Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 707 Wijziging van wetten op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Reparatiewet OCW 20##)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
I. Algemeen
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel beoogt diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap te wijzigen. Het gaat om wijzigingen die technisch van aard
zijn. Concreet gaat het om de correctie van verschrijvingen, verwijzingen en andere
wetstechnische omissies, wetstechnische verbeteringen en herformuleringen, wetgeving
in lijn brengen met de evidente bedoeling van een eerdere wetswijziging en het schrappen
van «dode letters». Het wetsvoorstel heeft als doel de technische kwaliteit van de
wetgeving te verbeteren.
In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op
de verschillende wijzigingsvoorstellen.
2. Gevolgen
De voorgestelde wijzigingen zijn wetstechnisch van aard en hebben daarom geen gevolgen
voor de verschillende doelgroepen.
2.1. Gevolgen voor het doenvermogen
Met deze wetswijzigingen worden geen nieuwe handelingen van burgers gevraagd. De wijzigingsvoorstellen
hebben dan ook geen impact op het doenvermogen van burgers.
2.2. Financiële gevolgen
Het wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen.
2.3. Gevolgen voor de regeldruk
Het onderhavige wetsvoorstel heeft geen kwantificeerbare gevolgen voor de regeldruk,
aangezien de wijzigingen wetstechnisch van aard zijn. Wel kunnen verschillende wijzigingen
bijdragen aan een vermindering van de ervaren regeldruk. Zo kunnen het helderder formuleren
van voorschriften, maar vooral ook het intrekken van oude bepalingen daaraan een bijdrage
leveren.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor
een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
2.4. Gevolgen voor Caribisch Nederland
De impact van dit wetsvoorstel voor Caribisch Nederland beperkt zich tot enkele wetstechnische
wijzigingen van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020), die ook van toepassing
is op Caribisch Nederland, en enkele wetstechnische wijzigingen van de Wet primair
onderwijs BES (hierna: WPO BES). Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de openbare
lichamen in de BES.
3. Consultatie en toetsing
3.1 Uitvoeringstoets
Het wetsvoorstel is voorgelegd aan DUO met het verzoek een uitvoeringstoets te doen.
DUO heeft geconstateerd dat het wetsvoorstel niet leidt tot extra uitvoeringsgevolgen.
In het kader van het geïntegreerde toezicht is de uitvoeringstoets ook uitgezet bij
de Inspectie van het Onderwijs en de ADR. De ADR heeft geen reactie gegeven. De inspectie
had enkele opmerkingen en aanvullingen bij het wetsvoorstel. Naar aanleiding hiervan
is een aanvullende wijzigingsopdracht opgenomen die ziet op een technische wijziging
van artikel 10.3a van de WHW. Het gaat om artikel VI, onderdeel G.
3.2 Internetconsultatie
Een ontwerp van deze wet is van 25 maart tot en met 22 april 2024 ter consultatie
aangeboden via de website voor openbare internetconsultatie. Er zijn vier reacties
ontvangen. Geen van de reacties heeft tot een wijziging van het voorstel geleid.
In één van de reacties is voorgesteld om de grondslag voor de bekostiging van lichamelijke
oefening voor SO/VSO-scholen in de Wet op de expertisecentra te repareren. Deze grondslag
is echter reeds gerepareerd met artikel XI, onderdeel E, van de Reparatiewet OCW 2024.1
In twee reacties is voorgesteld om de wetgeving rondom ouderbetrokkenheid bij de mbo-student
te verbeteren. Tot slot is voorgesteld om de Mediawet BES te wijzigen. Deze reacties
hebben betrekking op beleidsinhoudelijke wijzigingen die niet passen bij het karakter
van de reparatiewet.
4. Inwerkingtredingsdatum
Het oogmerk is het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk na vaststelling in werking te
laten treden. Uitgangspunt bij de inwerkingtreding is het rijksbeleid inzake de vaste
verandermomenten.
II. Artikelsgewijs
ARTIKEL I. LES- EN CURSUSGELDWET
A, B, C, D, F
(Wijziging van de artikelen 1, 2, 3, eerste en tweede lid, 4, eerste, tweede en derde
lid, 5a, 6, tweede en zesde lid, 8 en artikel 9, eerste en tweede lid, Les- en cursusgeldwet
(hierna: LCW))
Met deze voorgestelde wijzigingen worden de in artikel 1 opgenomen begrippen in alfabetische
volgorde geplaatst. Op deze manier is het in de toekomst mogelijk om begrippen toe
te voegen zonder dat daardoor verlettering van de opsommingstekens nodig is. Daarnaast
worden er vier begripsbepalingen technisch/redactioneel aangepast.
In onderdeel 4° van het begrip «cursus» zijn enkele verwijzingen aangepast. De verwijzingen
naar artikel 7.2.2, eerste lid, en artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) zijn vervangen. Deze artikelen verwijzen
naar een beroepsopleiding en een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs,
die beiden in de begripsbepalingen van de WEB staan. Daarnaast is de verwijzing naar
onderdeel e aangepast, omdat dit onderdeel door het op alfabetische volgorde plaatsen
van de begripsbepalingen niet meer bestaat. In onderdeel e werd het begrip «dagschool»
bepaald, dat met voorgestelde wijziging wordt vervangen door het begrip «instelling».
In de voorgestelde wijziging van de begripsbepaling «cursus» wordt daarom de verwijzing
naar onderdeel e vervangen door het begrip instelling. De strekking van onderdeel 4°
is dat een cursus een beroepsopleiding of een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
is, die aan een instelling als bedoeld in de WEB wordt gevolgd, maar geen opleiding
die wordt genoemd in het begrip instelling van de LCW. Dit onderscheid is belangrijk,
omdat een onderwijsdeelnemer die een opleiding aan een instelling als bedoeld in de
LCW volgt lesgeld verschuldigd is, terwijl een onderwijsdeelnemer die een cursus volgt
cursusgeld verschuldigd is.
Het begrip «dagschool» is vervangen door het begrip «instelling». Het begrip dagschool
is een verouderde term. Het begrip «instelling» is gekozen om aan te sluiten op de
WEB. Daarnaast is in deze begripsbepaling de verwijzing naar artikel 7.2.7, derde
lid, WEB aangepast, omdat het begrip beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg
ook in de begripsbepalingen van de WEB staat.
Het begrip «leerling» is vervangen door het begrip «onderwijsdeelnemer». Het begrip
leerling geeft geen compleet beeld van alle onderwijsdeelnemers die onder de LCW vallen.
Zo vallen naast leerlingen ook mbo-studenten, vavo-studenten, deelnemers en extranei
onder de LCW. Daarom wordt het begrip aangepast naar onderwijsdeelnemer.
Het begrip «cursusjaar» is vervangen door het begrip «studiejaar». Het begrip studiejaar
sluit aan op de WEB. Het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 zal overeenkomstig
worden aangepast. In de WVO 2020 wordt het begrip «schooljaar» gebruikt. Dit betreft
dezelfde periode.
Tot slot is het begrip «school» uit de begripsbepalingen gehaald. Met het begrip school
wordt momenteel een dagschool, als bedoeld in de LCW, bedoeld. Het begrip dagschool
is vervangen door het begrip instelling, dat reeds in de begripsbepaling is gedefinieerd.
Dit begrip is daarmee overbodig.
E
(Wijziging van artikel 7 LCW)
Bij het vervallen van het tweede lid van artikel 7 door de Wet van 11 april 2001,
houdende aanpassing van een aantal wetten op het beleidsterrein van onderwijs, cultuur
en wetenschappen aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht en enkele
andere aanpassingen aan de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassing onderwijswetgeving
aan derde tranche Awb) (Stb. 2001, 207) is abusievelijk de aanduiding van het eerste lid niet komen te vervallen. Met de
wijziging wordt deze redactionele fout hersteld.
G
(Wijziging van artikel 9b LCW)
De schrijfwijze van «voor zover» wordt aangepast, zodat het artikel op dit punt in
overeenstemming is met het model van de hardheidsclausule in de Aanwijzingen voor
de regelgeving.2
Daarnaast wordt ter verduidelijking toegevoegd dat de hardheidsclausule ook ziet op
de op de LCW berustende bepalingen. Hiermee wordt aangesloten bij de formulering van
de hardheidsclausules in bijvoorbeeld artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000,
artikel 8.3 van de Wet studiefinanciering BES en artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten.
ARTIKEL II. MEDIAWET 2008
A
(Wijziging van artikel 2.88 van de Mediawet 2008)
Artikel 2.88 heeft op dit moment twee keer een vijfde lid. Het lid dat is toegevoegd
door artikel I, onderdeel Oa, van de Wet van 9 december 2020 tot wijziging van de
Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke
omroep (Stb. 2020, 517) wordt nu vernummerd tot zesde lid. De foutieve dubbele nummering wordt daarmee hersteld.
B
(Wijziging van artikel 4.2 van de Mediawet 2008)
Artikel 4.2 bevat een foutieve verwijzing naar het tweede lid van artikel 4.1. Artikel 4.1
is gewijzigd met de wijzigingswet waarmee de Richtlijn audiovisuele mediadiensten
is geïmplementeerd.3 In die wet is nagelaten de verwijzing in artikel 4.2 aan te passen van het tweede
naar het eerste lid van artikel 4.1. De foutieve verwijzing wordt nu hersteld.
ARTIKEL III. REPARATIEWET OCW 2024
Onderdeel 1
Met artikel XXIII, onderdeel B, onder 2, van de Reparatiewet OCW 2024 is beoogd de
geldende urennorm voor lichamelijke opvoeding op te nemen in artikel 2.34, tweede
lid, WVO 2020. In verband met een onvolledige berekening is het daarin opgenomen totaal
aantal uren lichamelijke opvoeding in het voortgezet onderwijs echter significant
meer dan momenteel wordt gehanteerd. De aangenomen bepaling is daarom niet in werking
getreden en vervalt bij dezen. Met de wijziging van artikel 2.33, tweede lid, WVO
2020 in artikel XII, onderdeel A, van het onderhavige wetsvoorstel wordt alsnog voorzien
in het vastleggen van het verplicht aantal uren lichamelijke opvoeding dat scholen
dienen te geven.
Onderdeel 2
De in artikel XXIII, onderdeel K, van de Reparatiewet OCW 2024 opgenomen herformulering
van artikel 4.25, tweede en derde lid, WVO 2020 had onvoorziene uitvoeringsconsequenties
voor nieuwe scholen die met meerdere leerjaren tegelijkertijd starten. Omdat de herformulering
slechts ter verduidelijking was bedoeld, is ervoor gekozen deze niet in werking te
laten treden. Een nadere herformulering van artikel 4.25 WVO 2020 wordt betrokken
in een ander wetsvoorstel.
ARTIKEL IV. WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS
A, E
(Wijziging van de artikelen 1.1.1, 2.5.5a, eerste lid, 7.1.5, 7.5.4, vijfde lid, 8.0.3,
eerste lid, 8.1.1, eerste lid, aanhef, en lid 1c, 8.1.1a, eerste en derde lid, 8.1.7c,
tweede lid, en 8.1.7d, tweede lid, WEB)
In de WEB worden voor degenen die met het gezag over de minderjarige student of vavo-student
zijn belast verschillende termen gebruikt. De WEB spreekt in sommige gevallen over
ouders en in andere gevallen over ouders, voogden of verzorgers. In het kader van
consistentie wordt voorgesteld om voortaan steeds dezelfde term te gebruiken en deze
te definiëren in een begripsbepaling. Er is voor de term ouders gekozen, overeenkomstig
de WVO 2020.
B
(Wijziging van het opschrift van hoofdstuk 1, titel 3, WEB)
Hoofdstuk I, Titel 3, heeft slechts betrekking op regionale opleidingscentra en beroepscolleges.
Regionale opleidingscentra kunnen zowel beroepsonderwijs als voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
verzorgen. Beroepscolleges verzorgen alleen beroepsonderwijs. Het verzorgen van overige
educatie behoort niet tot de wettelijke taak van bekostigde instellingen en daarom
ontvangen bekostigde instellingen daar ook geen bekostiging voor. Voorgestelde wijziging
verduidelijkt dit.
C
(Wijziging van artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef, WEB)
Voorgestelde wijziging is ter verduidelijking. De tweede volzin van het eerste lid
is namelijk wel van toepassing ten aanzien van de instellingen genoemd in het tweede
lid.
D
(Wijziging van artikel 2.2.4, eerste lid, WEB)
In artikel 2.2.4, eerste lid, is een algemene verplichting opgenomen om inzichtelijk
te maken hoe de rijksbijdrage is berekend. Daarnaast is in het eerste lid opgenomen
dat het bedrag voor studenten met een handicap of chronische ziekte en het bedrag
voor de entreeopleiding afzonderlijk worden vermeld. Dit laatste is overbodig, gelet
op de algemene verplichting om de berekening van de rijksbijdrage inzichtelijk te
maken en het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in afdeling 3.7 van de Awb. Bovendien
suggereert dit ten onrechte een uitputtende opsomming.
Voorgesteld wordt daarom om dit deel van het eerste lid te laten vervallen. DUO behoudt
hiermee, gelet op het voorgaande, de mogelijkheid om de desbetreffende bedragen afzonderlijk
in de beschikking te vermelden.
F
(Wijziging van artikel 8.1.7d, derde en vierde lid, WEB)
Met deze wijziging wordt het begrip ouders, voogden of verzorgers vervangen door ouders
(zie toelichting bij de onderdelen A en E). Verder wordt er een redactionele fout
hersteld.
G
(Wijziging van de artikelen 8.4.3, derde lid, en 8.5.3, derde lid, WEB)
Per abuis ontbreekt in deze artikelen een werkwoord. Met de voorgestelde wijziging
wordt dit hersteld.
H
(Wijziging van artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel f, WEB)
In 2007 heeft de MBO Raad een verenigingsafspraak gemaakt om stagefondsen af te schaffen.
In de praktijk komen stagefondsen ook niet meer voor. Een instemmingsbevoegdheid van
de studentenraad ten aanzien van de besteding van stagefondsen is dus niet meer aan
de orde en kan daarom worden geschrapt.
ARTIKEL V. WET OP DE EXPERTISECENTRA
Abusievelijk is de aanduiding «artikel» voorafgaand aan het artikelnummer weggevallen.
Met deze wijziging wordt dit gerepareerd.
ARTIKEL VI. WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
A
(Wijziging van artikel 7.5d, onderdeel c, van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW)
In artikel 7.5d, onderdeel c, ontbreekt een komma, waardoor «bijzondere» lijkt te
slaan op «de studielast». Het gaat om bijzondere gevallen, die door het instellingsbestuur dienen te worden vastgesteld en toegelicht. Door
toevoeging van de komma, klopt de zin weer.
B
(Wijziging van artikel 7.10a, eerste lid, van de WHW)
In het eerste lid van dit artikel is expliciet opgenomen dat de graad Bachelor «aan
diegene wordt verleend die in het wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg het afsluitend
examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd». Per abuis is dit niet gesteld in
het geval van «degene die het afsluitend examen van een masteropleiding of een postinitiële
opleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel a, heeft afgelegd». Deze omissie
wordt met de voorgestelde wijziging hersteld.
C
(Wijziging van artikel 7.13, tweede lid, onderdeel y, WHW)
In artikel 7.13, tweede lid, onderdeel y, wordt thans verwezen naar «de regeling,
bedoeld in artikel 7.9a, derde lid, tweede volzin». Dit artikellid is met de invoering
van de Variawet hoger onderwijs (Stb. 2021, 263) in zijn geheel komen te vervallen, als gevolg van het feit dat met deze wet de eerste
volzin van het toenmalige artikel 7.9a, derde lid, is opgenomen in het huidige artikel 7.5b,
tweede lid, en de tweede volzin in het huidige artikel 7.5d, onderdeel c. Abusievelijk
is de verwijzing in artikel 7.13, tweede lid, onderdeel y, naar artikel 7.9a, derde
lid, tweede volzin, niet gewijzigd in artikel 7.5d, onderdeel c.
D
(Wijziging van artikel 7.51k, eerste lid, WHW)
Met dit voorstel wordt een verbetering van de leesbaarheid van artikel 7.51k, eerste
lid, voorgesteld.
E
(Wijziging van artikel 7.53, zevende lid, onderdeel b, WHW)
De term «gegadigde» is verouderd. Nu uit de overige bepalingen van het betreffende
artikel volgt dat met «gegadigde» wordt gedoeld op de aspirant-student, wordt met
de voorgestelde wijziging het betreffende onderdeel geherformuleerd en is de term
«gegadigde» daarom in dit onderdeel vervangen door de term «aspirant-student».
F
(Wijziging van artikel 9.9a, zesde lid, WHW)
Met deze wijziging wordt een redactionele fout hersteld.
G
(Wijziging van artikel 10.3a WHW)
Met deze wijziging wordt de verwijzing naar de oude term «bestuursreglement» gecorrigeerd.
H
(Wijziging van artikel 10.20, eerste lid, onderdeel d, WHW)
Met de Wet versterking besturing (Stb. 2010, 119) is artikel 10.8a WHW komen te vervallen.4 Daarnaast is met deze wet het bestuursreglement als bedoeld in artikel 10.3b WHW
gewijzigd naar het bestuurs- en beheersreglement. Abusievelijk zijn de verwijzing
naar artikel 10.8a WHW en de term bestuursreglement niet aangepast. Dat wordt met
dit voorstel hersteld.
I
(Wijziging van artikel 15.7 van de WHW)
Onderdeel 1
Uit de memorie van toelichting bij de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs
volgt dat het sanctiestelsel ziet op organisaties die «ten onrechte de naam universiteit
of hogeschool voeren of ten onrechte graden verlenen, dan wel in het vooruitzicht
stellen».5 In de wettekst is dit laatste echter niet expliciet tot uitdrukking gekomen. Met
deze wijziging wordt beoogd de wetgeving in lijn te brengen met de evidente bedoeling
van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs (Stb. 2017, 97). Het is van belang om hier te noemen dat per 1 augustus 2023 met de Wet uitbreiding
bestuurlijk instrumentarium onderwijs (Stb. 2023, 212) in artikel 11.2 WEB reeds is opgenomen dat het in het vooruitzicht stellen van een
diploma, certificaat of mbo-verklaring verboden is.
Onderdeel 2
Zie toelichting onder onderdeel 1. Deze redenatie geldt eveneens voor het in het vooruitzicht
stellen van titels.
J
(Wijziging van de bijlage behorende bij de WHW)
Onderdeel 1
De naamvoering van de hogeschool van Fontys is op 3 maart 2023 in de Registratie instellingen
en opleidingen (RIO) gewijzigd, van Fontys Hogescholen naar Fontys Hogeschool. Met
voorgestelde wijziging wordt de naam van Fontys in de bijlage in overeenstemming gebracht
met de RIO.
Onderdeel 2
De naam van het stichtende kerkgenootschap «de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)»
is wegens hereniging met de Nederlands Gereformeerde kerken tot de Nederlandse Gereformeerde
Kerken per 28 januari 2023 statutair gewijzigd.
ARTIKEL VII. WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS
A, B
(Wijziging van artikel 8, tiende lid, en artikel 74, tweede lid, onderdeel b, onder 4°,
van de Wet op het primair onderwijs (hierna:
WPO))
Door de wijzigingswet actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (Stb. 2020, 235) is artikel 8 WPO zodanig gewijzigd dat het leerling- en onderwijsvolgsysteem niet
langer in het zesde en zevende lid worden geregeld, maar alleen in het zevende lid.6 In de Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband
met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet
onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden
aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135) is dat zevende lid komen te vervallen en vervangen door artikel 45b WPO. Uiteindelijk
zijn beide wetten in werking getreden op 1 augustus 2023.7 Per saldo is abusievelijk verzuimd de verwijzingen in de WPO naar artikel 8 aan te
passen. Daarin wordt nu met dit voorstel voorzien. De verwijzing in artikel 74, tweede
lid, onderdeel b, onder 3°, is reeds aangepast met de Wet van 23 oktober 2024 tot
wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring
omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs (Stb. 2024, 310).
C
(Wijziging van artikel 116, derde lid, WPO)
Artikel 116, derde lid, WPO regelt over de bekostiging voor basisscholen en scholen
voor speciaal basisonderwijs dat het bedrag per school in ieder geval verschillend
kan worden vastgesteld voor speciale scholen voor basisonderwijs en voor scholen van
verschillende grootte. Op grond van het zesde lid worden bij ministeriële regeling
de bedragen vastgesteld en worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de bekostiging
wordt berekend. Bij ministeriële regeling wordt er op grond van het zesde lid in voorzien
dat niet alleen het bedrag per school, maar ook het bedrag per leerling verschillend
is voor speciale scholen voor basisonderwijs. Gelet op de hogere kosten per leerling
op speciale scholen voor basisonderwijs, moet het bekostigingsbedrag per leerling
voor speciale scholen voor basisonderwijs hoger zijn dan het bedrag per leerling op
basisscholen. Met het oog hierop wordt in artikel 116, derde lid, verduidelijkt dat
niet alleen het bedrag per school, maar ook het bedrag per leerling verschillend kan
worden vastgesteld voor speciale scholen voor basisonderwijs.
D
(Wijziging van artikel 182, tiende lid, WPO)
De verwijzing naar een niet meer bestaande bepaling wordt geschrapt.
ARTIKEL VIII. WET PRIMAIR ONDERWIJS BES
A
(Wijziging van artikel 1 van de WPO BES)
In de begripsomschrijving van «vroegschoolse educatie» in de WPO BES is de Wet kinderopvang
BES (Stb. 2024, 140) abusievelijk aangeduid als «Wet kinderopvang Caribisch Nederland». Met deze wijziging
wordt de juiste citeertitel opgenomen.
B, C
Door een vernummering van de artikelen in de WPO BES op grond van de Wet vereenvoudiging
bekostiging PO sluit de nummering van de artikelen die worden ingevoegd door artikel 6.4,
onderdeel D, van de Wet kinderopvang BES (artikel 121a en 121b WPO BES) niet langer
aan op de nummering van de in Hoofdstuk I, Titel III, Afdeling 8, van de WPO BES opgenomen
artikelen.8 Voorgesteld wordt daarom om de afdeling over onderwijsachterstandenbeleid die op
grond van de Wet kinderopvang BES zal worden ingevoegd in de WPO BES te verplaatsen
naar het slot van Hoofdstuk I, Titel II, en de artikelen in aansluiting daarop te
nummeren. Daarbij wordt een voorstel gedaan voor een taaltechnische aanpassing in
de artikelen.
ARTIKEL IX. WET STUDIEFINANCIERING 2000
A
(Wijziging van artikel 4.10 Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000))
Onderdeel 1
De specialistenopleiding valt op grond van artikel 7.2.2, derde lid, WEB onder niveau
4 van het beroepsonderwijs. Er is geen specifieke reden waarom een afsluitend examen
van een specialistenopleiding in artikel 4.10, vierde lid, expliciet benoemd moet
worden. Met voorgestelde wijziging wordt deze zinsnede daarom uit dit artikel geschrapt.
Onderdeel 2
Met voorgestelde wijziging wordt geëxpliciteerd dat ook voor mbo-studenten die binnen
de diplomatermijn een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg hebben afgerond,
de ontvangen prestatiebeurs wordt omgezet in een gift. Dit is van toepassing op mbo-studenten
die een opleiding in de beroepsopleidende leerweg zijn gestart, maar deze niet (in
de betreffende leerweg) hebben afgerond en vervolgens zijn overgestapt naar de beroepsbegeleidende
leerweg en daar wel een diploma hebben behaald. Dit is in lijn met de evidente bedoeling
van de wetgever en wordt door DUO in de praktijk reeds toegepast.9 Indien deze mbo-student vervolgens een andere opleiding in de beroepsopleidende leerweg
op niveau 3 of 4 aanvangt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs eveneens
verstrekt in de vorm van een gift.
B
(Wijziging van artikel 11.5 WSF 2000)
Bij het vervallen van het tweede lid van artikel 11.5 met ingang van 1 augustus 2023
is abusievelijk de aanduiding van het eerste lid niet komen te vervallen.10 Met de wijziging wordt deze redactionele fout hersteld.
ARTIKEL X. WET TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN
(Wijziging van artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)
Bij het vervallen van het tweede lid van artikel 11.4 met ingang van 1 augustus 2023
(Stb. 2023, 147) is abusievelijk de aanduiding van het eerste lid niet komen te vervallen. Met voorgestelde
wijziging wordt dit hersteld.
Daarnaast wordt de schrijfwijze van «voor zover» aangepast, zodat het artikel op dit
punt in overeenstemming is met het model van de hardheidsclausule in de Aanwijzingen
voor de regelgeving.11
ARTIKEL XI. WET VAN 4 JULI 1996 TOT WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS, DE
INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS EN DE TIJDELIJKE
WET BEKOSTIGING NIEUWE BASISSCHOLEN INZAKE VEREENVOUDIGING VAN HET BEKOSTIGINGSSTELSEL
VOOR HET BASISONDERWIJS EN HET (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS (VEREENVOUDIGING LONDO)
(Stb. 1996, 403)
(Wijziging van artikel VA van de Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Wet op het
basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal
onderwijs en de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen inzake vereenvoudiging
van het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs
(vereenvoudiging Londo) (Stb. 1996, 403))
Artikel VA van de Wijzigingswet Wet op het basisonderwijs en ISOVO inzake vereenvoudiging
Londo (Stb. 1996, 403) vervalt. Dit artikel bevat als overgangsvoorziening een zogeheten verlengde gewenningsregeling
die inmiddels is uitgewerkt. Na afloop van de oorspronkelijke gewenningsregeling van
3 jaar op grond van het inmiddels vervallen artikel V, die afliep in 2000, is destijds
gekozen voor een verlengde gewenningsregeling met een looptijd van 15 jaar. Daartoe
is een nieuw artikel VA ingevoegd bij Wet van 24 april 2002 tot wijziging van de wet
van 4 juli 1996 (Stb. 403) ten behoeve van verlenging van de gewenningsregeling, alsmede wijziging van de wet
van 2 april 1998 (Stb. 228) ten behoeve van vaststelling van een nieuwe vijfjarige periode voor de programma's
van eisen basisonderwijs (Stb. 2002, 218). Omdat de looptijd van de verlengde gewenningsregeling inmiddels ruimschoots is
verstreken, kan artikel VA van de eerstgenoemde wet nu vervallen.
ARTIKEL XII. WET VOORTGEZET ONDERWIJS 2020
A
(Wijziging van artikel 2.33, tweede lid, WVO 2020)
Het tweede lid van artikel 2.33 bevatte een verwijzing naar de situatie zoals die
op 1 augustus 2005 gold. Deze situatie wordt met deze aanpassing uitgeschreven. Het
gaat om codificatie van bestaande uitvoeringspraktijk. Het waarborgen van een minimaal
aantal uren bewegingsonderwijs was de aanleiding voor het amendement Hamer/Mosterd
in 2006, waarop dit artikel gebaseerd is.12 Zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel III van dit wetsvoorstel (met betrekking
tot artikel XXIII, onderdeel B. onder 2, van de Reparatiewet OCW 2024).
B
(Wijziging van artikel 2.55, tweede lid, WVO 2020)
Met deze wijziging van artikel 2.55, tweede lid, WVO 2020 wordt duidelijk dat het
volledige schoolexamen afgesloten moet zijn voor het begin van het eerste tijdvak
van het centraal examen. Dit was eerder geregeld in het Eindexamenbesluit VO. Deze
bepaling is met de inwerkingtreding van de WVO 2020 naar wetsniveau getild, maar daarmee
is abusievelijk de tekst veranderd (Stb. 2020, 379). Hierdoor staat er nu abusievelijk dat alleen schoolexamens van vakken die ook een
centraal examen hebben moeten zijn afgesloten voor de start van het eerste tijdvak
van het centraal examen. Dat klopt niet: het gehele schoolexamen moet zijn afgesloten,
ook van vakken zonder centraal examen. Dit volgt ook uit artikel 3.15, eerste lid,
onderdelen a en d, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, waarin is bepaald dat er voorafgaand
aan het centraal examen een overzicht van alle behaalde schoolexamenresultaten aan
leerlingen moet worden verstrekt. Met deze wijziging wordt deze fout weer rechtgezet.
C
(Wijziging van artikel 8.17 WVO 2020)
De verwijzing naar een niet meer bestaande bepaling wordt geschrapt.
ARTIKEL XIII. SAMENLOOPBEPALING WET VAN SCHOOL NAAR DUURZAAM WERK
Met het voorstel van wet Wet van school naar duurzaam werk (Kamerstukken 36 667) wordt artikel 146 WEC geheel vervangen. Indien het wetsvoorstel van school naar
duurzaam werk tot wet wordt verheven en eerder in werking treedt dan onderhavig wetsvoorstel,
vervalt de wijziging van artikel 146, tweede lid, WEC in onderhavig wetsvoorstel.
ARTIKEL XIV. INWERKINGTREDING
De inwerkingtreding van deze wet wordt bij koninklijk besluit geregeld. Dit wetsvoorstel
heeft betrekking op verschillende sectoren die elk een eigen vast verandermoment kennen.
Daarom wordt de mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding voor verschillende artikelen
en onderdelen van deze wet opgenomen.
Daarnaast wordt met deze inwerkingtredingsbepaling beoogd te regelen dat het voorgestelde
artikel VIII, onderdelen A, B en C, gelijktijdig met artikel 6.4 van de Wet Kinderopvang
BES (Stb. 2024, 140) in werking treden. Dan wel, zo snel mogelijk nadat het wetsvoorstel tot wet is verheven.
De inwerkingtreding van de Wet Kinderopvang BES valt naar verwachting in dezelfde
periode als het moment waarop dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven. Voor deze vormgeving
is gekozen om mogelijke samenloop te voorkomen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, E.E.W. Bruins
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E.E.W. Bruins, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.