Brief regering : Gevolgen van de gewijzigde motie van het lid Inge van Dijk c.s. over in overleg met de Kamer een alternatieve invulling voor de afschaffing van verlaagde btw-tarieven presenteren (Kamerstuk 36602-140)
36 602 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2025)
Nr. 150
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 december 2024
Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan is de motie Van Dijk c.s.
ingediend. De motie is op 14 november door de Tweede Kamer aangenomen en verzoekt
de regering om voor de Voorjaarsnota in overleg met de Kamer een alternatieve invulling
voor de afschaffing van verlaagde btw-tarieven te presenteren.1 De motie verzoekt de regering daarbij gebruik te maken van het «handboek Omzetbelasting»,
willekeurige aanpassingen daarbij te voorkomen en te streven naar vereenvoudiging.
In deze brief behandelen wij de gevolgen van de motie Van Dijk c.s. voor het overgangsrecht
bij de wettelijk vastgelegde btw-verhoging op media, cultuur en sport (hierna: cultuur)
dat in het Belastingplan is opgenomen. Het overgangsrecht heeft als doel om de volledige
ingeboekte budgettaire opbrengst in 2026 te realiseren. Het regelt dat vanaf 1 januari
2025 vooruitbetalingen en tickets voor culturele activiteiten die vanaf 2026 of later
plaatsvinden, worden belast met het algemene btw-tarief (21%). Te denken valt bijvoorbeeld
aan een muziekfestival dat in 2026 plaatsvindt, maar waarvan de tickets al in 2025
worden verkocht.
Het kabinet acht het niet in lijn met de motie Van Dijk om dit overgangsrecht onverkort
toe te passen. Als we niets zouden doen, dan zou bijvoorbeeld in 2025 voor voorverkoop
van tickets het algemene btw-tarief (21%) worden geheven, terwijl – er van uitgaande
dat er overeenstemming wordt gevonden over alternatieve invulling – in 2026 bij verkoop
van tickets het verlaagde tarief van toepassing is. Deze situatie is moeilijk uit
te leggen, kan zorgen voor veel onduidelijkheid bij ondernemers en consumenten en
kan ook leiden tot onnodige administratieve lasten. Daarnaast leidt deze situatie
tot een groot beslag op de capaciteit bij de Belastingdienst. De Belastingdienst verwacht
namelijk een toename van vooroverlegverzoeken, een toename van de druk op de BelastingTelefoon,
een toename van bezwaar, beroep en suppleties en een risico op onjuiste aangiftes.
Het kabinet wil daarom het overgangsrecht bij de btw-verhoging op cultuur voor een
afgebakende periode opschorten door middel van een beleidsbesluit. Hiermee is het
overgangsrecht niet meer van toepassing op cultuur in de periode 1 januari 2025 tot
1 juli 2025. Het wettelijke overgangsrecht blijft onderdeel van het Belastingplan
2025, maar in een beleidsbesluit van de Staatssecretaris wordt – vooruitlopend op
wetgeving (bijvoorbeeld het Belastingplan 2026) – goedgekeurd dat het verlaagde btw-tarief,
in tegenstelling tot wat er in de wet staat, mag worden toegepast op vooruitbetalingen
en de verkoop van tickets voor culturele prestaties die plaatsvinden in 2026. Met
een termijn van een half jaar wordt geborgd dat het kabinet voldoende tijd heeft om
in overleg met de Tweede Kamer tot een alternatief dekkingsvoorstel te komen.
Het opschorten van het overgangsrecht gaat gepaard met een incidentele budgettaire
derving van € 135 miljoen. Het kabinet acht het van belang dat er geen gat in de begroting
ontstaat. Daarom wordt deze derving – conform de begrotingsregels – gedekt via het
verhogen van het tarief van de eerste en tweede schijf in de inkomstenbelasting voor
één jaar met 0,03%-punt in het jaar 2026.
Met deze brief wil het kabinet transparant zijn over hoe het om wil gaan met het overgangsrecht.
Het beleidsbesluit zal op korte termijn in de Staatscourant worden gepubliceerd. Na
publicatie in de Staatscourant zullen ondernemers via de reguliere kanalen van de
Belastingdienst, zoals de website, worden geïnformeerd.
De Staatssecretaris van Financiën,
T. van Oostenbruggen
Indieners
-
Indiener
T. van Oostenbruggen, staatssecretaris van Financiën