Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het onderzoek juridische haalbaarheid toekomstscenario's vrijwillige ouderbijdrage (Kamerstuk 36410-VIII-144)
36 600 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025
Nr. 152
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 19 december 2024
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de brief van 9 september 2024 over het onderzoek juridische haalbaarheid toekomstscenario’s
vrijwillige ouderbijdrage (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 144).
De vragen en opmerkingen zijn op 23 oktober 2024 aan de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 19 december 2024 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Arends
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
2
• Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
• Inbreng van de leden van de VVD-fractie
3
• Inbreng van de leden van de NSC-fractie
3
• Inbreng van de leden van de D66-fractie
4
• Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
5
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
5
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het onderzoek juridische haalbaarheid toekomstscenario’s vrijwillige ouderbijdrage.
Deze leden zijn blij dat er in navolging van de motie van het lid Pijpelink1 onderzoek is gedaan met conclusies die de Kamer mee kan nemen in de besluitvorming.
Uit het onderzoek volgt dat de verschillende scenario’s juridisch haalbaar zijn, «vanwege
het zwaarwegende belang van kansengelijkheid en het tegengaan van onderwijssegregatie»,
zo lang als deze gepaard gaan met mitigerende maatregelen zoals een ophoging van de
lumpsum. De leden zien een noodzaak voor het afschaffen van de vrijwillige ouderbijdrage
omdat het kansenongelijkheid vergroot en hebben daarom een aantal vragen.
In de eerste plaats vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wat de Staatssecretaris
vindt van de teruglopende betalingsbereidheid (maar bij vele ouders is er eerder sprake
van betalingsmogelijkheid) en de onderwijsverschraling die leidt tot kansenongelijkheid
volgens het onderzoek. Wat is de mededeling van de Staatssecretaris aan scholen met
minder kapitaalkrachtige ouders die hun onderwijs noodgedwongen zien verschralen?
Deelt de Staatssecretaris de opvatting als liberaal dat het niet zou moeten uitmaken
waar je wieg staat, maar dat ieder kind dezelfde kansen zou moeten krijgen? Waarom
houdt de Staatssecretaris deze onderwijssegregatie dan willens en wetens in stand,
terwijl informatie uit het onderwijsveld laat zien dat de vrijwillige ouderbijdrage
leidt tot onderwijssegregatie? Deelt de Staatssecretaris de mening dat het afschaffen
van de vrijwillige ouderbijdrage de meest effectieve manier zou zijn om het groter
wordende verschil tussen scholen tegen te gaan? Wat vindt de Staatssecretaris ervan
dat de vrijwillige ouderbijdrage nu een afstotende of aantrekkende werking kan hebben
en daarmee onderwijssegregatie versterkt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen helaas dat de Staatssecretaris wegens
gebrek aan financiële dekking alleen met een oproep tot scholen komt om de huidige
regels te volgen. Volgens het onderzoek is het afschaffen van de vrijwillige ouderbijdrage
juridisch haalbaar omdat er een noodzaak voor is op het gebied van kansengelijkheid,
ondanks de al bestaande regels. Erkent de Staatssecretaris dat het doen van een oproep
niet genoeg is om de noodzaak voor het stellen van eisen aan de vrijwillige ouderbijdrage
of het afschaffen van deze bijdrage weg te nemen? Waarom kiest de Staatssecretaris
ervoor om geen financiële dekking te vinden? Kunnen deze leden daaruit opmaken dat
deze Staatssecretaris het prima vindt dat de onderwijssegregatie in stand blijft?
Is er overwogen om een limiet te stellen aan de vrijwillige ouderbijdrage? Zo ja,
wat zouden de kosten zijn om de financiering van scholen daarvoor op te hogen? Zo
nee, waarom is deze overweging niet gemaakt?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie danken de Staatssecretaris voor het toesturen van de brief
omtrent het onderzoek juridische haalbaarheid toekomstscenario’s vrijwillige ouderbijdrage
en hebben daar de volgende vragen over.
De leden van de VVD-fractie lezen dat een klein percentage leerlingen nog steeds wordt
uitgesloten van activiteiten als de vrijwillige ouderbijdrage niet is betaald. Zij
vragen of ook bekend is en zo ja om hoeveel scholen dit gaat waar deze leerlingen
hun onderwijs volgen.
Daarnaast vragen zij wat er precies met betalingsbereidheid wordt bedoeld. Wordt er
met het woord betalingsbereidheid onderscheid gemaakt tussen ouders die het niet kunnen
betalen maar wel willen en ouders die niet betalen maar het wel zouden kunnen betalen?
De leden lezen dat een hoge vrijwillige ouderbijdrage voor kapitaalkrachtige gezinnen
een reden kan zijn om kinderen aan te melden voor deze school. De voornoemde leden
vragen of er ook cijfers bekend zijn waarop ouders hun oordeel bepalen waarom zij
hun kind bij een bepaalde school inschrijven.
Inbreng van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderzoek
juridische haalbaarheid toekomstscenario’s vrijwillige ouderbijdrage. Deze leden hebben
de volgende vragen en opmerkingen.
Sinds de inwerkingtreding van de initiatiefwet2 in 2021 is er zowel in het po3 als in het vo4 een dalende trend zichtbaar ten aanzien van de betalingsbereidheid van ouders van
de vrijwillige ouderbijdrage. Dit is bovendien vaker het geval op scholen met een
achterstandsscore. Een toename van niet-betalende ouders heeft op scholen met veel
leerlingen van minder draagkrachtige ouders een grotere impact, waardoor de kans groter
is dat activiteiten als schoolkampen en schoolreisjes geschrapt moeten worden. Hoe
beoordeelt de Staatssecretaris dit (onbedoelde) effect van de inwerkingtreding van
de initiatiefwet? Welke concrete stappen kan de Staatssecretaris zetten om dit ongewenste
neveneffect tegen te gaan?
De leden van de NSC-fractie vinden dat het voor scholen niet geheel onmogelijk gemaakt
moet worden een vrijwillige ouderbijdrage voor bepaalde activiteiten te vragen. Deze
leden vinden het belangrijk dat scholen samen met de ouders staan voor een aanbod
van educatieve activiteiten met inachtneming van het principe dat de sterkste schouders
de zwaarste lasten dragen. Met een lagere bijdrage zouden schoolreisjes met dezelfde
educatieve waarde bijvoorbeeld in de eigen regio van de school georganiseerd kunnen
worden om zo geen grote afstanden af te hoeven leggen. Welke mogelijkheden ziet de
Staatssecretaris voor het limiteren van de vrijwillige ouderbijdrage zonder dat het
ten koste gaat van het organiseren van activiteiten als schoolreisjes?
De leden van de NSC-fractie merken op dat in het onderzoek van het ministerie gesteld
wordt dat er, ondanks beleidsinspanningen en de wetswijziging in 2021, nog steeds
knelpunten waargenomen worden. Zo blijkt uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs
(hierna: Inspectie) dat er op driekwart van de scholen onjuist wordt gecommuniceerd
over de vrijwillige ouderbijdrage, waardoor voor ouders de communicatie over de vrijwillige
ouderbijdrage vaak een dwingend karakter heeft. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier
tegenaan? En hoe is de Staatssecretaris van plan dit te verbeteren?
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de
vrijwillige ouderbijdrage.
De leden zijn benieuwd hoe de Staatssecretaris reflecteert op de conclusie uit het
juridisch onderzoek waaruit blijkt dat het afschaffen van de vrijwillige ouderbijdrage
in het voortgezet onderwijs met financiering vanuit de lumpsum kan leiden tot het
vergroten van de onderwijskwaliteit over de gehele linie. Over welk bedrag zou dit
in totaal gaan, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Staatssecretaris niet te stellig
is in het concluderen dat er niets aangepast kan worden aan het systeem van de vrijwillige
ouderbijdrage, op basis van het idee dat er mitigerende maatregelen getroffen moeten
worden waar dit kabinet geen geld beschikbaar voor wil stellen. Deze leden lezen in
de analyse terug dat bij het limiteren van de vrijwillige ouderbijdrage bijvoorbeeld
geen mitigerende maatregelen getroffen hoeven te worden en dat deze maatregel volgens
de onderzoekers wellicht meer proportioneel is. Hoe ziet de Staatssecretaris dat,
zo vragen zij. Is het niet te voorbarig om te concluderen dat er niets gewijzigd kan
worden, zo vragen deze leden. Daarnaast vragen zij of de Staatssecretaris niet andere
oplossingen ziet, zoals afspraken maken over een bovenschools solidariteitsfonds,
zoals in de gemeente Utrecht. Is de Staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan
met scholen en de gemeente Utrecht om lessen te trekken en om dergelijke landelijke
afspraken te maken, zo vragen de voornoemde leden.
Zij lezen daarnaast een schijntegenstelling in de brief tussen goed onderwijs in lezen,
schrijven en rekenen en de problematiek rond de vrijwillige ouderbijdrage. De Staatssecretaris
stelt immers dat er niks aangepast moet worden, omdat er nu op de zogenaamde «kernopgave»
van het kabinet gericht wordt. Deelt de Staatssecretaris de mening dat dit geen tegenstelling
is maar dat deze juist elkaar versterken en aanvullen? Deze leden zien immers voldoende
situaties voor zich waarbij de activiteiten gefinancierd vanuit de vrijwillige ouderbijdrage
ten dienste staan aan het leren van de basisvaardigheden, zoals door de school georganiseerde
bijles, een excursie naar het literatuurmuseum of verdere langdurige verdieping in
literatuur of wiskunde binnen of buiten de reguliere onderwijstijd. Daarbij achten
deze leden het aannemelijk dat, gezien de toenemende aandacht voor basisvaardigheden
en de aanpak gestart onder het vorige kabinet, de activiteiten gefinancierd vanuit
de vrijwillige ouderbijdrage juist steeds meer ten dienste gaan staan van de basisvaardigheden.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het niet de bedoeling was hier een schijntegenstelling
te creëren en hanteert zij een vergelijkbaar perspectief op (de activiteiten gefinancierd
door) de vrijwillige ouderbijdrage?
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris
en het meegestuurde onderzoek naar de juridische haalbaarheid van het afschaffen dan
wel limiteren van de vrijwillige ouderbijdrage. Wat deze leden betreft ziet de Inspectie
erop toe dat scholen respecteren dat de vrijwillige ouderbijdrage daadwerkelijk vrijwillig
is, niet discrimineren en dat het vrijwillig karakter voor iedereen duidelijk is.
Komen scholen tekort dan dienen ze volgens te worden gecompenseerd zodat er geen verschillen
tussen scholen ontstaan.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben wel hun twijfels bij de juridische houdbaarheid
van het onderzoek en bij onder meer het steeds verder oprekken van het begrip «deugdelijkheidseis»,
ook in dit onderzoek. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar deze ontwikkeling? Zij vinden
het standpunt van de Staatssecretaris desondanks opmerkelijk. Deze leden vragen of
ze de opvatting van de Staatssecretaris goed kunnen samenvatten dat volgens haar uit
de situatie rondom de vrijwillige ouderbijdrage noodzaak tot overheidsingrijpen kan
worden afgeleid ondanks dat het inperking van artikel 23 Grondwet behelst, maar dus
geen verhoging van het budget op de OCW-begroting? Hoe reflecteert de Staatssecretaris
erop dat ze minder moeite lijkt te hebben met het inperken van de Grondwettelijke
onderwijsvrijheid dan met het wijzigen van haar eigen begroting?
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Met interesse heb ik kennisgenomen van de vragen van de GroenLinks-PvdA-, VVD-, NSC-,
D66- en ChristenUnie-fracties. Ik dank de fracties voor hun inbreng. De antwoorden
houden dezelfde volgorde aan zoals in de inbreng van de fracties. In enkele gevallen
zijn de antwoorden op vragen gebundeld.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar de gevolgen van de teruglopende
betalingsbereidheid en onderwijsverschraling voor kansenongelijkheid, met name voor
leerlingen met minder kapitaalkrachtige ouders.
Het is in de eerste plaats goed dat het vrijwillige karakter van de vrijwillige ouderbijdrage
met de initiatiefwet van leden Kwint en Westerveld is benadrukt. Door de wetswijziging
kunnen leerlingen niet meer worden uitgesloten van extra activiteiten die op of door
school worden georganiseerd, ook als ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet hebben
betaald.
Een onbedoeld gevolg van de wetswijziging is dat de inkomsten uit de vrijwillige ouderbijdrage
op scholen met een minder kapitaalkrachtige ouderpopulatie achteruit gaan. Hierdoor
kunnen voor de kinderen op deze scholen minder aanvullende activiteiten worden georganiseerd.
Om dit tegen te gaan, gaan we nader onderzoeken op welke wijze de inkomsten uit de
vrijwillige ouderbijdrage binnen schoolbesturen of gemeenten beter kunnen worden verdeeld,
binnen de bestaande wet- en regelgeving en met de huidige financiële middelen. Op
sommige plekken wordt al met een dergelijk bovenschools financieel fonds gewerkt.
In een dergelijk fonds worden de ontvangsten uit de vrijwillige ouderbijdrage van
alle scholen verzameld en daarna gelijkmatiger verdeeld onder scholen. We gaan bestaande
initiatieven in kaart brengen, zodat we daaruit lessen kunnen leren die breder door
het land kunnen worden toegepast.
Voorts vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of ieder kind dezelfde kansen
moet krijgen, ongeacht waar de wieg staat.
Ieder kind moet gelijke kansen krijgen om zijn of haar talenten te ontwikkelen. Kansengelijkheid
begint bij goed kunnen lezen, schrijven en rekenen. Door in te zetten op goed onderwijs
met een veilige en stevige basis, stellen we alle kinderen in staat om zich zo optimaal
mogelijk te ontwikkelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet naar de rol van de vrijwillige
ouderbijdrage in relatie tot onderwijssegregatie.
Onderwijssegregatie is een probleem met vele oorzaken. Gemeenten kunnen zelf actie
ondernemen in het tegengaan van segregatie. Dit doen zij onder andere door het verplichte
jaarlijkse overleg in het kader van de Lokale Educatieve Agenda (LEA), waarin zij
met schoolbesturen afspraken maken over bijvoorbeeld het aanmeldbeleid in het kader
van het terugdringen van segregatie.
De wetswijziging van 2021 levert ook een bijdrage aan het terugdringen van onderwijssegregatie.
Door het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage moeten ouders een door de school
gevraagde bijdrage niet als drempel ervaren voor de aanmelding van hun kind op een
school. We blijven benadrukken dat het betalen van de vrijwillige ouderbijdrage daadwerkelijk
vrijwillig is. Scholen moeten hier ook duidelijk over moeten communiceren. Hierover
blijven we in gesprek met het onderwijsveld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen voor om de vrijwillige ouderbijdrage
af te schaffen, zodat de groter wordende verschillen tussen scholen worden tegengaan.
Dit kabinet staat voor de belangrijke kernopgave om de basis op orde te krijgen: alle
leerlingen moeten goed kunnen lezen, schrijven en rekenen van afdoende onderwijspersoneel.
Daar begint kansengelijkheid en ligt nu de prioriteit. Om die reden zijn er geen middelen
op de OCW-begroting beschikbaar voor mitigerende maatregelen om teruglopende inkomsten
uit de vrijwillige ouderbijdrage te compenseren bij het afschaffen van de vrijwillige
ouderbijdrage.
Tevens vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de Staatssecretaris erkent
dat het doen van een oproep niet genoeg is om de noodzaak voor het stellen van eisen
aan de vrijwillige ouderbijdrage of het afschaffen van deze bijdrage, weg te nemen.
De kern van de opdracht voor scholen is helder en het is van belang om tot naleving
op te roepen. Daarom blijven we benadrukken dat het naleven van de regels over de
vrijwillige ouderbijdrage belangrijk is voor het vergroten van de toegankelijkheid
van het onderwijs. Zoals gezegd onderzoeken we de komende periode op welke wijze de
inkomsten uit de vrijwillige ouderbijdrage binnen schoolbesturen of gemeenten beter
kunnen worden verdeeld, binnen de bestaande wet- en regelgeving en met de huidige
financiële middelen.
Daarnaast blijven we de ontwikkelingen rondom de vrijwillige ouderbijdrage volgen.
In 2025 wordt de Schoolkostenmonitor opnieuw uitgevoerd, waarbij de hoogte van schoolkosten
en de vrijwillige ouderbijdrage in het funderend onderwijs in beeld wordt gebracht.
Daarnaast wordt de initiatiefwet uit 2021 momenteel geëvalueerd. In de evaluatie wordt
expliciet meegenomen welke effecten de wet heeft gehad op het betalingsgedrag en het
aanbod van extra activiteiten. Beide onderzoeken worden rond de zomer van 2025 verwacht.
De Kamer wordt hier te zijner tijd over geïnformeerd.
Verder vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of er is overwogen om een limiet
te stellen aan de vrijwillige ouderbijdrage en wat de eventuele kosten en overwegingen
omtrent dit besluit zijn.
De afgelopen periode zijn de verschillende scenario’s voor de vrijwillige ouderbijdrage
uitgewerkt, waarbij de voor- en nadelen en de juridische haalbaarheid in kaart zijn
gebracht. Het stellen van een limiet aan de vrijwillige ouderbijdrage was één van
deze scenario’s.
Zoals genoemd, vraagt de kernopgave van het vergroten van de basisvaardigheden om
scherpe en noodzakelijke keuzes, zowel op financieel vlak als op het gebied van capaciteit.
Er is daarom gekozen om niet in te zetten op het wettelijk limiteren van de vrijwillige
ouderbijdrage. Het meest recent gemeten gemiddelde van de gevraagde vrijwillige ouderbijdrage
ligt in het po op € 49,– en in het vo op € 183,–.5 Afgezet tegen het aantal leerlingen in het po en vo komt een jaarlijkse ophoging
van de lumpsum – ter compensatie van het afschaffen van de ouderbijdrage – in het
po uit op een bedrag van rond de € 70 mln en in het vo rond de € 170 mln. Met andere
maatregelen zoals het bevorderen van bovenschoolse fondsen en het blijven voeren van
gesprekken met de sector wordt gewerkt aan het terugdringen van ongewilde ontwikkelingen
rondom de vrijwillige ouderbijdrage. De effecten van deze maatregelen blijven we monitoren
en dit zal – samen met de resultaten uit de onderzoeken die komend jaar worden uitgevoerd
– mogelijk aanleiding zijn voor nadere stappen rondom de vrijwillige ouderbijdrage.
De Kamer wordt over de voortgang van deze verkenning geïnformeerd.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie vragen of bekend is hoeveel en welke scholen leerlingen
uitsluiten van activiteiten als de vrijwillige ouderbijdrage niet is betaald.
Uit de meest recente Schoolkostenmonitor bleek dat een klein percentage ouders in
het po (4%) en het vo (7%) aangaf dat er sprake was van uitsluiting van leerlingen
van extra activiteiten als de vrijwillige ouderbijdrage niet is betaald. Het stemt
positief dat het percentage laag is, maar elk kind dat wordt uitgesloten is er één
te veel. Hierover gaan we ook in gesprek met scholen. Er zijn geen exacte cijfers
bekend van het aantal scholen waarop uitsluiting van extra activiteiten plaatsvindt.
De resultaten uit de Schoolkostenmonitor zijn gebaseerd op steekproefsgewijs onderzoek
onder in totaal 4143 ouders in het po en 3032 ouders in het vo.
Verder vragen de leden van de VVD-fractie om verduidelijking over de term «betalingsbereidheid».
In het juridisch onderzoek wordt met «betalingsbereidheid» gedoeld op het betalingsgedrag
van ouders. In de wet is momenteel alleen opgenomen dat ouders de vrijwillige ouderbijdrage
niet hoeven te betalen. Volgens de huidige wetgeving kan het onderscheid tussen niet
willen en niet kunnen betalen dus niet worden gemaakt.
De leden van de VVD-fractie lezen dat dat een hoge vrijwillige ouderbijdrage voor
kapitaalkrachtige gezinnen een reden kan zijn om kinderen aan te melden voor deze
school. De leden vragen voorts naar cijfers en informatie over de overwegingen van
ouders wanneer zij hun kind inschrijven bij een bepaalde school.
Uit onderzoek blijkt dat ouders het bij de schoolkeuze belangrijk vinden dat zij zich
thuis voelen bij leerlingen en ouders op de te kiezen school. Dit speelt een rol bij
zowel ouders met een meer of minder bevoorrechte sociaaleconomische status. In beide
gevallen kiezen ouders, in het po en vo, voor scholen waarbij de eigen groep dominanter
aanwezig is.6 In 2021 concludeerde de Onderwijsraad dat minder kapitaalkrachtige ouders zich minder
welkom voelen op scholen die een hoge vrijwillige ouderbijdrage vragen.7
Inbreng van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie stellen vast dat een toename van niet-betalende ouders
een grotere impact heeft op scholen met veel leerlingen van minder draagkrachtige
ouders, waardoor de kans groter is dat activiteiten als schoolkampen en schoolreisjes
geschrapt moeten worden. Aan het kabinet wordt gevraagd naar de beoordeling van dit
onbedoelde effect van de initiatiefwet.
Het is goed dat het vrijwillige karakter van de vrijwillige ouderbijdrage met de initiatiefwet
van leden Kwint en Westerveld is benadrukt. Door de wetswijziging kunnen leerlingen
niet meer worden uitgesloten van extra activiteiten die op of door school worden georganiseerd,
ook als ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet hebben betaald.
Een onbedoeld gevolg van de wetswijziging is dat de inkomsten uit de vrijwillige ouderbijdrage
op scholen met een minder kapitaalkrachtige ouderpopulatie achteruit gaan, wat invloed
heeft op het aantal extra activiteiten dat georganiseerd kan worden op deze scholen
en op de gelijke ontwikkelmogelijkheden tussen leerlingen. Dat is een onwenselijke
ontwikkeling, omdat het belangrijk is dat onderwijs voor iedereen toegankelijk is.
Er wordt gevraagd door de leden van de NSC-fractie welke concrete stappen worden gezet
om het ongewenste neveneffect tegen te gaan.
We willen nader onderzoeken op welke wijze de inkomsten uit de vrijwillige ouderbijdrage
binnen schoolbesturen of gemeenten beter kunnen worden verdeeld. Op sommige plekken
wordt al met een dergelijk bovenschools financieel fonds gewerkt. In een dergelijk
fonds worden de ontvangsten uit de vrijwillige ouderbijdrage verzameld en daarna gelijkmatiger
verdeeld onder scholen. Bestaande initiatieven worden in kaart gebracht, zodat we
daaruit lessen kunnen leren die breder door het land kunnen worden toegepast. Ook
blijven we met het onderwijsveld in gesprek over de vrijwilligheid van de ouderbijdrage,
zodat geen enkel kind wordt uitgesloten.
Voorts vraagt de NSC-fractie welke mogelijkheden er zijn om een limiet te stellen
aan de vrijwillige ouderbijdrage, zonder dat het ten koste gaat van het organiseren
van activiteiten als schoolreisjes.
De afgelopen periode zijn de verschillende scenario’s voor de vrijwillige ouderbijdrage
uitgewerkt, waarbij de voor- en nadelen en de juridische haalbaarheid in kaart zijn
gebracht. Het stellen van een limiet aan de vrijwillige ouderbijdrage was één van
deze scenario’s.
Zoals gezegd ligt de focus van dit kabinet op de kernopgave dat alle kinderen goed
leren lezen, rekenen en schrijven van afdoende leraren in een veilige schoolomgeving.
Hiermee verbeteren we de onderwijskwaliteit. Daarom wordt het systeem van de vrijwillige
ouderbijdrage nu niet aangepast. Tevens zou het stellen van een limiet aan de vrijwillige
ouderbijdrage, zonder verdere verschraling van extra activiteiten, om nader onderzoek
vragen naar een passende hoogte van een limiet. Het gaat immers – naast schoolreizen
– om uiteenlopende extra activiteiten, zoals tweetalig onderwijs, technasia, extra
taallessen en sportklassen.
Voorts vragen de leden van de NSC-fractie naar onjuiste communicatie van scholen over
de vrijwillige ouderbijdrage en wat het kabinet zal doen om dit te verbeteren.
Onjuiste communicatie is niet acceptabel. De wetswijziging had als doel om financiële
drempels zoveel mogelijk weg te nemen. Elke leerling kan deelnemen aan extra activiteiten,
ook als de ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet hebben betaald. Het betalen van
de ouderbijdrage is geheel vrijwillig en scholen moeten dit ook zo communiceren naar
ouders. De Inspectie van het Onderwijs blijft hierop toezien.
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie vragen om een reflectie van de conclusie van het juridische
onderzoek, waaruit blijkt dat het afschaffen van de vrijwillige ouderbijdrage in het
voortgezet onderwijs kan leiden tot het vergroten van de onderwijskwaliteit over de
gehele linie. Verder vragen de leden van de D66-fractie naar het bedrag dat benodigd
is voor de ophoging van de lumpsum in deze situatie.
Het afschaffen van de vrijwillige ouderbijdrage en het daarbij nemen van mitigerende
maatregelen in de vorm van extra financiering, kan er inderdaad toe leiden dat, over
het geheel genomen, meer kinderen deel kunnen nemen aan meer activiteiten, waardoor
zij zich breder kunnen ontplooien. Dit is echter alleen mogelijk indien er extra middelen
beschikbaar komen voor scholen ter compensatie van het afschaffen van de vrijwillige
ouderbijdrage. Er is echter geen ruimte op de OCW-begroting voor een dergelijke maatregel.
Als deze maatregel wordt ingevoerd zonder compensatie, voorzien wij juist een risico
op verschraling van het aanbod.
Het meest recente gemiddelde van de gevraagde vrijwillige ouderbijdrage in het voortgezet
onderwijs is € 183,–. Afgezet tegen het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs
komt een jaarlijkse ophoging van de lumpsum – ter compensatie van het afschaffen van
de ouderbijdrage – uit op een bedrag van rond de € 170 mln.
De leden van de D66-leden vragen naar het besluit om het systeem van de vrijwillige
ouderbijdrage niet aan te passen, ondanks de ruimte die in het juridische onderzoek
wordt gegeven voor het stellen van een limiet zonder ophoging van de lumpsum. Is het
niet voorbarig om nu al de conclusie te trekken dat er niets gewijzigd kan worden,
vragen de leden.
Het juridisch onderzoek komt inderdaad tot de conclusie dat het stellen van een wettelijk
limiet een meer proportionele maatregel is dan het afschaffen van de vrijwillige ouderbijdrage.
De proportionaliteit van een limiet hangt derhalve af van de verwachte effecten van
verschillende limietbedragen.
De kernopgaven van dit kabinet vraagt om scherpe en noodzakelijke keuzes, zowel op
financieel vlak als op het gebied van (wetgevende) capaciteit. Er is daarom gekozen
om niet in te zetten op het wettelijk limiteren van de vrijwillige ouderbijdrage en
eerst andere maatregelen te verkennen. Met andere maatregelen, zoals het bevorderen
van bovenschoolse fondsen – binnen de bestaande wet- en regelgeving en met de huidige
financiële middelen – en het in gesprek blijven met het onderwijsveld over de vrijwillige
ouderbijdrage, wordt gewerkt aan het terugdringen van de ongewenste ontwikkelingen.
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet of een bovenschools solidariteitsfonds
een mogelijkheid is en of hier afspraken over gemaakt kunnen worden.
Het maken van afspraken over bovenschoolse solidariteitsfondsen kan bijdragen aan
het tegengaan van bepaalde effecten en ontwikkelingen rondom de vrijwillige ouderbijdrage.
Zoals aangekondigd worden er daarom gesprekken gevoerd met het onderwijsveld, waarbij
wordt gekeken hoe, binnen bestaande wet- en regelgeving en met al beschikbaar gestelde
financiële middelen, bovenschoolse fondsen breder bevorderd kunnen worden.
Daarnaast vragen deze leden zich af of er wel echt een tegenstelling is tussen goed
onderwijs in lezen, schrijven en rekenen en de problematiek rond de vrijwillige ouderbijdrage.
De leden vragen of deze thema’s elkaar niet juist kunnen versterken en de activiteiten
die voortkomen uit de ouderbijdrage juist bijdragen aan basisvaardigheden?
De activiteiten die worden georganiseerd van de inkomsten uit de vrijwillige ouderbijdrage
kunnen bijdragen aan de bredere ontwikkeling van leerlingen. De deelname aan deze
activiteiten kan daarmee ook bijdragen aan de schoolprestaties. Dit kabinet zet vol
en direct in op het vergroten van kwalitatief goed onderwijs en het verbeteren van
basisvaardigheden van alle leerlingen. Daar ligt de focus en de prioriteit.
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben hun twijfels bij het steeds verder oprekken
van het begrip «deugdelijkheidseis». Hoe kijkt de Staatssecretaris naar deze ontwikkeling?
Zij vinden het standpunt van de Staatssecretaris opmerkelijk.
Met de leden van de ChristenUnie-fractie ben ik van oordeel dat gaandeweg de begrippen
«deugdelijkheid» en «kwaliteit» meer versmolten zijn geraakt, zoals ook naar voren
is gekomen in het juridisch onderzoek en zoals de Onderwijsraad reeds in 2012 constateerde8. Om de in artikel 23, eerste lid, van de Grondwet vervatte zorgplicht voor het onderwijs
goed te kunnen vervullen, is de overheid, naast randvoorwaardelijke eisen (zoals eisen
omtrent bevoegdheid van docenten en onderwijstijd), ook meer directe kwaliteitseisen
aan het onderwijs gaan stellen.
Deugdelijkheidseisen vormen een scharnierpunt tussen de vrijheid van onderwijs enerzijds
en de zojuist genoemde zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs(stelsel) anderzijds.
De Grondwetgever draagt de wetgever op om in die spanning een balans te vinden, uiteraard
met inachtneming van de in artikel 23 opgenomen bewust open geformuleerde voorwaarden.9 Deze balans en interpretatie van het grondwettelijke begrip «deugdelijkheidseis»
kan (en is) door de jaren heen veranderd, mede onder invloed van veranderende wensen
en behoeften in de samenleving, alsmede rechtsontwikkelingen, zoals de toegenomen
aandacht voor de rechten van het kind. Voor een nieuw te stellen deugdelijkheidseis
moet echter altijd een substantiële noodzaak kunnen worden aangetoond, gebaseerd op
een feitelijke analyse van de omvang van het probleem en de verwachte gevolgen van
de te nemen maatregel. De gekozen maatregel dient bovendien geschikt en proportioneel
te zijn, waarbij altijd gekozen dient te worden voor de meest effectieve en minst
belastende maatregel. Dit zijn de harde grenzen waaraan deugdelijkheidseisen altijd
zullen moeten voldoen.
Deze leden vragen of ze de opvatting van de Staatssecretaris goed kunnen samenvatten
dat volgens haar uit de situatie rondom de vrijwillige ouderbijdrage noodzaak tot
overheidsingrijpen kan worden afgeleid ondanks dat het inperking van artikel 23 Grondwet
behelst, maar dus geen verhoging van het budget op de OCW-begroting?
In reactie op de vraag van de leden van de ChristenUnie-fractie is het goed om in
de eerste plaats te verwijzen naar de Kamerbrief van 9 september jl. en het meegestuurde
juridisch onderzoek10. Uit het onderzoek komt duidelijk naar voren dat het verbieden van (het door scholen
ontvangen of besteden van) de vrijwillige ouderbijdrage zonder financiële compensatie
in de vorm van bekostiging met daaraan gekoppelde bestedingsvrijheid niet proportioneel
wordt geacht: zo’n maatregel zou er immers voor zorgen dat scholen allerlei extra,
voor leerlingen waardevol aanbod niet meer kunnen organiseren vanwege een gebrek aan
financiële middelen. Er is in de begroting echter geen ruimte om scholen, als de vrijwillige
ouderbijdrage zou worden afgeschaft, te compenseren door middel van een verhoging
van de bekostiging, zodat dit aanbod (in ieder geval deels) wel zou kunnen blijven
bestaan. Dit kabinet focust zich op de kernopgave dat alle kinderen goed leren lezen,
rekenen en schrijven van afdoende leraren in een veilige schoolomgeving. Daarom worden
nu geen wettelijke maatregelen tot afschaffing of limitering van de ouderbijdrage
getroffen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen het kabinet of het klopt dat minder
moeite lijkt te hebben met het inperken van de Grondwettelijke onderwijsvrijheid dan
met het wijzigen van haar eigen begroting?
Zoals naar voren kwam in het antwoord op de vorige vraag is er momenteel geen ruimte
op de begroting om scholen te compenseren middels extra bekostiging indien de vrijwillige
ouderbijdrage wordt afgeschaft. Als scholen geen compensatie voor het verlies aan
inkomsten uit de ouderbijdrage krijgen, leidt dit er uiteindelijk toe dat zij allerlei
waardevolle (onderwijs)activiteiten voor hun leerlingen niet meer kunnen organiseren
en dat het onderwijs dus verschraalt. Afschaffing van de vrijwillige ouderbijdrage
zonder compensatie moet om die reden als een disproportionele inbreuk op de onderwijs
worden aangemerkt. Dit kabinet focust zich op de kernopgave dat alle kinderen goed
leren lezen, rekenen en schrijven van afdoende leraren in een veilige schoolomgeving.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
M.H.R.M. Arends, adjunct-griffier