Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 638 Wijziging van enkele wetten op het gebied van Justitie en Veiligheid en op het gebied van Asiel en Migratie in verband met aanpassingen van overwegend technische aard (Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 20XX)
Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 24 maart 2025
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid. Ik dank de leden van de fracties voor de gestelde vragen,
die ik, mede namens de Minister van Asiel en Migratie, in deze brief beantwoord. De
vragen en opmerkingen uit het verslag zijn integraal opgenomen in cursieve tekst en
de beantwoording daarvan in gewone typografie. Tot slot merk ik op dat ik tevens een
nota van wijziging aanbied.
I ALGEMEEN DEEL
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wijziging
van enkele wetten op het gebied van Justitie en Veiligheid en op het gebied van Asiel
en Migratie in verband met aanpassingen van overwegend technische aard (hierna: het
wetsvoorstel). Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie vragen naar een geactualiseerd overzicht van wetsvoorstellen
op het gebied van Justitie en Veiligheid die wel door beide Kamers zijn aangenomen
en in het Staatsblad zijn gepubliceerd, maar nog altijd niet in werking zijn getreden.1 Hierbij vragen deze leden ook naar een toelichting per wet waarom inwerkingtreding
nog niet heeft plaatsgevonden en op welke termijn inwerkingtreding is voorzien.
Graag bied ik in antwoord op deze vraag een overzicht van wetgeving die in het Staatsblad
is gepubliceerd maar nog niet in werking is getreden.
Naam
Vindplaats
Toelichting
Uitvoeringswet Rotterdam Rules
Staatsblad 2019, 289
De Rotterdam Rules zijn op 11 december 2008 aangenomen met als doel om de bestaande
verdragen inzake het goederenvervoer over zee te moderniseren en te uniformeren. Nederland
heeft de Rotterdam Rules op 23 september 2009 ondertekend. Het verdrag treedt in werking
indien het door 20 landen is geratificeerd. Op dit moment hebben slechts vijf landen
dit gedaan. Om de concurrentiepositie van Nederland niet te benadelen, wordt er gewacht
met de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet Rotterdam Rules tot grote handelspartners
en omliggende landen dit verdrag ook hebben geratificeerd.
Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
Staatsblad 2023, 454
Het ontwerp van de AMvB is aanhangig bij de Raad van State voor advies. Vervolgens
kan de AMvB worden vastgesteld en tegelijk met de wet in werking treden.
Uitvoeringswet VN-verdrag staatsimmuniteit
Staatsblad 2024, 288
De Uitvoeringswet VN-verdrag Staatsimmuniteit treedt in werking zodra het Verdrag
in werking treedt, hiervoor moeten nog eerst meer landen partij worden bij dit verdrag.
Wijziging Opiumwet 1960 BES i.v.m. de invoering van de bevoegdheid voor het lokaal
gezag van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot de oplegging van
een last onder bestuursdwang ten aanzien van drugspanden
Staatsblad 2024, 377
Treedt in werking met ingang van 1 april 2025.
Wet preferentie kinderalimentatie
Staatsblad 2024, 376
De inwerkingtreding is voorzien op 1 juli 2025.
Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten
Staatsblad 2025, 25
De inwerkingtreding is voorzien op 1 juli 2025.
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten wat het oorspronkelijke
artikel XXXVII van de versie van dit wetsvoorstel zoals dat was voorgelegd aan de
Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) inhield en waarom
het na het advies van de Afdeling is geschrapt.
Artikel XXXVII zoals opgenomen in de versie van het wetsvoorstel die is voorgelegd
aan de Afdeling betrof een samenloopbepaling die voorzag in enkele technische wijzigingen
van verschillende artikelen uit de Wet seksuele misdrijven. Dat artikel was opgenomen
omdat die wet nog niet in werking was getreden op het moment dat het onderhavige wetsvoorstel
voor advies aanhangig werd gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven in werking getreden. Daarom is voormelde
samenloopbepaling geschrapt en zijn de daarin opgenomen wijzigingen in de bij Uw Kamer
ingediende versie van het wetsvoorstel verplaatst naar artikel XLVI, dat voorziet
in wijziging van bestaande strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht.
De aanpassingen van de artikelen 252 en 253 van het Wetboek van Strafrecht die waren
opgenomen in voormelde samenloopbepaling komen in artikel XLVI niet terug. Reden daarvoor
is dat deze wijzigingen bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2023/24, 36 377, nr. 7) zijn toegevoegd aan de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch
materiaal, die eveneens op 1 juli 2024 (gedeeltelijk) in werking is getreden.
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog
een aantal vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog
een aantal vragen.
De leden van de SP-fractie hebben het wetsvoorstel gelezen. Deze leden hebben hier
nog een aantal vragen over.
1. Ontvangen adviezen
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de wijzigingen onder artikel V
en artikel IX waarin de termen «scheidsmannen» en «goed huisvader» uit het Burgerlijk
Wetboek (BW) worden vervangen wegens een onnodige mannelijke connotatie. De regering
noemt expliciet het standpunt dat het niet opportuun was om deze wijziging mee te
nemen in een ander wetsvoorstel. Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe
dit standpunt zich verhoudt tot het standpunt van de toenmalige regering over de vervanging
van de term «moeder uit wie het kind is geboren» in de Wet Basisregistratie personen
door «de ouder uit wie het kind is geboren». Deze wijziging maakte aanvankelijk onderdeel
uit van een Verzamelwet, maar de toenmalige regering besloot middels een nota van
wijziging dit uit het wetsvoorstel te halen. De toenmalige regering hechtte eraan
dat een Verzamelwet enkel technische en beleidsneutrale wijzigingen zou bevatten.
De genoemde aanpassing had dan ook niet in de Verzamelwet opgenomen mogen worden.2 Deze leden vragen om een nadere toelichting hoe het standpunt van de huidige regering
zich verhoudt tot het standpunt van de vorige regering.
Los van de vraag welke concrete problemen voor mensen en de rechtspraktijk worden
opgelost met deze wetswijziging, achten de leden van de VVD-fractie het ook van belang
dat de regering motiveert waarom de ene genderneutrale wijziging technisch en beleidsneutraal
is, en de andere genderneutrale wijziging in de Basisregistratie Personen (BRP) dat
niet is. Graag ontvangen deze leden een reactie van de regering.
Met de vorige regering is de huidige regering van mening dat een Verzamelwet enkel
technische en beleidsneutrale wijzigingen dient te bevatten. De wijzigingen zoals
voorgesteld in deze Verzamelwet vallen hieronder. De beide wijzigingen beogen niet
om het gebruik van de termen te schrappen of materieel aan te passen en leiden niet
tot een andere inhoudelijke of juridische uitleg. Het wijzigen van de termen «goed
huisvader» en «scheidsmannen» in deze Verzamelwet is door de toenmalige Minister voor
Rechtsbescherming aangekondigd bij brief van 22 november 20223 en door de Staatssecretaris Rechtsbescherming bevestigd tijdens het Commissiedebat
civielrechtelijke onderwerpen op 23 oktober 2024.4
De aanpassing van de term «moeder uit wie het kind is geboren» in de Wet Basisregistratie
personen (Wet BRP) door «de ouder uit wie het kind is geboren» in de Verzamelwet BZK
20xx5 was naar het oordeel van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
geen beleidsneutrale wijziging. Dit hing met name samen met de beladen betekenis die
(het schrappen van) het woord «moeder» voor velen heeft en het gegeven dat met de
verzamelwet dit begrip in zijn geheel werd geschrapt uit de Wet BRP, zonder dat daar
een voldoende aanleiding voor bestond.6 Deze overwegingen gelden niet voor de termen «goed huisvader» en «scheidsmannen».
Naast het feit dat deze termen, juist omdat zij een archaïsch karakter kennen, onbedoeld
genderspecifiek zijn, geldt voor beide termen dat zij niet langer aansluiten bij het
huidige taalgebruik en dat de alternatieve formulering beter aangeeft waar het om
gaat. Daarmee wordt overigens aangesloten bij het uitgangspunt dat in wetgeving zo
mogelijk sekseneutrale terminologie wordt gebruikt, zoals al sinds decennia in de
Aanwijzingen voor de regelgeving tot uitdrukking is gebracht.7
II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
De leden van de BBB-fractie lezen dat in de verzamelwet wordt voorgesteld om een aantal
termen genderneutraal van aard te maken. Zo vraagt artikel IX om een voorgestelde
wijziging die ertoe strekt de term «goed huisvader», met een onmiskenbare, maar onnodige,
mannelijke connotatie te vervangen door een meer genderneutraal geformuleerd alternatief,
te weten de term «zorgvuldig en redelijk handelend persoon». Ook in artikel XLV onder
onderdeel D wordt de term «scheidsmannen», met een onmiskenbare, maar onnodige, mannelijke
connotatie vervangen door een meer genderneutraal geformuleerd alternatief, te weten
de term «arbiters». Deze leden horen graag van de regering wat hier de reden en het
nut van is. Is de regering bereid om te stoppen met het streven naar genderneutrale
termen in wet- en regelgeving?
Zoals ook is opgemerkt in reactie op de vragen van de leden van de fractie van de
VVD, zorgt de aanpassing van de genoemde termen dat het Burgerlijk Wetboek beter aansluit
bij het huidige taalgebruik en geeft de alternatieve formulering beter aan waar het
om gaat. Wijziging van deze termen hoort dan ook bij het regulier periodiek onderhoud
van de wetboeken. Zoals bij iedere wetswijziging houdt het kabinet zich daarbij zo
veel mogelijk aan het algemene kader voor wetgevingskwaliteit zoals vastgelegd in
de Aanwijzingen voor de regelgeving. Onderdeel daarvan is dat er in nieuwe wetgeving
termen worden gekozen die aansluiten bij het moderne eigentijdse spraakgebruik.8 Tevens is onderdeel van de Aanwijzingen dat termen, voor zover nodig of mogelijk,
sekseneutraal worden geformuleerd.9 Genderneutrale termen sluiten in de regel beter aan bij de praktijk en dit uitgangspunt
is dan ook een terecht onderdeel van de Aanwijzingen. Waar gender een rol speelt,
blijft het uiteraard gewoon mogelijk om seksespecifieke termen te gebruiken.
ARTIKEL XXII (wijziging van de Vreemdelingenwet 2000)
De leden van de BBB-fractie lezen dat de maximale duur van verblijf van vreemdelingen
in de vrije termijn wordt verhoogd van ten hoogste 180 dagen naar ten hoogste 360 dagen.
Reden hiervoor is implementatie van Europese richtlijnen. Deze leden vragen of de
regering hier enkel Europese richtlijnen aan het implementeren is of dat de regering
het ook echt eens is met deze wijziging. In dit laatste geval, kan de regering dit
toelichten?
Het wetsvoorstel beoogt enkel om buiten iedere twijfel te stellen dat de reeds in
artikel 3.3, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgenomen termijn van ten
hoogste 360 dagen – welke termijn de implementatie betreft van artikel 31 van richtlijn
(EU) 2016/80116 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders
met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholieren-uitwisseling,
educatieve projecten of au-pairactiviteiten – verenigbaar is met de Vreemdelingenwet
2000. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij dit onderdeel wijkt de, reeds
geldende en door de richtlijn (EU) 2016/80116 vereiste, termijn van ten hoogste 360
dagen af van de termijn van ten hoogste 180 dagen genoemd in artikel 12, tweede lid,
Vreemdelingenwet 2000, maar dit is toegelaten op grond van artikel 112 Vreemdelingenwet
2000 (zie ook Stb. 2018, 107, p. 13). Deze afwijkende termijn in het huidige artikel 12, tweede lid, Vreemdelingenwet
2000 leidt echter tot verwarring. Daarom is besloten deze termijn aan te passen. Er
is dan ook, anders dan de leden van de BBB-fractie veronderstellen, geen sprake van
implementatie van Europese richtlijnen. Evenmin wordt met deze wijziging een inhoudelijke
wijziging beoogd.
ARTIKEL XXVII (wijziging van de Wet forensische zorg)
De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de wijziging van
de Wet forensische zorg (Wfz) die ertoe strekt te voorzien in een specifiekere grondslag
voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens over gezondheid of persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard, ten behoeve van het treffen van voorbereidingen voor aansluitende
zorg. Deze leden stellen echter dat ook in andere wetten inmiddels is voorzien in
een wettelijke grondslag, maar vanuit de praktijk is gebleken dat eveneens de behoefte
is te voorzien in een specifiekere grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard. Het enkel regelen van de specifieke grondslag in de Wfz
is dan ook een gemiste kans. Kan de regering toelichten of er bereidheid is om ook
andere knelpunten in de gegevensdeling mee te nemen in de verzamelwet? Deze leden
denken dan bijvoorbeeld aan de uitvoering van de motie van de leden Michon-Derkzen
en Peter de Groot over een specifieke wettelijke grondslag voor woningcorporaties
voor het verwerken van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard (Kamerstuk 29 911, nr. 450)
Ik waardeer het dat de VVD-fractie zijn instemming uitspreekt bij de voorgestelde
wijziging van de Wfz en ik begrijp dat ook op andere terreinen behoefte bestaat aan
de grondslag zoals voorgesteld. Het voorliggende wetsvoorstel voorziet in de wijziging
van enkele wetten op het gebied van Justitie en Veiligheid en op het gebied van Asiel
en Migratie in verband met aanpassingen van overwegend technische aard. De genoemde
motie van de leden Michon-Derkzen en De Groot valt buiten dit bestek. Die motie wordt
betrokken bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Woningwet en de Huisvestingswet
2014 in verband met expliciete grondslagen voor het verwerken van persoonsgegevens
door toegelaten instellingen in verband met het welzijn van bewoners, de leefbaarheid
en het huisvesten van woningzoekenden. Dat wetsvoorstel valt onder verantwoordelijkheid
van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en is op 12 november
2024 in consultatie gegeven.
De leden van de VVD-fractie stellen voorts dat er in het algemeen ook een grote behoefte
is aan betere uitwisseling van relevante persoonsgegevens tussen de opsporing, het
gevangeniswezen en terbeschikkingstelling (tbs). Welke maatregelen is de regering
voornemens op dit gebied te treffen en op welke termijn wordt de Kamer hierover nader
geïnformeerd?
Bij brief van 17 december 2024 heeft het kabinet zijn beleidsreactie op de onderzoeksrapporten
naar aanleiding van het fataal steekincident in een filiaal van Albert Heijn aan de
Turfmarkt in Den Haag aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2024/25 28 684, nr. 749). In paragraaf 3.2 van die beleidsreactie worden in dit verband verschillende maatregelen
besproken op het gebied van de uitwisseling van persoonsgegevens. Deze maatregelen
houden verband met de recent tot stand gekomen Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
en de verbetering van geautomatiseerde uitwisseling van justitiële gegevens binnen
het Koninkrijk.
De leden van de NSC-fractie constateren dat in het wetsvoorstel de Wfz wordt aangepast
waardoor het mogelijk wordt dat de zorgaanbieder persoonsgegevens verwerkt, met inbegrip
van persoonsgegevens over gezondheid of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard,
ten behoeve van het treffen van voorbereidingen voor aansluitende zorg. De Wfz verplicht
de zorgaanbieder zes weken voor afloop van een justitiële titel voorbereidingen te
treffen voor aansluitende zorg, als de zorgverlener of behandelaar van oordeel is
dat na afloop van de strafrechtelijke titel verdere zorg nodig is. Als de vervolgzorg
vrijwillig is, zal de forensisch patiënt doorgaans zijn toestemming geven voor het
verwerken van de hem betreffende persoonsgegevens. Deze toestemming is voor de zorgaanbieder
een grondslag voor het verwerken van de persoonsgegevens. Als de vervolgzorg echter
verplicht is, zal doorgaans geen sprake zijn van de toestemming van de forensisch
patiënt. Het voorgestelde artikel regelt dat de zorgaanbieder persoonsgegevens verwerkt,
met inbegrip van (bijzondere) persoonsgegevens over gezondheid of persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard, ten behoeve van het treffen van voorbereidingen voor aansluitende
zorg.
De leden van de NSC-fractie merken op dat de wijziging de verwerking van persoonsgegevens
raakt en dat de Afdeling heeft geadviseerd dit onderwerp niet te regelen in het voorliggende
wetsvoorstel, omdat het een verdergaande, meer dan «beperkte» inhoudelijke afweging
van de wetgever vereist en daarom niet past bij het karakter van een verzamelwet.
De Afdeling geeft aan dat de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens een inmenging
is op de persoonlijke levenssfeer (artikel 10 Grondwet) en dat zo’n inmenging een
dragende motivering en een nadere afweging vereist die zich niet verhoudt tot het
karakter van een verzamelwet. Omdat verwerking van persoonsgegevens betreffende gezondheid
of van strafrechtelijke aard in beginsel verboden is (tenzij wettelijke uitzondering),
moet volgens de Afdeling duidelijk worden gemaakt wat de precieze grondslag is voor
de verwerking van de persoonsgegevens en om welke wettelijke uitzonderingen het gaat,
zodat duidelijk is welke rechtvaardiging er is voor de verwerking. Ook moet duidelijk
worden gemaakt welke waarborgen er zijn bij strafrechtelijke gegevens en bij bijzondere
persoonsgegevens om de positie van betrokkenen te beschermen. Deze leden lezen dat
de regering in het nader rapport heeft aangegeven dat het voorgestelde artikel strekt
tot het expliciteren van een reeds bestaande grondslag (artikel 2.6 Wfz) voor de verwerking
van (bijzondere) persoonsgegevens en dat de wijziging daarom past binnen het karakter
van een verzamelwet. Valt de situatie waarvoor de wijziging wordt voorgesteld, namelijk
de situatie waarin voorbereidingen moeten worden getroffen voor aansluitende zorg,
onder die bestaande grondslag? Indien dat het geval is, kan de regering toelichten
of met de bestaande grondslag in combinatie met de voorgestelde explicitering is voldaan
aan de voorwaarden die de Afdeling in het advies noemt, namelijk een dragende motivering
en een nadere afweging, een duidelijk onderbouwde rechtvaardiging en duidelijk gemaakte
waarborgen? Kan de regering dat onderbouwen?
Met de vaststelling van artikel 2.6, eerste lid, van de Wfz in 2018 heeft de wetgever
reeds besloten dat (bijzondere) persoonsgegevens worden verwerkt voor de uitvoering
van de Wfz. Onder de reikwijdte van deze grondslag valt de verwerking van persoonsgegevens
voor het treffen van voorbereidingen voor aansluitende zorg op de voet van artikel 2.5
van de Wfz. Omdat de verwerkingsgrondslag van artikel 2.6, eerste lid, van de Wfz
in de praktijk als onvoldoende specifiek wordt ervaren en daarom onvoldoende wordt
uitgevoerd, wordt van de zijde van de regering voorgesteld de verwerkingsgrondslag
van artikel 2.6, eerste lid, van de Wfz te expliciteren. Daartoe dient het voorgestelde
artikel 2.5, tweede en derde lid, van de Wfz. Deze explicitering van een bestaande
verwerkingsgrondslag strekt niet tot een nieuwe inhoudelijke afweging van de wetgever
over het wel of niet verwerken van persoonsgegevens. In de eerdere beslissing van
de wetgever die leidde tot de totstandkoming van artikel 2.6, eerste lid, van de Wfz
ligt de motivering besloten tot de verwerking van persoonsgegevens voor de uitvoering
van de Wfz. Daarbij geldt dat de hier besproken artikelen van de Wfz slechts voorzien
in een grondslag tot de verwerking van persoonsgegevens. Deze grondslagen staan niet
op zichzelf maar worden genormeerd door de Algemene verordening gegevensbescherming
respectievelijk de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. In die regelingen
zijn nadere voorwaarden neergelegd voor de verwerking van persoonsgegevens en waarborgen
ter bescherming van het recht op gegevensbescherming. Die voorwaarden en waarborgen
zijn integraal van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering
van de Wfz.
ARTIKEL XXIX (wijziging van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz))
De leden van de VVD-fractie lezen dat voor verzoeken tot afwijzing van een homologatieverzoek
op dit moment de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de waarde
van de vordering of het aandelenbelang van de schuldeiser of aandeelhouder die zich
tegen de homologatie van het akkoord verzet. Op basis van welke wettelijke grondslag
gebeurt dat op dit moment? En om hoeveel verzoeken gaat het per jaar sinds de inwerkingtreding
van de Wet homologatie onderhands akkoord (Whoa)?
De hoogte van het griffierecht voor verzoeken tot afwijzing van een homologatieverzoek
is geregeld in het huidige artikel 19a, derde lid, van de Wgbz. Hierin is bepaald
dat van een stemgerechtigde schuldeiser of aandeelhouder het griffierecht wordt geheven
bij de rechtbank voor andere zaken dan kantonzaken op basis van de tabel die als bijlage
bij de Wgbz is gevoegd. De hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van
het bedrag van hun vordering of het nominale bedrag van hun aandeel. Met dit wetsvoorstel
komt dit derde lid te vervallen en worden verzoeken tot afwijzing van een homologatieverzoek
onder het eerste lid van artikel 19a Wgbz gebracht. Daarmee komt voor deze verzoeken
het griffierecht te gelden dat bij de rechtbank voor andere zaken dan kantonzaken
wordt geheven met betrekking tot vorderingen en verzoeken van onbepaalde waarde. Dit
is de laagste categorie griffierechten bij de rechtbank voor andere zaken dan kantonzaken
en leidt daarom tot een verlaging van het griffierecht. Uit de jaarverslagen vanuit
de rechtspraak blijkt dat er in 2021 20 uitspraken inzake de homologatie van een akkoord
zijn gedaan, in 2022 17 uitspraken en in 2023 16 uitspraken.10 Dit betreft uitspraken met betrekking tot verzoeken tot homologatie van een akkoord.
Daarin kunnen ook een of meerdere verzoek(en) tot afwijzing zijn meegenomen, omdat
in dezelfde uitspraak zowel wordt beslist op verzoeken tot homologatie van een akkoord
als op eventuele verzoeken tot afwijzing daarvan.11 Verzoeken tot afwijzing staan niet apart vermeld in de jaarverslagen.
De leden van de SP-fractie zien dat op onderdeel D, de regering ervoor kiest de griffierechten
te verlagen in zaken buiten faillissement zoals bedoeld in de Faillissementswet met
als reden dat te hoge griffierechten belemmerend werken voor bedrijven en schuldeisers
als zij een procedureverzoek bij de rechtbank doen. Deze leden begrijpen deze redenering
maar zien tegelijkertijd dat deze werkelijkheid des te meer geldt voor burgers die
procedures starten. Dat laat deze leden achter met de vraag waarom dit nu enkel op
dit terrein gebeurt. Deelt de regering de mening dat te hoge griffierechten voor eenieder
een belemmerende werking hebben en wellicht nog meer bij burgers die in algemene zin
minder vermogend zijn dan schuldeisers en bedrijven? Komt er op termijn nog een wetsvoorstel
naar de Kamer voor de verlaging van de griffierechten op verschillende rechtsgebieden?
Voor een sterke rechtstaat staat de toegang tot de rechter centraal. Griffierechten
dragen ertoe bij dat de keuze om naar de rechter te gaan weloverwogen wordt gemaakt.
Om de toegang tot het recht te versterken heeft het vorige kabinet structureel € 27 miljoen
uitgetrokken om de griffierechten te verlagen. In de brief van 1 december 2023 (Kamerstukken II
2023/24, 29 279, nr. 826) is uw Kamer door de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming het besluit medegedeeld
om de beschikbare financiële middelen aan te wenden voor het niet-indexeren van de
griffierechten voor 2023 en het gedeeltelijk doorvoeren van de indexering voor 2024.
Hierdoor zijn de griffierechten, met uitzondering vorderingen of verzoeken boven de
€ 100.000 euro in het civiele recht, ca. 13,5% lager dan ze anders waren geweest,
zonder dat hiervoor een wetsvoorstel nodig was. Voor verdere verlaging van de griffierechten
zijn momenteel geen financiële middelen beschikbaar.
De leden van de SP-fractie constateren voorts dat de Raad voor de rechtspraak (Rvdr)
aangeeft dat de verlaging van de griffierechten nu voorzien bij de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) ook zouden moeten worden toegepast in de Wgbz, omdat deze overlap hebben voor
wat betreft het bestuursrecht. De regering geeft aan dit nog nader te moeten onderzoeken.
Waarom is dit niet tegelijkertijd onderzocht? Waarom zou deze wijziging zogezegd de
doelstelling van dit verzamelwetsvoorstel te boven gaan, aangezien de regering er
ook in dit wetvoorstel voor kiest de griffierechten specifiek bij de Awb te verlagen?
Ik begrijp de vraag van deze leden zo dat zij met deze vraag doelen op de regeling
voor betalingsonmacht voor het griffierecht in de Awb, waarvan de Rvdr aandacht heeft
gevraagd op de mogelijkheid deze regeling tevens toe te passen in de Wgbz. Zoals toegelicht
in de reactie op dit advies van de Rvdr (Kamerstukken II 2024/25, 36 638, nr. 3, p. 3), betreft de regeling voor betalingsonmacht in het bestuursrecht de codificatie
van jurisprudentie. Daarnaast was deze regeling eerder opgenomen in het wetsvoorstel
verlaging griffierechten. Deze beide omstandigheden gelden niet voor betalingsonmacht
bij griffierechten in de Wgbz. Bovendien is het codificeren van bestaande jurisprudentie
omtrent betalingsonmacht in het bestuursrecht naar verwachting budgetneutraal; het
is immers al staande praktijk. Voor een soortgelijke regeling betalingsonmacht in
de Wgbz bestaat geen soortgelijke eenduidige jurisprudentie en is er minder zicht
op de financiële consequenties van dergelijke regeling. Dat vereist daarom nader onderzoek
en een beleidsafweging naar aanleiding daarvan. Dat onderzoek zal plaatsvinden in
het traject dat erop gericht is de toegang tot het recht verder te versterken. Om
deze reden is het opnemen van een regeling betalingsonmacht in de Wgbz een inhoudelijke
wijziging die de doelstelling van dit verzamelwetsvoorstel te boven gaat.
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
Indieners
-
Indiener
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid