Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 19 december 2024, over Circulaire economie
32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid
Nr. 334
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 31 januari 2025
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft op 19 december 2024 overleg
gevoerd met de heer Beljaarts, Minister van Economische Zaken, de heer Jansen, Staatssecretaris
Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer Van Oostenbruggen, Staatssecretaris Fiscaliteit
en Belastingdienst, over:
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 12 februari
2024 inzake kabinetsreactie Rli-advies Weg van de wegwerpmaatschappij (Kamerstuk 32 852, nr. 292);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 12 februari
2024 inzake Plastic Pacts (Kamerstuk 32 852, nr. 293);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 13 februari
2024 inzake verzamelbrief circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 294);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 maart 2024
inzake voortgang beleid chemische stoffen (Kamerstuk 28 089, nr. 274);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 maart 2024
inzake tussenstand versterking VTH-stelsel maart 2024 (Kamerstuk 22 343, nr. 394);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 15 maart 2024
inzake reactie op de brief «Inbreng NVB aan commissiedebat Circulaire economie» van
de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) (Kamerstuk 30 196, nr. 826);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 16 april 2024
inzake aanvullende kabinetsinzet lachgasproblematiek in de afvalketen en terugkoppeling
gesprekken met de afvalsector (Kamerstuk 30 872, nr. 297);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 29 april 2024
inzake hoofdlijnennotitie circulaire-economiewet (Kamerstuk 32 852, nr. 310);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 april 2024
inzake publicatie scenariostudie en monitoring bouwgrondstoffenwinning (Kamerstuk
32 852, nr. 309);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 27 mei 2024
inzake uitkomsten EU-onderhandelingen ecodesign en reparatie, en juridisch onderzoek
naar aanleiding van motie-Van der Graaf (Kamerstuk 32 852, nr. 221) (Kamerstuk 22 112, nr. 3949);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 5 juni 2024 inzake
verzamelbrief circulaire economie juni 2024 (Kamerstuk 32 852, nr. 313);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 31 mei 2024 inzake
toelichting circulair klimaatbeleid (Kamerstuk 32 813, nr. 1397);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 mei 2024
inzake uitvoering motie van het lid Kostić over verschillende aspecten meenemen in
de evaluatie van de statiegeldregelgeving (Kamerstuk 32 852, nr. 303) (Kamerstuk 32 852, nr. 312);
– de brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 30 april 2024
inzake nahang besluit tot wijziging van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en
gevaarlijke afvalstoffen, in verband met het toevoegen van informatie over zeer zorgwekkende
stoffen aan de omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van afvalstoffen
(Kamerstuk 27 664, nr. 95);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 4 juni 2024 inzake
wijziging Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen (Kamerstuk
27 664, nr. 96);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 11 juni 2024 inzake
werkprogramma storten 2024–2029 (Kamerstuk 30 872, nr. 299);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 24 juni 2024 inzake
onderhandelingsresultaten Europese Verpakkingenverordening (Kamerstuk 22 112, nr. 3958);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 24 juni 2024 inzake
reparatie in de circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 316);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 24 juni 2024 inzake
aanpak financiële situatie plastic recyclers (Kamerstuk 32 813, nr. 1408);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 17 juni 2024 inzake
voortgangsrapportage beleidsprogramma circulair textiel 2024 (Kamerstuk 32 852, nr. 314);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 20 juni 2024 inzake
verzamelbrief circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 315);
– de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 1 juli 2024 inzake
reactie op verzoek commissie over brief Blue Phoenix Group naar aanleiding van vergunningsplicht
bodemas door OZHZ (Kamerstuk 30 872, nr. 300);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 25 september 2024
inzake verzamelbrief circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 318);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 21 oktober 2024 inzake
UPV zwerfafval van kunststofproducten voor eenmalig gebruik (Kamerstuk 30 872, nr. 302);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 13 november 2024
inzake trendrapport Duurzame Dinsdag 2024 (Kamerstuk 36 600-XII, nr. 62);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 26 november 2024
inzake transitie naar de circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 320);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 3 december 2024 inzake
voortgang strategische aanpak batterijen 2024 (Kamerstuk 31 209, nr. 262);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 4 december 2024 inzake
reactie op verzoek commissie over problemen textielverwerkingssector (Kamerstuk 32 852, nr. 322);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 4 december 2024 inzake
beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030 (Kamerstuk 32 852, nr. 321);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 5 december 2024 inzake
reactie tussenrapport EU-rapporteur Circulaire Economie (Kamerstuk 32 852, nr. 323);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 12 december 2024
inzake verzamelbrief circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 324);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 12 december 2024
inzake uitvoering van de motie van het lid Stoffer c.s. over het heroverwegen van
beleidsmatige prikkels die reparatie en hergebruik van elektrische en elektronische
apparatuur ontmoedigen (Kamerstuk 36 600-XII, nr. 48) (Kamerstuk 36 600-XII, nr. 78);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 4 december 2024 inzake
wijziging Besluit melden zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen (Kamerstuk 27 664, nr. 97);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 13 december 2024
inzake evaluatie en moties Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik (Kamerstuk
30 872, nr. 303);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 18 december 2024
inzake reactie op verzoek commissie over de petitie «Richt een «circulair plastic»-tafel
op» (Kamerstuk 30 872, nr. 304).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, P. de Groot
De griffier van de commissie, Schukkink
Voorzitter: Peter de Groot
Griffier: Koerselman
Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Boutkan, Buijsse, Gabriëls, Grinwis,
Peter de Groot, Kostić, Nordkamp, Pierik, Rooderkerk, Stoffer en Wingelaar,
en de heer Beljaarts, Minister van Economische Zaken, de heer Jansen, Staatssecretaris
Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer Van Oostenbruggen, Staatssecretaris Fiscaliteit
en Belastingdienst.
Aanvang 11.31 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, een hele goede morgen. Allereerst een heel hartelijk welkom aan alle
belangstellenden hier op de publieke tribune en aan de mensen die dit debat vandaag
op afstand gaan volgen. Ook hartelijk welkom aan de bewindspersonen. Fijn dat u er
bent. Natuurlijk wil ik ook de leden en de ondersteuning hartelijk welkom heten. We
gaan beginnen met het debat over circulaire economie. Bij aanvang van de middagvergadering
staan er ook nog stemmingen op de rol. We weten nog niet of we dit debat daarvoor
zouden moeten onderbreken. Vooralsnog is dat niet zo. Ik wil u alvast mededelen dat
ik dit debat zal voorzitten totdat het plenaire debat over dakloosheid begint. Dat
zal tussen 14.00 uur en 14.30 uur zijn, maar wie weet hoever we dan al zijn. Wie zal
het zeggen? Daarom gaan we snel beginnen. Dat klinkt hoopvol, hoor ik? Ik ben altijd
hoopvol als voorzitter. Laten we er een mooi debat van maken en laten we snel beginnen.
We gaan beginnen met de inbreng van de EU-rapporteur Circulaire Economie, de heer
Gabriëls. Gaat uw gang voor uw inbreng.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Als eerste wil ik graag iedereen met wie we gesprekken hebben
gevoerd en de medewerkers van de griffie enorm bedanken voor de structuur en de input.
Ook wil ik de Staatssecretaris bedanken voor de reactie van 5 december op het tussenrapport.
Ik wil namens de commissie enkele punten naar voren brengen. Wat me opviel in alle
gesprekken die ik voerde met het bedrijfsleven, de financiële sector, ngo's, adviesbureaus
en consultants is dat iedereen voorstander is van een circulaire economie. Toch gaat
die transitie maar niet vliegen. Iedereen die we gesproken hebben, wil dat er lef
wordt getoond en dat er keuzes worden gemaakt, en tegelijkertijd werkt het nu niet
optimaal. Versnippering binnen de overheid is daarbij een thema. De circulaire financiering
is een ander groot thema, net als de normstelling, die hand in hand moet gaan met
adequate stimulering. We hebben daar afgelopen week twee interessante workshops over
gehad. Ook is er gisteren een rondetafelgesprek geweest, waar heel veel informatie
tot ons is gekomen. De gesprekspartners zaten vol goede ideeën over hoe het wél zou
moeten. Volgens mij kunnen we samen een heel eind komen in een frequenter en breed
ingestoken overleg tussen alle partijen. Het veld weet namelijk prima wat het wil.
Ook de Staatssecretaris geeft aan dat samenwerking cruciaal is in een circulaire economie.
Ik zou daarom de volgende vier aanbevelingen willen doen namens iedereen die hier
zit.
De eerste betreft de samenwerking met het veld. Ik stel voor om een circulaire-economietop
à la de Woontop in het leven te roepen: een podium waar de betrokkenen samenkomen
en waar zij concrete afspraken maken, bijvoorbeeld over geld voor de transitie, over
welke regelgeving in de weg staat en over wat bedrijven nodig hebben om deze economie
vorm te kunnen geven op een manier die werkt voor de samenleving. Ik hoor daar graag
een reactie op van de bewindspersonen.
Mijn tweede aanbeveling gaat over de inrichting van de circulaire economie binnen
de rijksoverheid. Oplossingen waar partijen om vragen, liggen vaak niet op het terrein
van een aantal departementen. Sorry, die liggen vaak wél op het terrein van een aantal
departementen. Daarom zitten deze bewindspersonen hier ook. De circulaire economie
hoort thuis in het hart van de economie. Belangrijk is dat EZ niet een bijdrage zou
moeten leveren aan de circulaire economie, maar dat ze het hart zou moeten uitdragen
als economisch beleid. Je kunt niet een lineaire economie hebben en daarnaast een
beetje een circulaire economie. Het moet het hart zijn. Ik wil graag weten hoe de
Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën daarin staan,
zeker na de aanbevelingen van Draghi en Letta om de circulaire economie in het hart
van de economie te plaatsen. Tijdens het rondetafelgesprek werd voorts een interessante
suggestie gedaan om de transitie te laten trekken door een instituut van een circulaire-economiecommissaris,
vergelijkbaar met het orgaan van de deltacommissaris, inclusief geld en menskracht.
Hoe staan de bewindspersonen daarin?
De derde aanbeveling is inhoudelijk. Er moeten afspraken worden gemaakt over normstelling,
stimulering en beprijzing: een samenhangend pakket waarbij stok en wortel in evenwicht
met elkaar zijn. Het is trouwens echt leuk om mijn eigen woorden hier terug te zien.
Ik zeg heel vaak «de stok» en «de wortel» en nu zie ik die woorden hier staan en kan
ik ze voorlezen. Alle partijen, inclusief het bedrijfsleven, hebben aangegeven dat
dit nodig is, zeker om circulaire start-ups en met name ook de plasticrecyclers in
het leven te houden. De plasticrecyclingbusiness dreigt namelijk het onderspit te
delven in Nederland en in de EU. Daarnaast blijkt uit het rondetafelgesprek van vorige
week donderdag dat er afspraken nodig zijn om de taxshift voor elkaar te krijgen,
dus om arbeid goedkoper te maken en vervuiling grondstoffen te belasten. Als voorbeeld
noem ik fast fashion, waarbij goedkope kleding de markt overspoelt, terwijl tweedehands
en kringloop het nakijken hebben.
Uit het rondetafelgesprek blijkt ook dat een goede circulaire businesscase broodnodig
is. Er moet namelijk een afzetmarkt zijn en daarbij speelt de prijs een cruciale rol.
Hierbij is, zoals de vertegenwoordiger van de banken uitlegde, de rol van de overheid
cruciaal: normering is essentieel, maar ook prijsprikkels aan de verkoopzijde en daarnaast
vraagsturing door de overheid door vergaande circulaire inkoop en aanbesteding zijn
belangrijk. De afzet van producten moet in eerlijke concurrentie kunnen zijn met lineaire
bedrijven. Circulaire start-ups en bestaande bedrijven die in transitie zijn, moeten
geholpen worden met de overbruggingstijd. In het rondetafelgesprek werd duidelijk
dat de circulaire economie de economie van de toekomst is, waar steeds meer bedrijven
kansen zien, mits er een eerlijke concurrentie komt met de lineaire economie. Ik zou
graag de reactie van de drie bewindspersonen horen over de circulaire financiële aanpak.
Tot slot de vierde aanbeveling. Die gaat over het grote verhaal. In het tussenrapport
staat dat gedragsverandering nodig is. Het is fijn dat de Staatssecretaris aan een
beter narratief werkt, maar gedragsverandering is alleen te bereiken als de inwoners
de juiste informatie hebben én financieel in staat worden gesteld de juiste keuzes
te maken. De kern van het grote verhaal is preventiedoelen nog sterker na te jagen.
Hoger op de R-ladder dus. Kan de Staatssecretaris daarover rapporteren via het nationaal
uitvoeringsprogramma? Hoe dragen de Minister van EZ en de Staatssecretaris van Financiën
daaraan bij?
Dat was de inbreng. Normaal gesproken spreek je ongeveer 130 woorden per minuut en
ik heb geprobeerd om mijn verhaal in 150 woorden per minuut te vertellen. Het is te
veel om in vijf minuten te stoppen, maar ik hoop namens de commissie dat het goed
is overgekomen.
De voorzitter:
Dank aan de EU-rapporteur voor de inbreng. Ik kijk als eerste naar de Staatssecretaris.
U kunt beginnen met de beantwoording. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Jansen:
Dank, voorzitter. Ik garandeer niet dat ik hetzelfde tempo als dat van de heer Gabriëls
ga volgen. Dat zeg ik heel eerlijk. Dank voor de mogelijkheid om vandaag mondeling
te kunnen reageren op het tussenrapport van de EU-rapporteur Circulaire Economie,
de heer Gabriëls. Ik wil hem bedanken voor zijn rapportage over de stand van zaken
rondom het circulaire- economiebeleid. Ik waardeer het werk en de focus van de rapporteur
op de noodzakelijke versnelling van de transitie naar een circulaire economie die
hij onderschrijft. Ik vond het goed om te zien dat de Kamer recentelijk twee rondetafelgesprekken,
waar de heer Gabriëls het ook over had, heeft gevoerd met partijen die wij zelf ook
vaak spreken. Het blijkt dat we hetzelfde doel nastreven en dat we hooguit nog verschillend
denken over de manier waarop we die doelen zouden moeten bereiken. Ik vind het ook
heel fijn om hier nu met jullie hierover van gedachten te kunnen wisselen, want we
staan in Nederland voor een zeer grote opgave. Het is duidelijk dat er samenwerking
nodig is om stappen vooruit te kunnen zetten. Het rapport onderstreept dat en wat
ons betreft biedt het waardevolle inzichten en aanbevelingen hiervoor. Het is belangrijk
om ons te realiseren dat de circulaire economie niet alleen gaat over duurzaamheid,
maar ook over innovatie, concurrentiekracht, strategische autonomie, toekomstig verdienvermogen
en circulaire businessmodellen.
Voorzitter. Ik zal nu ingaan op de vier aanbevelingen. Dit doe ik mede namens mijn
collega's van Economische Zaken en Financiën. De rapporteur wijst in zijn eerste aanbeveling
terecht op het belang van samenwerken met het veld. Hij stelde ook voor om een circulaire-economietop
te organiseren om afspraken te maken. Het Ministerie van IenW organiseert jaarlijks
de Nationale Conferentie Circulaire Economie, de NCCE. Die nationale conferentie is
bedoeld om te vieren wat er al gebeurt, om uitdagingen te agenderen en om professionals
die werken aan de circulaire economie te inspireren en te verbinden. Daarnaast is
het mogelijk om afspraken te maken met partijen, bijvoorbeeld met een sector of met
de regio's. Zo heeft mijn voorganger tijdens de NCCE in 2024 een statement ondertekend
om de samenwerking tussen de overheid en banken te versterken. Hierbij daag ik partijen
nogmaals uit om te komen met voorstellen om hierover afspraken te maken. Ik interpreteer
de aanbeveling dan ook als een signaal dat ik het bestaan van de conferentie nog onvoldoende
onder de aandacht van deze Kamercommissie heb gebracht. Ik nodig u bij dezen van harte
uit voor de editie van 20 maart 2025 in Leeuwarden. U zult via de griffie een officiële
uitnodiging ontvangen. Overigens wil ik ook zeggen dat de keuze voor Leeuwarden bewust
was.
De tweede aanbeveling gaat over de inrichting van de circulaire economie binnen de
rijksoverheid. De rapporteur geeft aan dat oplossingen waar partijen om vragen, vaak
op het terrein van een aantal departementen liggen. Dat erkennen wij natuurlijk helemaal.
We hebben het hier over een systeemtransitie die alle hoeken van de maatschappij zal
raken: van economische groei tot innovatie, van woningbouw tot zorg, en van onderwijs
en arbeidsmarkt tot fiscale sturing. Het systemische karakter komt onder andere tot
uiting in het Nationaal Programma Circulaire Economie, waarin beschreven wordt hoe
er vanuit alle departementen en medeoverheden, gecoördineerd door mij als Staatssecretaris,
wordt samengewerkt aan het realiseren van onze gezamenlijke doelen. Het is dan ook
goed, en eigenlijk ook logisch, dat er in dit debat drie departementen vertegenwoordigd
zijn. Naast het Ministerie van EZ en Financiën werken we ook nauw samen met de Ministeries
van VRO, BZK, KGG, LVVN en BHO. Deze tweede aanbeveling bevat ook nog de suggestie
voor een circulaire-economiecommissaris, naar het voorbeeld van de deltacommissaris.
Sinds 1 juli is Steven van Eijck, die bijna recht tegenover mij op de tribune zit,
begonnen als Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie. Hij is aangesteld
om doorbraken te creëren en een brug te slaan tussen de overheid en het bedrijfsleven.
Zijn werkprogramma staat ook geagendeerd bij dit commissiedebat.
Voorzitter. De derde aanbeveling gaat over de normstelling, stimulering en beprijzing.
Ik ben het zeker eens met de rapporteur dat de juiste mix van maatregelen het beste
richting kan geven aan de transitie. Tegelijkertijd plaats ik ook hierbij de kanttekening
dat we moeten roeien met de riemen die we hebben. Niet alleen moet het kabinet zuinig
omspringen met financiële middelen, maar er moeten dus ook pijnlijke keuzes worden
gemaakt. Kijkend naar de geopolitieke context is onze Europese concurrentiepositie,
bijvoorbeeld op het gebied van fossiel plastic, uitdagend te noemen, mag ik wel zeggen.
Zoals u zelf ook concludeert, is het van groot belang om de Europese markt voor gerecycled
plastic structureel te versterken. Daar maak ik me dan ook zeker hard voor. Daar komen
we vandaag ongetwijfeld nog wat uitgebreider over te spreken in dit debat.
Dan over de noodzaak van een goede circulaire businesscase. Een circulaire economie
kan niet worden afgedwongen binnen een lineair financieringsmodel. Dit is volgens
mij de fundamentele uitdaging waar we gezamenlijk aan zouden moeten werken. Deze uitdaging
gaan we aan door in te zetten op een aantal speerpunten. Zo verbeteren we de toegang
tot de financiering voor circulaire ondernemers door publiek-private samenwerking
met subsidies en door te werken aan een financieel stelsel dat duurzame en circulaire
investeringen aantrekkelijker maakt. In dat kader is het ook goed om te melden dat
uit recent onderzoek is gebleken dat circulaire ondernemingen in veel gevallen een
lager risicoprofiel hebben dan lineaire ondernemingen. Dat zou kunnen helpen bij het
wegnemen van de onterechte zorgen over de risico's van het financieren van deze ondernemingen.
Daarnaast stimuleren we ook de integratie van circulaire principes in bestaande financieringsinstrumenten
en zoeken we samen met de sector naar nieuwe vormen van financiering die passen bij
de transitie. Het kabinet stimuleert ook actief de circulaire economie via het inkoopbeleid:
via het jaarlijkse gezamenlijke inkoopvolume van ongeveer 85 miljard euro.
Voorzitter. Tot slot de vierde aanbeveling over het grote verhaal. Dat verhaal gaat
uiteindelijk over ons allemaal: over ons gedrag dat we laten zien als burgers, als
consument en als ondernemer. Precies om die reden vormt de invalshoek van gedrag ook
een belangrijk onderdeel van het NPCE. De gedragsstrategie is op de lange termijn
gericht en op een operationele aanpak om circulair gedrag van burgers te bevorderen.
Daarbij zetten we waar mogelijk zo hoog mogelijk op de R-ladder in. Als voorbeeld
van hoe gedrag specifiek op productgroepen kan worden toegepast, is in het beleidsprogramma
circulair textiel 2025–2030 een gedeelte over gedrag opgenomen. Dit gaat in op de
rollen die verschillende stakeholders hebben om te zorgen voor een omgeving waarbinnen
het voor de consument makkelijker, logischer en eerlijker wordt om circulair te consumeren.
Het is uiteraard belangrijk om de hogere treden van de R-ladder in te zetten en te
sturen.
Voorzitter. Ik wil het hierbij laten, want ik heb al heel veel gezegd.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk nog even naar de EU-rapporteur en wil vragen of alles helder is.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Mag ik een vraag stellen? Kunnen wij als commissie hier nu een reactie op geven voordat
we beginnen aan onze eigen inbreng? Ik wil hier namelijk nog wel een reactie op geven,
als dat mag.
De voorzitter:
U mag dat doen als EU-rapporteur. Als het een politiek standpunt van de GroenLinks-PvdA-fractie
is, dan kunt u dat straks laten horen.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Dan durf ik het toch aan om het als rapporteur te doen, omdat ik denk dat we er hetzelfde
over denken. Anders hadden we dit stuk tekst ook niet gemaakt. Ik wil de Staatssecretaris
heel erg bedanken voor het antwoord. Wat nu wel vaak naar voren komt, is: dit doen
we al, dat gebeurt al en er is al een soort van circulaire-economietop. O, dat is
mijn telefoon. Dit is overigens niet de wekker. Ik sta nooit om 11.45 uur op.
Ik wil het volgende gezegd hebben en dat doe ik dan ook als rapporteur. De kern is:
er zitten hier heel veel mensen op de tribune, we hebben honderden e-mails gehad en
er zijn heel veel bezorgde bedrijven en recyclers, meer dan ooit. «We doen dit al»
en «we doen dat al» zeggen, is dan volgens mij niet genoeg. Er moet iets extra's komen.
Er moet iets extra's komen boven op die jaarlijkse conferentie. We hebben zó veel
noodkreten gehoord dat we hier nu toch wel van links tot rechts kunnen zeggen – corrigeer
me anders maar als ik het niet namens de commissie doe – dat er meer nodig is dan
hetgeen u al doet. Ik heb respect voor wat u al doet, alleen is het nu niet genoeg.
Dat wil ik gezegd hebben. Hierna komt iedereen met zijn eigen inbreng. Heel erg bedankt
dat u er met zijn drieën bent. Maar het is nu niet genoeg. Het zou de kern, het hart,
van Economische Zaken, van Klimaat en Groene Groei, van Onderwijs en van Zorg moeten
zijn. Het moet niet zo zijn dat het «erbij» gedaan wordt.
De voorzitter:
Een korte reactie nog.
Staatssecretaris Jansen:
Ik had ook circulair bouwen kunnen noemen als een van de voorbeelden van waar we stappen
aan het zetten zijn. De heer Steven van Eijck, die ik net noemde, is juist aangesteld
om ons gevraagd en ongevraagd te adviseren en dingen in beweging te krijgen. Ik heb
inmiddels meerdere keren met de heer Van Eijck gesproken. Hij zet heel veel dingen
in beweging. Ik denk ook bijvoorbeeld aan het Duurzame Dinsdagkoffertje dat ik in
september heb mogen ontvangen, waarin dit keer 224 ideeën zaten, zeg ik uit mijn hoofd.
Ook daarin staan een heleboel mooie dingen rondom de circulaire economie die ons verder
op weg gaan helpen. Er zijn dus meer initiatieven dan die ik nu heb genoemd. Maar
ik ben het met de heer Gabriëls eens. Ook wij zijn nog aan het kijken hoe we hier
op de juiste manier mee om kunnen gaan. Er zijn recente berichten over partijen die
circulair opereren en die het heel lastig hebben. Ik denk dat we moeten kijken hoe
we hier een intensivering op kunnen doen, waarbij we wel rekening houden met alle
andere attributen die ik net noemde. Ik heb het dus ook over de vragen «wat is de
economische impact op de bestaande industrie?» en «wat betekent dat voor andere ontwikkelingen?»
We moeten dus wel het totale speelveld zien. Maar ja, we zijn aan het kijken hoe we
hier de juiste stappen in kunnen zetten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan dank ik, ook namens de commissie, de heer Gabriëls voor het rapporteurschap.
Uiteraard ook bedankt voor de ondersteuning die daarbij geboden is.
We gaan nu verder met de eerste termijn van de kant van de Kamer. Ik wil daar een
aantal dingen over zeggen. De woordvoerder mag maximaal vijf minuten spreken. Ik wil
voorstellen om in eerste instantie vier interrupties toe te staan. Verder merkte ik
net iets op. We hebben een brede delegatie vanuit het kabinet, dus als u een vraag
stelt, zeg er dan duidelijk bij voor wie de vraag is. We hebben twee Staatssecretarissen
in ons midden, namelijk de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de
Staatssecretaris van Financiën. Op die manier is het helder voor wie de vraag is.
Volgens mij heb ik daarmee de administratie op orde gebracht en kunnen we starten.
Ik wil de heer Buijsse namens de VVD als eerste het woord geven. Gaat uw gang.
De heer Buijsse (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Circulariteit is noodzakelijk voor klimaatneutraliteit in
2050 en helpt onze afhankelijkheid van grondstoffen te verkleinen. Hoe meer we circulair
produceren en consumeren, hoe minder afval er in het milieu belandt. Daarom vindt
de VVD het belangrijk dat er hard gewerkt wordt aan een circulaire economie. Op het
moment dat dit debat plaatsvindt, werken vele duizenden mensen in de textiel-, de
bouw-, de kunststoffen-, de elektronica- en de metaalbranche, en nog veel meer branches,
aan een meer circulaire wereld. Ik zal er niet omheen draaien: deze mensen zijn bezorgd
over de toekomst van hun branches en hun bedrijven. Al deze branches vinden, zonder
uitzondering, dat de Staatssecretaris meer georganiseerd met de sector moet werken
aan het stimuleren van circulariteit. Het klimaat voor ondernemen wordt op dit moment
te veel bepaald door eenzijdig vanuit de overheid gestelde regels en er wordt te weinig
met de sectoren samengewerkt. Ikzelf heb meer dan 25 gesprekken en werkbezoeken gehad.
Dit is het duidelijke signaal. Zien de Staatssecretaris, de Minister en de andere
Staatssecretaris dit ook? Wat gaan zij hieraan doen?
Voorzitter. Gezien de tijd kan ik helaas niet voor alle sectoren de voorbeelden langslopen.
Vandaag zal ik daarom in het bijzonder stilstaan bij de bedrijven die actief zijn
in de plastics en de bouwketens. Maar de boodschap die hieruit klinkt, geldt net zo
goed voor andere sectoren. Allereerst pleit de VVD voor het beter met het bedrijfsleven
organiseren van de circulaire economie. De afgelopen maanden, en zelfs eerder deze
week nog, zijn in Nederland meerdere plasticrecyclers failliet gegaan. Dat betreuren
wij. Door de wereldwijde overcapaciteit in de plasticproductie en de hoge binnenlandse
productiekosten kan de sector niet concurreren met de toevloed van goedkope nieuwe
plastics uit Azië en de Verenigde Staten. De VVD wil dan ook dat de Staatssecretaris
actie onderneemt. Wat de VVD betreft is er onvoldoende georganiseerde samenwerking
tussen het bedrijfsleven en de overheid als het gaat om het behalen van de doelen
uit het Nationaal Programma Circulaire Economie. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?
De VVD vindt dat er veel aandacht is voor normeren en beprijzen, maar niet voor stimuleren.
Hoewel we allemaal voor het zo snel mogelijk bijmengen van recyclaat in plastics zijn,
vraag ik de Staatssecretaris of hij werkelijk denkt dat de generieke norm voor alle
plasticstoepassingen zal werken, gezien de verschillende toepassingen en levenscycli
die er zijn. Tevens vraag ik de Staatssecretaris hoe er met deze circulairplasticnorm
een gelijk speelveld wordt geborgd tussen Nederlandse en buitenlandse kunststofverwerkers.
Onze nadrukkelijke zorg is namelijk dat door een ongelijk speelveld Nederlandse recyclingbedrijven
hun afzetmarkt verliezen en failliet gaan.
Voorzitter. Bedrijven die actief zijn in de plastics- en afvalbranche willen samen
met het kabinet aan een plan werken. De VVD steunt de oproep van het bedrijfsleven
om toe te werken naar een circulairplasticakkoord. Zijn de Staatssecretaris en de
Minister bereid om dit verder uit te werken?
Voorzitter. Naast of wellicht als onderdeel van een plasticsakkoord zijn chemische
bedrijven bereid om recyclingketens van afval naar nieuw plastic en/of chemische grondstoffen
verder te ontwikkelen. Zij lopen echter aan tegen een ontoereikende businesscase,
terwijl zij juist met investeerders en banken zogenaamde landmarkdeals willen sluiten.
Om de businesscase te versterken hebben ze zekerheden vanuit het Rijk nodig over bijvoorbeeld
vergunningen en regelgeving. Hoe beoordeelt u deze behoefte en bent u bereid om met
deze partijen nadere afspraken te maken?
Voorzitter. Het laatste punt van aandacht voor wat betreft de plasticsbranche is de
SUP-regeling met betrekking tot single-use plastics. U heeft recentelijk een evaluatie
gedaan van het Besluit kunststoffen voor eenmalig gebruik. De VVD vindt het goed dat
u op Europees gestelde doelen stuurt, maar tegelijkertijd vragen we ons af of er niet
meer alternatieven beschikbaar zijn dan het eenzijdig verhogen van de meerprijs van
een kwartje voor eenmalig te gebruiken bekertjes en bakjes. Wat de VVD betreft draaien
we dit besluit terug. Bent u bereid om dit besluit te heroverwegen? Bent u bereid
om met de sector in gesprek te gaan om te zoeken naar alternatieven?
Voorzitter. Dezelfde vlieger gaat op voor de moties van voormalig Kamerlid en collega
Erik Haverkort, waarnaar wordt verwezen. De motie op stuk nr. 279 – dat zeg ik erbij
voor de insiders – heeft tot doel dat we de nieuwe Nederlandse definitie voor hoogwaardige
recycling gelijkstellen aan die van Europa. In uw reactie op deze motie verwart u
de zaak door te zeggen dat de Europese definitie is gewijzigd en dat de motie hiermee
niet uitvoerbaar is. Maar de motie beoogt juist dat de Nederlandse definitie ook juridisch
conform die van Europa is, ook in de laatste versie van de voorgenomen Europese wet.
Wat nu voorligt, zeker zolang de nieuwe Europese wet nog niet is ingegaan, is simpelweg
een kop op Europees beleid. Bent u ook op dit vlak bereid om uw standpunt hierover
te herzien?
De voorzitter:
U heeft een interruptie.
De heer Buijsse (VVD):
Dan kan ik even ademhalen. Dank u.
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk, gaat uw gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De VVD maakt een terecht punt door te spreken over de vele faillissementen in de plasticrecycling,
waarover wij ons heel veel zorgen maken. Hij geeft daarbij aan dat het volgens hem
ten aanzien van single-use plastic geen oplossing is om daar een kwartje op te heffen
en hij zegt eigenlijk tegen de bewindspersoon: ga maar terug naar de tekentafel en
bedenk wat anders. Wat zou dan het voorstel van de VVD zijn?
De heer Buijsse (VVD):
Allereerst is het voorstel om in gesprek te gaan met bijvoorbeeld snackbarhouders
en de ketens die daaraan verbonden zijn. Ik hoor de signalen. Deze week hadden we
bijvoorbeeld een petitieaanbieding vanuit de Plastic Soup Surfer, die ook faliekant
tegen dit kwartje was en zelf voorbeelden bracht van hoe het wel zou kunnen. Ik zeg
niet dat dat per se de richting hoeft te zijn, maar het signaal is dat dit kwartje
niet gaat werken. Ik verzoek de Staatssecretaris om in gesprek te gaan met de branches,
want er zijn alternatieven. Ik weet het gewoon. In welke richting dat gaat, maakt
me eigenlijk niet eens zo veel uit, maar dit kwartje moeten we gewoon niet willen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
«In welke richting het gaat, maakt me niet zo veel uit, maar dit kwartje moeten we
niet willen.» Het enige voorstel dat ik van de VVD hoor, is om in gesprek te gaan.
We hebben met de sector al jaren gesprekken over plastic. We hadden een tijd geleden
het Plastic Pact, onder een D66-bewindspersoon. Inmiddels is dat gestopt. Nu wordt
er een nieuw voorstel gedaan en dan hoor ik de VVD zeggen: ga maar met elkaar in gesprek.
Dat is natuurlijk geen oplossing voor het probleem. Wat is volgens de VVD de oplossing
voor het probleem? Anders moet ik namelijk concluderen dat ik die niet hoor en dat
vind ik dan heel erg jammer, want ondertussen zitten we hier wel met een markt die
geholpen moet worden.
De voorzitter:
Dat is helder.
De heer Buijsse (VVD):
U schetst het alsof er een heel groot probleem is. Wij constateren dat het aandeel
plastics in zwerfafval de laatste jaren sterk aan het teruglopen is door reeds genomen
besluiten en maatregelen die in het werkveld landen. Die afname van plastics in het
zwerfafval is in dermate grote vormen gaande dat experts zeggen dat het kwartje geen
enkele bijdrage zal leveren om het verder te laten afnemen. Dat was de geest van de
petitie die afgelopen dinsdag is aangeboden. Als deze mensen dat zeggen, dan denk
ik werkelijk: waarom moeten we dat kwartje dan nog invoeren? Tegelijkertijd denk ik
het volgende. Als ik in de praktijk spreek met allerlei bedrijven die hiermee bezig
zijn, dan hoor ik dat dit een ordinaire prikkel is om geld uit de portemonnee van
consumenten te kloppen. Bedrijven gaan daar namelijk natuurlijk weer iets op verzinnen.
Ondertussen is dat kwartje, ook bij degenen met een smalle portemonnee, weer weg.
Wat ons betreft is dat dus echt niet nodig.
De voorzitter:
Ik roep u allen op om het alstublieft bij korte interrupties en korte antwoorden te
houden. De heer Gabriëls was eerst. Mevrouw Wingelaar, u komt zo aan de beurt.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Ik wil het weer wat hoger trekken, namelijk naar het algemene verhaal. U zit in de
coalitie en u had als partij invloed op het coalitieakkoord. Ik zeg dit richting de
heer Buijsse van de VVD. Vervolgens staat er geen zin in het regeerprogramma over
circulaire economie, behalve de plasticheffing, waarvan niemand weet waar die precies
toegepast gaat worden omdat niemand precies weet wat daar gaat gebeuren. Hoe belangrijk
heeft u circulaire economie gevonden tijdens de vorming van het regeerprogramma?
De heer Buijsse (VVD):
Net als over heel veel andere onderwerpen zijn er in het regeerakkoord, of het hoofdlijnenakkoord,
afspraken gemaakt om Nederland vooruit te helpen. Vier partijen hebben daar verantwoordelijkheid
voor genomen. Daar heeft de circulaire economie tot op de dag van vandaag een rol
in gekregen zoals die nu is opgenomen. Met de kennis van nu en de gesprekken die ik
voer, denk ik ook dat er wel verbetering mogelijk is. Laten we daar helder over zijn.
We zien nog steeds zaken uit het ministerie voortvloeien die bijvoorbeeld nationale
koppen zijn. Daar zijn we gewoon niet voor. Wij zoeken dus naar manieren om realistisch
en praktisch te zijn, maar we moeten ons wel realiseren dat er door de context waar
Nederland zich nu in bevindt, in de samenwerking zoals we die hebben, net als bij
zo veel zaken, geldt dat er een belemmering is.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Ik wil even terug naar de single-use plastics en het kwartje. Als ik het goed begrepen
heb, maar daar bevraag ik de Staatssecretaris dadelijk nog wel over, gaat het werken
als er een duurzaam alternatief is. We hadden het over gedragsverandering. U heeft
het over minder afval in het milieu. Dan werkt dit toch? Dan werkt dit toch tegen
vervuiling?
De heer Buijsse (VVD):
De maatregelen die vanuit de Richtlijn single-use plastics tot nog toe zijn genomen,
hebben al geleid tot een enorm grote afname van plastics in het zwerfafval. Tot op
heden was de afspraak om ook een meerprijs te doen. De meeste manieren die aangenomen
zijn om tot een meerprijs te komen, is een meerprijs van € 0,01. Nu gaan we deze meerprijs
naar € 0,25 verplichten, terwijl de afname al in heel grote mate gaande is en zich
ook zal doorzetten. Experts zeggen dat deze maatregel niks extra's zal doen om nog
meer zwerfafval schoner te maken, dus wat ons betreft gaan we dit gewoon niet doen.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
U gaat niet in op mijn opmerking over gedragsverandering. Die is namelijk ook nodig,
net als bewustwording. In dit geval is er een bewuste keuze van de consument nodig.
Óf je kiest een duurzame oplossing, óf je kiest een minder duurzame oplossing en daar
betaal je dan extra voor.
De heer Buijsse (VVD):
Gedragsverandering is een goed punt. Ik denk dat er met deze maatregel geen gedragsverandering
zal plaatsvinden. Mensen blijven friet eten, chinees afhalen en koffies to go drinken.
De prijs gaat omhoog, ondernemers zullen manieren vinden om daar iets mee te doen
en uiteindelijk kost het de consument geld. Volgens de experts zullen we geen verandering
zien in hoe het door minder zwerfafval schoner wordt.
De voorzitter:
De heer Buijsse, komt u... O, de heer Gabriëls van GroenLinks-PvdA heeft nog een vraag.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Nee, ik heb geen interruptie, want daar zijn we hier in dit huis altijd heel moeilijk
in. Ik wil graag vragen hoeveel interrupties we per fractie hebben. Vier?
De voorzitter:
Ik heb bij aanvang aangegeven dat we er niet heel moeilijk in zijn, maar we proberen
het debat ordentelijk te laten verlopen, ook qua tijd. In eerste instantie gaat het
om vier interrupties. In mijn introductie heb ik gezegd dat er ruimte is voor meer
interrupties als ze heel kort zijn en als het netjes gaat. Maar ik probeer altijd
even te bekijken hoe het er in de praktijk aan toe gaat. Meneer Gabriëls, we gaan
het straks beoordelen als u nog interrupties tekortkomt.
Meneer Buijsse, rond u af, alstublieft. Uw tijd zit erop.
De heer Buijsse (VVD):
Ik ga inderdaad afronden, voorzitter. Dank. Ik wil als laatste stilstaan bij de bouwsector.
Nogmaals, ik zou het liefst alle andere sectoren erbij betrekken, maar dat gaat helaas
niet. Ook in de bouw zie ik legio voorbeelden van mogelijkheden om materialen te hergebruiken
of te recyclen. Dit strekt van biobased bouwen tot hergebruik van betonnen liggers
voor viaducten en het gebruik van schone secundaire bouwstoffen. Het maakt me trots
hoe vindingrijk ondernemers zijn.
De voorzitter:
Sorry, maar dit is geen afronding.
De heer Buijsse (VVD):
Jawel.
De voorzitter:
Het is een heel lange afronding. Graag uw laatste zin, want uw tijd zit er ruim op.
De heer Buijsse (VVD):
Oké. Uiteindelijk wil ik de Staatssecretaris vragen om te reflecteren op zijn toegezegde
charmeoffensief richting de schone secundaire bouwstoffen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Heutink van... Meneer Gabriëls, heeft u nog een
interruptie?
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Ja. Ik dacht: ik ga dan toch een tweede inzetten voor de VVD. We willen het heel erg
graag, we vinden circulaire economie heel belangrijk, 2050, doelen halen voor het
klimaat en dergelijke... Maar bij elke norm, bij elke verplichting, bij elk plusje
en bij elke keer dat er een concreet voorstel ligt, komt u met heel veel mitsen, maren
en nees, waardoor het milieu niet geholpen is. Een voorbeeld daarvan is die € 0,25.
Je zou namelijk ook kunnen zeggen dat je op de inkomsten van die € 0,25 bij degenen
die de plastic bakjes maken, een verplichting zet om naar een duurzaam alternatief
te gaan. Dat geld kun je daarvoor gebruiken. Ik zou graag willen dat de heer Buijsse
van de VVD daarop reageert.
De heer Buijsse (VVD):
Er zijn twee zaken om op te reageren. Ik begin met het laatste punt van de heer Gabriëls
over het fonds. In de brief van de Staatssecretaris staat beschreven dat onderzocht
is om tot een fonds te komen, alleen is het in de uitvoering juridisch heel lastig
om dat te doen. Dat was het eerste punt.
Het andere punt dat u schetste, ging over de mitsen en maren van de VVD. Wat voor
ons cruciaal is, is dat er in Europa een gelijk speelveld is, dat er draagvlak is
vanuit de ondernemers en dat er in ieder geval een soort van overlegstructuur is waarin
wordt samengewerkt. Ik heb in al die gesprekken nul, nada, daarvan geproefd. Daarom
zit ik hier vrij scherp en met een lichte emotie dit betoog te voeren.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het nu echt tijd voor de inbreng van de heer Boutkan namens de
PVV. Gaat uw gang.
De heer Boutkan (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De brief die we nota bene op vrijdag de dertiende ontvingen
met daarin de meerprijs van € 0,25 op plastic producten, riep heel veel reacties op
vanuit diverse hoeken. Deze waren niet mals. Ik kom hier zo op terug. Ik wil een voorbeeld
uit de praktijk noemen. Een hardplastic statiegeldbeker kost meer arbeid, meer water,
meer energie en meer uitstoot dan een gewone kartonnen beker. Waarom? Een hardplastic
statiegeldbeker wordt vaak voorgespoeld, dus er is meer waterverbruik, meer energieverbruik
en extra inzet van een medewerker die op dat moment geen andere taken meer kan uitvoeren.
Dan verdwijnt de beker in een plastic zak in een plastic krat. Vervolgens komt een
vrachtwagen de bekers ophalen en worden deze elders in het land weer gereinigd. Er
is dan dus opnieuw water- en energieverbruik. Ondertussen hebben we ook nog te maken
met een bovenmatig uitvalpercentage door onder andere beschadiging en niet ingeleverde
hardplastic bekers. We hebben het dan over 30% uitval. Beschadigde of niet schoon
te krijgen bekers worden vernietigd. Het gevolg? Nieuwe bekers dienen dan weer geproduceerd
te worden. De conclusie is dat een hardplastic statiegeldbeker veel minder lang meegaat
en vaak ook veel minder hygiënisch is dan men denkt. Ironisch gezien verlagen we bij
hergebruik dus de eisen aan voedselveiligheid. Ik hoor graag een reactie hierop van
de Staatssecretaris, de Minister of de andere Staatssecretaris. Het maakt mij niet
uit.
Omdat de evaluatie een afname in het gebruik van single-use plastics aantoont, wat
begrijpelijk is gezien het verbod op deze producten voor consumptie op locatie, wordt
een belangrijke ontwikkeling over het hoofd gezien, namelijk de algemene toename van
plasticgebruik. Herbruikbare plastic bekers bevatten 38 keer meer plastic dan gewone
papieren bekers met een plastic coating waar minder dan 5% plastic in verwerkt zit.
Ik heb het over gewone koffiebekers die de Staatssecretaris per 1 januari 2026 wil
verbieden. Wie neemt wie nou in de maling? Ik wil hier graag een reactie op van de
Staatssecretaris.
De meerprijs voegt werkelijk niets toe aan de reductiedoelstellingen van het ministerie.
Dit was al snel duidelijk sinds de invoering van de plastictoeslag om het gebruik
van wegwerpplastic terug te dringen met 40% vóór 2027. Anders dan bij statiegeld kan
de consument de verpakking na consumptie niet inleveren en de toeslag terugkrijgen.
Deze € 0,25 die de consument moet ophoesten, verdwijnt linea recta in de zakken van
de verkopers. Dit betekent dus een lastenverzwaring voor de burgers. Het risico dat
ondernemers weer overgaan naar plastic in plaats van het nu gebruikte karton, stimuleert
niet om het gebruik van plastic te verminderen. Ik hoor ook hier graag weer een reactie
op.
Voorzitter. Nu we het toch over lastenverzwaring hebben: de volgende zit er alweer
aan te komen, namelijk op het gebied van luiers en incontinentiemateriaal. Dit betekent
een verhoging die terechtkomt bij de nu al niet te betalen zorgkosten. Voor babyluiers
zal de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid resulteren in een prijsstijging
voor gezinnen tussen de € 109 en € 670 per jaar per kind in de luierleeftijd. Die
komt bovenop de genoemde € 1.144 die gezinnen al uitgeven aan een kind in de luierleeftijd.
Maar voor incontinentieproducten zal de UPV ook resulteren in een jaarlijkse prijsstijging
per gebruiker tussen € 143 en € 455 per jaar. Ik wil hier ook graag een reactie op.
Voorzitter. Waar we het eerder hadden over de meerprijs van € 0,25, wordt er nu over
plannen overlegd om het statiegeld te verhogen naar € 1 voor een plastic fles. Nog
even en het statiegeldbedrag is hoger dan de waarde van de inhoud van de fles. Per
brief schreef de Staatssecretaris eerder dat het aan Verpact is om te bepalen welke
maatregelen het snelste effect hebben en om die te implementeren. De focus voor Verpact
blijft echter op het uitbreiden van het aantal innamepunten en niet op het verhogen
van het statiegeld. Zij stellen namelijk, en dat hebben ze al breed uitgedragen, dat
hierbij negatieve effecten kunnen optreden. Nogmaals, wie neemt nou wie in de maling?
Ik wil graag een reactie hierop van de Staatssecretaris.
Voorzitter. Nederland moet sinds 2021 een afdracht betalen aan Brussel voor het niet-herbruikbaar
plastic verpakkingsafval dat verbrand moet worden. Dit kan oplopen tot een miljard
euro binnen de periode. De reden hiervoor is het feit dat producenten, voornamelijk
van buiten Europa, niet-herbruikbaar plastic op de markt brachten. Zelfs de Europese
Rekenkamer concludeert dat het systeem voor niet-gerecycled afval slecht functioneert.
De sinds 2021 ingevoerde nieuwe inkomstenbron voor de Europese Unie levert Brussel
miljarden op. Onze vraag aan de Staatssecretaris is: gaat het hier om het redden van
het milieu of is dit gewoon een ordinaire belasting om de Brusselse corona-uitgaven
te dekken?
Voorzitter. Tijdens de begrotingsbehandeling IenW heeft de PVV aan de Staatssecretaris
middels een aantal voorbeelden gevraagd naar de nationale koppen te kijken. We zitten
nog te wachten op de gedane toezegging. Maar als u toch bezig bent, wil ik het volgende
zeggen. De reductiedoelstelling...
De voorzitter:
De heer Heutink... U bent niet de heer Heutink, hè? U bent de heer Boutkan. Ik noem
u dus gewoon de heer Boutkan, goed? U heeft een interruptie van de heer Gabriëls.
Ik hoorde u een aantal keren de Staatssecretaris noemen en toen zag ik de twee Staatssecretarissen
denken: voor wie is die vraag nou eigenlijk?
De heer Boutkan (PVV):
Ik heb in het begin gezegd dat het me niet uitmaakt wie van de drie antwoordt. Anders
gaat dat ten koste van mijn spreektijd. Al die Ministers en Staatssecretarissen...
Ik bedoel, het is volle bak.
De voorzitter:
Helemaal goed, meneer Boutkan. Dan denk ik dat het straks vanzelf opgelost gaat worden.
Maar u heeft ook een interruptie van de heer Gabriëls.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
De heer Boutkan heeft het over de afdracht die we aan de Europese Unie moeten doen
voor plastic. Hij zegt dat dat in een of ander coronafonds terechtkomt. Ik begrijp
dat niet helemaal, maar prima. Ik wil even terug naar het volgende. In het coalitieakkoord
staat ook een heffing vanaf 2028 voor plastic. Wat is dan het verschil? Waarom staat
die in het akkoord? Kunt u uitleggen waar die heffing terecht moet gaan komen? Wat
gaan we daarmee doen? Wat voor effect heeft die heffing op de bedrijven die u met
uw «haalbaar, betaalbaar en realistisch»-argumenten niet wil belasten?
De heer Boutkan (PVV):
Ik ben heel blij met wat de heer Gabriëls als laatste zei. Dat betekent dat mijn «haalbaarheid,
betaalbaarheid en realisme» toch aanslaat bij anderen. Ik wilde dus als eerste een
compliment geven aan de heer Gabriëls. Die belasting is opgenomen in de onderhandelingen
over het hoofdlijnenakkoord. Die zit erin en die zal nodig zijn om de nodige gaten
te dekken. Ik hoop zelf natuurlijk dat die landt bij de sectoren waarvoor die bedoeld
is.
Dan de andere vraag. U zei dat u niet begrijpt wat ik zei over Brussel en het fonds.
Men heeft op hoog niveau een afspraak gemaakt dat er jaarlijks een afdracht is van
€ 0,80 per kilo van plastic dat de oven ingaat en dat niet te recyclen is. Dat hoesten
we met z'n allen op. Dat ligt niet bij de producenten die het maken of leveren. Wij
betalen jaarlijks uit algemene middelen een bedrag van pak ’m beet 250 miljoen euro,
oplopend tot een miljard, aan Brussel. Wat blijkt uit de stukken? Brussel heeft een
gat gecreëerd door corona-uitgaven en deze worden, oplopend tot een miljard, daarmee
gedekt. Dat stuit ons als PVV tegen de borst. Wij zouden graag zien – daar kom ik
dadelijk nog op terug, maar ik zie al dat ik bijna door mijn tijd heen ben – dat de
Staatssecretaris gaat onderzoeken of het mogelijk is ervoor te zorgen dat er minder
plastic die oven ingaat en dat er meer plastic wordt hergebruikt. Daar proberen we
op te sturen.
De voorzitter:
Dank. Dit is de vierde interruptie van de heer Gabriëls.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Ja, dit is mijn vierde interruptie. De heer Boutkan zegt: de heffing is er om gaten
te dekken. Ik vind dat het tegengestelde van wat we hier met z'n allen gezegd hebben,
namelijk: het stimuleren van de circulaire economie, het stimuleren met een overbruggingsfonds
of het stimuleren van bedrijven die nu dreigen om te vallen. Kan de heer Boutkan hierop
reageren? Waarom kan dat niet gebruikt worden voor zo'n fonds? Waarom is dat om gaten
te dekken? Kan de heer Boutkan dat uitleggen?
De heer Boutkan (PVV):
Dat fonds wordt pas over een paar jaar van kracht. We hebben nu een probleem. Nu zitten
we met het feit dat die bedrijven omvallen. De maatregelen die tot nu toe genomen
zijn, zijn onvoldoende. We hebben al meerdere keren gehoord, ook gisteren bij het
rondetafelgesprek en in eerdere gesprekken, dat de sector bereid is om te verduurzamen.
In de sector zoekt men elkaar op. De vraag die we nu moeten stellen, is: hoe pakken
we dit op om in deze Kamer voor elkaar te krijgen dat het wél gaat lukken met de sector,
die bereid is om de handen ineen te slaan? Ik doe die oproep ook aan die kant van
de tafel, meneer Gabriëls. U merkt het aan mijn stem: het raakt mij zeer dat, terwijl
wij hier eindeloos met elkaar zitten te praten, bedrijven omvallen en mensen werkloos
worden! Noem ze maar op. Dat raakt mij gewoon! Ik weiger te accepteren dat we dat
gewoon laten gebeuren.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk van D66 heeft een interruptie.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De heer Boutkan hield net een rant over de hogere kosten van koffiebekers en babyluiers,
maar ik hoor hem ook zeggen dat alles haalbaar en betaalbaar moet zijn. De belastingbetaler
betaalt natuurlijk ook mee aan het opruimen en recyclen van afval, dus vind ik hem
dan aan mijn zijde als ik een motie indien om circulariteitseisen te stellen aan de
productie van goederen?
De heer Boutkan (PVV):
Kan mevrouw Rooderkerk dat misschien iets nader specificeren? Mag ik dat met toestemming
van de voorzitter vragen?
De voorzitter:
Ja, dat mag u altijd vragen. Mevrouw Rooderkerk, heel kort graag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, dat is dan meteen mijn laatste interruptie.
De voorzitter:
Nee, nee, nee. Zo doen we dat hier niet. Een korte verduidelijking graag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Een voorstel dat ik bijvoorbeeld wil doen, is om eerlijke prijzen voor spullen te
gaan betalen. Ik denk dat dat belangrijk is. We zouden daar als overheid het goede
voorbeeld in kunnen geven. Er is 80 miljard budget bij de overheid voor de inkoop
van spullen zoals thee- en koffiebekers en andere zaken, maar ook van grotere goederen.
We zouden er natuurlijk op kunnen inzetten daarvoor een eerlijke prijs te betalen,
waarbij je de klimaatkosten meeweegt in de prijs die je voor producten betaalt. Ik
ben benieuwd of de heer Boutkan dit zou kunnen steunen.
De heer Boutkan (PVV):
Dank voor de vraag. U treft hier een partij aan die al helemaal niet blij is met welke
klimaatmaatregelen er ook maar zijn genomen en met hoeveel geld we daaraan uitgeven,
terwijl we aan de andere kant van de wereld zien dat we overspoeld en ingehaald worden.
Ik kan er dus heel kort over zijn, ook gezien de tijd: daarin vindt u ons niet aan
uw zijde.
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk, dit is uw vierde interruptie.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat vind ik heel erg jammer. U klonk geïnteresseerd, maar nu hoor ik toch weer meteen
een nee. De PVV zit nu natuurlijk wel in het kabinet. Ik vind het heel lastig dat
er steeds wordt gezegd «we houden ons aan het hoofdlijnenakkoord», maar op het moment
dat er een concreet voorstel komt om iets voor het klimaat of voor de circulariteit
te doen, dan komt er een nee. Ik hoor ook geen alternatief. Dat moet me van het hart.
Ik hoop echt dat deze partij de verantwoordelijkheid wil nemen voor het feit dat wij
als samenleving onze klimaatdoelen moeten halen en dat wij als Kamer, en ook als kabinet,
voorstellen moeten doen om hier veel harder actie op te ondernemen.
De heer Boutkan (PVV):
Ondanks alle miljarden die we tot nu toe hebben gestopt in het redden van het klimaat,
zien we dat die tot nu toe werkelijk helemaal niets opleveren, want die 0,00003 en
dergelijke is een bewezen feit. Ik hoor u al denken «daar komt ie weer», maar daar
blijven we bij.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Gelukkig hebben we afgesproken dat we die klimaatdoelen wel willen halen, meneer Boutkan.
Ik wil nog even teruggaan naar een ander punt. Ik krijg het niet op een rij hoeveel
maatregelen meneer Boutkan inmiddels ter discussie stelt. Wij willen sterk inzetten
op het voorkomen van vervuiling van het milieu. Ik hoor daar geen voorstellen voor.
U stelt alleen maar alles wat we nog willen gaan doen of alles wat we al aan het doen
zijn ter discussie, maar ik hoor geen alternatieven.
De heer Boutkan (PVV):
Wat ik net ter discussie heb gesteld, is het lijstje van koppen. Ik heb het vorige
al genoemd, met vijf stuks. In het hoofdlijnenakkoord staat dat er geen nieuwe koppen
komen. De laatste keer heb ik weer lopen zoeken en dergelijke. Er komen elke keer
koppen bij met het beleid dat nu gaande is. Dat stel ik aan de orde. Het is niet zo
dat ik de stoelpoten afzaag van wat we aan het doen zijn; dat is niet wat ik aan de
orde stel. Nee: ik wil geen nieuwe koppen zien. Het bedrijfsleven wordt namelijk overspoeld
met regeltjes en dingen waardoor er een ongelijk speelveld binnen Europa optreedt.
Daar wil ik een einde aan zien. Goedschiks of kwaadschiks: het maakt me niet uit.
Het moet gewoon anders. Dat heb ik aan de kaak gesteld, zeg ik richting mevrouw Wingelaar.
De voorzitter:
U kunt uw betoog afmaken, zou ik zeggen. Gaat uw gang.
De heer Boutkan (PVV):
Voorzitter. Voordat ik het vergeet, wil ik nog iets zeggen. De Staatssecretaris zei
net dat hij een koffertje had ontvangen met groene ideeën. De vraag is wat hij daarmee
gaat doen. Die vraag gooi ik er maar even tussendoor.
Voorzitter. Ik had al om een reactie gevraagd. Volgens de nieuwe wetgeving moet er
bijvoorbeeld ook recyclaat worden toegepast in gasleidingen, drinkwaterleidingen en
plastic leidingen. Onze vraag is of dit wettelijk wel kan, gezien andere normeringen
op dit gebied.
Voorzitter. Allerlei zaken komen onze kant op, terwijl veel zaken nog in een evaluatie
zitten of nog niet eens zijn geëvalueerd. Wij vragen de Staatssecretaris nu hoe dit
kan.
Voorzitter. Tot slot een oproep. Daarna stop ik er echt mee. Ik zei dat we signalen
krijgen dat diverse sectoren uit het werkveld met hun vragen en opmerkingen, onder
andere tijdens consultaties, tegen een Chinese muur van onbegrip oplopen bij het ministerie.
Ook worden er zaken doorgevoerd op dit dossier terwijl de evaluatie nog gaande is
of zelfs nog niet is uitgevoerd. Voor alle duidelijkheid, en daar komt-ie nog één
keer: sectoren zijn niet tegen verduurzaming, maar betrek ze erbij, luister naar ze
en neem hun zorgen serieus. Gisteren hadden we een rondetafelgesprek over dit onderwerp.
Ik wil nogmaals het volgende benadrukken richting de Staatssecretaris, de Minister
en de andere Staatssecretaris. Ga met deze mensen direct om de tafel zitten. Maak
gebruik van hun kunde, kennis en ervaring. Daar zit een sector wel op de wachten,
en niet op de extra heffing van € 0,25.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk van D66, gaat uw gang voor uw inbreng in de eerste
termijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank u wel, voorzitter. Met jonge kinderen en als woordvoerder Klimaat ben ik erg
gedreven om werk te maken van een duurzame toekomst. Dat kan niet los worden gezien
van circulaire economie. Het is van belang voor de biodiversiteit, een schone leefomgeving
en het voorkomt het mijnen van grondstoffen onder slechte omstandigheden. Zoals groene
energie ons onafhankelijk maakt van Russisch gas, kan circulair gebruik ons autonomie
geven op grondstoffen. Dat is cruciaal voor een duurzame toekomst. Het is het hart
van klimaatbeleid, zoals eerder gezegd. Het is dus goed dat de Staatssecretaris zegt
deze ambitie te onderschrijven. Ik mis alleen wel de vertaalslag naar actie. Er is
vrijwel geen geld voor circulaire investeringen en de nadruk ligt veel op afval en
recycling. Dat is zeer belangrijk, maar nog beter is het om grondstoffengebruik te
voorkomen en producten te hergebruiken en te repareren. Hier ga ik in mijn bijdrage
op in.
Ik begin met het voorkomen van grondstoffengebruik. Ten aanzien van de grondstoffen
kan de overheid het goede voorbeeld geven. Hoe staat het bijvoorbeeld met de circulariteitseisen
bij de overheidsaanbestedingen van onder andere infra, bouw en andere projecten? Staat
de Staatssecretaris ervoor open deze aan te scherpen? De gezamenlijke overheden hebben
– ik noemde het eerder al – een inkoopbudget van 80 miljard. Is de Staatssecretaris
het met D66 eens dat hierbij sprake moet zijn van het true pricing-principe? En is
hij, zoals de gemeente Amsterdam, bereid tot een pilot hiertoe? De gemeente Amsterdam
experimenteerde hier onlangs mee bij de inkoop van koffie.
Voorzitter. Ten tweede ga ik naar het retourneren en hergebruiken van producten. Hiervoor
ligt een verantwoordelijkheid bij webwinkels, producenten en consumenten. Bijna de
helft van de kleding die we bestellen gaat retour. Dat is een enorm aantal. Een derde
daarvan wordt zelfs meteen vernietigd. Dat moet natuurlijk veel duurzamer. Afval van
elektronische apparatuur groeit daarnaast enorm in Europa. Dat kan anders en dat laten
bol.com en Wehkamp zien. Zij geven teruggestuurde producten een tweede kans. Welke
concrete maatregelen kan de Staatssecretaris nemen om te stimuleren dat er voor een
retourzending een eerlijke prijs wordt betaald en de klimaatschade wordt doorberekend?
Welke maatregelen kan de Staatssecretaris nemen om te stimuleren dat bedrijven tweedekansproducten
aanbieden?
Voorzitter. Ten derde ga ik naar het repareren en daarmee naar het verlengen van de
levensduur van producten. Dat is een supereffectieve manier om grondstoffengebruik
in te perken. Hoe staat het in dat kader met de uitvoering van de motie van de heer
Bamenga van D66 over reparatievouchers? In 2026 zal ook de reparatierichtlijn nationaal
verankerd moeten zijn. Hoeveel producten gaan eronder vallen? En wat voor reparatierecht
hebben consumenten van producten die niet onder de richtlijn vallen?
Lidstaten moeten daarnaast maatregelen treffen om reparatie te bevorderen. Welke concrete
maatregelen gaat de Staatssecretaris hier nemen?
Voorzitter. Dan ga ik verder met recycling. We zitten midden in een energietransitie
en ondertussen staat het concurrentievermogen van Europa tegenover de VS en China
onder druk. Als wij niet oppassen, dan missen we de boot en verliezen we bedrijven.
Het Draghi-rapport windt er dan ook geen doekjes om. Het zegt: investeer in de bedrijven
en maak helder en ambitieus beleid. Toch missen we duidelijke kaders en concrete doelen
van de overheid. Veel plasticrecyclingbedrijven gaan failliet. Een gebrek aan certificeren
zorgt voor wantrouwen in afval als grondstof. Dit vertraagt de transitie naar circulair,
terwijl bedrijven klaar zijn voor een tandje sneller. Wat is de stand van zaken van
de circulaire-economiewet, die op aandringen van D66 in de maak is? Kan de Staatssecretaris
toezeggen normen te maken voor producten die op de markt komen, zodat deze beter gerecycled
kunnen worden? En hoe staat het met de Duurzame Dinsdaginitiatieven die hij heeft
ontvangen?
Voorzitter. In de beantwoording van onze vragen gaf de Staatssecretaris de markt de
schuld van het omvallen van individuele recyclingbedrijven, maar dat is te makkelijk.
Hoe kijkt hij aan tegen het financieren van de onrendabele top van circulaire businessmodellen?
En hoe staat het met de Europese norm voor duurzame koolstof in de chemische industrie?
Voorzitter. Zonder Europa kunnen we niet werken aan een gezond circulair innovatieklimaat
in Nederland en Europa. Kan hij toezeggen in Brussel ambitieus in te zetten op de
Clean Industrial Deal, waar wij volgens mij allen op wachten?
Tot slot zou de circulaire economie het hart moeten zijn van onze klimaataanpak, maar
de klimaatdoelen raken uit het zicht en het bedrijfsleven vraagt om duidelijkheid.
Kortom, kabinet, ga aan de slag voor een duurzame toekomst.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Mevrouw Wingelaar namens Nieuw Sociaal Contract, gaat
uw gang.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Dank u wel, voorzitter. Het onderwerp is dus circulaire economie, en dat onderwerp
is zeer veelomvattend. Je zou bijna niet weten waar je moet beginnen. Ik ga een poging
doen om mijn vijf minuten spreektijd zo goed mogelijk te benutten.
Voorzitter. Dit najaar zou de statiegeldregeling worden geëvalueerd. Er is toegezegd
dat de regelgeving breed bekeken wordt, waarbij ook eerder door de Kamer genoemde
zaken worden meegenomen. De uitkomst van de evaluatie zal eind van het jaar met de
Kamer gedeeld worden. Nu lezen we dat er meer tijd nodig is. Wat is de reden voor
de vertraging? En hoe kan het dat er wel een rapport uitlekt waarin zeer vergaande
maatregelen aangekondigd worden? Nieuw Sociaal Contract is van mening dat een verhoging
van het statiegeldtarief nu nog helemaal niet aan de orde kan zijn, want de basis
is niet op orde. Het heeft tijd nodig en de inzamelcapaciteit moet omhoog. Wat is
de visie van de Staatssecretaris op dit gebied? Heeft de Staatssecretaris niet nu
al enig zicht op welke aanpassingen er in de wetgeving noodzakelijk, nuttig en mogelijk
zijn? En hoe wordt de Kamer hierin meegenomen?
Voorzitter. Ik heb eerder aandacht gevraagd voor de problematiek in de grensstreken
met België. In Nederland krijgt men statiegeld voor Belgische blikjes en flesjes,
waar in België geen statiegeld voor betaald is. Stelt u zich nu eens voor dat het
statiegeldtarief ook nog eens verhoogd wordt. Dan krijgt de Belgische consument dadelijk
nog geld uitbetaald voor deze blikjes en flesjes. De huidige regelgeving verhoogt
bij de supermarkten al de druk op de inleverautomaten. Een hoger statiegeldtarief
zal de druk al helemaal verhogen. De Staatssecretaris plaatste eerder ook vraagtekens
bij de situatie en heeft toegezegd om het onderwerp te bespreken met het verpakkend
bedrijfsleven. Hebben deze gesprekken al plaatsgevonden en is er een oplossing voor?
Voorzitter. Ik wil in dit debat aandacht hebben voor plastic. Er zijn namelijk grote
problemen in de industrie rondom productieverwerking en hergebruik van plastic. Er
leven veel vragen en onzekerheden op het gebied van de nationale circulairplasticnorm.
De Nederlandse industrie slaat nu zelfs de handen in elkaar om hun zorg kenbaar te
maken. Wat is het standpunt van de Staatssecretaris, maar ook van de Minister over
deze zorgen? De partijen vragen om een circulairplastictafel. Dat is een tafel waaraan
diverse ministeries plaatsnemen met de industrie. Eigenlijk verbaast het me dat dit
nog niet eerder gebeurd is, want het kan toch niet waar zijn dat er überhaupt beleidsvoorstellen
of wetten uitgewerkt worden die de industrie op een dusdanige manier raken zonder
dat men aan tafel zit? Wat is de visie van de Staatssecretaris op dit punt? Hoe schat
de Staatssecretaris de gevolgen voor de industrie in? En wat is de visie van de Minister
van Economische Zaken hierop? Nieuw Sociaal Contract is voor een plastictafel, maar
wel met een duidelijke deadline.
Voorzitter. De nationale circulairplasticnorm heeft bijvoorbeeld ook invloed op de
sector kunststofleidingensystemen. In Europese wetgeving worden deze plastics ook
anders behandeld. Waarom gebeurt dit in Nederland niet? Is de Staatssecretaris op
de hoogte van de problematiek? En, veel belangrijker, welke oplossingen ziet de Staatssecretaris?
Voorzitter. Vorige week en gisteren nam ik deel aan de rondetafelgesprekken over circulaire
financiering en taxshift, normeren, stimuleren en beprijzen. Dat waren twee zeer interessante
gesprekken, maar er was vooral veel kritiek op dat er geen duidelijke keuzes worden
gemaakt op het gebied van de circulaire economie. De lineaire economie staat nog altijd
voorop. Diverse partijen en sectoren dragen verschillende oplossingen aan op het gebied
van fiscale en juridische maatregelen. Om tot een circulaire economie te komen – en
dit is onvermijdelijk als je naar de uitputting van onze grondstoffen kijkt – moet
er iets gebeuren. Ik zou graag van beide Staatssecretarissen en de Minister horen
welke maatregelen zij voorstellen om de circulaire economie mogelijk te maken. Welke
oplossingen zijn er? En op welke manier sluiten deze aan bij de lijnen die ook worden
genoemd in het werkprogramma van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire
Economie? Alleen met een gedragen, integrale visie en een pakket maatregelen zijn
volgens experts de doelen te halen. Verder vraag ik me hardop even af wie hier dan
nu integraal op gaat sturen. Blijven de ministeries op hun eilandjes zitten of is
het verstandig dat er meer integrale aansturing komt?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Kijk eens aan. U bent aan het einde van uw inbreng gekomen. Dat is hartstikke mooi.
U heeft nog een interruptie van de heer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Ik hoor echt wel aanknopingspunten richting ons verhaal als het bijvoorbeeld gaat
over de plastictafel en het akkoord. Dat is dus hartstikke goed om te horen. Ik zou
door willen vragen op het kwartje van Jansen. U maakt een statement over het statiegeld.
U zegt dat u dit niet wilt. Maar in feite is dat kwartje van Jansen geen statiegeld;
het is een soortgelijke vorm van belasting voor de consument. U maakt ook een vergelijking
met de grensstreek met België. Die voel ik ook. Maar dan kun je toch onmogelijk voor
dat kwartje van Jansen zijn?
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Ik vind statiegeld helemaal niet te vergelijken met het voorkomen van vervuiling in
het milieu door single-use plastics. We zijn pas anderhalf jaar bezig met dit systeem
van statiegeld en ik pleit er altijd voor dat het meer tijd nodig heeft. Andere landen
doen er acht jaar over om de doelen te halen en wij zetten daarop de versnelling in.
Wat mij betreft heeft statiegeld dus helemaal niets te maken met wat u «het kwartje
van Jansen» noemt. Het kwartje van Jansen zet volgens mij in op het voorkomen van
een grotere wegwerpmaatschappij.
De heer Buijsse (VVD):
Ze zijn allebei bedoeld om het zwerfafval tegen te gaan, hergebruik te stimuleren
en milieubelasting te voorkomen. Ik zie daarin wel degelijk een parallel. Dat is uiteindelijk
de bottomline en ik neem aan dat u ook staat voor de mensen met een minder dikke portemonnee.
Dit is uiteindelijk toch een belasting voor inwoners en consumenten. U kunt, zeker
in de grensregio, toch niet voor dit voorstel zijn?
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Meneer Buijsse, ik kan u dit zeggen. Als wij het over bestaanszekerheid hebben, hebben
we het in ieder geval niet over de doelgroep die € 4 voor een cappuccino betaalt bij
Starbucks of Julia's. Dan komen we voor een hele andere doelgroep op.
De voorzitter:
Meneer Boutkan, u heeft ook een interruptie.
De heer Boutkan (PVV):
Ik zou het met een voorbeeld willen illustreren. Je hebt twee verkooppunten. Aan de
ene kant heb je de visboer. Aan de andere kant heb je de patatzaak of, afhankelijk
van aan welke kant van Nederland je zit, de frietzaak. De visboer is van zijn plastic
verpakkingen overgeschakeld op kartonnen verpakkingen om zijn vissen in te doen voor
de verkoop, maar de friet- of patatboer is bij plastic gebleven. Stel, dit kwartje
wordt ingevoerd. Die blijft dan dus bij dat verkooppunt; die mag dat extra doen. Wat
denkt mevrouw Wingelaar van NSC dat die visboer, die nu meer betaalt voor zijn kartonnen
verpakking dan voor een plastic verpakking, dan misschien gaat doen? Deelt u de mening
van de PVV dat de zorg bestaat dat die visboer dan weer teruggaat naar zijn plastic
verpakking, waardoor we onszelf eigenlijk in de voet schieten?
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Ik sluit dan eigenlijk aan... Het zou mooi zijn als dat geld gebruikt zou kunnen worden...
Ik vraag meteen aan de Staatssecretaris of daar toch niet een soort prikkel aan vast
kan zitten om te blijven investeren in duurzame producten.
De heer Boutkan (PVV):
Volgens de brief van de Staatssecretaris heeft hij dat onderzocht en is dat niet mogelijk.
Bij de PVV zit de zorg dat die visboer die, gelukkig, is omgeschakeld, toch weer teruggaat
omdat hij dan zijn verdienmodel kan vergroten. Wat hij ervoor had beoogd, blijft over.
Kunt u zich erin vinden als we het verhaal over die meerprijs voorlopig niet gaan
doen en meer onderzoek gaan doen op dit onderwerp?
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Ik ben heel erg benieuwd. Ik kan me voorstellen dat de Staatssecretaris er goed over
heeft nagedacht voordat hij met dat voorstel komt en dat hij de vragen die wij hierover
hebben, dadelijk gaat beantwoorden. Maar ik ga nog niet zo ver met u mee dat ik zeg:
haal ook deze maatregel van tafel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan is de beurt aan de heer Gabriëls voor zijn inbreng namens GroenLinks-Partij
van de Arbeid.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Direct met de deur in huis vallend is mijn eerste vraag aan
de Staatssecretaris: gelden de doelen uit het Nationaal Programma Circulaire Economie
nog, dus de 50% circulair in 2030 en 100% in 2050? Staan die doelen fier overeind?
En zo ja, wanneer komt dan de circulaire-economiewet naar de Kamer? Bent u van plan
daar bindende tussentijdse doelen in op te nemen? Wanneer komt er een herzien Nationaal
Programma Circulaire Economie? De hele sector schreeuwt hier namelijk om. We hebben
overzicht, visie en een concreet routeplan naar 2030 en 2050 nodig. Er vallen wekelijks
bedrijven om, kennis en innovatiekracht verdwijnen, en er staat geen zin over in het
regeerprogramma.
In de textielsector worden de problemen alsmaar groter met de enorme toename van de
ultra-fast fashion. Het marktaandeel van Shein is inmiddels groter dan dat van H&M
en Zara bij elkaar. Er worden containerschepen vol met plastic kleding uit China gehaald
en in de tussentijd lopen de pakhuizen vol met gebruikte kleding waar onvoldoende
markt voor is of die van zulke slechte kwaliteit is dat die niet gerecycled kan worden.
Tweedehandskledingverkopers en kringloopwinkels hebben er enorm last van en gisteren
bleek ook dat sommige kleren van de webshop Shein de gezondheidsnorm voor de wettelijk
toegestane hoeveelheid toxische stoffen met honderden keren overschrijdt. Ik vraag
de Staatssecretaris om er alles aan te doen om de instroom van deze rotzooi in te
dammen. De waanzin door fast fashion en de bizarre milieu-impact moeten echt gestopt
worden. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat we in Nederland een bloeiende
textielrecyclingsector houden? Frankrijk, dat zich in een gelijk speelveld bevindt,
heft € 5 op ieder fastfashion-item. Kan zoiets ook in Nederland? Bent u bereid dat
te onderzoeken en hiermee terug te komen naar de Kamer? Graag een reactie hierop van
de Staatssecretaris van Financiën. Kan de UPV aangepast worden? Kan de Staatssecretaris
ervoor zorgen dat de bijdrage van de producenten niet alleen gebaseerd is op gewicht,
maar ook op kwaliteit, herbruikbaarheid en levensduur van kleding? Ik wil van de Staatssecretaris,
in dit geval de Staatssecretaris Milieu, horen of hij bereid is de UPV textiel te
verbeteren en hiermee terug te komen naar de Kamer.
Dan ga ik verder met plastics. De markt voor hoogwaardig recyclaat komt maar niet
van de grond en in de tussentijd vallen recyclers om. Wij zijn daarom groot voorstander
van een bijmengverplichting. Die bijmengverplichting zou wat GroenLinks-Partij van
de Arbeid betreft zo snel mogelijk moeten ingaan. We roepen op vertraging van de invoering
van een bijmengnorm te voorkomen. Wel moet de norm gepaard gaan met een passend pakket
aan flankerend beleid. Een voorbeeld hiervan is om in de UPV's een lagere bijdrage
te vragen van een producent op het moment dat die veel in Nederland geproduceerd recyclaat
gebruikt. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of er ook voorwaarden gesteld kunnen
worden aan de herkomst van het recyclaat en of er mogelijkheden zijn om een bijmengnorm
in te voeren voor alle kunststofproducten die in Nederland op de markt komen. Ik denk
dat we moeten voorkomen dat verkopers alsnog producten uit goedkoper China kunnen
afnemen, terwijl de Nederlandse recycle-industrie en de verwerkers blijven wegkwijnen.
Dan ga ik naar normeren en beprijzen. We hebben bij de rondetafelgesprekken van de
afgelopen twee weken steeds weer benadrukt gekregen hoe belangrijk het is dat er genormeerd
en beprijsd gaat worden, in combinatie met het stimuleren van circulaire bedrijven.
Allereerst moet er een belastingverschuiving plaatsvinden van arbeid naar grondstoffen.
Ook zijn er vele andere manieren om de circulaire economie via beprijzing aan te wakkeren.
Ik wil graag weten op welke manier de bewindspersonen die hier aanwezig zijn, samen
die transitie vormgeven. Wordt dit überhaupt besproken binnen het kabinet?
Ik kom op zwerfafval. Zwerfafval bestaat voor 90% uit verpakkingen en eenmalige artikelen
die voor consumptie to go in de openbare ruimte zijn ontworpen. Ontwerpers van die
verpakkingen zouden zich veel meer bewust moeten zijn van de eigenschappen die het
zwerfafvalrisico van hun verpakkingen genereert. Kan de Staatssecretaris de UPV dusdanig
aanpassen dat er ook tariefdifferentiatie komt voor producten die een lager zwerfafvalrisico
hebben? En kan de Staatssecretaris met zwerfafvalrapers in gesprek gaan met het doel
om plasticvarianten van zwerfafval waarbij ook plasticvrije varianten gevonden worden,
in kaart te brengen en te verbieden?
Dan heb ik nog een soort van luchtig item, namelijk glas. Ik wil een lans breken voor
herbruikbaar glas. Velen van ons kennen the walk of shame wel, dus dat je na een weekend
met lege flessen naar een glasbak loopt en dat je ze kapot hoort vallen. Maar het
recyclen van glas is hartstikke energie-intensief, terwijl er bij glas juist heel
veel kansen zijn voor langdurig hergebruik. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bierflesjes
die we allemaal kennen, dus de bruine Nederlandse retourfles. Die worden hergebruikt.
Glazen verpakkingen hebben daarom een enorm potentieel voor een succesvol hergebruiksysteem,
bijvoorbeeld voor wijnflessen. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken wat
de mogelijkheden zijn om herbruikbaar glas te stimuleren?
Tot slot wil ik een oproep doen om weer zo snel mogelijk en zo vaak mogelijk een circulaire-economiedebat
in te plannen. Ik weet dat dit in de pv moet, maar ik wil het toch genoemd hebben.
We behandelen zo veel onderwerpen vandaag en deze inbreng hier doet geen recht aan
de honderden position papers en vragen en bezorgdheid die we de afgelopen maanden,
sinds februari, hebben gekregen. Meer verdieping is nodig en daartoe roep ik iedereen
op.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Ik heb een vraag aan de heer Gabriëls. Ik heb twee vragen. Vindt GroenLinks-PvdA dat
er met de circulairplasticnorm, met deze wet, een gelijk speelveld is en wordt gecreëerd
in Europa? En vindt GroenLinks-PvdA werkelijk dat deze manier van generieke eisen
stellen aan het bijmengen bij al die toepassingen gewenst is?
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Sorry, ik had de microfoon aan laten staan. Mijn excuus daarvoor. Omdat die norm in
2030 in Europa ingaat, lijkt het me verstandig om, daarop vooruitlopend, in 2027 en
het liefst eerder een bijmengnormverplichting in te stellen. Alle recyclers vragen
daar namelijk om, omdat de recycle-industrie zo een markt krijgt. We moeten zien te
voorkomen dat daarmee een weglekeffect ontstaat, doordat er misschien een minder gelijk
speelveld ontstaat. Ik heb een voorbeeld in mijn bijdrage genoemd en heb gevraagd
om daarvoor bijvoorbeeld in de UPV flankerend beleid te maken, dus om de huidige norm
via flankerend beleid uit te breiden. Er moet dan in ieder geval naar worden gekeken
om enerzijds wel een bijmengnorm te hebben, dus een stimulerende marktvraag voor recyclers,
maar die anderzijds niet uit te stellen. Dat kan via de UPV en via flankerend beleid.
Excuus, de tweede vraag ben ik even vergeten.
De heer Buijsse (VVD):
Ik had twee vragen gesteld. De eerste vraag ging over het gelijke speelveld binnen
de EU. Als tweede vroeg ik of u echt naar die generieke eisen voor het bijmengen wilt.
Wilt u voor alle toepassingen in de plasticbranche, van lang cyclisch tot kort cyclisch,
allemaal dezelfde bijmengnorm, bijvoorbeeld richting 25% à 30%? Dat is voor sommige
toepassingen niet haalbaar.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
We hebben ook een petitieaanbieding gehad voor pvc. Als het op alle vlakken echt niet
anders kan, dan moeten er uitzonderingen plaatsvinden. Dat moet zeker gebeuren. Maar
we zijn het er niet mee eens om een hele norm, waar de hele sector zo om schreeuwt,
met al die uitzonderingen over één kam te scheren. Wij willen dat die norm er zo snel
mogelijk komt, omdat je daarmee niet alleen naar een weglekeffect, maar ook naar «inlekeffecten»
kunt kijken. We gaan daar een voordeel mee krijgen. We spreken hier met z'n allen
over de innovatiekracht en over het failliet gaan van recyclebedrijven. De enige manier
om een markt te creëren is om zo snel mogelijk met zo'n norm te komen. Ja, die norm
is niet perfect, maar nee, we moeten die niet van tafel gooien. De norm moet met flankerend
beleid geperfectioneerd worden. Volgens mij vindt u dat ook.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we toe aan de interruptie van de heer Stoffer. Gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Soms komt er zomaar spontaan iets boven, dus ik weet helemaal niet wat ik lostrek,
maar dat herbruikbare glas van de heer Gabriëls vond ik wel een mooi idee. Ik heb
me er altijd over verbaasd dat een pak melk dat je hebt gekocht, wat je geregeld doet,
de grijze container ingaat. Zo doen we dat in Elspeet in ieder geval. Ik weet niet
hoe het elders werkt. Hier in Den Haag werkt het weer anders. Zou het ook een idee
zijn om bijvoorbeeld melk en karnemelk in flessen te doen en die herbruikbaar te maken?
Heeft de heer Gabriëls daar weleens aan gedacht? Het komt spontaan naar boven, maar
misschien heeft hij daar wel hele goede ideeën over.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Ik weet het niet, maar het lijkt mij duurzamer. Het lijkt mij een heel goed idee,
maar volgens mij bestaat dit al. Bestaat dit al? Volgens mij kun je melk in flessen
kopen, toch? Maar hoe dan ook, als dat niet het geval is en als het duurzamer en beter
is, dan lijkt mij dat heel verstandig. Het is altijd beter, want karton is ook afval.
Wij zijn voor alles wat tot minder afval en minder grondstoffengebruik leidt. Mijn
antwoord is dus ja, en dank u wel voor deze inbreng.
De voorzitter:
Meneer Stoffer, ik herinner me dat beeld nog van vroeger, dus dat het in flessen kan.
De heer Stoffer (SGP):
Nu gaan we bijna een debat met de voorzitter voeren. Het was maar een spontane gedachte.
In de supermarkt waar ik altijd kom, de PLUS in Elspeet, heb ik nog nooit flessenmelk
zien staan. Er staan daar alleen pakken en plastic dingen. Wie weet kunnen we er nog
iets heel moois van maken in dit land en heel veel afval voorkomen.
De voorzitter:
We gaan geen debat met de voorzitter voeren. We gaan door naar de inbreng van de heer
Pierik van de BBB. Dat gaan we doen. Gaat uw gang.
De heer Pierik (BBB):
Dank, voorzitter. In de landbouw komen we al heel veel circulaire processen tegen.
Varkens eten restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie, zoals brood, koek en
chocola. Koeien eten sinaasappelschillen en bierbostel, restproducten uit de bier-
en suikerproductie. Maar ook circulair bouwen is iets wat boeren goed kunnen. Stukken
hout worden vaak bewaard omdat ze ergens nog kunnen dienen als ondersteuning of vervanging.
En wie weleens door een oude boerenstal heen is gelopen, is waarschijnlijk blij verrast
om te zien hoeveel creativiteit daar te zien is als het gaat om het hergebruik van
materialen. Ten laatste worden op steeds meer akkerbouwbedrijven gewassen verbouwd
voor de productie van biobased bouwmaterialen.
Voorzitter. Het gaat mij natuurlijk om het bevorderen van creativiteit en hergebruik,
maar dat moet wel kunnen. Daarmee bedoel ik dat we als overheid de regels zo moeten
aanpassen, dat de ondernemers en de particulieren stappen gaan zetten in kringloopdenken
en hergebruik. Als ik zie hoe lastig het is om een product dat hergebruikt wordt,
van het stempel «afval» te verlossen, hebben we nog een hele lange weg te gaan. Eigenlijk
moeten we afval omkatten tot grondstof.
Voorzitter. In mijn overtuiging moeten we het bevorderen van de circulaire economie
Europees aanpakken. Als we ons gedragen alsof we op een eiland zitten, zullen veel
initiatieven sneuvelen als gevolg van het feit dat de import van goedkope, niet-circulaire
producten de overhand houdt. We hebben dat helaas kunnen zien in de markt van de plasticrecycling.
Voorzitter. Het recyclen, hergebruiken en verduurzamen van producten kost vaak meer
geld dan het werken met nieuwe grondstoffen. Als we de ondernemers willen ondersteunen,
dan is een prijsprikkel nodig. Ik ben echter huiverig voor het extra belasten van
allerlei producten. Wat BBB betreft moet de overgang naar circulair ook haalbaar en
betaalbaar zijn. We moeten stimuleren, we moeten innoveren, we moeten motiveren en
we moeten ondersteunen. Ik zie daarom meer heil in positieve prikkels. Een taxshift
van belasting op arbeid naar belasting op materialen kan wellicht helpen, maar ik
wil dan wel eerst de consequenties in beeld hebben voor de economie, maar ook voor
de gemiddelde burger. Kan de Staatssecretaris van IenW of de Minister van Financiën
die in beeld brengen?
Voorzitter. We zetten steeds meer in op reparatie van producten. De Europese Commissie
werkt daar ook aan. We moeten daarbij niet vergeten dat we voldoende echte vaklui
nodig hebben. Als deze mensen er niet zijn, zal het product alsnog bij het grofvuil
belanden. Neemt de Staatssecretaris dit ook mee in zijn beleid?
Voorzitter. Ten slotte wil ik het volgende zeggen. De Staatssecretaris werkt aan een
plastictoeslag van € 0,25. Ik vind dit geen goed idee. Deze toeslag geeft een perverse
prikkel voor de ondernemer omdat er feitelijk een beloning is voor het blijven verkopen
van plastic. Daarnaast nemen we ook de prikkel weg om te innoveren in de richting
van minder plasticgebruik. Mijn vraag is waarom de Staatssecretaris denkt dat dit
wel gaat werken, terwijl de vorige toeslag aantoonde dat het juist niet werkte.
Dank u wel, voorzitter. Tot zover mijn inbreng.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dat is hartstikke mooi. Dank u wel. U heeft een interruptie van de
heer Grinwis van de ChristenUnie. U ook welkom bij dit debat.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank daarvoor. Ik heb inderdaad een korte vraag naar aanleiding van het
eerste deel van het betoog van de heer Pierik. Dat ging specifiek over biobased gewassen.
Steeds meer boeren en in het bijzonder akkerbouwers, maar volgens mij is het breder,
leggen zich toe op de teelt van biobased gewassen. Daar heb je prachtige toepassingen
bij. Dat kun je stimuleren. Je kunt helpen om die ketens op te bouwen, maar je kunt
ook een vraag creëren door te normeren. Ongeveer de eerste daad van Minister Keijzer
was het aanhouden en aanscherpen van de MPG, de MilieuPrestatie Gebouwen, die juist
de vraag naar biobased gewassen moet stimuleren. Nu is er dan wel een cryptische passage
toegevoegd aan de Woontopbrief, maar dat verhaaltje verhoudt zich erg slecht met het
betoog van de heer Pierik.
De heer Pierik (BBB):
Het is altijd een kwestie van het afwegen van belangen. Het belangrijkste doel is
om er in ieder geval ook voor te zorgen dat die 100.000 woningen jaarlijks gebouwd
gaan worden. Je wilt dat natuurlijk het liefst doen met zo veel mogelijk biobased
bouwmaterialen. Maar het is een afweging. Er is een urgente noodzaak om die 100.000
woningen te bouwen. Ik kan me dan ook voorstellen dat biobased bouwen hier en daar
een net iets minder prominente plek inneemt als het gaat om de manier waarop die woningen
worden gebouwd.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nu breekt toch wel mijn houten klomp, om het over biobased producten te hebben, want
dit kan niet waar zijn. Dan slaat dat eerste deel van het betoog helaas op niet zo
heel veel. Als puntje namelijk bij paaltje komt, creëren we eigenlijk geen vraag naar
die producten en blijven we maar tegen een touwtje duwen. En de heer Pierik weet dat
tegen een touwtje duwen niet zo zinvol is, terwijl het helemaal niet gezegd is dat
het toepassen van biobased producten duurder is. Sterker nog, als je de kosten berekent
over de hele levensduur en daarbij ook de klimaatkosten betrekt, is het bijna altijd
goedkoper. Als je meer industrieel gaat bouwen, wat wij willen, kun je biobased materialen
ook heel makkelijk in het productieproces toepassen. Dus vanwaar gelijk die wat defensieve
houding met «het is misschien wat duurder» en «die 100.000 huizen zijn een noodzaak»?
Volgens mij is dat helemaal geen tegenstelling. Kom dus uit uw schuttersputje, meneer
Pierik.
De heer Pierik (BBB):
Dank voor deze vraag, meneer Grinwis. De heer Grinwis zegt: kom uit je schuttersputje.
Het blijft een afweging van belangen. Ik beweer hier ook niet dat het een het ander
in de weg zit. We moeten volop blijven inzetten op het terrein van het meer gebruiken
van biobased bouwmaterialen op de plekken waar dat kan. Ik heb vorige week nog gesproken
met een aannemer die heel veel werkt met biobased bouwen en die daar ook superenthousiast
over is. Die kan met biobased materialen ook redelijk marktconform bouwen ten opzichte
van andere materialen. Ik denk dat we wat dat betreft heel nadrukkelijk samen op moeten
trekken. Op de momenten en op de plekken waar al heel goed gewerkt kan worden met
biobased bouwmaterialen, zeker ook bij wat meer industrieel gebruik zoals bij prefabwoningen
en dergelijke, moeten we dat volop oppakken.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dan volgt de inbreng van de heer Stoffer namens de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Volgens mij zijn al mijn vragen aan de Staatssecretaris van IenW.
Ik twijfel over twee vragen. Die zouden ook bij Financiën kunnen horen. Dat zal ik
specifiek opmerken.
Voorzitter. Het onderwerp circulaire economie leeft. Dat kun je alleen al zien aan
de vele brieven vanuit het werkveld. Het belang is ook groot. De CO2-uitstoot van onze levensstijl wordt immers voor het grootste deel bepaald door de
productie van alle kleding, koekenpannen en kerstballen die we in huis halen. En die
opgave is enorm. Het beleid focust op recycling, maar de consumptiegroei overtreft
de grondstoffenbesparing. We zitten wat dat betreft op een gevaarlijke wip. Recyclingbedrijven
in plastic en textiel trekken het niet meer, onder meer door de goedkope import van
ruwe grondstoffen en wegwerpproducten uit Azië. Kortom, er is echt werk aan de winkel.
De SGP pleit voor uitbreiding van het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
Het zorgt ervoor dat regels en heffingen niet alleen gelden voor Nederlandse producenten
en producten, maar ook voor geïmporteerde producten. Als een bijmengverplichting voor
recyclaat of een plasticheffing niet voor geïmporteerde producten geldt, zijn we verkeerd
bezig. Breng meer afvalstromen onder de UPV, is mijn opmerking. Zet in op hoogwaardige
in plaats van laagwaardige recycling en maak producenten ook verantwoordelijk voor
meer hergebruik en reparatie, bijvoorbeeld door de verplichting om een landelijk dekkend
reparatiesysteem te realiseren. Mijn vraag is of dat ook de inzet van de Staatssecretaris
is.
Plasticrecyclers vallen om. Het is hoog tijd dat Hollands recyclaat aantrekkelijker
wordt ten opzichte van goedkoop geïmporteerd plastic. Hoe gaan we zorgen voor een
effectieve heffing op olieproducten die als plastic de markt op komen? Een ander knelpunt
betreft de residustromen. De bijbehorende verbrandingskosten vliegen omhoog door een
stapeling van heffingen bij afvalenergiecentrales. Kan de CO2-heffing voor afvalenergiecentrales ten minste beperkt worden tot verbranding van
niet-gesorteerde afvalstromen?
De ILT denkt aan verviervoudiging van het statiegeldtarief voor petflessen. En ja,
het moedigt wat meer mensen aan om flessen in te leveren, maar het is wel heel gortig.
Het wringt met de betaalbaarheid van boodschappen en dat is niet de goede weg. Ik
denk eerder aan een beperkte verhoging in combinatie met meer inzamelingspunten en
een nieuwe voorlichtingscampagne. De SGP heeft enkele vragen over de regelbrij voor
wegwerpplastic. De Staatssecretaris wil niet toestaan dat kartonnen bekers en voedselverpakkingen
met maximaal 5% plastic, die 100% gerecycled worden, gebruikt worden. Zo'n uitzondering
zou niet handhaafbaar zijn. De overstap naar herbruikbare bekers is echter niet overal
werkbaar, bijvoorbeeld in ziekenhuizen. Ik snap dat een generieke uitzondering lastig
is, maar mijn vraag is of de Staatssecretaris wil kijken naar een uitzondering voor
het gebruikmaken van de diensten van gecertificeerde bedrijven met een gesloten systeem
voor inzameling en recycling van bekers met een maximumpercentage aan plastic.
Voorzitter. Ik ga verder met de waterbeheerders. Die kampen met hoge kosten door alle
plastichoudende wegwerpdoekjes die in het afvalwater en in het milieu belanden en
voor verstoppingen zorgen. Wil de Staatssecretaris zich inzetten voor een Europees
verbod op het gebruik van plastic in wegwerpdoekjes?
Ook in de textielsector zijn grote zorgen. De tweedehandsmarkt wordt de pas afgesneden
door ultra-fast fashion. Het kan toch niet zo zijn dat ingezameld textiel zich ophoopt
en verbrand moet worden? De UPV gaat per 1 januari in. Er zijn meerdere producentenorganisaties
opgericht. Er wordt echter pas over 2026 gecontroleerd en ik vrees concurrentie op
zo min mogelijke inzet. Wil de Staatssecretaris zorgen voor een instaptoets voor producentenorganisaties,
zoals ook in België het geval is?
Voorzitter. De SGP pleit ook voor aanscherping van de UPV textiel. Ik heb daarover
de volgende vragen. Worden er afspraken gemaakt over een bijmengverplichting voor
recyclaat? En komt er een tariefdifferentiatie die hergebruik en recycling beloont?
Ik kan me voorstellen dat deze vraag bij Financiën hoort, maar dat weet ik niet helemaal
zeker.
Voorzitter. Ik wil de Staatssecretaris een compliment maken, omdat hij aan de slag
is gegaan met mijn motie om te zorgen voor de juiste prikkels voor reparatie en hergebruik
van afgedankte elektrische apparaten. Die gaan veel te vaak naar de shredder, terwijl
het niet nodig is. Een reparateur uit Ede vertelde: als een klant binnenkomt met een
magnetron waarvan het glas kapot is, dan mag ik niet een goed deurtje van een andere
magnetron overzetten. Dat is toch de wereld op zijn kop?
Ik ga de Staatssecretaris toch een beetje de bel aanbinden. Kan ik hem erop afrekenen
dat de vakmannen die ik zojuist aanhaalde, binnenkort de ruimte hebben om zonder een
duur certificaat hun gang te gaan? En kunnen apparaten pas als afgedankt worden beschouwd
als ze er echt geen raad meer mee weten? Komen er ook afspraken over meer hergebruik
en reparatie, verplichte beschikbaarheid van onderdelen en een fonds voor reparatiebonussen?
Voorzitter. Tot slot wil ik het volgende zeggen, want ik zie dat ik bijna aan mijn
tijd zit. De opgave is complex en veelzijdig, en we willen weg van die wegwerpmaatschappij.
Maar zonder een mentaliteitsverandering bij bedrijven en consumenten gaat dat niet
lukken. Daarom heb ik de volgende oproep: koop bewust en kies voor hergebruik en reparatie.
Mijn opa, die vroeger fietsenmaker was, zou daar postuum ongelofelijk blij van worden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik had net buiten de microfoon al een mooi gesprek met mijn collega van de SGP. Maar
ik ben vooral benieuwd naar de visie van de SGP op de rol van circulaire bedrijven
in dit economische speelveld, die al in hun businessmodel hebben opgenomen om het
vanaf het begin goed te doen. Zij moeten functioneren in een lineair economisch systeem,
waardoor ze te maken hebben met een ongelijk speelveld en oneerlijke concurrentie.
Heeft de SGP ideeën over hoe we deze circulaire bedrijven in ieder geval vooruit zouden
kunnen helpen en waarmee we ze een gunstigere omgeving zouden kunnen geven?
De heer Stoffer (SGP):
Het gesprek dat we net buiten de microfoon hadden, ging ook over mijn opa en zijn
fietsenmakerij, en mijn oude fiets van meer dan 30 jaar oud, waar ik nog steeds op
rijd. Dat was wel een mooi gesprek. Het is een mooie vraag, maar met een moeilijk
antwoord. Ten eerste spreekt het lid Kostić over «het systeem», en daar zit het vaak
al in. We zitten altijd vastgebakken in systemen en daar word ik af en toe gallisch
van. We moeten op z'n minst buiten het systeem durven denken. Volgens mij is dat het
eerste.
Ten tweede kan ik allerlei praktische dingen naar boven halen, maar dan werkt dat
net weer niet of haal ik ook weer een systeem naar boven. Laten we er met elkaar voor
staan dat dingen soms ook buiten het systeem vallen en dat er soms vanuit de overheid
tijdelijk een beetje geld bij moet om iets voor elkaar te krijgen. Dat kan ook. En
als er meer dingen zijn, dan sta ik daarvoor open. We moeten vooral buiten het systeem
durven denken. Alles wordt altijd maar doodgegooid met «in het systeem» en daar past
het net niet in. Dan krijg je een wereld die we echt niet willen. Als er een goede
reden voor is, sta ik er graag voor open, maar dit is het begin.
De voorzitter:
Het lid Kostić heeft een vervolginterruptie.
Kamerlid Kostić (PvdD):
«Systeemverandering» en «buiten het systeem denken» klinken echt als een verhaal van
de Partij voor de Dieren. Zo zie je dus maar weer dat de SGP en de Partij voor de
Dieren af en toe dichter bij elkaar staan dan je denkt. Staat de SGP er bijvoorbeeld
concreet voor open dat we zo'n circulaire bijdrage op lineaire producten doen? Bedrijven
die het al goed doen, krijgen dan inderdaad te maken met een gelijker speelveld en
lineaire producten worden dan wat zwaarder belast. Het geld dat daaruit komt, wordt
ingezet om ervoor te zorgen dat iedereen het makkelijker krijgt om circulair te werken.
De heer Stoffer (SGP):
Ik doe dit wel even uit de losse pols, want er komen misschien allerlei leeuwen en
beren op je weg. Wat ik net zei over buiten het systeem durven denken, geldt ook hiervoor.
Mijn antwoord is dus vrijuit: ja, dat moeten we durven. Als we dingen namelijk niet
durven, dan verandert het helemaal nooit.
De voorzitter:
U heeft ook nog een interruptie van de heer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Mijn vraag aan de heer Stoffer is hoe hij op dit moment het kwartje van Jansen beoordeelt.
De heer Stoffer (SGP):
Dat doet me weer denken aan het kwartje van Kok. Volgens mij is er genoeg over gezegd.
Je moet altijd uitkijken met allerlei kwartjes. Maar als iets kan helpen om dingen
wat beter te maken, dan mag een kwartje van mij zelfs wel een euro worden. Je moet
altijd uitkijken met die dingen, want van dat kwartje van Kok zijn we ook nooit afgekomen.
Het moet dus niet iets vaststaands worden waar je nooit meer van afkomt. Ik ben er
niet per se op tegen, maar ik ben er ook niet per se voor. Ik denk altijd: het is
een middel om een bepaald doel te bereiken. Dan kan iets goed of niet goed zijn, maar
laat het niet een ding op zich worden.
De voorzitter:
Lid Kostić van de Partij voor de Dieren, gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Voorzitter. Onze beleidsmedewerker Tanja, die daar zit, vertelde me over haar lievelingsbroek.
Die is ooit van haar moeder geweest. En het bijzondere aan die broek is dat hij 50
jaar oud is, maar hij schijnt nog helemaal mooi te zijn en heerlijk te zitten. Dat
is een gigantisch contrast met de ultra-fast fashion van nu, waarbij kleren na een
paar keer dragen al kapotgaan en mensen elke dag nieuwe producten worden opgedrongen.
Het resultaat is geldverspilling en bergen met afval en vervuiling. Het staat voor
de wegwerpeconomie waar burgers en ondernemers in vastzitten, een economie waarin
we kostbare materialen verspillen en onze planeet leegzuigen. Dat is niet lang vol
te houden. Op een gegeven moment is de koek gewoon op. Dan is niets meer haalbaar
en betaalbaar, zeg ik tegen de PVV. Het is realistisch dat we niet meer wachten en
dat we nu echt die verandering versnellen. Erkennen de bewindspersonen dat?
De broek van Tanja staat voor die verandering. Hij staat voor een circulaire economie
waarin kwaliteit en vakmanschap weer centraal staan. Hij staat voor een economie waarin
afval niet bestaat en voor een economie waarin je langer doet met je favoriete spullen
die, als het nodig is, makkelijker gerepareerd kunnen worden. Spullen die langer meegaan,
zijn uiteindelijk goedkoper, en daar profiteren mensen in de meest kwetsbare posities
ook extra van. Investeren in de circulaire economie betekent dus ook investeren in
bestaanszekerheid. Maar de daden vanuit de overheid blijven uit. De vorige Staatssecretaris
erkende dat de circulaire economie een illusie blijft zolang het verkopen van zo veel
mogelijk goederen voor een zo laag mogelijke prijs het belangrijkste verdienmodel
is voor onze economie. Ze erkende dat er echte transformaties nodig zijn. Zij omarmde
het Rli-rapport Weg van de wegwerpmaatschappij en specifiek de drie langetermijnaanbevelingen:
eerlijke prijzen voor producten, minder belastingheffing op arbeid en meer belasting
op primaire grondstoffen, en een maatschappijbrede antiwegwerphouding. Hiervoor is
actie van alle drie de bewindspersonen voor de circulaire economie essentieel. Onderschrijven
alle drie de bewindspersonen de drie Rli-aanbevelingen? Voelen zij ook de verantwoordelijkheid
om hier samen de schouders onder te zetten om aan de ene kant actief de lineaire economie
af te bouwen en aan de andere kant de transitie naar circulair te versnellen? Zijn
zij bereid om gezamenlijk snel met een concreet plan voor extra acties te komen en
daarover de Kamer ergens begin 2025 in te lichten?
Voorzitter. Arbeid minder en nieuwe grondstoffen meer belasten is in ieder geval een
maatregel die veel draagvlak heeft onder het bedrijfsleven. De voormalig Staatssecretaris
van IenW wilde deze verschuiving betrekken bij een nieuw belastingstelsel. Dit zou
inderdaad kostenbesparend en efficiënt zijn. Worden kansen voor de circulaire economie
inderdaad meegenomen bij de hervorming van het belastingstelsel, vraag ik de Staatssecretaris
van Financiën. En zo ja, welke stappen worden er genomen? Ziet hij in dat Nederland
achter de feiten aan blijft lopen als we bij de herziening van het belastingstelsel
lineair en niet toekomstgericht blijven denken? Het invoeren van een circulaire bijdrage
op lineaire producten blijkt een belangrijke maatregel te zijn volgens een onderzoek
van het ministerie zelf. De opbrengsten van deze bijdrage kunnen in een circulair
fonds gestopt worden, zodat er direct geïnvesteerd kan worden in bijvoorbeeld reparatietekeningen
voor winkelpersoneel. Wanneer gaan de bewindspersonen met deze maatregel aan de slag?
Dan komt er ook nog een actualisatie van het Nationaal Programma Circulaire Economie.
Kunnen we de toezegging krijgen dat we bijvoorbeeld in Q1 een concept ontvangen, zodat
we er in ieder geval tijdig bij worden betrokken en niet achteraf nog met een heel
programma worden geconfronteerd? Het huidige nationaal programma beloofde meer richting
te geven en meer dwingende maatregelen, maar in de praktijk bestaat het resultaat
vooral uit stapels aan onderzoeken. Kunnen de bewindspersonen bevestigen dat de actualisatie
van het nationaal programma, net als het circulair textielprogramma, meer gaat focussen
op het verminderen van het gebruik van grondstoffen en spullen? Kunnen zij ook toezeggen
dat duidelijk wordt hoe naar de drie Rli-langetermijndoelen wordt toegewerkt, met
duidelijke toezegdoelen en tijdlijnen? Kunnen zij toezeggen dat het programma niet
alleen stuurt op vervolgonderzoeken, maar vooral op concrete maatregelen? In het huidige
programma staat ook dat momenteel wordt verkend – dat was in 2023 – of de ja-jasticker
landelijk kan worden uitgerold. Hoe staat het hiermee en zijn er inderdaad kansen
om dit initiatief landelijk uit te rollen?
Voorzitter. Ten slotte toonde het Rli ook aan dat mensen worden overspoeld door reclame
voor wegwerpproducten, waar ze moeilijk weerstand aan kunnen bieden. Daarom beveelt
het Rli aan reclame op wegwerpproducten te verbieden. Is de Staatssecretaris bereid
te verkennen via welke juridische route dit mogelijk is?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is als laatste van de kant van de Kamer in de eerste termijn het woord
aan de heer Grinwis van de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Sprekend over de circulaire economie, begin ik voor de ChristenUnie-fractie
met het besef dat deze aarde niet van onszelf is, maar dat we deze in bruikleen hebben.
Ieder welopgevoed mens gaat goed om met hetgeen niet van hemzelf is, maar van een
ander. Je bent er zuinig op en zorgt er goed voor, zodat je het weer kunt teruggeven
als je het niet meer nodig hebt. Zo hebben wij ook de verantwoordelijkheid om de aarde
door te geven aan onze kinderen en kindskinderen. Mede vanuit dit besef voelen wij
als ChristenUnie de ambitie om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben
als zeer urgent. Van alle groene doelen die we hebben, is dit misschien wel een van
de meest fundamentele, maar ook een van de meest weerbarstige.
Ondertussen verkondigt het kabinet de blijde boodschap van groene groei. Vermindering
van CO2-uitstoot en economische groei kunnen echt samengaan, aldus het kabinet. Oké, maar
die grondstoffenvoorraad is toch echt eindig, wil ik de Staatssecretaris meegeven.
Mede daarom is circulariteit ook zo van belang. Eindige grondstoffen die niet worden
gebruikt of worden hergebruikt, hoeven ook niet te worden gedolven. Kan de Staatssecretaris
eens reflecteren op de definitie van «groene groei»? Hoe verhoudt deze zich met de
grondstoffentransitie? Welke ambitie staat hij precies voor? De klimaatdoelen zijn
lang niet binnen bereik, zo concludeerde de KEV. Het vorige rapport over circulaire
economie, de ICER, concludeerde dat het doel om volledig circulair te zijn in 2050,
bij lange na nog niet zal worden bereikt. In januari komt het PBL weer met zo'n rapportage.
Als blijkt dat het doel met het huidige beleid niet wordt bereikt, kan de Staatssecretaris
dan toezeggen om met aanvullend beleid te komen, zoals het kabinet dat ook van plan
is bij de KEV? Wat is de stand van zaken van de circulaire-economiewet? Gaat de Staatssecretaris
bezig met de verdere uitwerking daarvan? Wanneer verwacht hij een wet ter consultatie
te kunnen brengen?
Voorzitter. In de rest van mijn bijdrage loop ik de R-ladder, zoals dat heet, af.
Hergebruik en reparatie als eerste. Die staan namelijk bovenaan de ladder, maar lijken
onderaan in de prioriteiten van Nederland en Europa te staan. Deelt de Staatssecretaris
deze observatie? Is de Staatssecretaris bereid om zich in te zetten voor explicietere
aandacht voor hergebruik en reparatie in Europese wetgeving en deze toe te voegen
aan de UPV-systemen? Binnen de UPV-systemen, uitgebreide producentenverantwoordelijkheid,
is vaak geen aandacht voor hergebruik en reparatie. Sterker nog, binnen de huidige
ontwerpen wordt het vaak ontmoedigd aangezien ze niet gericht zijn op recycling. Is
de Staatssecretaris bereid om te verkennen op welke manier hergebruik en reparatie
aan de huidige en toekomstige UPV's kunnen worden toegevoegd?
Het is mooi dat de Ecodesignrichtlijn er is, maar wanneer verwacht de Staatssecretaris
dat alle in Nederland verkochte producten hieraan zullen voldoen? Te vaak zien we
nog dat producten bijvoorbeeld aan elkaar gelijmd zijn en helemaal niet geschikt zijn
voor reparatie. Is de Staatssecretaris bereid om de ILT te vragen jaarlijks steekproefsgewijs
te onderzoeken in hoeverre productgroepen voldoen aan de gestelde eisen en daarover
te rapporteren? Daarnaast is de reparatiebranche bij uitstek in staat om knelpunten
te signaleren en mee te denken bij de doorontwikkeling van de UPV's. Zij zien het
als eerste als bepaalde producten voor een ontwerp niet te repareren zijn. Is de Staatssecretaris
bereid om structureel, bijvoorbeeld halfjaarlijks, overleg te voeren met de vertegenwoordigers
van de reparateurs en hen te betrekken bij de UPV's?
Dan kom ik bij industrie en recycling. Voor de Europese en Nederlandse industrie staan
de seinen op rood. Waardevolle industrieën, bijvoorbeeld van plasticrecycling, staan
op omvallen of zijn al omgevallen. Straks hebben we onze wetgeving eindelijk netjes
op orde, maar zijn onze bedrijven verdwenen; operatie geslaagd, patiënt overleden.
Ik verwacht hierop stappen van dit kabinet. Er moet een levensvatbare businesscase
zijn voor recycling. Waar die ontbreekt, moet die worden gecreëerd. Dat houdt concreet
in, als het bijvoorbeeld gaat over de plasticheffing, dat het gebruik van gerecycled
plastic aantrekkelijker moet zijn dan van virgin plastic. Is de Staatssecretaris bereid
dit uitgangspunt te hanteren? Zo ja, hoe dan? Voor specifieke producten en materiaalketens
moeten de Europese normen voor bijmenging en recyclaat worden vastgesteld. In een
petflesje hoort bijvoorbeeld verplicht gerecycled plastic te zitten, in een auto groen
staal en kunstmest moet worden geproduceerd met blauwe of groene waterstof. Zijn de
bewindspersonen bereid om kabinetsbreed op deze manier te werken aan vraagcreatie
naar duurzame en circulaire producten, al dan niet op Europees niveau?
Ten slotte de subsidie. Het is goed om te lezen hoe de NIKI-regeling kan voorzien
in de opschaling van circulaire technieken. Dit is naar aanleiding van een eerder
aangenomen motie. Volgens mij is er nog meer potentie dan het aantal projecten dat
de regeling nu kan bedienen. Zijn deze bewindspersonen bereid om richting de Voorjaarsnota
te bezien in hoeverre dergelijke regelingen kunnen worden uitgebreid waarmee zowel
circulariteit als emissiereductie worden aangemoedigd? In de praktijk zien we dat
naast financiering ook de trage vergunningverlening een knelpunt vormt bij opschaling.
Kan de Staatssecretaris toezeggen om te bezien hoe knelpunten op dit vlak kunnen worden
weggenomen? Dat betekent ofwel dat de termijn in de NIKI-regeling wordt verlengd –
voor SDE is dat bijvoorbeeld achttien maanden – of dat hij mag toezeggen dat de vergunningverlening
binnen zes maanden kan. Het is een van beide.
Voorzitter. Volgens mij ben ik door mijn tijd heen. Dan laat ik de laatste vragen
eventjes zitten en hebben we nog wat voor de tweede termijn.
De voorzitter:
Zo is het. Dank daarvoor. Ik dank de leden voor de inbreng in de eerste termijn. We
gaan schorsen zodat de bewindspersonen zich kunnen voorbereiden op het beantwoorden
van de vragen die gesteld zijn door alle leden. Het zijn heel wat vragen. Ik stel
voor dat we tegelijkertijd ook lunchen. Ik schors tot 14.00 uur.
De vergadering wordt van 13.06 uur tot 14.09 uur geschorst.
Voorzitter: Nordkamp
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Ik zou graag het commissiedebat Circulaire economie voortzetten.
Is de Kamer ermee akkoord dat de Minister van Economische Zaken zijn vragen eerst
beantwoordt? Hij is later verhinderd en zo kan hij snel door. Is dat akkoord? Fijn.
Dan het verzoek richting het kabinet om de vragen van het lid Kostić aan het einde
van uw beantwoording te plaatsen, omdat zij nu bij de stemmingen aanwezig is. We zouden
eerst schorsen tijdens de stemmingen, maar daar is van afgeweken. Daarom is zij nu
helaas niet aanwezig. Ze zal zo meteen weer aansluiten, maar het verzoek is dus om
de vragen het lid Kostić aan het eind van uw beantwoording te behandelen. Ik hoor
nu de vraag of dat ook mogelijk zou zijn voor de heer Grinwis. Is dat mogelijk? Ik
zie dat dat zo is. Dank voor de medewerking van beide zijden. Het is een beetje passen
en meten op zo'n laatste dag voor het reces, maar met elkaar komen we daar wel uit.
Richting de Kamer zeg ik: u heeft vier interrupties voor de eerste termijn van de
kant van de regering. Nee, niet per bewindspersoon. In algemene zin hebben de Kamerleden
vier interrupties. Ik geef graag het woord aan de Minister van Economische Zaken.
Minister Beljaarts:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de Kamer voor de uitnodiging om vandaag bij dit
commissiedebat aanwezig te mogen zijn. Zoals we vandaag uitvoerig besproken hebben,
gaat het over de circulaire economie. Ik hecht eraan om duidelijk aan te geven waar
mijn beleidsverantwoordelijkheid ligt. Die ligt namelijk bij de circulariteit van
kritieke grondstoffen als een van de vijf onderdelen van de Nationale Grondstoffenstrategie.
Daarnaast ligt mijn beleidsverantwoordelijkheid natuurlijk bij het borgen van het
gelijke speelveld in de industrie. Een circulaire maakindustrie vermindert niet alleen
de strategische afhankelijkheden, maar kan ook fors bijdragen aan de concurrentiekracht
van onze economie. In dat kader is het van belang dat we voor de circulaire maakindustrie
een gelijk speelveld binnen Europa waarborgen. Ook bij normeren en beprijzen moeten
we dit goed meewegen. In onze inzet op een weerbare en circulaire maakindustrie concentreren
we ons op de negen prioritaire productgroepen. Die zijn belangrijk voor het Nederlandse
verdienvermogen en bevatten de kritieke grondstoffen, zoals batterijen, elektrolysers,
machines en dergelijke. We ontwikkelen daarvoor een routekaart per productgroep voor
de hogere leveringszekerheid en de circulariteit. Hierin koppelen we dus onder meer
de circulaire businesscases aan bestaande middelen en instrumenten.
Voor de orde: vragen die aan alle bewindspersonen gesteld zijn, zullen door de Staatssecretaris
namens het kabinet worden beantwoord. Ik heb twee mooie vragen gekregen, waar ik met
plezier op inga. De eerste is van mevrouw Wingelaar, over wat ik zelf vind van het
instellen van de circulairplastictafel. Dank voor de vraag. Een dialoog met het bedrijfsleven
vind ik van groot belang. Dat heb ik ook met de ondernemerstop gedaan, dus dat past
in dat kader. Het is uiteindelijk aan de collega's, zoals de Staatssecretaris van
Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van KGG, om op het idee in te gaan. Het
is een goed idee, maar zij zijn er uiteindelijk beleidsverantwoordelijk voor, dus
ik wil hen niet voor de voeten lopen. De staatsecretaris zal hier in zijn beantwoording
verder op ingaan.
De tweede vraag was ook van mevrouw Wingelaar, waarvoor dank. De vraag ging over de
nationale plasticnorm. Wat is het standpunt van zowel de Staatssecretaris als mijzelf
over de zorgen om de handen ineen te slaan? Dat is een terechte vraag. Zowel de Minister
van Klimaat en Groene Groei als de Staatssecretaris zijn beleidsinhoudelijk verantwoordelijk
voor de plasticnorm. Vanuit mijn rol als Minister van Economische Zaken zal ik mij
inzetten voor het gelijke speelveld in Europa en de concurrentiepositie van de circulaire
maakindustrie. Dit zal ik uiteraard uiteindelijk bij de besluitvorming over de nationale
circulairplasticnorm laten meewegen.
De voorzitter:
Ik zie een vraag van de heer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Even een punt van orde, voorzitter. Kunnen wij gewoon tussendoor vragen stellen of
bewaren we het voor de blokjes?
De voorzitter:
Normaal zou ik zeggen dat te bewaren voor de blokjes, maar de vraag is hoe zinvol
dat is bij de Minister van Economische Zaken, want die heeft maar twee vragen te beantwoorden.
De heer Buijsse (VVD):
Oké. Normaal is het dus per blokje – zo is het straks ook bij de Staatssecretaris
– en nu kan het gewoon tussendoor. De vraag is: uw streven is een gelijk speelveld,
maar er is geen gelijk speelveld met de nationale circulairplasticnorm. Dus wat betekent
eigenlijk wat u nu zegt?
Minister Beljaarts:
Dank voor de verdiepende vraag. Dat is nu precies – het is al aangegeven – waar soms
de zoektocht ligt van de Kamer als het gaat om de versnippering. Ik weet dat dit in
de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris en van de Minister van KGG goed belegd
is. Daar zijn ook overleggen over. Het is dus niet zo dat het overal versnipperd is
en het niet samenkomt. Op dit moment is er echter nog geen breder afgestemd beleid
dan het beleid dat de Staatssecretaris nadrukkelijker zal toelichten. Ik heb daar
dus geen uitputtend antwoord op voor u.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel voor de beantwoording van de vragen. U bent verantwoordelijk voor economische
zaken. Op dit moment verliezen wij innovatie en kracht en gaan er heel veel recyclingbedrijven
failliet. Vaak worden dan argumenten aangedragen voor het gelijke speelveld en wordt
er gezegd dat we daarvoor zijn. Maar in de tussentijd komen er vanuit China en de
Verenigde Staten heel veel virgin plastics en virgin materialen Europa binnen. Daarbij
wordt Nederland extra hard getroffen, omdat wij een kennisland zijn met innovatie
en wij heel veel recyclingbedrijven hebben. Wat gaat u doen vanuit uw rol als Minister
van Economische Zaken om zowel de Staatssecretaris Milieu als de Minister van Klimaat
en Groene Groei als de Staatssecretaris van Financiën erbij te betrekken om de economie
die wij met z'n allen nastreven, wél te stimuleren? Op dit moment zou ik namelijk
als Minister van Economische Zaken niet blij zijn met wekelijkse berichten over onze
omvallende kennisbedrijven. Ik denk dat dit cruciaal is voor de toekomst van Nederland
en de kennisinfrastructuur. Ik zou daar heel graag een algemene reflectie op willen.
Minister Beljaarts:
Dank voor de vraag van de heer Gabriëls. Die zorg onderschrijf ik natuurlijk, maar
omdat het beleidsterrein zo verdeeld is als het gaat om verantwoordelijkheden, is
juist het gesprek dat we hebben, belangrijk. Het is niet zo dat we het hier nu alleen
in de Kamer over mogen hebben, want onderling hebben we dat gesprek natuurlijk ook.
Het is niet alleen belangrijk in Nederlands verband – daar focussen we ons nu op –
maar natuurlijk ook in Europees verband. We kijken eveneens naar de concurrentiekracht
en naar het gelijke speelveld binnen Europa. Dat gebeurt dus niet alleen binnen de
lidstaten zelf, maar ook in Europees verband. U geeft terecht een land als China aan.
Het gaat natuurlijk niet alleen Nederland aan; in Europees verband hebben veel lidstaten
met hetzelfde bijltje te hakken. Dit doen we dus. Vandaar dat er, als ik naar een
Raad Concurrentievermogen in Brussel ga, daar ook afstemming is over de punten die
we inbrengen over de concurrentiekracht. Dat gaat tot nu toe nog niet heel specifiek
over plastic- of recyclingbedrijven, maar dat is wel beleid dat we samen maken en
samen uitdragen in Brussel.
Een gelijk speelveld gaat natuurlijk meerdere kanten op. Ik ben het met u eens dat
we heel zorgvuldig moeten zijn in het beschermen van de kennis en het stuk maakindustrie
dat we hebben. Daar speelt natuurlijk ook de vraag over een gelijk speelveld, want
het gaat ook over de subsidiekant en dat soort zaken. Dus tot in hoeverre heb je de
vrije markt en in hoeverre help je de bedrijven met subsidies? Dat is precies wat
we zien als sommige bedrijven het niet redden. Ik kan waarschijnlijk nu niet naar
tevredenheid een volledig antwoord geven op deze vraag. Het deel wat mij aangaat vanuit
de algemene economie heb ik net toegelicht, denk ik. Ik weet dat de Staatssecretaris
in zijn beantwoording dadelijk wat dieper ingaat op de specifieke vragen die aan het
kabinet gesteld zijn.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Dank voor de beantwoording van de Minister. Ik had heel graag gehoord: «Ik ga er álles
aan doen om ervoor te zorgen dat er een gelijk speelveld ontstaat door bijvoorbeeld
bedrijven die hier nu omvallen, te stimuleren. Ik ga er alles aan doen om mijn collega
van KGG – daar zit ook wat geld – te overtuigen om een fonds op te richten om die
bedrijven te helpen. Ik wil er alles aan doen om ervoor te zorgen dat hier in Nederland,
misschien met een kop op Europees beleid, wél bepaalde bedrijven met onze voorsprong
geholpen worden.» Die noodzaak is er namelijk. Er gebeurt heel veel, maar we zitten
met z'n allen een beetje met de handen in het haar. Ik hoop dus dat u dit meeneemt
en zegt dat u er alles aan wil gaan doen. Eigenlijk is dit geen vraag. Sorry. Het
is gewoon een opmerking.
De voorzitter:
Die conclusie had ik al getrokken.
Minister Beljaarts:
Als kabinet nemen we natuurlijk altijd de zorg uit de Kamer mee.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog of heeft u elke vraag beantwoord? Dat was het, hoor ik. Ik kijk
even naar links om te zien of er nog vragen zijn voor de Minister van Economische
Zaken.
De heer Pierik (BBB):
Toch nog een vraag. De Minister van Economische Zaken is natuurlijk vooral verantwoordelijk
voor een gezond ondernemingsklimaat hier in Nederland. Als we kijken naar dat ondernemersklimaat,
zien we dat dat hier en daar toch best wel onder druk staat. We hebben het natuurlijk
al gehad over nationale koppen. Ik wil van de Minister graag horen hoe hij in het
licht van de doorontwikkeling van de circulaire economie aankijkt tegen het gezonde
ondernemersklimaat in Nederland.
Minister Beljaarts:
Ik dank het lid Pierik voor deze vraag. Die geeft namelijk precies de complexiteit
aan die deze debatten noodzakelijk maakt en laat zien dat het nodig is om hierover
van gedachten te wisselen. Het geeft aan waarom er niet één antwoord mogelijk is op
elke vraag. Precies daar zit het spanningsveld. We hebben in het regeerprogramma afgesproken
dat we nationale koppen niet stimuleren en dat we zo min mogelijk regeldruk willen
en een zo'n gelijk mogelijk speelveld binnen Nederland en Europa. Ook willen we koploper
zijn op innovatie en circulaire economie. Soms spelen er tegenstrijdige belangen als
het gaat om enerzijds de wens om bedrijven niet te veel te willen belasten met beperkingen
en beprijzingen en anderzijds de wens om, met de klimaatdoelen in het achterhoofd,
juist een stapje extra te willen zetten. De complexiteit maakt dat afstemming onderling
in het kabinet zo belangrijk is. Die gesprekken worden gevoerd en dat gaat best in
een rap tempo. Maar eerlijkheidshalve zijn we natuurlijk een halfjaar onderweg en
u weet hoe langzaam goed beleid maken soms gaat. Het verdient wel dat goede gesprek;
dat ben ik absoluut met het lid Pierik eens.
De heer Boutkan (PVV):
Ik heb ook een vraag aan de Minister. Ik maak er dankbaar gebruik van dat hij aanwezig
is. U heeft recentelijk een brief gestuurd naar de Kamer waarin u uw actieprogramma
aankondigt met betrekking tot de regeldruk en het doen van onderzoek naar de bekende
nationale koppen. Mijn vraag aan de Minister is of hij dan ook de koppen meeneemt
die zijn benoemd tijdens het bespreken van de circulaire economie.
Minister Beljaarts:
Ik dank het lid Boutkan voor zijn vragen. Alle nationale koppen worden in kaart gebracht.
Dat proces is gaande en daar zal dit ook in meegenomen worden.
De voorzitter:
Ik constateer dat er verder geen vragen zijn voor de Minister van Economische Zaken.
Ik dank hem voor zijn aanwezigheid. We gaan door naar de beantwoording van de Staatssecretaris.
Zou u dat kunnen inleiden met verschillende kopjes et cetera?
Staatssecretaris Jansen:
Zeker, voorzitter. Dank voor het woord en dank aan de commissie voor alle gestelde
vragen in de eerste termijn. Ik heb vijf mapjes. De map algemeen, de map plasticrecycling,
de map SUP, single-use plastics, de map UPV, uitgebreide producentenverantwoordelijkheid,
en de map overig, met alles wat we niet ergens anders in kwijt konden. In die volgorde
zal ik ze ook behandelen.
Voorzitter. Zoals ik zei: dank aan de Kamer voor haar eerste termijn. Ik denk dat
heel duidelijk vooropgesteld kan worden dat een circulaire economie, wat ons betreft,
een toekomstbestendige economie is. Om een volledig circulaire economie in 2050 te
bereiken, zijn ambitie, heldere regels, circulair ondernemerschap en een omslag in
het denken en doen noodzakelijk. Er gebeurt al heel veel in het land bij overheden,
bedrijven en burgers en daar zijn we hartstikke trots op. Het is in ons belang om
dat zo te houden.
Het is ook belangrijk dat iedereen kan en wil meedoen. Voor een duurzaam, toekomstbestendig
verdienvermogen van Nederland moet de transitie worden versneld. Ik ben de afgelopen
maanden bij een aantal circulaire bedrijven op werkbezoek geweest. Ik ben onder de
indruk van het ondernemerschap van zowel kleine als grote bedrijven die circulariteit
handen en voeten geven. Mijn inzet is erop gericht om het samen met medeoverheden,
andere departementen, bedrijven en burgers logischer en makkelijker te maken om tot
een circulaire economie te komen. Ik zal dit concreet maken in de actualisatie van
het NPCE, dat staat gepland voor september 2025. Dit gezegd hebbende zal ik nu ingaan
op de gestelde vragen.
Deze vraag sla ik over, want die is van een van de leden die niet aanwezig is.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Buijsse van de VVD en de heer Boutkan van de PVV.
Die ging over het klimaat van ondernemen dat op dit moment te veel bepaald wordt door
eenzijdige, vanuit de overheid gestelde regels en waarin er te weinig met de sector
wordt samengewerkt om de doelstellingen voor circulariteit te halen. Zie ik dat ook
en zo ja, wat ga ik daar dan aan doen? De heer Boutkan zei ook nog dat sectoren niet
tegen verduurzaming zijn, maar dat ze er wel bij moeten worden betrokken, dat er naar
hen geluisterd moet worden en dat hun zorgen serieus moeten worden genomen. Dat was
eigenlijk de samenvatting van beide vragen. Ik hoor tijdens mijn werkbezoeken altijd
de wens om samen te werken en dat doen we ook, zeg ik richting beide leden. In mijn
werk ben ik volop in gesprek met ondernemersorganisaties zoals VNO-NCW en MKB-Nederland.
Er zijn vele overleggroepen, we organiseren stakeholdersbijeenkomsten en we werken
samen met transitieteams en het Versnellingshuis Nederland Circulair! Er wordt dus
al ontzettend veel samengewerkt. Daar blijf ik me ook sterk voor maken. Is het genoeg?
Dat kunnen we alleen maar beoordelen op het moment dat we een totaaloverzicht hebben.
Op dit moment zijn dit de sectoren en de manieren waarop wij hierop inzetten. Uiteindelijk
moeten we het natuurlijk samen doen.
Dan kom ik bij een vraag van mevrouw Wingelaar van NSC. Die ging over het normeren,
stimuleren en beprijzen; zij zei dat er veel kritiek is en dat er geen duidelijke
keuzes zijn wat betreft een circulaire economie. De lineaire economie loopt nog altijd
voorop en partijen stellen juridische en fiscale zaken voor. Er moet iets gebeuren.
Graag een reactie van alle drie de bewindspersonen over welke oplossingen er zijn.
Ik zal er namens ons alle drie op ingaan. Oplossingen om een circulaire economie te
bereiken, formuleren we langs de vier circulaire strategieën: de vermindering van
het grondstofgebruik door circulair ontwerpen en delen van producten, het vervangen
van niet-duurzame grondstoffen door duurzame grondstoffen, levensduurverlenging van
producten en hoogwaardige verwerking van grondstoffen. Een mix aan maatregelen – stimulerend,
normerend en waar nodig beprijzend – is daarbij inderdaad nodig. Fiscale juridische
maatregelen zijn zeker onderdeel van onze beleidsmix. Zo staat dat ook in ons Nationaal
Programma Circulaire Economie.
De heer Buijsse van de VVD vroeg hoe ik de behoefte beoordeel van bedrijven aan zekerheden
in bijvoorbeeld vergunningverlening en regelgeving om tot een besluitende businesscase
te komen waarmee financiering gerealiseerd kan worden, en of ik bereid ben hierover
afspraken te maken. Ik herken zeker dat bedrijven problemen met regelgeving ervaren
en ik zet me er ook voor in om samen met hen oplossingen uit te werken. Dat neemt
echter niet weg dat ik graag met de sector het gesprek aanga om te kijken waar verbeteringen
in regelgeving of beleid nog mogelijk zijn. Dit onderwerp kan bijvoorbeeld op de agenda
worden gezet tijdens de bijeenkomst van de nog vorm te geven plastictafel.
De volgende vraag sla ik ook even over.
Dan kom ik weer bij mevrouw Wingelaar van NSC, die vroeg wie er integraal op gaat
sturen en of ministeries zelf blijven sturen. Het is belangrijk om hier integraal
op te sturen. Hoe zien wij dat? Ik ben de coördinerend bewindspersoon voor de circulaire
economie, dus ik ben verantwoordelijk voor de transitie in zijn geheel. Ik heb daarnaast
natuurlijk veel overleg met andere departementen over de circulariteit op hun eigen
beleidsterrein. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor het circulair maken van
hun eigen terrein. Dat kan ook het beste vanuit hun eigen expertise. Maar om het breder
te trekken: natuurlijk zijn we ook in gesprek met de Minister van VRO over circulair
bouwen, om maar een voorbeeld te noemen. Er zijn dus echt wel interdepartementale
gesprekken. Zeker op ambtelijk niveau, maar ook binnen het kabinet kijken we met regelmaat
naar deze materie en staan we erbij stil wanneer nodig.
Ik kom bij de vraag van de heer Gabriëls van GroenLinks-Partij van de Arbeid of de
circulaire doelen van het NPCE nog gelden en wanneer er een herzien plan komt. De
hele sector vraagt hier namelijk om. Het doel van 50% minder gebruik van primaire
abiotische grondstoffen in 2030 is zeker nog geldig. Wel is in het NPCE al aangekondigd
dat we gaan werken aan een nieuwe set van doelen die ons beter in staat zal stellen
om beleid te maken voor de vier circulaire strategieën die ik net heb genoemd. Daarnaast
hebben we natuurlijk ook doelen op het niveau van productgroepen. Mijn streven is
om de Kamer de nieuwe set van nationale doelen in de actualisatie van het NPCE aan
te bieden in – ik zei het al eerder – september 2025.
Deze vraag sla ik weer heel even over. De volgende ook en die daarna ook. Er blijft
niet veel over zo, voorzitter.
Dan kom ik bij mevrouw Rooderkerk van D66. Hoe kijk ik aan tegen het financieren van
de onrendabele top? De mogelijkheid van een subsidieregeling om de onrendabele top
van circulaire technieken af te dekken, is betrokken bij een verkennend onderzoek
van KPMG naar financiële prikkels voor de circulaire economie. Dit verkennende onderzoek
wordt in het eerste kwartaal van 2025 met de Kamer gedeeld, waarbij ook naar concrete
vervolgstappen zal worden gekeken. Het kabinet zal in aanloop naar de Voorjaarsnota
besluiten over aanvullende klimaatmaatregelen en bestedingen uit de klimaatfondsen
en zal u daar natuurlijk over informeren.
Dan heb ik wederom een vraag van mevrouw Wingelaar van NSC, die hier trouwens ook
met voornaam wordt genoemd. Interessant. De vraag is welke rol fiscale en juridische
maatregelen hebben in het werkprogramma van de SRCE en hoe de circulaire economie
in datzelfde werkprogramma wordt verwerkt. De Speciaal Regeringsvertegenwoordiger
Circulaire Economie is bij uitstek de aangewezen persoon om integraal naar problemen
te kijken. Hij opereert namens de hele regering en kan vraagstukken dus ook heel goed
in onderlinge samenhang aanpakken. Zoals u in zijn werkprogramma kunt lezen, werkt
hij aan de hand van doorbraakdossiers aan integrale oplossingen voor het versnellen
van de transitie naar de circulaire economie.
Dan heb ik een vraag die ik wél pak, omdat die door twee Kamerleden is gesteld, namelijk
door mevrouw Rooderkerk en door meneer Grinwis. Ik zal hem dan toch hier opnemen,
voorzitter. Dat is de vraag naar de stand van zaken in de circulaire-economiewet.
Gaat de Staatssecretaris aan de slag met de verdere uitwerking hiervan? Wanneer verwacht
hij dat de wet in internetconsultatie zal worden gebracht? In april van dit jaar is
er een hoofdlijnennotitie met u gedeeld waarin de koers voor de circulaire-economiewet
wordt geschetst. Ideeën en plannen uit de hoofdlijnennotitie worden in een wetsvoorstel
uitgewerkt. Het streven is om dit wetsvoorstel in het najaar van 2025 in openbare
consultatie te laten gaan.
Daarmee heb ik alle vragen gehad van de leden die aanwezig zijn, voorzitter.
De voorzitter:
Dank. Zijn er voor zover vragen over dit blokje? Nee. Dan verzoek ik de Staatssecretaris
om verder te gaan met het beantwoorden van het volgende deel.
Staatssecretaris Jansen:
Dan kom ik bij plasticrecycling, voorzitter. Allereerst vroeg mevrouw Rooderkerk van
D66 hoe ik aankijk tegen normen voor producten zodat ze beter gerecycled kunnen worden.
Goed recyclebare producten zijn natuurlijk belangrijk in een circulaire economie.
Ik onderschrijf uiteraard het belang daarvan. In Brussel worden die belangen gedeeld;
er worden eisen opgenomen in de productregelgeving. Een voorbeeld daarvan is de nieuwe
Europese Verpakkingenverordening, die eerder deze week is aangenomen. Hierin worden
eisen gesteld aan recycling, bijvoorbeeld dat alle verpakkingen in 2030 recyclebaar
moeten zijn en dat verpakkingen in 2035 daadwerkelijk op grote schaal gerecycled moeten
worden. Ook komen er verplichte percentages voor het gebruik van recyclaat in kunststof
verpakkingen en zal de Europese Commissie in 2028 technisch specificeren wat een goed
recyclebare verpakking is. Ook in andere Europese wetgevingen worden eisen gesteld
aan de recyclebaarheid van producten zoals elektrische apparaten, batterijen en auto's.
De heer Buijsse van de VVD vroeg of ik denk dat een generieke norm voor alle plastic
toepassingen zal werken, gezien de verschillende toepassingen en levenscycli die er
zijn. Ja, ik denk dat we met een circulairplasticnorm de markt voor circulaire grondstoffen
voor alle toepassingen stimuleren. Dat is nodig voor het realiseren van de transitie
naar de circulaire economie, die we allemaal nastreven. Een belangrijk onderdeel van
de norm is het handelssysteem. Met het handelssysteem hoeft niet iedere afzonderlijke
verwerker voor alle producten een toepasselijke norm te halen, maar wordt de norm
voor de gehele markt gehaald.
Ik kom wederom bij een vraag van de heer Buijsse, namelijk hoe met deze circulairplasticnorm
een gelijk speelveld wordt geborgd tussen Nederlandse en buitenlandse kunststofverwerkers.
Ik neem de zorg over de mogelijke gevolgen van de norm voor de concurrentiepositie
van Nederlandse bedrijven op de Europese en zelfs mondiale markt zeer zeker serieus.
Tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat de transitie naar een circulaire economie
met toekomstbestendige bedrijven niet zonder slag of stoot zal gaan. Anders gesteld:
de economische effecten zullen voor sommige bedrijven nadelig zijn en voor andere
bedrijven juist positief. Deze afweging noemde de Minister van Economische Zaken net
ook al. We zijn dus aan het kijken naar hoe je hiermee om moet gaan, want er zit zeker
een spanningsveld tussen. Het gaat dus om de proportionaliteit, zoals wij het dan
maar noemen. Ik zal hier bij de verdere uitwerking goed op letten. Ook zal ik de sector
hier nauw bij betrekken.
Dan kom ik bij... O, die vraag sla ik even over en deze ook.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Gabriëls van GroenLinks-Partij van de Arbeid of
er ook voorwaarden gesteld kunnen worden aan de herkomst van recyclaat. Nee, het stellen
van de voorwaarden aan de herkomst van recyclaat gaat in tegen de internationale handelsregels.
Bij verdere vormgeving van het wetsvoorstel zullen we waar mogelijk wel aansluiten
bij de Europese regels.
Dan heb ik een vraag van de heer Stoffer. Moet ik de heer Stoffer ook overslaan, voorzitter?
Nee? Hij vroeg of er afspraken worden gemaakt over een bijmengverplichting voor recyclaat
en of er tariefdifferentiatie komt die hergebruik en recycling beloont. Nederland
pleit in Europa voor circulairontwerpeisen voor textiel, zoals een verplicht percentage
recyclaat en eisen aan de levensduur van een product. Deze eisen worden de komende
jaren voor textiel uitgewerkt onder de Ecodesignrichtlijn van de duurzameproductenverordening.
Met de herziening van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen wordt het verplicht voor lidstaten
om tarieven onder de UPV textiel te differentiëren op basis van deze ontwerpeisen.
Dat houdt in dat een producent die een product circulair ontwerpt, minder hoeft te
betalen dan een producent die daar in het ontwerp van de producten geen rekening mee
houdt. De verwachting is dat deze wijzigingen in 2027 worden ingevoerd voor de UPV
textiel in Nederland.
De heer Boutkan van de PVV vroeg of het doel van een EU-afdracht op basis van niet-gerecycled
kunststofverpakkingsafval is om het milieu te redden of dat het gewoon een ordinaire
belasting is. Dit zijn de woorden van de heer Boutkan. Vanaf 1 januari 2021 is inderdaad
een bijdrage op basis van niet-gerecycled kunststofverpakkingsafval ingevoerd als
nieuwe inkomstenbron voor de EU-begroting voor 2021–2027. Lidstaten moeten een nationale
bijdrage uit eigen middelen betalen op basis van niet-gerecycled plastic verpakkingsafval.
Het doel hiervan is lidstaten ertoe aan te zetten verpakkingsafval te verminderen
en de overgang naar een circulaire economie te stimuleren. Ik denk dat dit het antwoord
is op de vraag van de heer Boutkan. Ik zeg daarbij dat ik betwijfel of hij daar genoegen
mee neemt.
Dan ga ik naar de vraag van de heer Buijsse van de VVD, die vroeg of ik bereid ben
om naar analogie van het Klimaatakkoord een circulairplastictafel op te richten die
toewerkt naar een circulairplasticakkoord. Volgens mij ben ik daar net al kort op
ingegaan. Ik vind het belangrijk dat de sector goed betrokken wordt bij het plasticbeleid.
Gelukkig gebeurt dit al in verschillende gremia. Het is ook duidelijk dat de sector
vraagt om een intensievere betrokkenheid. Dat ondersteunen wij graag. Daarom zal ik
samen met de sector kijken hoe we het best vorm kunnen geven aan de invulling van
een plastictafel als klankbord voor het gehele plasticbeleid. Op dit moment zie ik
nog geen meerwaarde om gezamenlijk tot een plasticakkoord te komen, omdat dit zeer
waarschijnlijk tot vertraging of afstel van aangekondigde beleidsmaatregelen zal leiden.
Wel vind ik het belangrijk om de sector nauw te betrekken bij de uitwerking van het
aangekondigde beleid. Dat signaal heb ik zeker goed gehoord.
Er was ook een vraag van mevrouw Wingelaar van het NSC. Zij vroeg waarom er nu pas
wordt gesproken over een circulairplastictafel, ook met de industrie. Zij vroeg naar
mijn visie hierop en wat de gevolgen voor de industrie zijn. Ze vroeg ook wat de Minister
van EZ denkt. Goed, ik zal namens ons beiden antwoorden. Ik denk dat het heel belangrijk
is dat de sector goed wordt betrokken bij het plasticbeleid, en gelukkig is de sector
reeds betrokken bij de uitwerking van de verschillende maatregelen. Het is echter
ook duidelijk dat de sector vraagt om intensievere betrokkenheid, zoals ik net heb
gezegd. Dat zullen we zeker ondersteunen. Daarom zullen we samen met de sector kijken
hoe we een plastictafel als klankbord voor het plasticbeleid het beste kunnen vormgeven.
Mevrouw Wingelaar gaf aan graag een duidelijke deadline voor die circulairplastictafel
te willen. Ik denk dat het belangrijk is dat wij dit samen met de sector overleggen
en dat ook samen met de sector uit te werken. Daarbij zullen we ook bespreken hoe
de sector dit zelf in de tijd ziet.
Daarnaast had mevrouw Wingelaar nog een vraag, namelijk of ik op de hoogte ben van
de problematiek van de kunststofleidingen. Ik ben zeker op de hoogte van deze problematiek.
Ik heb de petitie van BureauLeiding goed gelezen. Het onderliggende rapport gaat echter
uit van een ongewijzigde situatie, terwijl we met de circulairplasticnorm zekerheid
willen geven aan de markt om zo innovatie te stimuleren. De norm moet bovendien niet
voor ieder afzonderlijk product worden gehaald, maar voor de gehele markt, zoals ik
net al betoogde. De verwerker zal dan ook aan de norm kunnen voldoen via het handelssysteem
dat hiervoor is ingericht. Desondanks nemen we de zorgen die BureauLeiding heeft geuit,
serieus en zijn we hier natuurlijk met de sector over in gesprek.
Ik kom vervolgens bij de vraag van de heer Stoffer of ik wil inzetten op een Europees
verbod op het gebruik van plastic in wegwerpdoekjes. Ja, daar wil ik me wel voor inzetten.
Ik zal het inbrengen bij de evaluatie van de Richtlijn single-use plastics, die in
2026 zal plaatsvinden.
Dan zie ik dat de heer Grinwis is aangeschoven. Ik heb hier in dit mapje twee onderwerpen
voor de heer Grinwis. Het gebruik van gerecycled plastic moet volgens hem aantrekkelijker
worden dan dat van virgin plastic, bijvoorbeeld door middel van de plasticheffing.
Hij vroeg of ik bereid ben dit uitgangspunt te hanteren. Het antwoord is: ja, ik ondersteun
dit uitgangspunt. Voor specifieke vragen over de plasticheffing moet ik wel verwijzen
naar mijn goede collega, de Staatssecretaris van Financiën, die hiervoor primair verantwoordelijk
is.
De heer Grinwis vroeg ook of de bewindspersonen bereid zijn om kabinetsbreed op deze
manier te werken aan vraagcreatie voor duurzame en circulaire producten. Laten we
vooropstellen dat het keihard nodig is om een markt voor recyclaat te creëren om onze
recyclers overeind te houden. Dat was ook een discussie die net gevoerd werd door
de Kamerleden onderling. Daarom streven we naar hoge en haalbare doelen voor recycling
en verplichte toepassing van recyclaat in producten. We zijn ook blij om te zien dat
dit al wordt gereguleerd op Europees niveau, want daardoor gelden deze eisen voor
alle producten die op de Europese markt worden gebracht. Voorbeelden hiervan zijn
voertuigen, verpakkingen, batterijen en elektrische apparaten. Ook onder de Ecodesignrichtlijn
kunnen eisen worden gesteld voor de toepassing van recyclaat. Daarom pleit het kabinet
ook in Brussel voor deze recyclaateisen.
Ik kijk heel even naar de voorzitter. Ik had in het mapje algemeen ook een aantal
vragen van de heer Grinwis. Wilt u dat ik die hierbij betrek of wilt u dat ik dit
blok eerst afsluit voordat we verdergaan?
De voorzitter:
Laten we dat eerste doen. Als u nu ingaat op de vraag van de heer Grinwis, dan kunnen
we daarna gewoon weer volgens de planning door.
Staatssecretaris Jansen:
Dank, voorzitter. Verwacht ik dat alle in Nederland verkochte producten aan de Ecodesignrichtlijn
zullen voldoen? Dat was een vraag van de heer Grinwis. Ecodesigneisen worden per productgroep
bepaald. Als voor een productgroep regels zijn ontwikkeld, moeten alle producten op
de Europese markt daaraan voldoen, dus ook die in Nederland. Er gelden nu al ontwerpeisen
voor veel elektrische apparaten, wasmachines, drogers, tv's, smartphones, tablets,
cv-ketels en verlichting. Deze ontwerpeisen gaan onder andere over een lange levensduur,
reparatie, energieverbruik en recycling. De Europese Commissie kan ook een horizontale
eis stellen die de repareerbaarheid van producten verplicht stelt en bijvoorbeeld
verlijming van onderdelen tegengaat. Ik dring erop aan dat deze eis er komt. Het zal
dus tijd vragen eer er een Ecodesignregel is voor alle producten op de markt. Maar
stap voor stap gaat dit voor steeds meer producten gelden.
De heer Grinwis vroeg ook of ik bereid ben om de ILT te vragen jaarlijks steekproefsgewijs
te onderzoeken in hoeverre productgroepen voldoen aan de gestelde eisen en daarover
te rapporteren. Ja, want het gebeurt namelijk al. De ILT houdt toezicht op producten
die vallen onder de Ecodesignregelgeving. Dit gebeurt inderdaad steekproefsgewijs,
gelet op de beschikbare capaciteit. De ILT registreert alle producten waarop zij toezicht
houdt. Bij non-conformiteit treedt de ILT op, wat tevens geregistreerd wordt. De ILT
rapporteert aan de Europese Commissie via het systeem dat hiervoor is opgezet. De
Europese Commissie stelt elke vier jaar een rapport op over de naleving in de gehele
EU.
Dan heb ik nog een vraag van de heer Boutkan en mevrouw Rooderkerk in het mapje algemeen.
Ik noemde net de koffer met groene ideeën, Duurzame Dinsdag. Wat ik daarmee ga doen?
De maatschappelijke initiatieven op Duurzame Dinsdag laten zien wat er kan en wat
er al gebeurt in de maatschappij. Die groene ideeën zijn een indicator van te verwachten
ontwikkelingen. Deze ideeën gebruik ik op verschillende manieren. Ik stimuleer uiteindelijk
natuurlijk het leggen van verbindingen tussen initiatieven, het bedrijfsleven en de
overheid. Daarnaast gebruik ik deze ervaringen als input voor beleid. Ik ben al bij
een aantal van deze bedrijven op bezoek geweest en ik ga komend jaar bij nog een aantal
van deze initiatieven op bezoek, om een beter beeld te krijgen van de mogelijkheden
en hoe we verbindingen kunnen leggen. Ook mijn ambtenaren zijn hier al hard mee aan
de slag.
Dan kom ik weer terug bij de inbreng van de heer Grinwis, waarmee ik eigenlijk bezig
was. Kan ik reflecteren op de definitie van «groene groei»? Hoe verhoudt deze definitie
zich tot de grondstoffentransitie en welke ambitie heb ik daarbij? Groene groei gaat
volgens mij vooral over de duurzaamheidstransitie waar mijn collega, de Minister van
Klimaat en Groene Groei, hard aan werkt. Circulariteit is een belangrijke voorwaarde
om op lange termijn groen te kunnen groeien. Een circulaire economie is immers een
economie waarin duurzame en hernieuwbare grondstoffen worden gebruikt, waarin producten
en grondstoffen worden hergebruikt en waarin afval is geminimaliseerd. Om dit te realiseren
heeft het kabinet dan ook de ambitie om in 2050 circulair te zijn. Tegen de heer Grinwis
wil ik nog zeggen dat ik net in mijn opening aangaf dat een toekomstbestendige economie
circulair is. Dat geeft dus kort het standpunt weer.
Er is nog een vraag van de heer Grinwis; dit is overigens de laatste. Kan ik toezeggen
om te bezien hoe knelpunten op het vlak van trage vergunningen kunnen worden weggenomen?
Vergunningen zijn nodig om tot een integrale afweging van alle belangen te komen.
Een vergunning helpt bedrijven bij het tijdig nemen van investeringsbeslissingen en
geeft de zekerheid dat een project mag worden uitgevoerd. Dit onderwerp heeft natuurlijk
wel mijn aandacht, ook bij andere transities. Ik werk in het Nationaal Programma Verduurzaming
Industrie met meerdere ministeries samen om te kijken naar versnellingsmogelijkheden.
Optimalisatie van het vergunningverleningsproces is vooral mogelijk in de fase vóór
het indienen van de aanvraag. Wij roepen het bedrijfsleven dan ook op om actief vooroverleg
te voeren met de bevoegde gezagen.
Ik was toch niet helemaal correct, want ik heb nog twee vragen van de heer Grinwis.
Hij stelde dat de klimaatdoelen nog lang niet binnen bereik zijn en dat in februari
weer een ICER uitkomt. Hij vroeg of ik kan toezeggen met aanvullend beleid te komen
als blijkt dat met het huidige beleid de doelen niet worden bereikt. In februari zal
ik de ICER in ontvangst mogen nemen. Ik verwacht dat het PBL de boodschap zal herhalen
dat we met de huidige middelen en inzet de doelen niet zullen behalen.
Er gebeurt al wel heel veel. Denk bijvoorbeeld aan aanvullend beleid op het huidige
NPCE, zoals het beleidsprogramma textiel, dat ik de Kamer onlangs heb toegestuurd.
Mijn reactie op de aanbeveling uit de ICER zal ik meenemen bij de actualisatie van
het NPCE, die – ik heb het net ook al gezegd – in september 2025 met de Kamer zal
worden gedeeld. Het is goed mogelijk dat we dan ook nieuwe maatregelen zullen aankondigen.
Dan kom ik echt bij de laatste vraag van de heer Grinwis. Dat was de vraag of het
kabinet echt bereid is om richting de Voorjaarsnota te bezien in hoeverre de klimaatregelingen
kunnen worden uitgebreid waarmee zowel circulariteit als emissiereductie kunnen worden
aangemoedigd. Het kabinet vindt het zeker belangrijk om met circulaire maatregelen
aan de klimaatdoelen bij te dragen. Een mogelijkheid voor de subsidieregeling om de
onrendabele top van circulaire technieken af te dekken is betrokken bij een verkennend
onderzoek van KPMG naar financiële prikkels voor de circulaire economie. Ook dat heb
ik in mijn inleiding gezegd. Dit rapport wordt in het eerste kwartaal van 2025 met
de Kamer gedeeld, waarbij ook concrete vervolgstappen zullen worden bekeken. Het kabinet
zal in aanloop naar de Voorjaarsnota besluiten over aanvullende klimaatmaatregelen
en bestedingen uit het Klimaatfonds. Natuurlijk zal ik de Kamer daarover informeren.
De voorzitter:
Dank u. Dan kijk ik naar de kant van de Kamer voor interrupties.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Ik hoor de Staatssecretaris zeggen: ik wil wel een plastictafel, maar ik wil geen
akkoord. Hij noemt daarbij als reden dat hij geen vertraging wil. Die vertraging wil
ik ook niet en daarom vroeg ik om die duidelijke deadline.
De voorzitter:
Dus uw vraag is...?
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Kan het dan niet gewoon met een deadline? Kunnen we niet gewoon zo tot een akkoord
komen?
Staatssecretaris Jansen:
Een deadline is lastig. We denken dat we op de huidige manier het snelste het resultaat
bereiken dat we met elkaar nastreven. Ik kan geen harde deadline noemen. Ik kan alleen
zeggen dat we er zo snel mogelijk mee zullen komen, juist omdat we het grotere belang
daarvan voor ogen houden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor alle antwoorden. Ik had inderdaad veel vragen gesteld en dat realiseerde
ik me weer. Ik vraag om één specificatie in het antwoord inzake die subsidieverlening
en de NIKI. Het punt dat daar speelt, is dat de NIKI is bedoeld voor circulaire technieken.
Na de beschikking van de subsidie moet een project binnen een halfjaar worden opgestart.
Maar daar zitten vergunningverlening, en de traagheid daarvan, vaak een beetje in
de weg. De suggestie van mij was om er óf voor te zorgen dat die termijn van zes maanden
eigenlijk nooit wordt overschreden óf de geoorloofde periode tussen het moment van
subsidiebeschikking en het opstarten van het project gewoon wat te verlengen à la
de SDE. En ik heb de suggestie gedaan om dan die termijn van achttien maanden te gebruiken.
Misschien is dat te lang, maar dat kan natuurlijk ook een way out zijn. Je kunt geen
ijzer met handen breken en misschien kun je hier ook niet vooraf garanderen dat elke
vergunning voor die termijn van zes maanden wordt verstrekt. Dus misschien biedt dit
een oplossing.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn vraag is: als Mozes niet naar de berg komt, kan de berg dan naar Mozes komen?
Oftewel, als de vergunning niet altijd binnen die zes maanden kan worden verstrekt,
kan de opstarteis dan misschien iets verder in de tijd worden gezet?
De voorzitter:
Dat lijkt me helder.
Staatssecretaris Jansen:
Ik snap de vraag, want we lopen hier inderdaad af en toe tegen aan. Aan de andere
kant redden heel veel initiatieven het wel netjes binnen die zes maanden. Dus het
zijn misschien de wat ingewikkelder trajecten waar je op dat moment tegen aanloopt.
Het staat potentiële ondernemingen die deze actie willen ondernemen natuurlijk ook
altijd vrij om met ons contact te zoeken en te vragen hoe ze hier dan het beste mee
om kunnen gaan. We kunnen daar altijd in meedenken. Dit is typisch een van de onderwerpen
waarover we met de sector het overleg aangaan om te kijken hoe we ermee kunnen omgaan.
Maar binnen de generieke regeling, waarbij een termijn van zes maanden geldt, gaat
het in de meeste gevallen gelukkig gewoon prima.
De heer Buijsse (VVD):
Ik heb twee vragen: één over de norm en één over het plasticakkoord. Eerst over de
norm. De Staatssecretaris verwijst en spreekt uit dat hij het gelijke speelveld in
Europa serieus neemt. Maar in diezelfde zin stelt hij ook dat dat niet zonder slag
of stoot gaat en hij beroept zich op proportionaliteit. Sorry, maar ik vind dit echt
een diskwalificatie van het bedrijfsleven. Zij zijn hier ook in groten getale aanwezig.
Er gaan op dit moment gewoon te veel bedrijven failliet. Ik heb in mijn 25 gesprekken
alleen maar slechtnieuwsgesprekken gevoerd. De Staatssecretaris zegt dan het serieus
te nemen, maar we weten dat het niet zonder slag of stoot gaat. Ik ga daar eigenlijk
niet mee akkoord. Mijn vraag is of hij echt denkt dat het handelssysteem waar hij
naar verwijst, helpt voor Europa en of dat handelssysteem gaat werken voor alle toepassingen,
zoals het leidingenwerk. In de jaren waarin wij dat moeten gaan uitvoeren, waarin
we tevens op Europese regels overgaan, denk ik dat dat enorm veel rompslomp gaat opleveren.
Mijn tweede vraag gaat over het plasticakkoord. De Staatssecretaris zegt eigenlijk
geen meerwaarde te zien in een plasticakkoord. Ik zou dat willen toelichten. Ik heb
in die 25 gesprekken kennisgenomen van veel partijen in verschillende stappen in ketens.
Die stappen gaan van de kraker tot en met de afvalbrander, en ook weer terug. Binnen
de context van de doelen van het Klimaatakkoord voor 2050 is er een gemeenschappelijk
plan om daarnaartoe te werken en om te voldoen aan het Klimaatakkoord met draagvlak
van de bedrijven, inclusief verschillende vormen van technologieën. Maar die technologieën
zijn nog niet verder ontwikkeld. Als de Staatssecretaris geen meerwaarde ziet in een
akkoord, dan had ik in ieder geval gehoopt in zijn betoog te horen dat hij een luisterend
oor heeft voor dat plan. Ik hoor dat dus niet en dat vind ik jammer. Ik zou willen
vragen om toch met de plastictafel echt open te staan voor een akkoord richting 2050
en niet op de korte termijn georiënteerd te zijn zoals nu.
De voorzitter:
Helder. De Staatssecretaris.
Staatssecretaris Jansen:
Voorzitter. Laat ik beginnen met de eerste vraag. Over de norm was de vraag eigenlijk
heel kort samengevat: helpt het en levert het niet heel veel rompslomp op? Wij zijn
ervan overtuigd dat het gaat helpen. Daarbij geldt de opmerking zoals ik die net bedoelde
dat het niet zonder slag of stoot zal gaan. Met proportionaliteit bedoel ik niet dat
wij een aantal bedrijven zomaar opgeven. Wel is het zo dat, op het moment dat bedrijven
van lineair naar circulair gaan en het bedrijfsmodel daarop aanpassen, bepaalde banen
mogelijk zullen verdwijnen. Andere banen zullen ervoor terugkomen. Het is niet zo
dat mensen daarbij overbodig worden, maar mogelijk zullen mensen hun werk anders kunnen
invullen.
Hetzelfde zien we bijvoorbeeld ook als we kijken naar een heel simpel voorbeeld als
wegenbouw en wegenaanleg. Heel veel mensen zitten nu nog langs de weg met hun meter,
kijken letterlijk op afstand naar elkaar en nemen dingen op. In de toekomst zou het
zomaar zo kunnen zijn dat op heel veel plekken in asfalt sensoren komen te zitten.
Ik weet dat dat ook gebeurt in de provincie waar ik woon. Daarmee kun je bij wijze
van spreken registreren wat de druk is op het asfalt en welke slijtage er plaatsvindt.
Daarmee zouden diezelfde mensen niet meer langs de weg hoeven te staan, maar zouden
zij op een andere manier hun werk kunnen doen, misschien wel achter een computerscherm.
De inzet van arbeid zal dus veranderen, maar dat wil niet zeggen dat mensen daarbij
op dat moment overbodig worden. Dus het is echt een andere manier van werken en doen
en dat geldt ook in zijn algemeenheid.
Dan de vraag of dat rompslomp gaat opleveren. Dat is volgens mij ook iets wat de Minister
van Economische Zaken net zei. Het idee is juist om dat te voorkomen. We hebben met
elkaar afgesproken te kijken hoe we daar op de juiste manier mee om kunnen gaan. We
hebben erover nagedacht; dat heeft de Minister van Economische Zaken volgens mij ook
geuit. Je kunt inderdaad vragen om alles vast te leggen en elke handeling te verantwoorden.
Je kunt ook kijken naar wat de norm is voor de manier waarop we werken, zodat iemand
alleen rapporteert wanneer diegene afwijkt. Dat is ook een optie. Daarmee verlaag
je de regeldruk. Dat is het idee waar de Minister en ik samen naar aan het kijken
zijn. Dat zal bedrijven in de praktijk enorm kunnen helpen. Want dit alles is niet
bedoeld om het alleen maar lastiger en ingewikkelder te maken en om ervoor te zorgen
dat mensen daar bij wijze van spreken niet eens hun normale activiteiten door kunnen
uitvoeren. Het is juist als volgt bedoeld. We moeten die stap zetten; het moet circulair
worden. We moeten ook kijken naar de gevolgen. Hoe ga je daar op de juiste manier
mee om? Dat is ook letterlijk iets wat wij juist iedere keer met de sectoren proberen
te overleggen: hoe ga je hiermee om en hoe ga je hier op de juiste wijze vorm aan
geven zonder dat het allemaal onbedoelde negatieve bijeffecten genereert?
De voorzitter:
De was de beantwoording van de eerste vraag. Heeft u een vervolgvraag op de eerste
vraag, heer Buijsse? Een moment voor de beantwoording.
Staatssecretaris Jansen:
De tweede vraag. Ik was zo uitgebreid. Mijn antwoord op de tweede vraag is dat ik
niet vooraf wil worden vastgepind op een akkoord, maar ik ben wel voor het voeren
van het goede gesprek. Dat zal ik integraal doen, dus met alle partijen uit de keten.
Het op voorhand vastleggen van een akkoord maakt andere oplossingen mogelijk onbereikbaar.
Dus om deze reden willen we de vrijheid hebben om het op de juiste manier met de sectoren
te bewerkstelligen.
De heer Buijsse (VVD):
Ik zou om een technische verduidelijking willen vragen, want anders ben ik zo door
mijn interrupties heen.
De voorzitter:
Een technische verduidelijking gaat niet van uw interrupties af.
De heer Buijsse (VVD):
Oké, dank. Even heel concreet: wat gaat de Staatssecretaris dan veranderen aan die
normwet?
Staatssecretaris Jansen:
Ik snap de vraag wel, maar het lastige is dat de wet nog niet bestaat. Dus als de
heer Buijsse vraagt wat ik aan de wet ga veranderen, kan ik enkel zeggen dat we ermee
bezig zijn.
De heer Buijsse (VVD):
Dit is ook weer een technische vraag. De wet is in consultatie geweest. De Staatssecretaris
gaat hem naar de Raad van State brengen. Hij weet al wat de feedback is, onder andere
vanuit ons. Wat is de Staatssecretaris voornemens om daarmee te doen en om daaraan
te veranderen?
Staatssecretaris Jansen:
Volgens mij is het vrij logisch dat wij op de juiste wijze omgaan met feedback. Dus
wij kijken of we die kunnen verwerken in de wet. Daarom zeg ik wat ik zeg. Om hem
nu al aan te passen ... Er ligt een concept en uiteindelijk komt er natuurlijk een
definitief voorstel. Daarbij zal ook de reactie worden verwerkt die wij hebben gekregen.
De heer Boutkan (PVV):
Ik wil iets zeggen over dat laatste antwoord op de vraag van de heer Buijsse. Ik krijg
in ieder geval niet de indruk dat er wat mee gedaan wordt, want dat zijn de signalen
die wij krijgen als Kamerleden. Ik zie dat er wel inspraak is, dat er wordt meegesproken
en dergelijke, maar vervolgens zie ik aan het einde van de rit dat er totaal niets
met de inbreng gedaan is. Maar ik ga terug. De Staatssecretaris had het goed gezien,
die belasting die wij jaarlijks aan Brussel afdragen voor die coronasteun om het gat
te dichten. Dat geld komt nu uit algemene middelen. Is de Staatssecretaris het met
de PVV-fractie eens dat je hiermee, doordat het uit de algemene middelen komt, de
motivatie om te gaan innoveren niet bevordert? Laat staan dat recycling daarmee wordt
gestimuleerd. Het komt niet op het bordje van de producenten, want die voelen de pijn
niet. Het komt van allerlei kanten deze kant op. Het gaat gewoon die oven in, voor
80 cent per kilo, en dat betalen we weer als een van de braafste jongetjes van de
klas. Het gaat echt om veel geld. Het gaat in totaal om een miljard in vijf jaar.
Is de Staatssecretaris bereid te bekijken of dat niet anders kan? Dat is dan gelijk
mijn vervolgvraag hierop.
Staatssecretaris Jansen:
Daar wil de Staatssecretaris graag in tweede termijn op terugkomen.
De heer Boutkan (PVV):
Technisch: en op de eerste vraag die ik stelde?
De voorzitter:
Welke vraag?
De heer Boutkan (PVV):
De vraag hoe het zit met het feit dat wij de signalen krijgen dat het anders wordt
begrepen, terwijl u van uw kant zegt: we nemen alles mee, we bespreken dit, we passen
het aan en dergelijke. De hele tribune zit vol. Die mensen zijn de afgelopen weken
en maanden bij ons over de vloer geweest. Die signalen ontvangen wij niet. Dus ergens
gaat het mis in de keten, om het zo maar te zeggen. De vraag is dan waar het mis gaat
in de keten.
Staatssecretaris Jansen:
Volgens mij zijn wij nog bezig met het proces van verwerking van de feedback en het
aanpassen ervan. Ik begrijp dat heel veel mensen graag zien dat wij daar sneller en
uitgebreider op terugkomen. Zorgvuldigheid hier is wel heel belangrijk. En ja, wij
zullen zeker terugkoppelen hoe we de inbreng meenemen en we zullen het ook terugkoppelen
als we bepaalde inbreng niet kunnen meenemen, omdat dat weer andere nadelen tot gevolg
heeft. Dat is natuurlijk wel zo netjes, ook richting de mensen die de inbreng hebben
geleverd.
De voorzitter:
Zijn er verder aan de kant van de Kamer interrupties gewenst op het tweede gedeelte?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik had op ditzelfde punt ook een vraag. Ik heb schriftelijke vragen gesteld over het
omvallen van allerlei recyclebedrijven voor plastic. In de beantwoording werd gezegd:
ja, dat komt door de markt; ze kunnen daar niet zoveel aan doen. Nu is er een subsidie
vrijgemaakt van 267 miljoen euro om bedrijven bij te staan in de transitie naar een
circulaire plasticketen. Er zijn bedrijven die dit al doen en die toch omvallen. Het
lijkt me vooral van belang dat we die bedrijven gaan steunen. Ik ben benieuwd of de
Staatssecretaris nadenkt over maatregelen om dit soort bedrijven bijvoorbeeld met
subsidie bij te staan. Bij het Ministerie van Klimaat hebben we bijvoorbeeld de SDE++-subsidie.
Ik kan me voorstellen dat je binnen het Klimaatfonds ook een mogelijkheid zou kunnen
creëren voor dit soort bedrijven die het goede al doen. Ik heb het nu niet over bedrijven
die met een transitie bezig zijn, maar die het al uitvoeren.
Staatssecretaris Jansen:
Ik heb een kort antwoord. Die 267 of 287 miljoen euro, even uit mijn hoofd, is bedoeld
voor de verwerkers. Ik heb het niet helemaal scherp. We doen dat in overleg met de
Minister van KGG. Daar is het bedrag uiteindelijk inderdaad voor bedoeld.
De voorzitter:
Herhaalt u de vraag, mevrouw Rooderkerk? Dit gaat niet ten koste van een interruptie.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit was echt verre van een antwoord op mijn vraag. Zal ik het nog een keer herhalen?
Oké. Er zijn heel veel plasticbedrijven die omvallen. Daar heb ik schriftelijke vragen
over gesteld. In de beantwoording wordt er een beetje naar verwezen dat die plasticmarkt
inderdaad lastig is en dat we op Europees niveau wat moeten doen. Ik hoor in al deze
antwoorden van de staatsecretaris tot nu toe vooral uitleg van de Europese regels.
Ik had niet verwacht dat deze staatsecretaris vooral daarop zou focussen. Ik denk
dat je landelijk moet kijken naar wat er nodig is voor onze circulaire keten. Wat
hebben we nodig voor deze bedrijven? Zouden we daar wellicht extra subsidie voor vrij
kunnen maken, bijvoorbeeld voor de onrendabele top of zoals we dat ook bij de SDE++-subsidie
doen? Die subsidie noemde ik als voorbeeld voor hoe we bedrijven helpen die duurzaam
willen zijn. Zouden we zo'n subsidie ook niet voor dit soort bedrijven moeten vrijmaken?
Staatssecretaris Jansen:
Het is allemaal een stuk makkelijker als we heel veel geld zouden hebben, maar natuurlijk
zien we deze ontwikkeling ook. Wij horen eveneens van bedrijven die dreigen om te
vallen of al zijn omgevallen. We zijn nu aan het kijken hoe we als kabinet hier op
de juiste wijze mee om moeten gaan. Daarbij kijken we tegelijkertijd ook naar het
speelveld en naar wat dit uiteindelijk betekent voor de internationale ontwikkelingen.
We kijken ook of we daarmee niet een onbedoeld neveneffect voor Nederlandse bedrijven
genereren. Dat zei ik net al tegen de heer Buijsse. Dat zijn de dilemma's waar we
tegenaan lopen. Dat betekent inderdaad – dat ben ik met u eens – dat het helaas tijd
kost om daar op de juiste manier mee om te gaan. Dat is gewoon het vervelende hieraan.
Er zijn bedrijven die het hartstikke moeilijk hebben. Wij krijgen die signalen echt
dagelijks binnen. Dan moeten we hier wel op de juiste manier mee omgaan en niet te
snel een besluit nemen met andere effecten die we op dit moment niet in kaart hebben.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wanneer krijgen we daar een brief over?
De voorzitter:
Wanneer kan de Kamer daar een brief over verwachten?
Staatssecretaris Jansen:
Bij de voorjaarsbesluitvorming, maar we zullen in Q1 met een brief daarover komen.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Kan de Staatssecretaris garanderen en toezeggen dat er op z'n laatst in 2027 een norm
ligt? Iedereen vraagt erom. Kan hij zeggen dat hij, als hij in gesprek gaat met de
sector, de sector er breed bij betrekt en met alle partners spreekt om eventueel aanvullend
flankerend beleid te hebben op de norm? Dat is een simpele ja- of neevraag.
Staatssecretaris Jansen:
Volgens mij hebben we aangegeven dat er inderdaad in 2027 een norm zal komen. Dat
is dan wel met de integrale afweging, want we lopen er wel tegenaan dat we op dat
moment een gelijk speelveld moeten behouden ten opzichte van andere landen.
De voorzitter:
Dus het antwoord is ja?
Staatssecretaris Jansen:
Ja, 2027. Maar we kijken wel naar de integrale afweging.
De heer Pierik (BBB):
Ik ben blij dat de Staatssecretaris bevestigt dat, als het gaat om het stimuleren
van circulaire maatregelen, ook gebruik kan worden gemaakt van het Klimaatfonds. De
vragen die ik daarover heb, zijn eigenlijk tweeledig. In hoeverre zijn er aanvullende
gesprekken gepland om ook hier het bedrijfsleven bij te betrekken en ook met de sector
over die specifiek klimaatgerichte maatregelen te overleggen? Is vanuit het Klimaatfonds
een bepaald budget beschikbaar dat specifiek kan worden ingezet voor deze circulaire
maatregelen?
Staatssecretaris Jansen:
Volgens mij vinden er voortdurend ambtelijke gesprekken plaats met de sector om te
kijken hoe je deze middelen op de juiste wijze kan inzetten. Dus ik steun de heer
Pierik daarin. Het is belangrijk om dit geld op die manier in te zetten.
De heer Pierik (BBB):
Er is dus géén speciaal budget voor? In principe zou al het geld vanuit het Klimaatfonds
dus ook naar circulaire maatregelen kunnen gaan?
Staatssecretaris Jansen:
Het is niet geoormerkt.
De voorzitter:
Is de vraag voor u voldoende beantwoord, meneer Pierik?
Staatssecretaris Jansen:
Het is vrij in te zetten.
De voorzitter:
Ter verduidelijking: het zou dus ook volledig naar de circulaire maatregelen kunnen,
maar tegelijkertijd doet u dat niet omdat het niet geoormerkt is? Je kunt het dus
zowel een voordeel als een nadeel noemen, begrijp ik? Ik kijk naar de heer Pierik
of het antwoord voor hem duidelijk is. Dat is het geval. Zijn er verder nog interrupties
op dit gedeelte? Die zijn er niet. Dan stel ik voor dat de Staatssecretaris doorgaat
met het volgende kopje.
Staatssecretaris Jansen:
Het volgende kopje gaat over de single-use plastics, oftewel SUP. De heer Pierik,
de heer Buijsse en de heer Boutkan vroegen waarom de Staatssecretaris denkt dat een
toeslag van € 0,25 gaat werken, terwijl de vorige toeslag niet werkte. Ik zal daar
in algemene zin op reageren. Uit de evaluatie blijkt dat de meerprijs nu niet werkt.
Dit komt mede doordat ondernemers de hoogte ervan zelf mogen bepalen en ze de opbrengst
mogen houden. Ze kiezen nu vaak voor een bedrag dat consumenten niet echt prikkelt
om de keuze te maken voor het herbruikbare alternatief. Voor de consument is het onduidelijk
waarom ze moeten betalen, met name als er niet echt een alternatief is. De regels
moeten dus eenduidiger en duidelijker worden. Daarom kies ik ervoor om de meerprijs
vast te stellen. Iedereen weet dan precies waar hij aan toe is. Consumenten weten
dat ze € 0,25 kunnen besparen door een beker of een bakje mee te nemen. Daarnaast
is er dan geen concurrentie tussen verkopers vanwege de laagste meerprijs. Uiteindelijk
gaat het volgens mij gewoon om de goedkoopste en lekkerste koffie; die combinatie
is dan bepalend. Waar de meerprijs als oneerlijk wordt ervaren omdat er geen mogelijkheid
is om te kiezen voor een herbruikbaar alternatief, schaf ik die af. Dit is bijvoorbeeld
het geval bij thuisbezorging en bij supermarkten. Ik verwacht dat de meerprijs op
deze manier effectiever wordt ingezet en bijdraagt aan het bestrijden van zwerfafval
en het bevorderen van hergebruik.
Dan heb ik een vraag van de heer Boutkan. Hij beschreef het proces dat nodig is voor
het gebruik van herbruikbare bekers en stelt vast dat daar juist meer plastic voor
nodig is. Dat is slechter voor het milieu. Het hergebruik van bekers brengt daarnaast
een risico met zich mee voor de voedselveiligheid. De heer Boutkan vroeg naar mijn
reactie. Uit de SUP-evaluatie blijkt dat er veel verschillende getallen in omloop
zijn. Die zijn niet altijd wetenschappelijk onderbouwd. We hebben zelf een lifecycle-onderzoek
gedaan waar andere cijfers uit naar voren komen. Het is daarbij van groot belang dat
veel herbruikbare verpakkingen in het systeem blijven. Overigens gelden voor zowel
eenmalige als herbruikbare verpakkingen regels voor de voedselveiligheid. Daarnaast
hebben we te maken met de Europese doelstelling die we moeten halen. Die gaat over
het reduceren van het aantal eenmalige bekers en bakjes met plastic en niet over het
reduceren van de totale hoeveelheid plastic. Die doelstelling halen we niet als we
eenmalige bekers met een klein beetje plastic blijven toestaan. Dat is de reden waarom
we er op deze manier mee omgaan.
Mevrouw Wingelaar van NSC vraagt of de meerprijs van € 0,25 kan worden gekoppeld aan
een prikkel om te investeren in duurzame producten. Dat idee is ook opgekomen in de
evaluatie. Je zou de meerprijs die consumenten betalen bijvoorbeeld kunnen onderbrengen
in een fonds en dit gebruiken voor duurzame doeleinden. Dat is echter makkelijker
gezegd dan gedaan, zoals enkele Kamerleden ook opmerkten in hun reactie op het voorstel.
Ik kan dat alleen maar onderstrepen, want het blijkt ook uit de cijfers in de evaluatie.
Ik vrees dat het de regeldruk voor ondernemers flink zal verhogen en daarom doe ik
het niet. Ik geef prioriteit aan het effectiever en duidelijker maken van de regelgeving.
De heer Buijsse vraagt of ik bereid ben mijn standpunt te herzien over de motie-Haverkort
c.s. De motie gaat over de definitie voor hoogwaardige recycling. De Verpakkingenverordening
is afgelopen maandag vastgesteld. Wanneer de verordening van kracht wordt, gelden
de definities die daarin staan ook in Nederland. Het gaat dan om verpakkingen in brede
zin. Het is niet bedoeld voor de context van de eenmalige plasticproducten, de SUP.
Die richt zich namelijk niet op recycling, maar op het reduceren van bepaalde eenmalige
producten. Ik acht de motie-Haverkort c.s. om die reden onuitvoerbaar. Ik begrijp
de achterliggende gedachte van de heer Buijsse wel, namelijk meer ruimte laten voor
het gebruik van eenmalige bekers in kantoren en kantines, mits ze gerecycled worden.
Ik kan daar echter niet meer ruimte voor geven, omdat het de regels niet meer handhaafbaar
maakt. We zouden ernstig inboeten op de effectiviteit van deze regelgeving en ook
de Europese doelstellingen niet halen. Om die reden kunnen wij de motie niet uitvoeren.
De heer Buijsse vraagt of ik bereid ben het gesprek met de sector aan te gaan en te
zoeken naar alternatieven voor de SUP-meerprijs. Er wordt al veel gesproken met de
sector. Toen in 2021 de huidige regelgeving tot stand kwam, inclusief de verplichte
meerprijs voor bekers en bakjes, zijn hierbij ook stakeholders betrokken. Voor de
evaluatie van de regelgeving is door de onderzoekers gesproken met onder andere Koninklijke
Horeca Nederland, met cateraars, fastfoodrestaurants en met een maaltijdbezorgplatform.
Ik zie nu geen aanvullende reden om met de sector in gesprek te gaan over alternatieven.
De heer Stoffer van de SGP vraagt of ik bij de plastics voor eenmalig gebruik een
uitzondering wil overwegen voor gecertificeerde bedrijven die een gesloten systeem
hebben voor de inzameling en recycling van bekers, met een maximumpercentage aan plastic.
Het antwoord is heel kort: nee. Er is een uitzondering voor ziekenhuizen en gesloten
inrichtingen, zoals gevangenissen. Er is ook een uitzondering voor plastic bekers
en bakjes die hoogwaardig gerecycled worden, bedoeld voor gebruik bij evenementen.
Ik zie geen ruimte voor nog meer uitzonderingen. We moeten de Europese verplichting
om het gebruik van bekers en bakjes te verminderen halen. Alle bekers en bakjes die
onder de uitzonderingen vallen, tellen niet mee. We halen de doelstelling echter niet
als we voor eenmalige consumpties bekers toestaan, ook niet als ze door gecertificeerde
bedrijven met een gesloten systeem worden geleverd.
Daarmee ben ik aan het einde komen van mijn beantwoording, voorzitter.
De voorzitter:
Zijn er interrupties gewenst op dit onderdeel?
De heer Boutkan (PVV):
Ik kan er met mijn pet niet bij, bij deze beantwoording. Ik laat de Staatssecretaris
een bekertje zien en vraag hem: is dit nu een kartonnen bekertje of een plastic bekertje?
Staatssecretaris Jansen:
Het antwoord is: beide.
De heer Boutkan (PVV):
Volgens de Europese richtlijnen is dit geen plastic, want er zit namelijk minder dan
5% plastic in. Dit bekertje valt daar dus buiten. We hebben een gesloten systeem.
Ik heb het van de week al aangekaart ten kantore van de Staatssecretaris. De ambtenaren
zeiden toen direct: nee, u ziet het fout, meneer Boutkan. Er is onduidelijkheid, ook
op uw website. Daardoor is die puinhoop gecreëerd. Europa heeft bepaald dat een bekertje
met minder dan 5% plastic niet onder deze regeling valt. Daar komt bij dat het biobased
plastic is dat in dit bekertje is verwerkt. Het is geen fossiel plastic. Het is een
gesloten systeem. De verkopers zamelen het in en ze halen nu al een doelstelling richting
75%. Dat is dus boven die 40% reductie die is opgelegd. Ik kan er dus echt met mijn
pet niet bij dat u willens en wetens bedrijven binnen een jaar kapotmaakt door dat
zo generiek neer te leggen. Kom gewoon eens met maatregelen voor dit soort bedrijven.
Het werkt niet. Ze halen meer dan 40% reductie. Dat is ook wat Europa van ons verlangt.
Waarom gaan we dan toch door om dit achterlijke, kleine kartonnen bekertje... U merkt
het gewoon aan mijn stem: ik begrijp het niet. We halen de doelstelling; waarom dan
toch zo prominent blijven pushen op dat kartonnen bekertje?
De voorzitter:
Wat is de kern van uw vraag?
De heer Boutkan (PVV):
Als u mijn betoog heeft gehoord, kunt u toch niet blijven volhouden dat dit een plastic
bekertje is? Nogmaals, ga nog een keer in gesprek met de marktpartijen. Mijn mailbox
ontploft door de beantwoording die u hier nu geeft. Ik vraag u daarom erop terug te
komen.
De voorzitter:
Het woord is aan de Staatssecretaris. De vraag is of u erop wilt terugkomen.
Staatssecretaris Jansen:
Ik zal er in ieder geval in de tweede termijn uitgebreider op terugkomen. Het bekertje
is volgens mij vrij essentieel voor dit onderwerp.
De voorzitter:
Ik zag dat het lid Kostić een interruptie heeft.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik waardeer de passie van de heer Boutkan, maar volgens mij kan hij die beter voor
andere zaken inzetten. Ik ben heel benieuwd naar de rest van uw betoog. Ik heb een
vraag aan de Staatssecretaris. Heeft hij de oproep van de Fair Resource Foundation
en de Consumentenbond gehoord? Die oproep ging over het verhogen van het statiegeld
op een slimme manier. De consument die netjes zijn blikje of flesje inlevert, krijgt
€ 0,05 extra terug. Dat is dus winst voor de consument. Dat geld zou dan bij de Stichting
Verpact moeten worden gehaald, want die heeft nog heel veel geld op de plank liggen.
Het zou Verpact ook helpen, omdat ze dan eerder hun inzamelingsdoelen halen. Dat is
het betoog van de Fair Resource Foundation en de Consumentenbond. Is de Staatssecretaris
bereid om dit te verkennen en te kijken of dit zou kunnen werken?
Staatssecretaris Jansen:
We zijn regelmatig met Verpact in gesprek. We kijken hoe je het inzamelingssysteem
nog aantrekkelijker kunt maken voor mensen. Er zijn heel veel opties langsgekomen,
waaronder het pleidooi om een paar cent extra aan de consument te betalen. Eén ding
moet wel heel duidelijk zijn: iedere eurocent die bij Verpact ligt, moet uiteindelijk
terugkeren in het systeem. Het is dus niet zo dat er heel veel geld ligt en dat ze
er winst op maken. Het lid Kostić heeft dat ook niet gezegd, maar ik benoem het toch
even. Het geld is echt bedoeld om het terug te laten keren in het totale systeem.
De volgende simpele optie is ook verkend. Er zijn automaten waar je op het moment
dat je je fles inlevert, een QR-code kan scannen. Het geld wordt dan direct op je
rekening bijgeschreven. Dat gebeurt al in landen om ons heen. Over dergelijke opties
zijn we met Verpact in gesprek. We verkennen alle mogelijkheden om het laagdrempeliger
te maken voor mensen om verpakkingsmateriaal met statiegeld in te leveren.
Ik wil kort vooruitlopen op de opmerking die is gemaakt over verhoging van het statiegeld
naar € 1. Dat plan komt niet uit mijn koker en het komt ook niet uit de koker van
de ILT. Het is een vraag die door Verpact is gesteld. Verpact vroeg te onderzoeken
wat het effect zou kunnen zijn van een verhoging van het statiegeld naar bijvoorbeeld
€ 1. Er is nog helemaal niets bekend over besluitvorming hierover. Die onduidelijkheid
wil ik in ieder geval wegnemen. Het komt niet bij mij vandaan, zeg ik heel eerlijk.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De Staatssecretaris is in ieder geval geïnteresseerd. Ik wil graag een brief van de
Staatssecretaris als hij gaat spreken met Verpact over het specifieke voorstel van
de Fair Resource Foundation en de Consumentenbond. Zij hebben een goede staat van
dienst. Volgens mij is het een goed idee. Ik zou heel graag willen dat de Staatssecretaris
serieus in gesprek gaat met Verpact om te onderzoeken of het een goede optie is die
voldoende oplevert. Ik vraag de Staatssecretaris daar dan in Q1 een terugkoppeling
over te geven aan de Kamer.
De voorzitter:
Is het mogelijk dat de Kamer in Q1 van het volgende jaar hierover een brief ontvangt?
Staatssecretaris Jansen:
We hebben een evaluatie gepland staan in Q1 van 2025. Naar aanleiding daarvan komen
we ook weer terug bij de Kamer. Dat is het moment waarop wij de Kamer nader gaan informeren.
Alle opties die wij bespreken, ook met Verpact, komen dan aan bod.
De heer Buijsse (VVD):
Ik sluit aan bij het betoog van de heer Boutkan over de motie op stuk nr. 279 van
de heer Haverkort en ik betwist wat de Staatssecretaris hierover stelt. Als er toch
een bezwaar komt op deze aanpassing, dan kan dat zomaar tot juridische risico's leiden.
We zullen het nu niet hebben over definities en interpretaties daarvan. U heeft uw
interpretatie gekozen, maar wij kijken daar echt anders tegenaan. De heer Boutkan
heeft dat met passie uitgedragen. Ik kan er nog niet bij, bij wat de Staatssecretaris
hierover zegt. In die zin volg ik de lijn van de heer Boutkan.
Over het kwartje wil ik nog het volgende vragen. Hoe moet ik het me voorstellen? Als
ik een frietje bij de snackbar wil bestellen, stimuleert u het «bring your own»-principe.
Moeten mensen dan een pan meenemen naar de snackbar? Hoe gaat dat? Hoe denkt de Staatssecretaris
daarover?
Staatssecretaris Jansen:
Dank aan de heer Buijsse voor deze vraag. Wij hebben daar natuurlijk ook naar gekeken:
hoe ga je hiermee om? Als voorbeeld: je ziet veel mensen die met het openbaar vervoer
reizen, van huis een beker koffie meenemen. Onderweg kunnen ze die beker nog een keer
gebruiken en laten bijvullen. Als iemand bij de chinees bakjes meekrijgt, kunnen die
bakjes voor de tweede en derde keer opnieuw gebruikt worden. Dat is het idee erachter.
Of het ideaal is, is een tweede. Het zou op deze manier kunnen werken. Maar ook op
het moment dat je je eten gaat afhalen, kun je zelf bakken meenemen.
De voorzitter:
Als er verder geen interrupties meer zijn van de kant van de Kamer, stel ik voor dat
de Staatssecretaris verder gaat met het een na laatste deel. Het woord is aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Jansen:
Dan kom ik bij de kop uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Daar zijn heel
veel vragen over gesteld. Ik denk dat de UPV een belangrijke rol in de circulaire
economie gaat spelen en steeds meer zal worden ingezet. Door de UPV worden producenten
verantwoordelijk voor het inzamelen en verwerken van het afval van de producten die
ze op de markt brengen. Het gaat dus over de achterkant van de keten: het organiseren
en financieren van het afvalbeheer. Het instrument UPV wordt op dit moment doorontwikkeld
zodat het nog effectiever kan worden en nog meer kan bijdragen aan de circulaire economie.
Uw Kamer is hierover in oktober vorig jaar geïnformeerd. Bij de doorontwikkeling wordt
ook gekeken of de UPV kan worden uitgebreid naar reparatie. Daar zei ik net ook al
iets over. Het is nog geen gegeven, er wordt alleen gekeken of die uitbreiding mogelijk
is. De UPV is namelijk geen duizenddingendoekje. De UPV wordt vaak genoemd als dé
oplossing voor het realiseren van een circulaire economie, maar naast de UPV zul je
andere instrumenten nodig hebben om een circulaire productketen te bereiken. Daarom
zetten we ook in op het duurzaam ontwerpen van producten. Dat doen we onder andere
met de Ecodesignrichtlijn en met regels voor specifieke producten, zoals verpakkingen,
elektrische apparaten en batterijen. Tegelijkertijd blijven we ervoor zorgen dat de
UPV door de doorontwikkeling maximaal bijdraagt aan de circulaire transitie. Die richt
zich dus ook op hergebruik en hoogwaardige recycling. Uw Kamer kan medio volgend jaar
informatie over de vorderingen in dit traject tegemoetzien.
De heer Stoffer vraagt of ik meer afvalstromen onder de UPV-regeling zal laten vallen
en of ik daarbij inzet op hoogwaardige recycling door meer hergebruik en reparatie.
Hij noemt als voorbeeld een landelijk dekkend reparatiesysteem. Het is inderdaad mijn
inzet om meer afvalstromen op te nemen onder de verplichtingen van de UPV. Ik denk
daarbij onder andere aan luiers en meubels. Er lopen ook verkenningen naar andere
productgroepen. In het doorontwikkeltraject van de UPV onderzoek ik of het mogelijk
is om reparatie een plek te geven in de UPV en meer te doen met hergebruik en hoogwaardige
recycling. Ik informeer de Kamer rond de zomer over de uitkomst van dit onderzoek.
In de tweede helft van het jaar informeer ik de Kamer over de bredere doorontwikkeling.
Dan heb ik de vraag van het lid Kostić of ik bereid ben om een circulariteitsbijdrage
op te nemen in het UPV-systeem en, zo ja, wanneer ik dat ga doen. Zoals ik net al
zei, zijn we het UPV-instrument aan het doorontwikkelen. Er loopt een onderzoek naar
de mogelijkheden om de UPV meer te richten op circulariteit. Dat kan bijvoorbeeld
door voor te schrijven dat in de UPV-systemen ook fondsen voor reparatie worden opgericht.
Zoals ik eerder zei, is de UPV wel een instrument voor afvalbeheer. We moeten dus
goed kijken of het zowel juridisch en technisch als economisch mogelijk is. Dit onderzoek
zal in het voorjaar klaar zijn. Uw Kamer zal rond de zomer over de voortgang van het
doorontwikkeltraject worden bijgepraat. Als blijkt dat het kan, zal het nog wel de
nodige aanpassingen vragen. Dat betekent dat het niet eerder dan in 2027 gerealiseerd
kan worden.
Dan heb ik een vraag van de heer Grinwis. Hij vraagt of ik bereid ben te verkennen
op welke manier hergebruik en reparatie aan de huidige en toekomstige UPV-regelingen
kunnen worden toegevoegd. Daartoe ben ik zeker bereid. Dat doen we ook in het doorontwikkeltraject
dat ik net noemde. Als onderdeel daarvan loopt er een onderzoek om de UPV meer te
richten op circulariteit. De opties van hergebruik en reparatie krijgen daar nadrukkelijk
een plek in. Ze worden verkend. Ik informeer de Kamer rond de zomer, in de tweede
helft van volgend jaar.
De heer Boutkan vraagt een reactie op de mogelijke kostenstijging voor luiers en incontinentieproducten
die wordt veroorzaakt door de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Door de
UPV worden de producenten van luiers en incontinentieproducten verantwoordelijk voor
de kosten van inzameling en recycling. Ze kunnen dit doorberekenen in de prijs van
deze producten, maar dat hoeft niet. Er zitten namelijk behoorlijk grote marges op.
Uit de doorrekening die wij gedaan hebben, komen we op veel lagere bedragen dan hier
werden genoemd. Met de UPV zullen de kosten voor het restafval omlaaggaan voor inwoners,
maar vooral ook voor de instellingen. Het kan dus ook juist een kostenbesparing opleveren.
De voorbereidingen van de UPV zijn nog gaande. We hopen het ontwerpbesluit begin volgend
jaar voor internetconsultatie aan te bieden.
De laatste vraag over dit onderwerp is van de heer Grinwis van de ChristenUnie. Hij
vraagt of ik bereid ben om structureel overleg te voeren met vertegenwoordigers van
reparateurs en hen te betrekken bij de UPV-regelingen. Het ministerie heeft zeer regelmatig
contact met de branche van reparateurs, bijvoorbeeld met leden als Techniek Nederland
en Stichting Repair Café. Zo werken we met hen samen aan het reparateursregister.
Ze zijn ook betrokken bij de doorontwikkeling van de UPV. Dat levert zeer waardevolle
input op, bijvoorbeeld voor de Ecodesignrichtlijn en andere EU-productenwetgeving.
We verkennen ook de mogelijkheden om reparatie een plek te geven binnen de UPV. We
bekijken hoe belanghebbenden beter betrokken kunnen worden bij de uitvoering van de
UPV-richtlijnen. Reparateurs zullen daarin expliciet als doelgroep worden meegenomen.
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat de Staatssecretaris nu de vragen van het lid Kostić behandelt
voordat we overgaan op de interrupties. Daarna gaan we door met het laatste gedeelte
van de beantwoording door de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Jansen:
Het lid Kostić vraagt of ik kan toezeggen dat de Kamer in Q1 een concept krijgt van
de actualisatie van het NPCE. Ik denk dat het goed is dat u meestuurt op de transitie.
Daar is onder meer dit debat voor. Het is niet mogelijk om al in Q1 een concept te
sturen. De teksten zijn nog niet gereed. We willen goed luisteren naar partijen in
het werkveld. Dat vergt extra tijd. In september zal het geactualiseerde NPCE aan
de Kamer worden gestuurd. Wat mij betreft gaan we daarna met elkaar het debat erover
aan.
Het lid Kostić vraagt of de bewindspersonen kunnen toezeggen dat bij de actualisatie
van het NPCE via duidelijke tussendoelen wordt toegewerkt naar de drie langetermijndoelen
zoals die genoemd zijn door de Rli. Het lid Kostić verzoekt om een tijdlijn en om
de toezegging dat niet alleen wordt gestuurd op vervolgonderzoek, maar vooral ook
op concrete maatregelen. Bij de actualisatie van het NPCE kijken we of en hoe we deze
punten kunnen meenemen.
De voorzitter:
Dank voor de beantwoording. De heer Boutkan heeft nog een vraag openstaan. Welke vraag
is dat, meneer Boutkan?
Staatssecretaris Jansen:
Ik denk dat de beantwoording in het mapje overig zit.
De heer Boutkan (PVV):
Ik kan niet in uw mapje kijken.
De voorzitter:
Laten we ervan uitgaan dat het onder het kopje overig valt. Als dat niet het geval
is, stel ik voor dat u de vraag daarna opnieuw stelt. Het kost u dan geen interruptie.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Misschien heb ik het antwoord gemist. Specifiek over de UPV-regeling voor textiel
had ik gevraagd of de bijdrage van producenten niet alleen op gewicht gebaseerd zou
kunnen worden, maar bijvoorbeeld ook op levensduur, herbruikbaarheid en kwaliteit
van kleding. U heeft in het algemeen gezegd dat er een doorontwikkeling is, maar ik
heb specifiek naar de UPV-regeling voor textiel gevraagd. Dat is een. Een tweede vraag
was of in de UPV tariefdifferentiatie mogelijk is voor het risico op zwerfafval. Ik
weet niet of u in algemene zin heeft geantwoord, maar het is een ander onderwerp dan
circulariteit. Het gaat over zwerfafval. Daar heb ik geen antwoord op gehoord.
Staatssecretaris Jansen:
Ik sluit niet uit dat de beantwoording van deze vragen ook in het mapje overig zit.
Als dat niet zo is, kom ik daar in de tweede termijn bij de heer Gabriëls op terug.
De heer Boutkan (PVV):
Ik wil terugkomen op een vraag die wel is beantwoord, namelijk over de UPV voor luiers
en incontinentiemateriaal. De Staatssecretaris zei dat er ruime marges op zitten en
refereerde vervolgens aan recycling. Uit de correspondentie blijkt echter dat er regelmatig
een gat zit tussen wat het ministerie hierover communiceert en wat partijen zeggen.
Er worden namelijk cijfers aangehaald over recycling die in heel Europa niet gehaald
worden. Je kunt het bij de buren navragen. Dus die marges halen ze niet. Ik vraag
me dan af hoe de Staatssecretaris tot een berekening komt met zulke marges, waarbij
wordt gerekend met recyclingaantallen die niet worden gehaald. Hoe komt het dat er
elke keer tussen het ministerie en het bedrijfsleven een enorm verschil zit? Ik denk
toch echt dat we met een probleem te maken hebben.
De voorzitter:
Helder, het woord is aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Jansen:
Ik zal er in de tweede termijn op terugkomen. In de doorrekening die wij hebben gedaan,
staan veel lagere bedragen dan die door de heer Boutkan werden genoemd. Ik wil wel
zeker weten dat we de juiste dingen met elkaar vergelijken, dus ik kom erop terug.
De voorzitter:
Het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb volgens mij vijf vragen gesteld over het NPCE. Ik heb goed geluisterd. Eén
vraag is in ieder geval duidelijk beantwoord. Vragen waar ik nog onvoldoende duidelijkheid
over heb, wil ik opnieuw stellen. Kunnen de bewindspersonen bevestigen dat zij bij
de actualisatie van het NPCE meer gaan focussen op het verminderen van het gebruik
van grondstoffen en spullen, net zoals bij het programma circulair textiel? Dat was
één.
De voorzitter:
Dan laten we die eerst beantwoorden. Het gaat om een ja of een nee?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Sorry, wat bedoelt u?
De voorzitter:
Het gaat om een ja-of-neeantwoord.
Staatssecretaris Jansen:
Ik moet eerlijk zeggen dat ik deze vraag heb gemist, omdat ik even aan het overleggen
was. Overigens is een van uw openstaande vragen wel beantwoord, omdat die ook door
andere Kamerleden was gesteld. Daarvoor moet ik u naar die beantwoording verwijzen,
omdat het nu op de stapel met beantwoorde vragen ligt. De andere twee vragen komen
waarschijnlijk in het mapje overig aan de orde. Kunt u voor nu de vraag herhalen die
u net stelde?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Misschien moet ik ze allemaal even herhalen, want nu ben ik echt in de war. Mijn vraag
was: kunnen de bewindspersonen bevestigen dat zij bij de actualisatie van het NPCE
meer gaan focussen op het verminderen van het gebruik van grondstoffen en spullen,
net zoals bij het programma circulair textiel? Dat was één. Een andere vraag was of
de bewindspersonen ook kunnen toezeggen dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe naar de
drie langetermijn Rli-doelen wordt toegewerkt, met duidelijke tussendoelen en een
tijdlijn. Daar heeft de Staatssecretaris iets over gezegd wat ik gewoon niet begrijp,
namelijk iets als «we gaan kijken of en hoe». Maar ik wil weten of hij die drie doelen
gaat meenemen, ja of nee. Daarnaast vroeg ik of de Staatssecretaris kan toezeggen
dat hij niet alleen zal sturen op vervolgonderzoeken, maar ook op concrete maatregelen.
Die vraag heeft de Staatssecretaris wel herhaald, maar hij bevestigde niet dat hij
gaat sturen op concrete maatregelen. De Staatssecretaris zei «we gaan bezien of en
hoe», maar kan de Staatssecretaris er gewoon duidelijk over zijn of hij het gaat doen
of niet? Dat helpt mij in het vervolg.
Staatssecretaris Jansen:
Voor de laatste vraag zal het lid Kostić het moeten doen met het antwoord dat ik gaf.
Op de eerste vraag is het antwoord: ja, indien mogelijk. Op de middelste vraag kom
ik in de tweede termijn terug.
De voorzitter:
Het lid Kostić, tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Is de vraag over de ja-jasticker al beantwoord of komt die nog?
De voorzitter:
Die beantwoording komt nog.
Staatssecretaris Jansen:
Die vraag wordt behandeld in het mapje overig.
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat we doorgaan naar het mapje overig.
Staatssecretaris Jansen:
Dank, voorzitter. Dit is de grootste map, dus daar zijn we wel een tijdje mee bezig.
Ik begin met een vraag van mevrouw Wingelaar van NSC. Ze vroeg wat mijn visie is op
de inzamelcapaciteit en op statiegeld. Ze vroeg ook of ik zicht heb op welke aanpassingen
in de wetgeving noodzakelijk, nuttig en mogelijk zijn. Producenten halen de wettelijke
inzameldoelstelling van 90% van de blikken en flesjes met statiegeld niet. Het is
duidelijk dat er in ieder geval meer innamepunten moeten komen. Toezichthouder ILT
heeft Verpact gelast om 5.400 nieuwe innamepunten te realiseren. Het is belangrijk
dat het consumenten makkelijker wordt gemaakt om hun statiegeld te innen. Ik wil niet
vooruitlopen op de uitkomsten van de evaluatie. U ontvangt in het voorjaar het rapport
met mijn eerste beleidsreactie. We zijn natuurlijk wel in gesprek met verschillende
partijen, zoals gemeenten, om te kijken hoe we het aantal inzamelpunten kunnen uitbreiden.
Uiteindelijk is het aan Verpact om de noodzakelijke aantallen te halen. Wij voeren
er wel gesprekken over.
Mevrouw Wingelaar vraagt rond het onderwerp statiegeld om een update over grensregio-effecten.
Deze vraag is volgens mij al eens eerder gesteld. Op dit moment hebben nog niet alle
landen in Europa een statiegeldsysteem. Met de Verpakkingenverordening die deze week
is vastgesteld, wordt dat op termijn wel verplicht. Buurlanden zullen dan ook statiegeld
invoeren. Volgens Verpact gaat maar een beperkt aantal verpakkingen de grens over.
Het loont dus niet om een specifieke maatregel te treffen om dat aan te pakken. De
Verpakkingenverordening schrijft voor dat lidstaten rekening moeten houden met effecten
in de grensregio's. We verwachten dus dat het een tijdelijk verschijnsel is. Ik begrijp
dat dit misschien onbevredigend is, maar het is de situatie zoals die nu is.
Mevrouw Wingelaar vraagt waarom de statiegeldevaluatie is vertraagd. De afronding
van de evaluatie was inderdaad gepland voor eind dit jaar. De voorbereiding en opzet
van de evaluatie had echter iets meer tijd nodig. Ook gedurende de looptijd van de
evaluatie bleek dat er meer tijdig nodig is om een zorgvuldig resultaat met de Kamer
te kunnen delen. Ik ontvang het rapport in het begin van 2025. Daar moet ik dan eerst
nog mijn beleidsreactie op vormen. Beide stuur ik in het voorjaar aan de Kamer. Ik
hecht eraan te zeggen dat ik geen beleidsvoornemens formuleer terwijl de evaluatie
loopt. Dat geldt ook voor een eventuele verhoging van het statiegeldbedrag naar € 1.
Dat voornemen heb ik niet geformuleerd, ook al dook een bericht hierover plotseling
op in de krant.
Dan heb ik een vraag van de heer Boutkan, de heer Stoffer en mevrouw Wingelaar. Zij
vroegen of er plannen zijn om het statiegeld te verhogen naar € 1. Volgens mij ben
ik daarop ingegaan. Ik kan het volgende nog toevoegen. De ILT heeft onderzoek gedaan
en is nog bezig om de last onder dwangsom te bestuderen. De ILT heeft Stichting Verpact
gelast om te onderzoeken of de hoogte van het statiegeldbedrag kan helpen het inzamelingspercentage
te verhogen. De ILT kan op dit moment nog niet zeggen of hier een nieuwe last uit
zal komen over de hoogte van het statiegeld. Het verhogen van het statiegeld naar
€ 0,50 of € 1 is iets wat in de media is opgedoken. Het is niet door het ministerie,
de ILT of Verpact naar voren gebracht als voornemen om er op dit moment iets mee te
doen. Zoals ik al zei, wordt de statiegeldregeling nu geëvalueerd. In het voorjaar
van volgend jaar komen de Minister en ik met een beleidsreactie en het rapport.
De heer Buijsse wil weten wat mijn ervaringen zijn bij het in een positief daglicht
stellen van bodemassen als schone circulaire bouwstoffen. In een circulaire economie
is er uitsluitend een toekomst voor bodemassen als dit schone en gewassen bodemassen
zijn. Dit is ook de boodschap waarmee de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire
Economie op pad gaat. Hij is in gesprek met de partijen van de gehele keten die betrokken
is bij bodemassen. Zijn inzet is gericht op het creëren van draagvlak en vertrouwen
voor het beschouwen van schone bodemassen als veilige bouwstof. Het heeft dus onze
aandacht en de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie is hiermee
aan de slag.
Mevrouw Rooderkerk vraagt hoe het staat met de Europese norm voor duurzame koolstof
in de chemische industrie. Ze vraagt of wij hier niet zonder Europa mee aan de slag
kunnen en of ik kan toezeggen ambitieus in te gaan zetten op de Clean Industrial Deal.
Op dit moment is er geen Europese norm voor duurzame koolstof in de chemische industrie.
Mijn voorganger heeft, samen met de toenmalige Minister van EZK, opgeroepen tot een
overkoepelend Europees beleidskader, met als doel op Europees niveau het gebruik van
duurzame koolstof in de chemische industrie te stimuleren. Ik blijf mij hier ook voor
inzetten, samen met de Minister van KGG. Ik ben daarnaast in gesprek met de Europese
Commissie over het nieuwe werkprogramma van de Commissie en over de aangekondigde
Clean Industrial Deal.
Mevrouw Rooderkerk vraagt hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen true pricing bij
het inkoopbeleid van de rijksoverheid. Ik denk dat het heel goed is om het afwegen
van de maatschappelijke kosten een grotere rol te geven bij het inkoopbeleid. Daarom
komt er een pilot om te onderzoeken hoe true pricing kan worden meegenomen in de beoordeling
van offertes bij inkoop en aanbestedingen. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze
pilot in 2025 geïnformeerd.
Mevrouw Rooderkerk vraagt hoe het staat met de circulariteitseisen bij aanbestedingen
voor infra en bouw. Op dit moment bereid ik regelgeving voor om te zorgen dat de milieu-impact
van de infrasector wordt verlaagd en circulariteit wordt gestimuleerd. Voor de woningbouw
bestaat deze regelgeving al, namelijk de MilieuPrestatie Gebouwen. Het bedrijfsleven
en medeoverheden wensen eenduidigheid in het aanbesteden van infra, zodat er perspectief
ontstaat om te investeren in verduurzaming en circulariteit. Op dit moment besteden
partijen op verschillende manieren aan. Dat veroorzaakt onduidelijkheid. Er is op
een eerder moment regelgeving aangekondigd. Het is uiteindelijk een maatregel geworden
in het Nationaal Programma Circulaire Economie, dat aansluit op de Europese Bouwproductenverordening.
Dan nog een vraag van mevrouw Rooderkerk. Zij refereert aan de Richtlijn recht op
reparatie en vraagt welke maatregel ik ga nemen om reparatie te bevorderen. Deze richtlijn
stelt dat lidstaten ten minste één maatregel moeten nemen ter bevordering van reparatie.
De maatregel kan zowel van financiële als niet-financiële aard zijn. Er zijn verschillende
mogelijkheden. Eén ervan is het ondersteunen van initiatieven uit de gemeenschap,
zoals repaircafés. Andere mogelijkheden zijn het organiseren van opleidingsprogramma's
of het nemen van lokale maatregelen voor het toegankelijker maken van reparatie. Er
is nog geen besluit genomen over welke maatregel of maatregelen we gaan nemen. De
verschillende mogelijkheden en effecten ervan worden nog nader verkend.
De heer Stoffer vraagt of er afspraken worden gemaakt over meer hergebruik en reparatie,
verplichte beschikbaarheid van onderdelen en een fonds voor reparatiebonussen. Het
antwoord is ja. Er is al wetgeving voor hergebruik en reparatie. De EU-Ecodesignwetgeving,
die ik al eerder noemde, gaat hierover en richt zich op verschillende productgroepen,
zoals tv's, wasmachines enzovoorts. De wetgeving houdt onder meer in dat deze producten
goed te repareren moeten zijn en dat er reserveonderdelen beschikbaar moeten zijn.
Komende jaren zullen deze eisen voor steeds meer productgroepen gaan gelden. Op nationaal
niveau kijken we naar financiële prikkels, inclusief een mogelijk reparatiefonds of
een reparatiebonus. Er loopt een onderzoek. Begin 2025 wordt de Kamer hierover nader
geïnformeerd.
De heer Stoffer vraagt of er binnenkort ruimte is om zonder een duur certificaat reparaties
uit te voeren aan elektronica. Ook wil hij weten of apparaten pas als afgedankt worden
beschouwd als er niets nuttigs meer mee te doen is. Het antwoord is in essentie ja.
Ik bereid een aanpassing van de regels voor. Voor kleine reparatiebedrijven wordt
de certificering dan vervangen door een simpele set voorschriften. Die voorschriften
blijven wel nodig voor veiligheid en milieubescherming. Bij het afdanken van apparaten
moet worden gekeken of ze nog gerepareerd of hergebruikt kunnen worden. Het voorstel
voor de afgifteplicht voor afgedankte elektronica houdt daar rekening mee. Daarnaast
komt er binnenkort een handreiking waarmee ondernemers kunnen bepalen of een apparaat
als afval moet worden beschouwd. Zowel de aanpassing voor het certificaat als het
voorstel voor de afgifteplicht worden in de eerste helft van 2025 naar de Kamer gestuurd.
Mevrouw Rooderkerk vraagt welke producten onder de reparatierichtlijn vallen. Dat
zijn producten waarvoor op EU-niveau repareerbaarheidseisen gelden volgens de Edodesignwetgeving,
zoals wasmachines, stofzuigers, mobiele telefoons. De Europese Commissie zal de komende
jaren aan nog meer productgroepen de eisen stellen die gelden volgens de Ecodesignwetgeving.
Het gaat dan om veelgebruikte elektronische producten en grotere huishoudelijke producten.
Mevrouw Rooderkerk vraagt welke reparatierechten consumenten hebben voor producten
die buiten het bereik van de reparatierichtlijn vallen. Als een product kapotgaat
binnen de wettelijke garantieperiode, hebben consumenten recht op gratis herstel of
vervanging door de verkoper. Dit geldt voor alle producten. De richtlijn voorziet
erin dat fabrikanten van productgroepen die onder de Ecodesignrichtlijn vallen, deze
producten op verzoek van de consument ook nog na het verstrijken van de garantietermijn
moeten repareren voor een redelijke prijs. Daarnaast staat in de richtlijn dat als
een product binnen de wettelijke garantietermijn wordt gerepareerd, in bepaalde gevallen
de garantietermijn met een jaar wordt verlengd.
Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Rooderkerk. Ze vraagt hoe het staat met de uitvoering
van de motie-Bamenga over reparatievouchers. De mogelijkheid van een reparatiebonus,
zoals genoemd in de motie-Bamenga, is betrokken in het verkennende onderzoek van KPMG
naar financiële prikkels voor reparatie. Dit staat ook in de recente brief die de
Kamer heeft gekregen naar aanleiding van de motie-Stoffer. Deze staat vandaag ook
op de agenda. De resultaten van het verkennende onderzoek worden in het eerste kwartaal
van 2025 met de Kamer gedeeld. We zullen dan ook naar concrete vervolgstappen kijken.
De heer Pierik leidde zijn vraag in met de opmerking dat voor de circulaire economie
voldoende vaklieden nodig zijn. Zonder deze mensen is het niet mogelijk. Hij vraagt
of ik dat meeneem in mijn beleid. Het kabinet heeft zeker aandacht voor de benodigde
menskracht en vakmanschap in de circulaire economie. We stimuleren de aandacht voor
het circulair werken in het beroepsonderwijs, zodat steeds meer jonge mensen met de
benodigde vaardigheden op de arbeidsmarkt komen. We starten in 2025 ook met om- en
bijscholing voor mensen die al aan het werk zijn in praktische beroepen, zoals het
maken van ontwerpen, reparatie, maar ook in zakelijke dienstverlening of marketing
voor circulaire producten.
De heer Gabriëls vraagt hoe de Staatssecretaris gaat zorgen voor een bloeiende textielsector.
In het nieuwe beleidsprogramma circulair textiel staat uitgewerkt welke acties en
maatregelen het kabinet de komende jaren wil nemen voor de textielsector. Hierin wordt
de afnemende kwaliteit van textiel ook als probleem benoemd. Een belangrijke maatregel
is de Ecodesignverordening voor duurzame producten. Europa werkt daarmee aan eisen
voor textiel dat van goede kwaliteit is en dat is ontworpen om lang mee te gaan. Daarnaast
onderzoeken we maatregelen om ultra-fast fashion tegen te gaan, bijvoorbeeld door
het beprijzen van niet-circulair textiel. Tot slot wordt de UPV textiel uitgebreid.
Zo worden schoenen toegevoegd en komen er eisen aan tariefdifferentiatie om zo circulaire
keuzes te belonen.
De heer Stoffer vraagt of de Staatssecretaris kan zorgen voor een instaptoets voor
producentenorganisaties voor de textiel, zoals dat ook in België het geval is, vooral
met het oog op handhaving. Producenten die onder de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
textiel vallen, moeten sinds 2023 melden en rapporteren hoeveel textiel ze op de markt
brengen. Vanaf 2026 moeten de producenten rapporteren over de doelstellingen voor
voorbereiding voor hergebruik, recycling en vezel-tot-vezelrecycling. Daar wordt door
de ILT al op gehandhaafd. We kennen nu geen instaptoets voor producentenorganisaties.
We kijken in het doorontwikkelingstraject van de UPV wel of er meer eisen kunnen worden
gesteld aan die organisaties. Het komt ook in steeds meer Europese regelgeving aan
de orde. We zijn bereid om ook te kijken of een instaptoets, of iets dat daarop lijkt,
daarin een rol zou kunnen spelen.
De heer Gabriëls vraagt of we in Nederland, net als in Frankrijk, een tax kunnen heffen
op fast fashion. Hij vraagt om een onderzoek naar die mogelijkheid. We volgen de ontwikkelingen
in Frankrijk en de wijze waarop deze tax wordt uitgewerkt. Uit eerdere gesprekken
blijkt dat deze fast-fashiontax wordt ingevuld door tariefdifferentiatie onder de
UPV textiel. Na herziening van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen is het voor lidstaten
verplicht om tarieven te differentiëren. Dit moet gebeuren op basis van de eisen die
in de Ecodesignverordening voor duurzame producten worden uitgewerkt. Het goed uitwerken
en invoeren van deze eisen onder de UPV textiel heeft voor Nederland prioriteit. De
verwachting is dat deze wijzigingen voor de UPV textiel in Nederland in 2027 worden
doorgevoerd.
De heer Gabriëls en de heer Stoffer vragen of er in de textielsector een bijmengverplichting
wordt ingevoerd voor recyclaat. Nederland zet in Europa in op circulaire ontwerpeisen
voor textiel, waaronder een verplicht percentage recyclaat. Dit wordt de komende jaren
voor textiel uitgewerkt in de Ecodesignverordening voor duurzame producten. Daarmee
zal het voor alle producten op de Europese markt verplicht worden om een minimaal
percentage recyclaat toe te passen in nieuwe textielproducten.
De heer Gabriëls vraagt of de Staatssecretaris herbruikbaar glas wil stimuleren. We
zien mooie voorbeelden van het hergebruik van glas, bijvoorbeeld bij bierflesjes,
zoals de heer Gabriëls al zei. Daarom ben ik bereid om te kijken of en hoe hergebruik
van glas gestimuleerd kan worden. Er zijn wel belangrijke ontwikkelingen die we eerst
willen afronden. De Europese Verpakkingsverordening is afgelopen maandag formeel aangenomen.
Hier staan ook eisen in voor hergebruik en herbruikbare verpakkingen. Daarnaast ben
ik de huidige doelstellingen voor recycling en hergebruik van verpakkingen aan het
evalueren. We hopen de Kamer in het voorjaar over de uitkomsten daarvan te informeren.
We willen eerst de uitkomsten van de evaluatie kennen en duidelijk hebben wat het
effect is van de Verpakkingsverordening op Nederlands beleid. Als we die informatie
hebben, ben ik bereid om te kijken naar het stimuleren van herbruikbaar glas.
Mevrouw Rooderkerk merkt op dat voor retourzendingen een eerlijke prijs moet worden
betaald. Ze vraagt wat ik hierover kan toezeggen. In 2025 wordt samen met het Ministerie
van Economische Zaken onderzoek gedaan naar de milieuwinst die behaald kan worden
met het verminderen van retourzendingen. Ook wordt onderzocht op welke manier onnodige
retourzendingen kunnen worden voorkomen. Uit onderzoek blijkt dat het bij de meeste
retourzendingen om kleding gaat. Daar zal dan ook de focus op liggen. In het onderzoek
wordt ook gekeken naar de effecten van een eventuele verplichtstelling van retourkosten.
Lid Kostić zegt dat mensen overspoeld worden door reclame en daardoor moeilijk weerstand
kunnen bieden. Ze vraagt of de Staatssecretaris kan verkennen via welke route het
mogelijk is om reclame voor wegwerpproducten te verbieden. Ik ben het ermee eens dat
mensen niet zouden moeten worden aangespoord tot het aanschaffen van wegwerpproducten.
Een verbod op bepaalde reclames moet wel een juridische grondslag hebben. Recent heeft
mijn collega, Minister Hermans, de Kamer geïnformeerd over de juridische aspecten
die zijn verbonden aan een verbod op reclame voor fossiele producten. De conclusie
was dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is. Er zitten wel behoorlijk
wat juridische haken en ogen aan. Ik ben bereid met de collega op dit departement
verder te verkennen wat we wél kunnen doen. De eerdergenoemde kanttekeningen moet
ik er echter wel bij plaatsen.
Het lid Kostić vraagt naar de stand van zaken van de landelijke invoering van de ja-jasticker.
Dit was een van de vragen die nog openstond. De verkenning naar de landelijke invoering
van de ja-jasticker is dit jaar afgerond. Ik heb de uitkomsten naar uw Kamer gestuurd.
Ik ben op zoek naar de juiste juridische basis. Tegelijkertijd heb ik te maken met
Europese kaders die een landelijke invoering van de ja-jasticker bemoeilijken. We
zijn dat nu aan het bestuderen. We kijken ook naar de proportionaliteit, omdat de
papierverspilling door folders op dit moment ook al autonoom aan het afnemen is.
Ik durf het bijna niet te zeggen, maar dit is de laatste vraag. De heer Gabriëls vraagt
of de Staatssecretaris met zwerfafvalrapers in gesprek kan gaan, met als doel gevonden
plasticvarianten waarvoor ook plasticvrije alternatieven bestaan, in kaart te brengen
en te verbieden. Ik denk dat het belangrijk is om zwerfafval zo veel mogelijk terug
te dringen, zeker het plastic in het zwerfafval. Daarom laat ik een onderzoeksbureau
kijken naar de mogelijke uitbreiding van de aanpak van plastic producten in het zwerfafval.
We onderzoeken wat de beste aanpak is en de resultaten zullen in het eerste kwartaal
van volgend jaar naar de Kamer worden gestuurd.
De voorzitter:
Voordat we overgaan op de interrupties kijk ik even naar de Kamer of alle vragen zijn
beantwoord. Ik heb het dan niet over een wellicht onbevredigend antwoord, maar over
vragen die u gemist heeft in de beantwoording van de Staatssecretaris. Ik begin bij
de heer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Ik had te weinig tijd, dus ik kon een vraag niet stellen.
De voorzitter:
Dat is heel creatief, maar dat mag niet. De heer Boutkan.
De heer Boutkan (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ja, eh...
De voorzitter:
Het gaat om een vraag die u gemist heeft in de beantwoording.
De heer Boutkan (PVV):
Ja, dat klopt. Het was een vraag die ik stelde over de toepassing van recyclaat in
plastic leidingen, waaronder druk-, gas- en drinkwaterleidingen. Mijn vraag was of
dat wettelijk gezien kan en of het niet strijdig is met andere wetgeving.
Staatssecretaris Jansen:
Die vraag heb ik gemist. Ik zal die in de tweede termijn beantwoorden.
De voorzitter:
Ik kijk nog even verder. Mevrouw Wingelaar.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
De Staatssecretaris gaf als antwoord dat er niet veel producten over de grens gaan,
maar dat weet de Staatssecretaris helemaal niet. Jumbo en Albert Heijn produceren
namelijk voor de Belgische en Nederlandse markt dezelfde flessen. Mijn vraag komt
elke keer niet goed aan, merk ik. Ik koop in België hetzelfde flesje water van het
Albert Heijn-merk als in Nederland. Ik betaal in België geen statiegeld. Ik breng
het naar Nederland en lever het daar met zakken vol in.
(Hilariteit)
De voorzitter:
Dat is óók heel creatief. We zijn nu getuige van een bekentenis.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Nee, ik niet. Ik klink wel erg Belgisch, maar ik woon in Nederland.
De voorzitter:
Mevrouw Wingelaar, uw concrete vraag.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Hoe gaat de Staatssecretaris dit voorkomen? Het verhoogt de druk op de inlevermachines
in de grensregio's gigantisch.
De voorzitter:
Duidelijk. Het woord is aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Jansen:
Ik heb deze vraag eerder gehoord. Ik weet uit eigen ervaring dat je, als je in Duitsland
frisdrank koopt, deze niet kan inleveren bij een Nederlandse Albert Heijn. Blijkbaar
is het een typisch Belgische situatie; dat ben ik dan met u eens. Ik zal daar in de
tweede termijn wat uitgebreider op terugkomen.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Een van de vragen was of de Staatssecretaris de UPV dusdanig kan aanpassen dat er
tariefdifferentiatie komt voor producten die een lager zwerfafvalrisico hebben. Er
waren dus twee vragen: één over plastic en de andere over...
Staatssecretaris Jansen:
Ik denk dat ik daar in tweede termijn op terugkom, want de vraag is vrij specifiek.
Ik wil wel het juiste antwoord geven aan de heer Gabriëls.
De voorzitter:
Nee, het gaat niet om gewone vragen. Het gaat nu specifiek om vragen die u in de eerste
termijn gesteld heeft en die niet beantwoord zijn door de Staatssecretaris. Daar gaat
het om. Er komt nog een tweede termijn et cetera, en er komen nog interrupties. Het
woord is aan het lid Kostić en dan aan de heer Buijsse.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik hoop dat dit niet als een interruptie telt, maar dat is aan de voorzitter. Ik hoorde
eigenlijk twee toezeggingen: de Staatssecretaris gaat kijken wat de mogelijkheden
zijn om reclame die wegwerpproducten promoot, juridisch aan te pakken. Hij gaat het
nader bezien. Ik wil heel graag weten wanneer dat komt.
De voorzitter:
Sorry, maar dit kan in tweede termijn. Ik wil voor de zorgvuldigheid dat alle vragen
door de staatsecretaris beantwoord zijn, en dan volgt de tweede termijn. Het woord
is aan het lid Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Een oplettende kijker thuis attendeert mij erop dat een vraag van de heer Stoffer
niet beantwoord is. Ik kan hem voorlezen. «Een ander knelpunt betreft de residustromen.
De bijbehorende verbrandingskosten vliegen omhoog door de stapeling van heffingen
bij afvalenergiecentrales. Kan de CO2-heffing voor afvalenergiecentrales ten minste beperkt worden tot verbranding van
niet gesorteerde afvalstromen?»
De voorzitter:
Nu we dan toch bezig zijn, stel ik voor dat we het podium geven aan de Staatssecretaris,
de heer Van Oostenbruggen.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Voorzitter, dank u wel. Ik ben er ook nog, en ik heb lekker zitten wachten. We hebben
ook ruim de tijd. Ik ga zelf natuurlijk ook flink de tijd nemen voor de drie vragen
die ik heb. De vraag van de heer Stoffer is er een van.
Allereerst hadden we het de vorige keer dat wij in debat waren, over staal bij Defensie
en nu hebben we het over plastic. Op zich is dat een interessante ontwikkeling. Ik
ga in ieder geval het een en ander vertellen over hoe wij op fiscale wijze aankijken
tegen de circulaire economie.
We staan als Nederland voor een grote opgave om over te stappen op een circulaire
economie, en dat zien we. We hebben het over een systeemtransitie die alle hoeken
van de maatschappij zal raken. Belastingen raken ook alle hoeken van de maatschappij.
In de discussie over hoe tot een circulaire economie gekomen wordt, gaat het heel
vaak over de noodzaak van een goede circulaire businesscase. Daar hoort beprijzing
bij. Zonder businesscase gaat de transitie niet vliegen. In de discussie wordt vaak
de link gelegd met de fiscaliteit en de manier waarop wij willen gaan beprijzen, want
daar zijn een hele hoop keuzes in te maken. Mijn prioriteit ligt de komende maanden
in ieder geval bij het uitwerken van de afspraken in het regeerakkoord om een circulairplasticheffing
en eventuele beprijzende alternatieven uit te werken. Dat onderzoek loopt en ik heb
daar nu ook geen informatie over. Het wordt zeker bij de voorjaarsbesluitvorming meegenomen.
Ik kan ingaan op een aantal specifieke vragen. Ik heb vragen van mevrouw Wingelaar,
de heer Gabriëls en het lid Kostić die eigenlijk allemaal in dezelfde lijn liggen.
Ik lees de vragen even opnieuw voor.
De vraag van mevrouw Wingelaar is: «De lineaire economie staat nog altijd voorop;
welke oplossingen zijn er?» De heer Gabriëls vraagt op welke manier de transitie binnen
het kabinet samen wordt vormgegeven en wat er mogelijk is met een taxshift. Dat gaat
ook een beetje over de inrichting van de economie. De heer Pierik vraagt of ik in
beeld kan brengen wat de consequenties voor de economie en de gemiddelde burger zijn
van een taxshift van belasting op arbeid naar belasting op materiaal. De Partij voor
de Dieren heeft een vergelijkbare vraag.
Vanuit de fiscaliteit dragen we bij het Ministerie van Financiën natuurlijk ons steentje
bij. Het regeerprogramma heeft het over normeren, stimuleren en beprijzen. Normeren
en stimuleren zijn de spreekwoordelijke afdeling van de heer Jansen. Om een voorbeeld
te geven van wat we al bijdragen: verbranden en storten van afval wordt reeds belast
onder afvalstoffenbelasting en de zogenaamde CO2-heffing. Het niet-circulair zijn heeft daarmee altijd een prijs, en die prijs loopt
langzaam of snel op. Het is maar net hoe je ertegen aankijkt. In ieder geval werk
ik die afspraak in het regeerprogramma met betrekking tot een eventuele circulairplasticheffing
verder uit.
Tegelijkertijd begrijp ik ook de oproep of er niet nog meer kan. Ik ben absoluut bereid
om ook in het kader van een nieuw belastingstelsel te kijken naar de mogelijkheden
en effecten van een taxshift. Daarbij wil ik wel even gezegd hebben dat belastingheffing
– dat is natuurlijk ook een klein beetje ter verdediging van de toko Fiscaliteit en
Belastingdienst – primair bedoeld is om geld binnen te halen voor alle lovende en
goede dingen die we doen in deze maatschappij, voor de voorzieningen die we als Nederland
belangrijk vinden. Het is daarbij van belang dat belastingheffing stabiel en zeker
is. Dat is het primaire belang. Het secundaire belang kan natuurlijk zijn dat je belastingheffing
gaat inzetten voor gedragssturing, maar dat heeft wel een heel vervelend effect voor
de afdeling Belastingen. Dat wil zeggen: als het werkt, dan worden de belastinginkomsten
daarna minder. Dat is natuurlijk niet de bedoeling als je primaire doel is om voorzieningen
te financieren. Tegelijkertijd is het iets wat we al sinds jaar en dag doen, en uiteraard
heeft dat een plek in een nieuw belastingstelsel.
Maar goed, om de verwachtingen ook daar even te managen: een taxshift van arbeid naar
vergroening is in principe een hele slimme lastenverschuiving. Het vergroot de prikkel
om te gaan werken en maakt tegelijkertijd de prikkel om te vervuilen minder groot.
Het klinkt allemaal als plus-plus, win-win. Ik wil de verwachtingen daarbij wel temperen,
want in de praktijk blijkt zo'n taxshift heel ingewikkeld. Een belangrijke reden hiervoor
is dat in absolute euro's de lasten op arbeid echt veel en veel hoger zijn dan de
lasten op vergroening en niet zo'n klein beetje ook. Ter illustratie: op dit moment
wordt 22 miljard binnengehaald met milieu en autogerelateerde belastingen. De autogerelateerde
belasting kennen we al heel lang; de motorrijtuigenbelasting valt daar ook onder.
22 miljard klinkt veel – het is ook veel – maar op arbeid halen wij op dit moment
231 miljard op. Dat is een ruime factor 10 meer. Om de lasten op arbeid een heel klein
beetje te verlagen – dit heeft eigenlijk een marginaal effect op arbeid; effect zou
je met een taxshift toch wel graag willen – is dus een relatief forse verhoging van
milieubelastingen nodig.
Een voorbeeld. Er is veel discussie over energiebelasting, ons allen bekend. Dat zeg
ik er maar even bij: die moet omlaag, die moet omhoog. Nu levert energiebelasting
in ieder geval 5 miljard op. Stel je voor: voor een verlaging van het tarief in de
eerste en tweede schijf van box 1 met 1% – dat is niet veel, niet dat je bij je nieuwe
loonstrook denkt, jeetjemina, wat hou ik netto veel over – zouden we de energiebelasting
moeten verdubbelen. Met alle discussies die we dan hebben over betaalbaarheid, kom
je ook heel snel in de knoop. Natuurlijk is het iets wat je wel wil, maar aan een
taxshift en dan vooral aan een taxshift in de categorie van een big bang – ik zeg
het maar even netjes – zitten wel nadelen. We kijken er zeker naar, maar verwacht
niet dat we zo meteen geen lasten op arbeid hebben en alleen maar op dingen die het
milieu belasten, want daar gaan we gewoon niet aan komen. Ik zit al helemaal te denken
hoe je 231 miljard euro kan verdelen. Tegelijkertijd is het wel onderwerp van gesprek.
Dat zeg ik even over de inrichting van de economie. Ja, we zijn ermee bezig en nee,
het is niet de holy grail waarmee binnen een jaar ons belastingstelsel fundamenteel
wordt omgegooid.
De heer Stoffer vraagt hoe we gaan zorgen voor een effectieve heffing op olieproducten
die als plastic de markt op komen. Dat was volgens mij ook een beetje de vraag van
de heer Buijsse.
De voorzitter:
U ziet vanzelf wel wie zich aangesproken voelt.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Dit kabinet heeft in het regeerprogramma afgesproken om een heffing op plastic in
te voeren. We hebben bedacht om daarvoor een budgettaire opbrengst van 547 miljoen
structureel in te boeken. Dat is een hele forse toegevoegde belasting. Deze beleidsmaatregel
is onderdeel van dat bredere pakket van stimuleren, normeren en beprijzen. Om uitvoering
aan deze afgesproken maatregel te geven, zijn allerlei aparte externe onderzoeken
in gang gezet. Daar wordt in kaart gebracht op welke manier een heffing op plastic
zou kunnen worden vormgegeven, hoe dit aansluit op de circulairplasticnorm en wat
de beleidseffecten daarvan zijn. We hebben dus de norm en de beprijzing staan. Ook
wordt separaat onderzoek gedaan naar mogelijke alternatieve beprijzingsmaatregelen
voor het stimuleren van circulair plastic. In het voorjaar zal het kabinet, na overleg
met de sector, de verschillende onderzoeken en de economische effecten wegen en hier
een besluit over nemen. Het staat in het hoofdlijnenakkoord, maar het is ook een heel
belangrijk onderwerp hier. Het is een nieuwe belasting en als je een nieuwe belasting
invoert, moet je de uitvoering ook heel erg meewegen. Als ik dat niet doe, dan kan
ik niet terugkomen op het ministerie. We willen dat vorm gaan geven. Het staat in
het hoofdlijnenakkoord: dit gaan we doen.
Dan vraagt de heer Stoffer of de CO2-heffing voor afvalcentrales ten minste beperkt kan worden tot verbranding van niet
gesorteerde afvalstromen. Dat was ook de vraag van de heer Buijsse. Allereerst: de
grondslag voor de CO2-heffingindustrie is álle fossiele CO2-uitstoot. Daar zit dat dus bij. Dan is de vraag of je eventueel de bijmenging daaruit
kan halen. Dat is een interessante vraag en ik begrijp de gedachte, maar voor het
bepalen van de uitstoot wordt in de CO2-heffingindustrie een-op-een aangesloten bij de regels van het Europese emissiehandelssysteem.
Het eruit halen komt de eenduidigheid van de sector en ook de uitvoerbaarheid niet
ten goede. Het uitsluiten van bepaalde stromen is in mijn ogen op dat moment onwenselijk
en ook heel ingewikkeld. Ik heb natuurlijk oog voor de gevolgen voor de recyclingsector.
Daarbij geldt ook dat hoe meer er gerecycled wordt, hoe minder ton er verbrand wordt
en hoe minder er dan weer wordt geheven. Dat effect dat recycling in afvalstromen
uiteindelijk ook in de businesscase positief meeweegt, zou daar theoretisch in moeten
zitten.
In onderzoeken wordt bijvoorbeeld ook gesproken over de hoeveelheid plastic in ons
eigen afval versus geïmporteerd afval. In landen waar heel slecht gerecycled wordt,
zit er veel meer plastic in het afval. Het resultaat is dat het ook duurder is om
dat te verbranden. Uiteindelijk zit die weging of die positieve prijsprikkel om goed
te recyclen er in zekere mate wel in. Uit externe evaluatie van de afvalstoffenbelasting
blijkt dat het uiteindelijk niet eenduidig is of dat nou de businesscase negatief
aan het beïnvloeden is. We kijken er wel verder naar, maar de oplossingsrichting om
in het Europees handelssysteem of in ieder geval die een-op-eenkoppeling los te laten,
zou om allerlei pragmatische redenen niet onze voorkeur hebben.
De heer Grinwis vraagt of ik bereid ben om als uitgangspunt te hanteren dat met de
plasticheffing het gebruik van gerecycled plastic aantrekkelijker moet zijn dan het
gebruik van virgin plastics. Ik moet wel zeggen dat ik twee weken geleden, toen het
fossielesubsidiedebat in voorbereiding was, voor het eerst hoorde van virgin plastics.
Je leert als Staatssecretaris elke dag. Het antwoord op de vraag is overigens heel
simpel: ja. Het kabinet laat momenteel verschillende varianten voor plasticheffing
onderzoeken. Het uitgangspunt is dat plasticheffing alleen geldt voor fossiele plastics
en dus niet voor gerecyclede plastics. Hierdoor zal de businesscase voor gerecycled
plastic uiteindelijk verbeteren. Wat de effecten van plasticheffing precies zijn,
zal moeten blijken uit het onderzoek. Dat geeft dan ook aan hoe je dat gaat beprijzen
om uiteindelijk tot de doelen te komen die je ervoor stelt. Op basis hiervan zal het
kabinet in het voorjaar een besluit nemen over die plasticheffing. Uiteraard doe ik
dat niet alleen, want het is ook zeker het gebied van mijn collega-Staatssecretaris,
de heer Jansen, die naast mij zit.
De voorzitter:
Fijn, hartelijk dank. Ik kijk naar de Kamer of er verder nog behoefte is aan interrupties.
Ik vermoed van wel. Dan begin ik bij mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank voor de beantwoording, ook aan de Staatssecretaris aan wie ik nu mijn vraag ga
richten. Ik kom terug op iets wat de staatsecretaris zei over het Klimaatfonds. Dat
zou in principe ook geheel voor circulair te gebruiken zijn. Volgens mij is dat niet
het geval, want het richt zich op CO2-besparing. Dat kan circulair zijn, maar dat hoeft niet. Vandaar ook mijn eerdere
vragen – maar daar wordt nog onderzoek naar gedaan – over die plastic recyclingbedrijven
en of die niet elders geholpen zouden moeten worden binnen het Klimaatfonds. Ik zou
nu iets willen vragen over de toezegging om komend jaar onderzoek te doen naar true
pricing. Ik ben daar heel blij mee. Ik ben benieuwd in welk kwartaal we daar iets
over zouden kunnen verwachten. Het is wellicht interessant om in de uitwerking daarvan
de manier te bekijken waarop dat al vormgegeven wordt in de gemeente Amsterdam, zodat
het wiel niet opnieuw hoeft te worden uitgevonden. Daar wordt gebruikgemaakt van de
milieukostenindicator voor het berekenen van de prijs en daar wordt vastgelegd dat
het budget maximaal een percentage van de verwachte opdracht mag bedragen.
Ten tweede het in kaart brengen van drie kansrijke aanbestedingen: wat is de impact
en wat zijn de te verwachten kosten?
Ten derde hier één traject uit kiezen waarvoor het budget vrijgemaakt kan worden en
de CO2-prijs kan worden toegepast: is het mogelijk om dit mee te nemen in de beantwoording?
Ik kan het uiteraard ook aan de assistent van de Staatssecretaris doen toekomen.
Staatssecretaris Jansen:
Het antwoord op de eerste vraag is: tweede helft 2025. Op de tweede vraag kom ik wat
uitgebreider terug in de tweede termijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Heel fijn die tweede termijn, en anders is het natuurlijk ook prima om er in de brief
op terug te komen of het zo kan. Mijn tweede vraag ging over de toezegging dat er
komend jaar onderzoek wordt gedaan naar de retourzendingen. Ik ben benieuwd wanneer
dat in het komend jaar is. Ik denk dat het heel interessant is om daarbij het meenemen
van klimaatkosten te bekijken en wat er nog te doen is om te stimuleren dat er minder
retour wordt gezonden. De Staatssecretaris gaf aan dat het samen met Economische Zaken
wordt opgepakt en dat het vooral over textiel gaat. We weten dat er ook enorm veel
producten retour worden gezonden. Bij bol.com bijvoorbeeld is met een derde van de
items iets mis. Zij bieden die dan als tweedehands of tweedekans aan, maar dat gebeurt
natuurlijk helemaal niet overal. Ik vroeg me af of het ook breder kan worden gemaakt;
dat wil zeggen: niet alleen textiel maar ook producten. Is het mogelijk om ook tweedehands-
of tweedekansproducten in die brief te betrekken, dus dat je bedrijven stimuleert
om dat ook op die manier te gaan doen en niet die producten gewoon weg te gooien?
Staatssecretaris Jansen:
Dit zijn heel veel vragen voor de tweede termijn. Ik kan wel de vraag over die retourzendingen
beantwoorden. We komen daar voor de zomer op terug.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb ook een gemiste vraag, denk ik. Ik ga toch even door met een interruptie. Ik
begrijp niet zo goed wat de houding van de bewindspersoon is als het gaat om de taxshift.
Ik begrijp dat hij er wel positief tegenover staat, maar er mitsen en maren bij plaatst.
Als ik het goed heb, gaat de Staatssecretaris nog voor de Voorjaarsnota een brief
schrijven over of en hoe er slimmere financiële prikkels kunnen komen die de circulaire
ondernemer kunnen helpen. Om het specifiek te maken: kan de Staatssecretaris toezeggen
dat hij in de brief meeneemt hoe die taxshift daarbij zou kunnen helpen?
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Volgens mij gaan we in het voorjaar specifiek in op plasticheffing en alternatieve
prijsmaatregelen daaromtrent. We komen sowieso rond het voorjaar met een brief over
het nieuwe belastingstelsel waarin we het meenemen. In een recent debat over fossiele
subsidies is volgens mij toegezegd dat we daarin ook specifiek het onderwerp klimaat
meenemen. Dat komt dus ook in een brief naar de Kamer. Ik vind het heel belangrijk
om te benadrukken dat ik de visie van een taxshift heel erg onderschrijf en om tegelijkertijd
te benadrukken dat we daar in relatie tot een totaal ander belastingstelsel, alleen
al vanwege de verschillen in grootheden, niet de wereld van moeten verwachten. Dat
was, denk ik, meer het punt dat ik wilde maken. Ik hoop dat ik de vraag van het lid
Kostić nu goed heb beantwoord, want het is mij een beetje onduidelijk. Ik ga niet
een brief schrijven over allerlei verschillende manieren om de circulaire economie
te ondersteunen. Dat is volgens mij meer het werk van mijn collega-Staatssecretaris.
De voorzitter:
Wat is kort samengevat uw vraag, lid Kostić?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Sorry, maar het is ingewikkeld. Ik probeer het een beetje duidelijker te maken. Deze
bewindspersoon gaat over die belastingen. De vraag was of hij het maximale uit die
belastinghervorming kan halen om juist de circulaire economie zo veel mogelijk te
prikkelen en circulaire ondernemers te helpen. Zij worden benadeeld door het lineaire
model, en onder andere door het huidige belastingsysteem. Ik heb begrepen dat deze
bewindspersoon daar ook een brief over zou sturen; maar goed, misschien niet. Ik vraag
hem er wel een brief over te sturen, waarin hij concreet schetst welke maatregelen
er wel mogelijk zijn binnen het belastingstelsel. Ik hoor hem nu heel pessimistisch
zijn over wat er wel mogelijk is, maar er is volgens mij meer mogelijk. Ik daag hem
uit om dat te verkennen, ook in het kader van een eerlijke kans geven aan circulaire
ondernemingen.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Helder. Er loopt sowieso nog een onderzoek naar allerlei verschillende manieren om
de circulaire economie te ondersteunen. Wanneer de brief daarover komt? Als dat onderzoek
klaar is, komt daar uiteraard een kabinetsreactie op, en die komt dan ook uw kant
op. De brief waar ik het eerder over had in mijn inbreng – vandaar dat ik dat even
splits – ging specifiek over de plasticheffing. Ja, er komt iets uw kant op zodra
het onderzoek is afgerond naar het verder ondersteunen van de circulaire economie.
U heeft dan volgens mij de toezegging dat er iets komt.
De voorzitter:
Er komt dus geen aparte brief, maar een onderzoek gelieerd aan dit onderwerp met een
begeleidend schrijven?
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Ja exact, een kabinetsreactie zoals we dat altijd doen bij evaluatieonderzoeken.
De voorzitter:
Oké, duidelijk.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Ik wil even benoemen dat ik het fijn vind dat de heer Van Oostenbruggen er is en deze
uitleg kan geven. Dit is de plek waar we de hele tijd discussies hebben over hoe we
het nou verder brengen. Dat ligt echt op het terrein van deze Staatssecretaris. Dank
daarvoor dus. Ik heb nog maar één interruptie, misschien...
De voorzitter:
En u heeft nog een tweede termijn.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Ja, en een tweede termijn. Mijn vraag is voor de andere Staatssecretaris, de heer
Jansen. De heer Jansen geeft aan dat hij gaat onderzoeken hoe hij die rotzooi van
Shein en die miljoenen kilo's plastic kleding uit China kan tegengaan. Die overspoelen
de hele markt hier, waardoor tweedehands- en kringloopwinkels in de problemen komen.
De staatsecretaris zegt: ik wil gaan onderzoeken hoe we dat kunnen tegengaan. Ik wil
een toezegging dát hij dat gaat tegengaan, na welk onderzoek dan ook. Dit moet gewoon
stoppen. Graag daar een toezegging over. Niet onderzoeken hoe, maar toezeggen dat.
De voorzitter:
Kunt u dat toezeggen, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Jansen:
Volgens mij werd dat al eerder besproken. Die goedkope, niet-duurzame textielmaterialen
komen trouwens niet alleen uit het Verre Oosten, maar ook uit andere delen van de
wereld. Uiteindelijk is het idee om dat juist met elkaar Europees aan te pakken. Op
het moment dat we het alleen als Nederland doen, kun je het nog steeds via de indirecte
route naar Nederland toe krijgen. We moeten het, ook om de Europese industrie te beschermen,
Europees aanpakken. Dat is de reden waarom wij zeggen: ja, we zijn ermee bezig, maar
we hebben daar wel tijd voor nodig. Iedereen moet er wel gelijktijdig in meegaan.
De voorzitter:
Dank. Dan kijk ik even verder. De heer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Het gaat over de afvalverbrandingsinstallaties en de CO2-heffing. Ik ben geen expert, maar ik krijg door dat er een aanscherping van de CO2-heffing voor de industrie is van 35% naar 43%. Voor afvalverbrandingsinstallaties
is de aanscherping van 35% naar 80% CO2-heffing. Dan kom je bij de vraag die ik ook eerder in dit debat plaatste over het
perspectief van de afvalverbrandingssector. Die sector is onderdeel van die hele keten,
en uiteindelijk belanden die kosten ook weer gewoon bij de consument. U noemde terecht
dat er een samenhang is tussen de norm en de CO2-heffing. Dat is goed. Ik zou toch willen oproepen om de vraag te stellen of het eigenlijk
wel eerlijk is wat hier gebeurt.
De voorzitter:
Staatssecretaris Van Oostenbruggen, denk ik?
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Die vraag kan ik heel makkelijk beantwoorden. Grappig, ik heb die vraag ook vrij recent
in de Eerste Kamer gehad. Ik ga er een hele vervelende reactie op geven. Echt hoor,
álles wat ik naar de Kamer stuur, vind ik eerlijk.
De voorzitter:
Dat is een hele geruststelling.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Het tweede punt ten aanzien van de afvalverbrandingsinstallaties: het is continu onderwerp
van gesprek en het wordt ook in het Belastingplan opgenomen. Ook het afgelopen Belastingplan
is gesteund door de Kamer. Uiteindelijk komen de niveaus van beprijzing langs de Kamer.
De voorzitter:
U heeft ook nog een tweede termijn, meneer Buijsse. Zou dit echt niet in de tweede
termijn kunnen? Dan de heer Boutkan nog.
De heer Boutkan (PVV):
Op zich wel een hele geruststelling dat wat verstuurd wordt eerlijk is, zou ik zeggen.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
En rechtvaardig. Dat was ook een vraag in de Eerste Kamer.
De heer Boutkan (PVV):
Ja, rechtvaardig. Om direct op rechtvaardigheid terug te komen: met die belasting
die beoogd wordt en die CO2-heffing kom je, pak ’m beet, uit op 150%. Daarmee ga je een zodanig duurder tarief
maken dat het aantrekkelijker wordt om toch weer gebruik te gaan maken van nieuwe
fossiele producten en dergelijke. Je maakt het ook aantrekkelijker dat men vertrekt
naar het buitenland om daar zijn handel te laten verbranden. We krijgen dadelijk een
uitstroom waarvan ik zeg: hoe zit het dan met de ecologische voetafdruk die we – ja,
ik niet, maar anderen – altijd zo hoog in het vaandel hebben?
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Allereerst zijn wij op dit moment netto-importeur van afval. Goedbeschouwd komt er
meer afval om te verbranden onze kant op dan er naar buiten toe gaat. Ten tweede zijn
weglekeffecten zeker een punt van zorg. De zorg is dat je het hier uiteindelijk zo
duur maakt dat elders de fossiele emissies plaatsvinden, en je het klimaat er dus
niet mee helpt. Dat wordt gewogen en het ligt elke keer op tafel als wij bezig zijn
met beprijzing. We hebben dat toevallig recent ook gedaan in het Belastingplan en
dat hebben we met elkaar ook vastgesteld. Ja, het is een risico, en nee, op dit moment
exporteren we per saldo ons afval niet.
De voorzitter:
Dank. Ik schors even voor vijf minuten, zodat we straks nog ruim een uur de tijd hebben
om met elkaar het goede gesprek aan te gaan.
De vergadering wordt van 16.15 uur tot 16.24 uur geschorst.
De voorzitter:
We gaan verder met het commissiedebat, te beginnen met de tweede termijn van de kant
van de Kamer. U heeft iets meer dan anderhalve minuut. Ik geef graag als eerste het
woord aan de heer Buijsse van de VVD.
De heer Buijsse (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Het beter organiseren van de circulariteit van de economie
is geen sinecure. Onze rapporteur riep op dat het vanaf nu echt anders moet. Dat was
het eerste aandachtspunt waartoe hij het kabinet opriep. In alle eerlijkheid: ik ben
niet tevreden met wat de rapporteur bedoelde en met de reacties die ik vandaag vanuit
het kabinet heb gehoord. Ik ben blij en tevreden dat men in groten getale hier aanwezig
is. Dank daarvoor. Ten aanzien van een aantal onderwerpen wil ik, mede namens mijn
fractie, toch toewerken naar een aantal moties. Ik zal daartoe bij dezen ook een verzoek
doen voor een tweeminutendebat. Tegelijkertijd hebben we een moment stilgestaan bij
de definitiekwestie rondom circulaire bekertjes vanuit Europese wetgeving. Ik snap
dat het in de context van dit debat heel complex is om daar in detail over te gaan
debatteren. Ik zal bij de eerstvolgende procedurevergadering de commissie toestemming
vragen voor een technische briefing betreffende dit onderwerp, zodat we met expertise
achter de hand netjes kunnen debatteren over dit specifieke onderwerp.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Dan geef ik het woord aan de heer Boutkan van de PVV.
De heer Boutkan (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik sluit me graag aan bij de woorden van de heer Buijsse.
Dat geldt ook voor het tweeminutendebat, want ook wij hebben wat in petto, zeg maar.
Ik mis een reflectie van de Staatssecretaris op het toegenomen plasticgebruik door
de herbruikbare hardplastic beker. Daar is 30% uitval. Meer plastic wordt geproduceerd
ten opzichte van die bekende – daar komt ie weer – kartonnen bekertjes. De cijfers
die ik net allemaal opnoemde, komen van een hele grote fastfoodketen uit het land.
Die hebben heus wel in de gaten wat hun uitvalpercentages en dergelijke zijn en hoeveel
energie en water ze verbruiken. We zijn gewoon het kind met het badwater aan het weggooien.
Voorzitter. Ik had een aantal koppen genoemd. Ik heb daar nog geen antwoord op gehad,
maar dat antwoord mag ook per brief van de staatsecretaris. Het gaat onder andere
over reductiedoelstelling, norm voor hergebruik, hoogwaardige recycling, meetmomentrecycling,
inzameling en recycling, definitie van plastic freight en de SUP-richtlijn. Er is
sprake van een SUP-regeling, een circulairplasticnorm en plasticheffing, UPV et cetera,
et cetera. De PVV wil graag van de staatsecretaris weten aan welke regelingen, wetten
en maatregelen het Ministerie van IenW werkt; ook die welke afkomstig zijn uit Brussel.
Als dat ook per brief kan, dan hoor ik dat graag van de staatsecretaris.
De voorzitter:
Dat gaan we straks in de tweede termijn horen. Mevrouw Wingelaar.
Mevrouw Wingelaar (NSC):
Dank u wel, voorzitter. Dank u wel allen voor het geven van de antwoorden. Het volgende
houdt mij een beetje bezig. We hebben de afgelopen weken met bijna iedereen die op
de tribune zit, gesprekken gevoerd. We hebben rondetafelgesprekken gehad. Ons is echt
op het hart gedrukt dat het één voor twaalf is. Als ik iets mis in dit debat, dan
is het of die urgentie echt gevoeld wordt.
Een aantal dingen houdt mij nog bezig, waaronder dat plasticakkoord. De Staatssecretaris
zei dat er in 2027 een norm ligt, maar dat het wel onderdeel uitmaakt van de integrale
afweging. Ik zou heel graag en heel precies willen weten wat hij daar nou mee bedoelde.
Dank u wel.
De voorzitter:
Duidelijk. De heer Gabriëls.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik deel datgene wat al gezegd is over de urgentie en over
de passie die eigenlijk gevoeld zou moeten worden om dit de kern van het debat te
laten zijn. We hebben het er heel veel over; de een over glas en de ander over bekertjes.
Ik doe daaraan mee, maar daarboven zit die taxshift, daarboven zitten belastingprikkels
en daarboven zitten echte keuzes van onder meer beprijzen en stimuleren. Over dat
gesprek hebben we het nog niet. In dat kader wil ik de heer Van Oostenbruggen nog
wel even op het hart drukken om vaker te komen als er circulaire-economiedebatten
zijn. De kern van heel veel dat hier besproken wordt, ligt in zijn handen. Ik wil
pleiten voor een brief waarin de Staatssecretaris echt aangeeft wat wel kan. Dat zou
ons heel erg helpen. U legt uit dat het moeilijk is, maar u geeft ook aan dat u er
wel voor openstaat om na te denken over die taxshift. U zou de staatsecretaris Milieu
heel erg helpen door datgene wat u wel kunt doen, toch in een brief naar ons te sturen,
zodat wij in ieder geval gerustgesteld zijn.
Dan heb ik nog een vraag over de UPV textiel. Kan de bijlage van de brief aan producentenorganisaties
niet alleen op gewicht gebaseerd zijn, maar ook op kwaliteit, herbruikbaarheid en
levensduur van kleding? Daar heb ik nog geen antwoord op gehad.
Dank voor de toezegging dat er in 2027 sowieso een circulairplasticnorm ligt.
Dan nog één vraag aan de heer Jansen.
De voorzitter:
Meneer Gabriëls, u gaat ervan uit dat u een toezegging heeft gekregen, maar ...
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Hij zei «ja» toen ik vroeg ...
De voorzitter:
Het is nog niet genoteerd als een toezegging. U heeft schijnbaar gehoord dat de Staatssecretaris
heeft toegezegd met een norm te komen. Het ging mij er even om dat wij de toezeggingen
bijhouden, maar dan gaat het meer om informatieverzoeken. Daar valt dit niet onder.
Daarom was ik even in verwarring over wel of geen toezegging. Dit betreft een toezegging
van de Staatssecretaris, maar dan niet over een informatieverzoek en daarom staat
die niet op mijn lijst. Gaat u verder.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Het maakt mij niet uit, als er maar een norm in 2027 ligt.
Als laatste vraag ik of de Staatssecretaris met de zwerfafvalrapers in contact wil
treden, en niet alleen met dat onderzoeksbureau dat hij noemde, om na te gaan of bepaalde
soorten plastic die worden teruggevonden in zwerfafval, verboden kunnen worden als
er een plasticvrij alternatief is.
De voorzitter:
Dank. De heer Pierik.
De heer Pierik (BBB):
Dank, voorzitter. Ik heb een vraag aan de heer Van Oostenbruggen over de afvalenergiecentrales,
namelijk in hoeverre er een gelijk speelveld is in Europa. Ik heb even wat cijfers
op een rij gezet om te kijken of er sprake is van rechtvaardigheid, wat de heer Van
Oostenbruggen zo belangrijk vindt. De verbrandingsbelasting in Nederland bedraagt
€ 39,23 per ton recyclingresidu. In België bedraagt deze belasting € 4,21 per ton.
In Nederland komt daar nog een CO2-heffing bovenop, die oploopt tot € 80 à € 100 per ton residu. In België geldt geen
nationale CO2-heffing. In Nederland kost een ton recyclingresidu in 2030 dus € 140 en in België
€ 4,21. Is dit rechtvaardig? Is dit misschien wel een nationale kop? Ik zou daar graag
wat meer toelichting op willen hebben.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Voorzitter. Hoe gaan we naar een circulaire economie als we geen verschuiving gaan
realiseren van belasting van arbeid naar belasting van grondstof? Dat is de grote
vraag aan de Staatssecretaris van Financiën. Want volgens mij kan dat niet en kunnen
we dus al die doelen in de prullenbak gooien. Ik wil ten eerste een serieuze toezegging
van de Staatssecretaris dat hij met een brief komt waarin hij precies uitlegt hoe
hij de ruimte die er binnen zijn portefeuille is, maximaal gaat benutten om wel tot
die taxshift te komen die nodig is. Wat kan wel? We gaan toch aan de slag met een
hervorming van het belastingstelsel. Ik vraag hem om anders toe te lichten hoe we
die doelen wel gaan halen. Graag dus een brief. Dit is het minste wat we kunnen doen.
Ik weet anders niet hoe we dit voor elkaar gaan krijgen.
Dan zijn er nog wat vragen die volgens mij vergeten zijn. Aan beide bewindspersonen
heb ik een vraag gesteld die de Staatssecretaris van Financiën nog niet helemaal heeft
beantwoord. Ik was benieuwd of de Staatssecretaris zich houdt aan de Rli-aanbevelingen,
net zoals zijn voorgangers in het vorige kabinet.
Is de andere Staatssecretaris bereid om samen met de twee andere bewindspersonen te
kijken waar we met extra acties kunnen komen en de Kamer daar in Q1 over te informeren?
Ik vraag dus aan de drie bewindspersonen om de koppen bij elkaar te steken, deze uitdaging
serieus te nemen en te kijken wat kan en vervolgens samen de Kamer te informeren over
extra acties. Zijn ze daartoe bereid?
Ten slotte. Dank aan de Staatssecretaris van Milieu voor de toezegging over de ja-jasticker
en een verbod op reclame. Daar zou de Staatssecretaris op terugkomen. Ik wil graag
een indicatie: wanneer komt hij daarop terug? Dat zou fijn zijn.
De voorzitter:
Dank. Dan wil ik het woord geven aan de beide Staatssecretarissen. We hebben nog wat
tijd. We hebben net geïnventariseerd en ze hebben ongeveer twintig minuten nodig voor
de beantwoording. Ik wil het laatste kwartier gebruiken voor de toezeggingen. Er is
dus nog ruimte voor gesprek. Ik geef geen maximum voor de interrupties. Daar is ruimte
voor, maar houd het dan wel een beetje kort. Laten we kijken hoe we dat met elkaar
vorm kunnen geven. Dan geef ik eerst het woord aan de heer Van Oostenbruggen.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Dank u wel, voorzitter. De eerste vraag was of ik hier vaker wil komen. Dat waardeer
ik zeer. Graag. Het antwoord is dus ja, maar uiteraard op uw uitnodiging. Ik nodig
mezelf nooit uit op feestjes, maar als u mij uitnodigt, dan kom ik, tenzij er andere
debatten zijn.
De tweede vraag was of ik taxshift serieus neem. Ik heb gezegd dat we dat gaan doen,
maar ik heb alleen de verwachtingen geprobeerd te temperen. Dit is echt onderdeel
van hoe wij kijken naar een nieuw belastingstelsel. Daarover heb ik, zoals ik net
ook al zei, drie weken geleden het een en ander toegezegd in het debat over fossiele
subsidies, samen met mijn collega Hermans. Daarover is vanavond nog een tweeminutendebat.
In het voorjaar komt er een brief, waarin wij ingaan op de verschuiving in de belastingmix,
mooi Nederlands voor taxshift, dus dat hebben wij toegezegd. Ik kan nog een keer een
toezegging doen, maar dat is dezelfde brief, en die komt in het voorjaar.
Dan de vraag of ik de doelen van de Rli onderschrijf. Volgens mij heeft mijn collega
net gezegd dat hij die onderschrijft. Dat is echt super, want hij spreekt namens het
hele kabinet. Er is eenheid van kabinetsbeleid. Daar hoor ik sinds kort bij. Het zou
echt een hele mooie stijlfiguur zijn als ik nu zou zeggen dat ik dat niet onderschrijf.
Dat doe ik dus niet. Ik onderschrijf dat uiteraard, maar dat heeft de heer Jansen
al gezegd.
Dat waren mijn vragen. O nee, er is ook nog een vraag over België en rechtvaardigheid.
«Rechtvaardig» wil niet zeggen «gelijk». Dat is een hele belangrijke toevoeging daarbij.
Ik heb deze vraag net zelf in 30 seconden voorbereid. De prijzen voor het verbranden
van afval in België zijn heel erg gespecificeerd per afvalstroom. Dat wil niet zeggen
dat het goedkoop is. Waar ik me op macroniveau aan vasthoud, is dat wij een netto-importeur
zijn van afval voor verbranding, maar ik weet niet of we daar blij mee moeten zijn
of niet. We kunnen het hebben over eerlijk en rechtvaardig, maar de mix is op dit
moment niet dat al ons afval naar het buitenland gaat omdat het daar veel goedkoper
is. Daarmee wou ik dat plaatje even inkleuren.
Is het rechtvaardig? Ja. Zijn er verschillen in Europa? Ja, zoals dat wel vaker gebeurt
tussen landen, met accijnzen en alles wat je wil beprijzen en normeren. Dat is ook
iets wat continu gewogen wordt. Je moet je voorstellen dat België ineens subsidie
zou geven op het verbranden van afval en ons afval daarheen gaat. Dan denk ik dat
we in no time contact hebben met België en zeggen: hoe kan dit, hoe gaat dit en wat
kunnen we daaraan doen? Dit soort dingen wegen we, ook in het Belastingplan. Dat hebben
we volgens mij recent gedaan. Dat kan ik erover zeggen.
De voorzitter:
Dank voor uw heldere beantwoording. Ik zie twee interrupties.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik begrijp nog steeds niet wat er dan in die brief in het voorjaar komt. Misschien
ben ik een beetje dom, maar misschien kunt u dat iets beter toelichten. Ik wil specifiek
weten of in die brief komt te staan welke maatregelen u kunt nemen binnen het belastingstelsel
om de circulaire economie te bevorderen; dat even concreet.
Ik heb ook een vraag die nog niet is beantwoord. Ik vroeg aan de Staatssecretaris
van Financiën om met de andere twee bewindspersonen te gaan zitten en te kijken naar
deze hele serieuze uitdaging die we hebben, die nog groter is dan de energietransitie;
dat hoef ik de Staatssecretaris niet te vertellen. Ik vroeg ook om met een brief aan
de Kamer te komen waarin zij gezamenlijk aangeven welke extra actie zij gaan ondernemen
om de circulaire economie eindelijk van de grond te krijgen. Dus nog die twee vragen.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Wat betreft die eerste vraag: er loopt een onderzoek over wat we allemaal gaan doen
op het gebied van taxshift of verschuiving in de belastingmix. Daarover komt een brief.
Daar staat in wat we gaan doen, wat we nog gaan ontwikkelen. Misschien moet er nog
iets onderzocht worden, maar dat zit erin. Wat erin staat, weet ik niet, want het
loopt nog en die brief moet nog geschreven worden. Op de vraag of er een brief komt
waarin staat wat de plannen van het kabinet zijn op het gebied van verschuiving in
de belastingmix, is het antwoord nog steeds ja. Die brief komt. Wanneer komt die dan?
In het voorjaar.
Dan de tweede vraag. In het kabinet werkt het zo dat wij heel veel met elkaar overleggen;
echt heel veel. Het is heel goed om elkaar goed in de ogen te kijken. Maar dit soort
dingen doen wij. We doen niet anders. Zelfs zo'n debat als dat van vandaag wordt enorm
afgestemd, zowel tussen de bewindspersonen als ambtelijk, vanwege het feit dat het
plaatje moet kloppen. Het zou heel bijzonder zijn als er doelen worden gesteld en
ik daarna helemaal mijn eigen Belastingplan maak. Die communicatie tussen bewindspersonen
is er dus wel, op zijn zachtst gezegd.
De voorzitter:
U bent heel erg duidelijk. Kort, samenvattend, afsluitend het lid Kostić hierover.
Kamerlid Kostić (PvdD):
U bent wel heel streng, voorzitter. Dit is fundamenteel, want we willen juist dat
de drie bewindspersonen hierop ook richting de Kamer duidelijk samenwerken. Ik vraag
niet of jullie samenwerken, want daar ga ik dan maar van uit, maar laat dat dan ook
blijken aan de Tweede Kamer door samen een brief te schrijven waarin u aangeeft welke
extra maatregelen u gaat nemen voor de circulaire economie. Als u geen extra maatregelen
neemt, kan dat ook een conclusie zijn, maar ik zou heel graag willen dat het kabinet
een nieuwe traditie in gang zet waarbij deze drie bewindspersonen voortaan gezamenlijk
brieven gaan sturen waarin ze nieuwe maatregelen aankondigen, of niet. Dat is dus
mijn concrete vraag: wilt u alstublieft een nieuwe brief sturen?
De voorzitter:
Ik vermoed dat u die toezegging niet krijgt, maar er zijn wellicht ook andere middelen
om dit af te dwingen. Maar we gaan het zien.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
We sturen een brief.
De voorzitter:
Kijk, zo doen we zaken.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Dat heb ik volgens mij al 38 keer gezegd. Dat is één. Twee – dat is ook heel belangrijk
– is dat wij al die brieven met elkaar afstemmen in de onderraden van de ministerraad.
Dan staat het hele kabinet erachter. Dat is echt heel belangrijk; daar kan ik echt
van op aan.
Dan de vraag: wie ondertekent er? Als de brief alleen maar over het belastingstelsel
gaat, onderteken ik hem. Als het een belastingstelselbrief is met allerlei ingewikkeldheden
op het gebied van belastingderving, dekking of kies maar wat, dan ondertekent mijn
collega van Financiën mee. Als er toevallig ook nog dingen in staan die te maken hebben
met keuzes en doelen op het gebied van Klimaat en Groene Groei, tekent mevrouw Hermans
ook mee. We kijken dus per brief wat erin staat en hoe we dat dan doen. Meestal gaat
dat zo: er wordt over een bepaald beleidsterrein een brief geschreven en als kabinet
onderschrijven we dat. Ik teken ook niet mee bij OCW of Defensie. U kunt ervan uitgaan
dat het kabinet achter elke brief staat en dat dat in goed overleg gaat.
De heer Pierik (BBB):
Ik ben blij dat de Staatssecretaris in ieder geval ook onderstreept dat er grote verschillen
zitten in de tarifering van de afvalverwerking. Ik heb nog twee aansluitende vragen.
Is de Staatssecretaris het met mij eens dat de concurrentie ten opzichte van afvalenergiecentrales
in het buitenland verslechtert? Mocht de Staatssecretaris dat toegeven, is het dan
rechtvaardig als de afvalenergiecentrales door die concurrentieverslechtering dreigen
om te vallen?
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Concurrentie meet je tussen landen. Op dit moment zien we afval onze kant op komen
omdat het aantrekkelijk is om in Nederland afval te verbranden. Dat is echt wel de
situatie waar we in zitten. Dat is een van de variabelen waarop je daarna je belastingmix
afstemt.
De voorzitter:
Helder.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Wij doen dus niet aan oneerlijke concurrentievoordelen of staatssteun, of iets wat
juist de andere kant opgaat. In de mix zoals die nu is, zijn wij netto-ontvanger van
afval omdat het hier zo aantrekkelijk is.
De voorzitter:
Kort, afrondend hierover, meneer Pierik.
De heer Pierik (BBB):
Die cijfers zijn natuurlijk gebaseerd op de periode dat er nog geen CO2-heffing in Nederland was. Die CO2-heffing is niet echt een extra belasting voor de afvalenergiecentrales, maar resulteert
natuurlijk wel in een andere afweging, een andere concurrentiepositie.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
En zoals met alles weeg je dat dus zowel bij de Voorjaarsnota als in het najaar bij
het Belastingplan om uiteindelijk te komen tot wat voor dat jaar de beste mix wordt.
De voorzitter:
Dank. Ik kijk even verder rond. Ik zie dat de heer Boutkan wil reageren, of toch de
heer Gabriëls?
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij zijn we nog bezig met de beantwoording van de tweede termijn, toch? Na
die antwoorden zouden we toch ... De heer Van Oostenbruggen heeft antwoord gegeven
en dan zouden we nog ...
De voorzitter:
U kunt nu het gesprek aangaan met de heer Van Oostenbruggen over zijn beantwoording.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
O, dan heb ik ...
De voorzitter:
Volgens mij was het allemaal best wel duidelijk.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Sorry, excuus daarvoor. Dan heb ik nog één korte vraag. Het gaat niet alleen om de
taxshift, maar ook om heel veel andere prikkels op uw terrein, die bijvoorbeeld te
maken hebben met het binnenlaten van fast fashion. Wilt u in de brief die gestuurd
zal worden, zoals u vaak gezegd heeft, in ieder geval breder kijken dan alleen de
taxshift? Wilt u daarin ook kijken naar allerlei andere zaken die te maken hebben
met fiscaliteiten om de circulaire economie te verbeteren?
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Helder, dank voor deze verduidelijking. Op dit moment belasten wij fast fashion niet.
Er is dus geen specifieke prikkel op het gebied van goedkope kleding. We hebben bijvoorbeeld
btw op alle producten die met kleding te maken hebben. Daar maken we op dit moment
geen onderscheid in. Dat is ook echt heel lastig, want wanneer is kleding goedkoop
en wanneer is kleding fast? Als je het mij vraagt, is dat geen fiscale vraag. Tegelijkertijd
zijn er inderdaad veel meer secundaire doelen die relevant zijn voor belastingheffing,
zoals gezondheid en veiligheid, om maar even wat te noemen. Daar zijn wij uiteraard
mee bezig. Dat zit dus ook allemaal in de brieven over hoe wij in de toekomst onze
belastingmix in de breedheid willen hebben. Maar fast fashion is volgens mij iets
te specifiek om ons op te richten.
De heer Boutkan (PVV):
Ik hoorde de Staatssecretaris iets zeggen over de import van afval voor de verbrandingsovens.
In 2021 exporteerden we 789.000 ton brandbaar afval naar het buitenland; wij, vanuit
Nederland. Met een CO2-heffing daarop, die er gaat komen, zal dat gaan stijgen. De Staatssecretaris had
het zelf over de weglekeffecten. Die zullen dus alleen maar toenemen. In datzelfde
jaar, 2021, importeerden we 1,1 miljoen ton afval. We kennen allemaal de beelden van
afval dat dagelijks vanuit Rome naar het AEB, het Afval Energie Bedrijf in Amsterdam,
gaat. Voor komend jaar worden dat vier treinen per dag. Mijn vraag is – ik zie de
voorzitter al naar voren leunen – hoe dat valt te rijmen met de beantwoording over
de beprijzing en de CO2-heffing. De heer Pierik zei terecht dat er een kop op zit. In het hoofdlijnenakkoord
staat: geen koppen. Ik hoor de Staatssecretaris ook zeggen: we gaan het uitzoeken.
Maar er moet straks in de Voorjaarsnota wel een besluit over genomen worden, als ik
goed ben voorgelicht. Kunnen wij die brief voor die tijd krijgen en, zo ja, wanneer?
Ook graag een antwoord daarop.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
De brief komt voor de Voorjaarsnota, zoals ik volgens mij al een paar keer heb gezegd.
Die komt in het voorjaar.
Twee. U geeft aan dat het om de een of andere reden kennelijk aantrekkelijk is om
789.000 ton – dat zijn uw cijfers; ik heb die niet gecontroleerd en heb die gegevens
nu niet bij me – te exporteren en zegt dat we 1,1 miljoen ton importeerden en dat
we dus een netto-importeur van afval zijn. Ja, dat is met wel meer producten zo. Daarvoor
hebben we een handelsbalans, die voor Nederland ... Doorgaans exporteren we meer,
maar afval importeren we meer.
De voorzitter:
Ik denk dat we dit onderwerp nu voldoende behandeld hebben. De heer Buijsse nog een
interruptie? Anders ga ik door naar Staatssecretaris Jansen. Nee, het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De Staatssecretaris van Financiën had het over een onderzoek naar de mogelijkheden
et cetera. Is dat een onderzoek van alle ministeries? Wanneer komen de resultaten
daarvan ongeveer? Is dat bijvoorbeeld in 2030 of volgend jaar? Een indicatie zou voldoende
zijn.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Er wordt op dit moment een extern onderzoek uitgevoerd. Dat wordt niet intern uitgevoerd;
dat is extern. Sowieso komen we met een interne brief van Financiën, over de hervorming
van de belastingmix.
De voorzitter:
Dan gaan we door naar ...
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Er werd nog gevraagd wanneer. In het voorjaar. Echt alles wat ik stuur en toezeg komt
ongeveer in het voorjaar. Mocht iemand nog vragen wanneer er een brief komt: in het
voorjaar.
De voorzitter:
Ongeveer in het voorjaar. Dan gaan we door naar de volgende Staatssecretaris. Ik geef
graag het woord aan de heer Jansen.
Staatssecretaris Jansen:
Dank, voorzitter. Ik heb twee partijen gehoord die een tweeminutendebat hebben aangevraagd.
Ik heb ook de vraag van de heer Buijsse over een technische briefing gehoord, over
wanneer het nou een bekertje is van papier dan wel van plastic en de Europese normen.
Het lijkt me slim om ervoor te zorgen dat de technische briefing voor het tweeminutendebat
plaatsvindt. Dat scheelt misschien weer een motie. Ik wil de voorzitter verzoeken
de Griffie te vragen daar rekening mee te houden. Ik hoop dat het op die manier mogelijk
is.
Ik heb een aantal vragen te beantwoorden. Als ik de heer Boutkan goed heb begrepen,
vroeg hij of de plasticnorm ook zal gelden voor kunststofleidingen. Dat was eigenlijk
de vraag die hij stelde. Volgens mij ben ik daar ... Ik zie hem nee schudden, voorzitter.
Misschien is het handig ...
De voorzitter:
Ik wil geen interruptie uitlokken, maar ik ben wel heel benieuwd wat de heer Boutkan
hiervan vindt.
De heer Boutkan (PVV):
We praten eigenlijk langs elkaar heen, net als toentertijd met maritiem en marine.
In dit geval wordt er dadelijk een recyclaat vereist in de hardplastic leidingen die
we allemaal kennen, in de grond of als regenpijp en noem maar op. Maar er zijn ook
plastic appendages, zoals dat zo mooi heet, oftewel kleppen, afsluiters en dergelijke
die onder druk staan. Dan heb ik het over drinkwaterleidingen, maar ook gasleidingen.
Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of je eigenlijk wel kan eisen om zoveel procent
recyclaat toe te voegen. Is dat niet in strijd met andere veiligheidswetgeving die
er is? Dat is mijn vraag. Dan maken we een wet om recyclaat toe te voegen, terwijl
dat volgens een andere wet uit veiligheidsoverwegingen helemaal niet mag. We kennen
allemaal de gasklappers in dit land. Die willen we toch niet nog een keer hebben doordat
we recyclaat gaan toevoegen?
Staatssecretaris Jansen:
Het is natuurlijk wel gebruikelijk dat we wetgeving met elkaar afstemmen. Op het moment
dat daar strijdigheid zou zijn, wordt daarop geacteerd. Maar het is niet zo dat wij
komen met een wet over recyclaat en dat die vervolgens strijdig is met andere wetten
die er zijn.
De voorzitter:
Nee, we gaan nu even door. De Staatssecretaris.
Staatssecretaris Jansen:
Een andere vraag van de heer Boutkan is hoe de plastictaks van de EU uit eigen middelen
innovatie of verbetering tegenhoudt, want producenten voelen die eigenlijk niet. De
heer Boutkan heeft een punt. Van de heffing an sich gaat geen prikkel uit. Daarvoor
is beleid van lidstaten zelf nodig. Dat is ook precies de reden waarom ik werk aan
maatregelen voor de circulaire plasticketen waarin plastic producten recyclebaar zijn.
Dat doen we onder andere via de norm voor circulair plastic, waarover we al een paar
keer hebben gesproken. Ook onderzoeken we welke aanvullende maatregelen nog mogelijk
zijn om recyclebare plastics uit de verbrandingsoven te houden. Er komt ook steeds
meer Europese regelgeving, zoals de Verpakkingsverordening, waarin eisen aan recyclebaarheid
en verplicht gebruik van plastic recyclaat worden gesteld.
Een andere vraag van de heer Boutkan is hoe de Staatssecretaris komt tot een andere
inschatting van de kosten van de UPV voor luiers en incontinentieproducten dan die
hij kent. Ik weet niet welke bron de heer Boutkan gebruikt voor de aangedragen kosten.
Wij hebben onderzoek laten uitvoeren naar het mogelijke financiële effect van de invoering
van de UPV voor luiers en incontinentieproducten. Dit onderzoek is openbaar, staat
op internet en is dan ook gedeeld met diverse producenten, inzamelaars en recyclers.
Dat is het antwoord dat ik richting de heer Boutkan moet geven.
Dan heb ik nog een vraag over de effecten op andere terreinen van de overgang naar
hergebruik. In de brief over de evaluatie van de SUP-regeling heb ik aangegeven dat
de prioriteit nu ligt bij het wijzigen van de regelgeving. Eind 2025 gaan we bekijken
of er aanleiding is tot verder onderzoek, of dat meerwaarde heeft, naar de brede effecten
van de reductiemaatregelen.
Dan heb ik een vraag van mevrouw Wingelaar over de plasticnorm in 2027. Ik zei dat
we die integraal gaan wegen en zij vroeg hoe dat precies zit. De plasticnorm is aangekondigd
voor 2027; punt. Alleen, voorafgaand en daarnaast zullen we ook kijken naar de economische
of ecologische effecten van de aangekondigde heffing, in samenhang met elkaar. Voordat
we naar de plasticnorm kijken, kijkt het kabinet integraal naar de afweging die wij
maken op alle verschillende beleidsterreinen die hiermee gemoeid zijn. Hij komt dus
in 2027.
Mevrouw Wingelaar had ook een vraag over statiegeld in de grensstreek met België.
In eerste termijn heb ik gezegd dat dit wat ons betreft een tijdelijk probleem is.
Na invoering van de Verpakkingenverordening zou het probleem kleiner moeten zijn.
Ik geef mevrouw Wingelaar gelijk dat de situatie nu inderdaad zo is dat sommige fabrikanten
dezelfde flessen verkopen in Nederland als in een buurland, in dit geval België. Dat
is hun eigen verantwoordelijkheid. Zij kiezen daar zelf voor. Ze nemen voor lief dat
ze hierdoor geld verliezen aan statiegeld dat onterecht wordt geïnd. Het is blijkbaar
kostbaarder om aparte flessen te maken voor Nederland en andere landen dan dat dit
effect kan optreden. De producentenvereniging Verpact is verantwoordelijk voor de
werking en de financiering van het hele statiegeldsysteem, dus ook bij de Jumbo en
de Albert Heijn. Het zou mooi zijn als dat ook in de grensregio's goed werkt, maar
nogmaals, de verantwoordelijkheid ligt uiteindelijk daar waar die hoort. Het is wel
duidelijk dat er zo snel mogelijk meer innameapparaten moeten komen, zoals ik al eerder
betoogde. Wat wij aan Verpact meegeven, is dat zij daarbij zeker ook oog moeten hebben
voor de grensregio's.
Een vraag van de heer Gabriëls ging over de tariefdifferentiatie textiel. Er komt
tariefdifferentiatie op basis van kwaliteit. Producenten moeten dus meer gaan betalen
voor minder circulaire producten. Zo pakken we het in principe aan op het gebied van
textiel.
Een andere vraag was of ik de UPV kan aanpassen, zodat tariefdifferentiatie voor verpakkingen
met een laag risico op zwerfafval mogelijk wordt. Ik vind het een interessant idee
om tariefdifferentiatie te gebruiken om circulariteit te stimuleren. Het risico op
zwerfafval zou hier een voorbeeld van kunnen zijn. Het is wel belangrijk dat tariefdifferentiatie
uitvoerbaar blijft. We moeten goed kijken of en hoe we de tariefdifferentiatie dan
voor gaan schrijven. Op dit moment schrijven we alleen voor dat er tariefdifferentiatie
moet plaatsvinden in de UPV-systemen, maar niet op welke kenmerken die moet plaatsvinden.
Dit willen we wel meenemen in het doorontwikkeltraject van de UPV.
Dan heb ik een vraag van de heer Grinwis, mevrouw Rooderkerk en de heer Pierik: hoe
kunnen we circulaire bedrijven die het lastig hebben, tegemoetkomen? Ik denk dat het
van groot belang is om te kijken wat we kunnen doen voor die bedrijven. Deels zijn
hiervoor de middelen uit het Klimaatfonds beschikbaar. Ook daar hebben we al eerder
met elkaar bij stilgestaan. De 267 miljoen euro is met name bedoeld voor structurele
investeringen in recyclingtechnieken. Dit geld is afkomstig uit het perceel Vroege
fase opschaling van het Klimaatfonds. Ten aanzien van de eventuele inzet van overige
middelen uit het Klimaatfonds heb ik in eerste termijn al aangegeven dat de mogelijkheid
van een subsidieregeling om de onrendabele top van circulaire technieken af te dekken,
zeer recent is onderzocht door KPMG in een studie naar financiële prikkels voor de
circulaire economie.
Een vraag van de heer Gabriëls ging over de zwerfafvalrapers. Hij vroeg of ik met
ze in gesprek wil gaan. Ja, dat kan ik zeker doen.
Het lid Kostić vroeg: kunnen de bewindspersonen bij de actualisatie van het nationaal
programma meer focus op gebruiksvermindering leggen? Ja. Verminderen van het grondstoffengebruik
door efficiency, bijvoorbeeld het delen van producten, is onderdeel van de eerste
circulaire strategie. Dit nemen we zeker mee bij de actualisatie van het NPCE. Het
programma is van het hele kabinet, dus dat doen we dan ook in samenhang met alle verschillende
departementen.
Dan de vraag over de ja-jasticker. Daar kom ik voor de zomer op terug. Volgens mij
was ik die termijn nog schuldig aan het lid Kostić.
Voorzitter. De laatste vraag is van mevrouw Rooderkerk. Hoe kijkt de Staatssecretaris
naar true pricing bij het inkoopbeleid van de rijksoverheid? Ook bij deze vraag ging
het nog om de termijn. Daar kom ik voor de zomer op terug.
Overigens wil ik ook nog even in de bredere context het volgende zeggen. We hebben
vandaag natuurlijk ook heel uitgebreid gesproken over bekers, bakjes en de € 0,25.
We hebben uitgelegd wat daar de redenatie achter is. Ik denk dat het goed is om daar
nader over na te denken. Dat zal ongetwijfeld bij de tweeminutendebatten aan bod gaan
komen. Dan zal ook duidelijk blijken wat we hier uiteindelijk mee gaan doen.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de kant van de Kamer om allereerst te zien of alle vragen beantwoord
zijn.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, bijna. Ik was teruggekomen op de toezegging over de...
De voorzitter:
Eén moment. Ik wou eerst even controleren of alle vragen beantwoord zijn door de Staatssecretaris.
Nee? Oké. Dan geef ik het woord aan mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik vroeg me af of het mogelijk is een tweeminutendebat aan te vragen of dat dat al
gebeurd is.
De voorzitter:
Dat is reeds gebeurd.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Oké. Super.
De voorzitter:
Meneer Boutkan, een vraag van u is niet beantwoord.
De heer Boutkan (PVV):
De Staatssecretaris stapt nu heel makkelijk af van het onderwerp van de kartonnen
bekertjes door te verwijzen naar het tweeminutendebat – dan hoop ik er weer te zijn
– maar daarmee ontneemt hij deze Kamer eigenlijk de mogelijkheid om door te kunnen
gaan op dit onderwerp. Wat voor informatie komt er dan dadelijk bij dat tweeminutendebat
naar voren? Of krijgen we voor die tijd een brief met tekst en uitleg over hoe het
ministerie ertegen aankijkt? Ik heb namelijk al een paar keer verwezen naar een aantal
zaken. Ik ben wel nieuwsgierig naar hoe het ministerie daartegen aankijkt.
De voorzitter:
Duidelijk. De vraag is dus welke informatie er nog richting de Kamer gaat voorafgaand
aan het tweeminutendebat.
Staatssecretaris Jansen:
Voor het tweeminutendebat zal er een brief richting de Kamer gaan. Daarin kijken we
bijvoorbeeld ook naar het percentage plastic in een beker en of het dan wel of geen
plastic is. Dat zal ook bij de technische briefing aan bod komen. In de brief zal
ik ook ingaan op hoe wij omgaan met de bekers en de plastic bakken, waar we vandaag
ook discussie over hebben gevoerd. Ik heb de opmerking van de Kamer namelijk gehoord.
Wij kijken hoe we daar op de juiste manier mee om moeten gaan.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De staatsecretaris had in een eerdere ronde toegezegd dat hij zou gaan kijken naar
de mogelijkheden om reclame op wegwerpproducten aan te pakken. Er was een juridische
verkenning. Hij had gezegd dat hij verder zou kijken naar de mogelijkheden die er
zijn. Ik ben vooral benieuwd wanneer hij daar per brief op terugkomt.
Staatssecretaris Jansen:
Laten we zeggen: in de eerste helft van 2025. Ik moet even kijken hoeveel tijd we
daarvoor nodig hebben. Ik neem het dus ruim. Het kan zijn dat u positief wordt verrast
en dat het eerder komt, dus misschien al in het eerste kwartaal. Maar ik ga uit van
de eerste helft van 2025.
De voorzitter:
Dan kijk ik nog even rond. Eenmaal, andermaal, verkocht.
Dan gaan we naar de toezeggingen. Laten we die nog even zorgvuldig afhandelen met
elkaar, zodat daar geen onduidelijkheid over bestaat. De eerste toezegging is aan
het lid Rooderkerk; zij is inmiddels wel vertrokken.
– De Kamer wordt in het eerste kwartaal van 2025 geïnformeerd over de stand van zaken
ten aanzien van de plasticrecyclingbedrijven.
– Medio volgend jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de vorderingen ten aanzien van
de UPV's; dit is een brede toezegging aan de Kamer.
– In het voorjaar van 2025 ontvangt de Kamer de beleidsreactie en het rapport inzake
de resultaten ten aanzien van statiegeld.
– In de tweede helft van 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het
onderzoek naar true pricing bij aanbestedingen; dat is een toezegging aan het lid
Rooderkerk.
– Het verkennend onderzoek van KPMG naar financiële prikkels voor de circulaire economie
komt in het eerste kwartaal van 2025 naar de Kamer.
– In het eerste kwartaal van 2025 ontvangt de Kamer het onderzoek naar de mogelijke
aanpak van plasticproducten in het zwerfafval.
Meneer Gabriëls, is dat correct?
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Nee, het gaat erom dat tariefdifferentiatie op het zwerfafvalrisico wordt meegenomen
in de doorontwikkeling van de UPV. Dat is een moeilijke, maar dat is wel kloppend.
De voorzitter:
Dat is goed. Dan passen we de toezegging nu aan. Daar gaat ook de Staatssecretaris
mee akkoord. Dan schrijven we de toezegging op deze manier. Dank voor uw verheldering.
– Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de mogelijkheden om het aantal retourzendingen
te verminderen; dit is een toezegging aan het lid Rooderkerk.
– De Kamer wordt voor de Voorjaarsnota geïnformeerd over de wijze waarop de circulaire
economie met fiscale prikkels kan worden ondersteund en over de mogelijkheden van
een taxshift; dit is een toezegging aan de leden Kostić en Gabriëls.
Staatssecretaris Van Oostenbruggen:
Ik krijg ingefluisterd: in het voorjaar. Ik zei volgens mij bij alles «het voorjaar».
Ik heb misschien één keer per ongeluk «voor de Voorjaarsnota» gezegd, maar het is
in het voorjaar. Dat moet wel duidelijk zijn.
De voorzitter:
In het voorjaar. Daar gaan we niet over onderhandelen, maar is de rest van de toezegging
akkoord en helder?
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
Om nog met de zwerfafvalrapers in overleg te treden. Ik kan de Zwerfinator en de Plastic
Soup Surfers aanraden.
De voorzitter:
Ik volg dit even niet.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
O, daar waren we nog niet. Sorry, ik dacht dat alle toezeggingen al geweest waren.
Dit zou er ook nog één zijn.
De voorzitter:
Nee, als we alle toezeggingen hebben gehad, geef ik dat aan.
– Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de ja-jasticker; dat is een toezegging
aan het lid Kostić.
– Voor het tweeminutendebat wordt de Kamer geïnformeerd over plastic bekers; ik vermoed
dat dit een toezegging is aan de heer Boutkan.
Dan is er nog een tweeminutendebat aangevraagd, onder anderen door het lid Buijsse.
Zijn de toezeggingen zoals wij die genoteerd hebben volledig? Ik hoor van de griffier
dat er nog een toezegging is.
– Een juridische verkenning voor een verbod op reclame op wegwerpproducten komt in de
eerste helft van het volgende jaar naar de Kamer.
De heer Gabriëls (GroenLinks-PvdA):
En dan dus dat gesprek met die zwerfafvalrapers, waarvoor ik de Zwerfinator en de
Plastic Soup Surfers kan aanraden.
De voorzitter:
Daar komt geen brief over.
Staatssecretaris Jansen:
We gaan in gesprek. Waar nodig koppelen we natuurlijk terug naar de commissie.
De heer Boutkan (PVV):
Naar aanleiding van het gesprek dat nu wordt geopperd: neemt de Staatssecretaris in
die gesprekken ook zijn eigen gegevens over het zwerfafval mee die afkomstig zijn
van Rijkswaterstaat?
Staatssecretaris Jansen:
Zeker, dan krijgen we volgens mij het beste gesprek.
De voorzitter:
Dan sluit ik bij dezen de vergadering. Ik bedank de mensen op de tribune en uiteraard
de deelnemers aan deze vergadering. Tot een volgende keer.
Sluiting 17.06 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.