de vergoeding meer in verhouding tot de verrichte werkzaamheden.
Aanpassing staffel samenhangende zaken
De commissie adviseert ook om de staffel voor samenhangende zaken bij meerdere rechtzoekenden
aan te passen. Voor de tweede zaak moet de advocaat 50% van het aantal punten dat
voor de zaak staat erbij krijgen en voor de derde en volgende samenhangende zaken
(t/m 20 zaken) telkens een extra vergoeding van 25% per rechtzoekende. Vanaf 21 t/m
100 rechtzoekenden zou er 15% bij moeten per rechtzoekende en vanaf 101 en verder
zou er 10% bij moeten per rechtzoekende. Volgens de commissie is dit evenredig aan
de aanvullende bestede tijd aan zowel de extra administratieve lasten als de voorkomende
feitelijke verschillen tussen de diverse cliënten.
Verhoging basispunttarief
Verder beveelt de commissie aan het basispunttarief met € 1,46 exclusief btw te verhogen.
Deze aanbeveling is gebaseerd op het onderzoek naar het verdienvermogen van sociaal
advocaten door het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand.29 Met deze aanbeveling zouden sociaal advocaten die vanuit huis/niet in kantoorverband
werken, op basis van 1.200 gedeclareerde punten een inkomen kunnen verkrijgen op het
niveau van schaal 12, trede 10, van de CAO Rijk.
Reiskostenvergoeding mediation
Onderdeel van de opdracht van de commissie was om in beeld te brengen in welke gevallen
mediators verplicht moeten reizen naar een rechtbank voor mediationgesprekken en hoe
vaak dit per jaar gemiddeld voorkomt. Op basis van haar onderzoek beveelt de commissie
aan om voor mediators een algemeen geldende regeling voor reistijd- en reiskostenvergoeding
te creëren, die aansluit op de regeling voor advocaten. Als in de mediationverwijzing
van de Rechtspraak een verplichte locatie is opgenomen, is een vergoeding voor reistijd
en reiskosten volgens de commissie gerechtvaardigd.
Aanpassingen voor specifieke zaken
Tot slot doet de commissie aanbevelingen over de vergoedingen in bepaalde specifieke
zaken. Zo beveelt de commissie aan dat als door beide (proces-)partijen een vaststellingsovereenkomst
ondertekend wordt ter beëindiging van het geschil, de vergoeding voor de verleende
rechtsbijstand gelijkgesteld moet worden aan de procedurevergoeding. Dit geldt alleen
in het geval de vaststellingsovereenkomst wordt getekend tijdens een aanhangige gerechtelijke
procedure na ontvangst van de gerechtelijke oproeping, maar vóór de mondelinge behandeling.
Verder beveelt de commissie aan advocaten van slachtoffers en van verdachten gelijk
te behandelen bij het toekennen van de vergoeding voor pro forma-zittingen. Slachtofferadvocaten
krijgen per extra bijgewoonde zitting in een zaak een vergoeding van 2,5 punt. Deze
zittingstoeslag geldt voor zowel inhoudelijke als pro forma-zittingen. Voor advocaten
van verdachten is een vergoeding voor het bijwonen van een zitting waarin de zaak
niet «inhoudelijk» wordt behandeld uitgesloten.
Kantoortoeslag
Volgens de commissie zou een sociaal advocatenkantoor dat aan – nader te ontwikkelen
– voorwaarden voldoet een toeslag van € 14,82 exclusief btw voor elk in een kalenderjaar
vergoed toevoegingspunt moeten krijgen.
Eerder heb ik in antwoord op Kamervragen van het Kamerlid Van Nispen aangegeven dat
ik samen met de NOvA wil toewerken naar een duurzaam kantoormodel voor sociaal advocaten
dat bedrijfsmatig efficiënt is, aantrekkelijk is om in te werken voor jonge advocaten
en waar de kwaliteit is geborgd.30 Zij nemen daartoe samen met de RvR al initiatieven. De aanbevelingen van de commissie
over het invoeren van een kantoortoeslag en een (financiële) regeling voor het starten
van een advocatenkantoor zie ik ook in dit verband.
Het eventueel invoeren van een dergelijke kantoortoeslag wil ik eerst nader onderzoeken.
Ik betrek dit bij het eerder genoemde visietraject en de gedachten die ik heb over
de verschillende kantoormodellen en de vraag of met andere maatregelen hetzelfde of
ene beter resultaat kan worden bereikt. Daarnaast zal ook gekeken moeten worden naar
met name de voorwaarden waaronder een eventuele kantoortoeslag verkregen kan worden
en de uitvoerbaarheid ervan. Ook zal de samenhang met andere maatregelen voor de aanpak
van het dreigend tekort aan sociaal advocaten moeten worden bezien.
Conclusie financiële aanbevelingen
Op dit moment kan ik nog geen toezeggingen doen over het wel of niet doorvoeren van
de aanbevelingen van de commissie. Het geheel van de maatregelen beschouwend, zie
ik een onderscheid tussen maatregelen die het meest prangend zijn en redelijk eenvoudig
doorgevoerd zouden kunnen worden en aanbevelingen die ingewikkelder zijn en een nadere
beleidsafweging en uitwerking behoeven. In dat licht wil ik een prioritering aanbrengen
in eventuele doorvoering van de aanbevelingen mocht daar dekking voor gevonden worden.
Deze prioritering hangt derhalve af van de vraag of er binnen de begroting ruimte
gevonden kan worden en hoe groot deze zal zijn, ik kan daar op dit moment nog geen
antwoord op geven. Indien er middelen beschikbaar zijn wil ik allereerst de aanbevelingen
over het aanpassen van puntenaantallen en het verhogen van de toeslagen (inclusief
de opvolgingstoeslag) doorvoeren en als tweede het verhogen van het basispunttarief.
Ten derde wil ik de aanbeveling over de reiskostenvergoeding voor mediators oppakken.
Gelet op de voorgaande prioritering ga ik op korte termijn onderzoeken wat de mogelijkheden
zijn ten aanzien van het aanpassen van de puntenaantallen en de verhoging van de toeslagen.
Dat betekent niet dat ik de overige aanbevelingen ongemoeid zal laten. Daar waar een
nadere beleidsafweging en uitwerking nodig is, ga ik daarmee aan de slag. Specifiek
de kantoortoeslag betrek ik bij het visietraject voor de toekomst van de sociale advocatuur.
Aan deze te zetten stappen zijn kosten verbonden en zoals hierboven opgemerkt kan
ik op dit moment nog geen antwoord geven op de dekkingsvraag. De nadere uitwerking
vergt afstemming en dat kost tijd. Ik ben voornemens u vóór het zomerreces nader te
informeren over de voortgang.
Tot slot nog het volgende. Ik heb goed kennisgenomen van de aanbevelingen omtrent
het verdienvermogen van de sociale advocatuur en betrek dit ook nadrukkelijk bij de
prioriteiten die ik wil stellen. Voor de lange termijn staat het uitgangspunt van
een inkomen op het niveau op schaal 12, trede 10, CAO Rijk wat mij betreft, gelet
op de ontwikkelingen rondom het aanbod van sociaal advocaten, niet meer op zichzelf.
Het is nodig om breder te kijken naar verschillende kantoormodellen voor de (sociale)
advocatuur. Daarbij vind ik het van belang om met name te bezien hoe de sociale advocatuur
weer toekomstbestendig kan worden gemaakt. Daarvoor is mijns inziens meer nodig dan
alleen een investering, zoals ik ook uitgebreid heb toegelicht onder het deel toekomstbestendigheid
eerder in deze brief.
Het verdienvermogen staat voor mij niet ter discussie maar ik acht het opportuun dat
er een maatschappelijk debat wordt gevoerd over het in Nederland historisch gegroeide
uitgangspunt dat een advocaat een volledig op basis van de Wet op de rechtsbijstand
gefinancierde praktijk moet (blijven) kunnen voeren. De waterscheiding tussen de commerciële
rechtspraktijk en de sociale advocatuur in Nederland heeft ongelukkige neveneffecten.
Uitgangspunten stelsel
De commissie beveelt aan een tweetal uitgangspunten onderdeel te maken van het rechtsbijstandsstelsel
ten behoeve van een toekomstbestendig stelsel. Dit zijn:
– Jaarlijkse indexering van het punttarief overeenkomstig de binnen de rijksoverheid
gebruikelijke systematiek, die aansluit bij de wijze waarop jaarlijks bij Voorjaarnota
aan de departementen de loon- en prijsbijstelling wordt toegekend;
– Periodieke herijking/evaluatie, bijvoorbeeld eens in de 3–4 jaar, van de puntenaantallen
en het punttarief. Als sprake is van budgettaire effecten van de evaluatie dan worden
die ingebracht op de daartoe geëigende momenten in de rijksbrede begrotingscyclus
(bij Voorjaarsnota).
Het punttarief wordt al jaarlijks geïndexeerd. Momenteel werk ik aan de ontwikkeling
van een systeem voor periodieke evaluatie, waarbij de financiële aspecten worden afgestemd
op de vastgestelde ijkmomenten. Het is hierin wel van groot belang dat er een robuuster
tijdschrijfsysteem geïmplementeerd wordt, waarbij het systeem zo betrouwbaar wordt
gemaakt dat het de controle van een accountant kan doorstaan. Ik heb uw Kamer daar
in de twaalfde voortgangsrapportage rechtsbijstand over geïnformeerd.31
Monitoring
Uit het onderzoek van Cebeon blijkt dat er voor het grootste deel van de toevoegingen
een helder en betrouwbaar beeld gegeven kan worden. Desalniettemin heeft de commissie
op sommige onderdelen toch nader onderzoek aanbevolen, omdat er bijvoorbeeld niet
voldoende data aanwezig zijn over kleinere rechtsgebieden of onderdelen zoals piket
waarvoor helemaal geen uren worden bijgehouden. Structureel en systematisch verzamelde
gegevens over tijdsbestedingen, werkzaamheden en geleverde kwaliteit helpen om het
beeld feitelijk en meer representatief te houden.
Ik onderschrijf dat het voorhanden hebben van dergelijke gegevens essentieel is met
het oog op monitoring ten behoeve van een duurzaam stelsel en op de mogelijkheden
voor nader onderzoek. Deze gegevens zijn ook belangrijk voor signalen waaruit kan
blijken dat het stelsel niet goed werkt of het signaleren van maatschappelijke veranderingen
die de vraag om rechtsbijstand kunnen doen toenemen. Mede om deze redenen is het Kenniscentrum
Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand ingesteld met als maatschappelijke opgave via
onafhankelijk onderzoek bij te dragen aan het goed functioneren van het stelsel van
gesubsidieerde rechtsbijstand door het beleid en uitvoering te voeden met data, feiten
en kennis, en eventuele (dreigende) knelpunten te signaleren en agenderen.32 Over de aanbevelingen met betrekking tot monitoring zal ik verder in gesprek gaan
met het Kenniscentrum.
De commissie beveelt aan om de RvR opdracht te geven om het aanbod sociale advocatuur
per regio en rechtsgebied te monitoren en de RvR de middelen te geven om indien nodig
maatregelen te treffen die erop gericht zijn om bij tekorten per regio of rechtsgebied
effectief bij te dragen aan de opheffing van het gesignaleerde tekort. Het Kenniscentrum
houdt al gegevens bij over de ontwikkeling in het aantal sociaal advocaten in de afgelopen
vijf jaar. De gegevens over sociaal advocaten zijn uitgesplitst naar leeftijd, locatie
en de verschillende rechtsgebieden. Ik onderschrijf de aanbeveling van de commissie
om hiermee door te gaan. Het Kenniscentrum zal bovendien op korte termijn nader onderzoek
doen naar de ontwikkeling van het aanbod van sociaal advocaten. Voorafgaand aan het
treffen van specifieke maatregelen, wanneer zich bijvoorbeeld binnen een bepaald rechtsgebied
een tekort voordoet, zal steeds per maatregel een beleidsafweging moeten worden gemaakt
inclusief de daarbij behorende kosten.
Ten aanzien van de aanbeveling van de commissie om bij nieuwe wetgeving enige tijd
na invoering hiervan te evalueren wat de impact op de tijdsbesteding van rechtsbijstandverleners
is en waar nodig bij te stellen, merk ik het volgende op. In reactie op het rapport
«Ongekend Onrecht» is de invoeringstoets ingevoerd.33 De invoeringstoets is een beknopte bestudering van de werking van nieuwe regelgeving
in de praktijk, met bijzondere aandacht voor de gevolgen voor de doelgroep en de uitvoering.
Deze toets wordt uitgevoerd op het vroegst mogelijke moment waarop iets nuttigs gezegd
kan worden over de werking van regelgeving in de praktijk, en onderscheidt zich daarmee
van de uitgebreidere en diepgaandere wetsevaluaties. Voor een volledig beeld van de
beleidseffecten heeft regelgeving immers tijd nodig om in te klinken en een zichtbaar
beleidseffect teweeg te brengen. Het doel van de invoeringstoets is niet om te kunnen
vaststellen of de nieuwe regelgeving een succes is, hiervoor is de wetsevaluatie bedoeld.
Een vermoeden van het tegenovergestelde zou echter wel aan het licht kunnen komen.
Bij het uitvoeren van de invoeringstoets is, indien aan de orde, ook aandacht voor
de impact op de tijdsbesteding van rechtsbijstandsverleners. Afhankelijk van de resultaten
van de invoeringstoets kan dit mogelijk leiden tot een wijziging in de tijdsbesteding
van rechtsbijstandsverleners.
Ook met betrekking tot het nieuwe Wetboek van strafvordering is het van belang om
de effecten daarvan op de rechtsbijstand in kaart te brengen. Daarom is er in 2021
een impactanalyse opgesteld. Hierbij is gekeken naar de te verwachte extra tijdsbesteding
van de advocatuur naar aanleiding van de nieuwe regelingen. Deze voorlopige bevindingen
zullen de komende tijd in samenwerking met de NOvA en de RvR worden geactualiseerd.
Daarbij is het onderzoeksbureau ingeschakeld dat het rapport van 2021 heeft opgesteld.
Mijn inzet is om dit onderzoek in het derde kwartaal van 2025 gereed te hebben. In
dit kader zullen vóór de zomer expertmeetings plaatsvinden met de genoemde organisaties,
advocatuur en experts uit de wetenschap. De inzichten over de uitvoeringsconsequenties
voor de gefinancierde rechtsbijstand worden – tezamen met de effecten voor alle (andere)
organisaties in de strafrechtketen – toegelicht in de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel voor de Invoeringswet voor het nieuwe wetboek.
Mediation
De commissie doet meerdere aanbevelingen rondom mediation die niet zien op de opdracht,
namelijk de aanbeveling over het uniformeren van de bestaande mediationregelingen
en het wettelijk reguleren van kwaliteitsborging. Ik onderschrijf het belang van publiekrechtelijke
kwaliteitsborging van mediation, zeker als het gaat om mediation binnen het stelsel
van gesubsidieerde rechtsbijstand die wordt betaald uit publieke middelen. Met het
oog daarop werk ik, in afstemming met het werkveld, aan de ontwikkeling van een centraal
mediatorsregister. Hierover is uw Kamer eerder geïnformeerd.34 Om dit proces zorgvuldig en voortvarend te doorlopen, heb ik een kwartiermaker en
drie (andere) deskundigen aangesteld om voor de zomer tot aanbevelingen te komen,
onder meer waar het gaat om de wijze waarop het register binnen een publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan kan worden vormgegeven.35 Aan de hand van de aanbevelingen zal ik uw Kamer na de zomer berichten over de voorgenomen
vervolgstappen.
Kwaliteit
Ik volg de commissie waar zij schrijft dat rechtsbijstand door een bekwame rechtsbijstandverlener
essentieel is voor een effectieve toegang tot het recht. Dit geldt in het bijzonder
voor zaken waarbij sprake is van rechtzoekenden in kwetsbare situaties en waarbij
(veelal) geen sprake is van voldoende inzicht van de rechtzoekende in de kwaliteit
van de dienstverlening.
De aanbevelingen die de commissie doet over kwaliteit zijn gericht aan de RvR en aan
de NOvA. Ik moedig hen dan ook aan om met elkaar in gesprek te gaan en te onderzoeken
welke aanbevelingen zij over kunnen nemen en op welke wijze dat kan.
Stelstelvernieuwing rechtsbijstand
Het programma stelselvernieuwing rechtsbijstand werkt aan een stelsel van gesubsidieerde
rechtsbijstand waarin de rechtzoekende met een (juridisch) probleem vroegtijdig, laagdrempelig
en adequaat geholpen wordt met de oplossing van zijn of haar probleem en waarin de
rechtsbijstandverleners die binnen het stelsel werkzaam zijn zo goed mogelijk zijn
toegerust op hun taken. Hiermee vormt de stelselvernieuwing rechtsbijstand een belangrijk
onderdeel van het brede traject voor de versterking van de toegang tot het recht.
De aanbevelingen van de commissie over onder meer het innen van de eigen bijdrage
en een beroep door de eerste op de tweede lijn maken reeds deel uit van de stelselvernieuwing.
Eén van de ideeën van de stelselvernieuwing is om de inning van de eigen bijdrage
niet meer bij de advocaat of mediator te beleggen, maar bij de RvR. Dit vergt een
aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand. In de pilot Feyenoord/Hillesluis, die
gedurende de pilotfase van de stelselvernieuwing liep, zijn goede ervaringen opgedaan
met een beroep van de eerste lijn op de tweede lijn. Sinds begin september 2024 is
de tijdelijke subsidieregeling «werkzaamheden ten behoeve van rechtsbijstand project
Rotterdam» van kracht.36 Advocaten die zich hiervoor bij de RvR hebben aangemeld, kunnen een vergoeding krijgen
voor het verlenen van consulatie aan eerstelijns professionals. De komende tijd ga
ik onderzoeken of het mogelijk is om een dergelijke consultatie van de eerste op de
tweede lijn landelijk uit te rollen.
Het programma stelselvernieuwing rechtsbijstand loopt tot en met eind 2025. In de
twaalfde voortgangsrapportage rechtsbijstand gaf ik al aan ernaar te streven uw Kamer
rond de zomer te informeren over de contouren van het wetsvoorstel ter wijziging van
de Wet op de rechtsbijstand, waarvan het voorgaande naar verwachting onderdeel zal
uitmaken.
c. Reactie op brief Samen Recht Vinden
Naar aanleiding van de voortgangsrapportage versterking toegang tot het recht37 heeft de Vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid van uw Kamer een brief
ontvangen van Samen Recht Vinden te Middelburg d.d. 18 december 2024, waarin Samen
Recht Vinden pleit voor (aanvullende) financiering vanuit het nader budget dat ter
beschikking is gesteld voor de versterking van de toegang tot het recht. Bovengenoemde
commissie heeft deze brief naar mij doorgeleid met het verzoek om een reactie.38 Deze treft u hieronder aan.
Samen Recht Vinden is een initiatief dat zich richt op de inwoners van Zeeland die
(juridische) problemen hebben. De dienstverlening van Samen Recht Vinden kenmerkt
zich als een vernieuwende aanpak voor vroegtijdige geschiloplossing, waarbij procedures
en juridische geschillen daar waar mogelijk worden voorkomen. Samen Recht Vinden zoekt
samen met alle betrokkenen naar een aanvaardbare oplossing waar iedereen mee verder
kan. Hieraan zijn voor rechtzoekenden geen kosten verbonden.
Samen Recht Vinden is gestart als één van de 34 pilots die in de periode 2020–2022
zijn uitgevoerd onder de vlag en met incidentele financiering van het programma Stelselvernieuwing
Rechtsbijstand ter ontwikkeling van nieuwe werkwijzen voor onder andere het versterken
van de eerstelijns rechtshulp. Na afloop van de pilotfase was het aan de pilots zelf
om, waar de uitkomsten daartoe aanleiding gaven, te zorgen voor implementatie en borging
van de pilot binnen de eigen regio of gemeente. Samen Recht Vinden had hiervoor extra
tijd nodig en heeft daarom, naast het oorspronkelijk ontvangen incidenteel budget,
voor de periode 2023–2024 een aanvullende incidentele bijdrage ontvangen.
De vraag van Samen Recht Vinden om nadere financiering beoordeel ik tegen de achtergrond
van mijn ambitie om de laagdrempelige rechtshulp te verbeteren en mijn inzet om, gezien
de motie Van Nispen/Palmen,39 te komen tot een dekkend netwerk voor sociaaljuridische dienstverlening. Ik vind
het niet wenselijk, dat de dienstverlening van Samen Recht Vinden verdwijnt alvorens
het eerstelijns aanbod in kaart is gebracht als opmaat naar een regionaal samenwerkingsnetwerk.
Daarom ben ik momenteel in afwachting van een subsidieaanvraag van Samen Recht Vinden
naar aanleiding waarvan ik welwillend zal bezien of ik in 2025 nog éénmaal een overbruggingsbijdrage
toe zal kennen, zodat de bemiddeling voor burgers overeind blijft en tijd gewonnen
wordt om te zoeken naar een structurele inbedding en financiering van de aanpak.
Hoe de toegang tot het recht in de regio Zeeland, maar ook in andere regio’s waar
dit nog onvoldoende het geval is, kan worden geborgd, zal bij de uitvoering van de
motie Van Nispen/Palmen nader worden bezien. Ter uitvoering van deze motie heb ik
uw Kamer op 13 december 2024 bericht dat ik zal laten verkennen hoe een dergelijk
netwerk van sociaaljuridische dienstverlening het best vormgegeven kan worden.40 Mijn streven is om daarvoor voor de zomer van 2025 een kwartiermaker benoemd te hebben.
De werving van de kwartiermaker start op korte termijn. De kwartiermaker zal beginnen
in die regio’s waar sprake is van een beperkt aanbod aan eerstelijns sociaaljuridische
dienstverlening; hiertoe behoort ook de regio Zeeland.
In dit kader noem ik graag de recente ontwikkelingen in Noord- en Midden Limburg.
Bij de laatste voortgangsrapportage schreef ik uw Kamer dat daar op regionaal niveau
wordt verkend hoe de toegang tot sociaaljuridische dienstverlening als netwerk kan
worden verbeterd. Op 6 maart jl. heb ik met de betrokken gemeenten en verschillende
lokale, regionale en landelijke organisaties een pact gesloten. Hierin is de ambitie
neergelegd om in de regio tot een sluitende en integrale eerstelijns sociale en juridische
dienstverlening te komen. De komende tijd zal deze ambitie op dienstverleningsniveau
worden geconcretiseerd. Ik beschouw deze regio als een koploper in het land. De geleerde
lessen en inzichten kan de kwartiermaker meenemen bij de landelijke opgave.
d. Slot
In deze brief heb ik uw Kamer onder andere meegenomen langs de twee routes die ik
ten aanzien van de toekomst van de sociale advocatuur ga bewandelen: toekomstbestendigheid
en een redelijke vergoeding. Er zijn veel positieve ontwikkelingen op het gebied van
de versterking van de sociale advocatuur, maar ook uitdagingen. Met het visietraject
en de nadere uitwerking van de aanbevelingen uit het advies van de commissie-Van der
Meer II ga ik de komende tijd aan de slag. Dat doe ik niet alleen, maar samen met
de betrokken partijen uit het rechtsbijstandsveld. Daarbij houd ik steeds mijn missie
voor ogen dat iedereen in Nederland een passende en duurzame uitkomst kan vinden voor
een (juridisch) probleem. Uiteindelijk gaat het immers om de rechtzoekende en diens
toegang tot het recht.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
T.H.D. Struycken
Indieners
-
Indiener
T.H.D. Struycken, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid