Brief regering : Appreciatie van de amendementen bij het wetsvoorstel verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Kamerstuk 36546)
36 546 Wijziging van de Jeugdwet, de Wet marktordening gezondheidszorg en enige andere wetten teneinde te bevorderen dat jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering steeds voldoende beschikbaar zijn (Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg)
Nr. 41
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 maart 2025
Tijdens de eerste termijn van de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Verbetering
beschikbaarheid jeugdzorg (36 546) op 13 maart jl. heeft u verzocht om een schriftelijke appreciatie van de amendementen
die bij dat wetsvoorstel zijn ingediend.
Hierbij doe ik u, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de appreciaties toekomen van
de amendementen die tot en met woensdag 19 maart 2025 zijn ingediend.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
V.P.G. Karremans
Amendement nummer en indiener(s)
Strekking amendement
Appreciatie en toelichting daarop
10
Het lid Westerveld
Het wetsvoorstel regelt dat bij algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) wordt
bepaald welke onderwerpen in ieder geval in de regiovisie worden opgenomen.
Het amendement voegt daaraan toe dat daaronder in ieder geval valt: een voorziening
waarmee inspraak mogelijk wordt gemaakt voor jeugdigen en diens wettelijk vertegenwoordigers.
Oordeel Kamer
Ik vind het belangrijk dat gemeenten jeugdigen en diens wettelijk vertegenwoordigers
betrekken bij het beleid dat hen aangaat en dus ook bij het opstellen van de regiovisie.
Strikt genomen is dit amendement daarvoor overigens niet nodig. Uit de Gemeentewet
volgt namelijk reeds dat gemeenten een participatieverordening moeten vaststellen.
Gemeenten kunnen daarmee in hun verordening al voorzien in inspraak en participatie
van jeugdigen en hun wettelijk vertegenwoordigers. Desondanks laat ik het oordeel
aan de Kamer.
11
Het lid Westerveld
Voor verschillende onderdelen in het wetsvoorstel is voorzien in een voorhangprocedure.
Het amendement voegt daaraan toe dat ook amvb’s die zien op de onderwerpen die moeten
worden opgenomen in de regiovisie moeten worden voorgehangen.
Oordeel Kamer
Ik heb geen bezwaar tegen voorhang van amvb’s die zien op de onderwerpen die moeten
worden opgenomen in de regiovisie.
12
Het lid Van den Hill
Het amendement expliciteert dat niet alleen de wet maar ook de daarbij behorende de
lagere regelgeving wordt geëvalueerd.
Oordeel Kamer
De lagere regelgeving zal vanzelfsprekend onderdeel zijn van de evaluatie, maar het
is goed om dit te expliciteren.
13 (tvv 9)
Het lid Westerveld
Het amendement regelt dat Onze Ministers geregeld overleg plegen met belangenorganisaties
van jeugdigen over aangelegenheden van algemeen belang voor jeugdigen. Ook wordt voorgeschreven
dat er financiële ondersteuning is voor de vertegenwoordigers van deze belangenorganisaties.
Ontraden
Ik acht de inbreng van ervaringsdeskundigen van groot belang.
Daarom wordt de inzet van ervaringsdeskundigen ook nu al ondersteund bij trajecten
waarin de inbreng van ervaringsdeskundigen grote meerwaarde heeft. Zo krijgen cliëntenorganisaties
vanuit de Hervormingsagenda Jeugd en de subsidieregeling voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties
tot en met tenminste 2028 subsidie.
Dit amendement vraagt echter om structurele financiering, terwijl niet is voorzien
in financiële dekking.
Hiervoor is helaas geen ruimte op de VWS-begroting.
14
Het lid Westerveld
Het amendement regelt dat een lid van de interne toezichthouder niet tevens bestuurder
mag zijn van een andere of dezelfde jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling
(hierna: GI).
Ontraden
Het wetsvoorstel regelt reeds dat een lid van de interne toezichthouder niet gelijktijdig
bestuurder kan zijn van dezelfde jeugdhulpaanbieder of GI. Het amendement voegt daaraan toe dat een lid van de interne
toezichthouder nooit tevens bestuurder van een jeugdhulpaanbieder of GI kan zijn.
Ongeacht waar die jeugdhulpaanbieder of GI werkzaam is en of er een reëel risico is
voor de onafhankelijkheid van de intern toezichthouder. Ik acht dit niet wenselijk.
Daarmee zullen er namelijk minder potentiële toezichthouders beschikbaar zijn, terwijl
het aantal intern toezichthouders al schaars is. Bovendien kan juist de kennis van
bestuurders goed van pas komen voor het uitoefen van de taak van de interne toezichthouder.
15
Het lid Westerveld
Het amendement regelt dat burgemeesters of wethouders met de jeugdzorgportefeuille
niet lid kunnen zijn van een interne toezichthouder van een jeugdhulpaanbieder of
GI.
Oordeel Kamer
Ik hecht veel belang aan de onafhankelijkheid van de interne toezichthouder. Ik kan
mij voorstellen dat daarover twijfel kan ontstaan als een wethouder met portefeuille
jeugdzorg of burgemeester lid is van de interne toezichthouder van een jeugdhulpaanbieder
of GI. Tegelijkertijd zal dit amendement geen of weinig effect hebben op het aantal
beschikbare geschikte intern toezichthouders. Ik laat dit amendement daarom oordeel
Kamer.
16
Het lid Westerveld
Het amendement voorziet in een wettelijk inspanningsverplichting voor de jeugdhulpaanbieder
c.q. gecertificeerde instelling om te bevorderen dat de interne toezichthouder bestaat
uit tenminste één persoon met persoonlijke ervaring in de jeugdzorg.
Oordeel Kamer
Ik acht de stem van jeugdigen en ouders in het jeugdzorgstelsel van wezenlijk belang.
Daarbij kan ik mij voorstellen dat een inspanningsverplichting om ervaringsdeskundigheid
te borgen bij het interne toezicht hieraan kan bijdragen.
18
Het lid Ceder
Het amendement regelt dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
medeondertekenaar is van amvb’s die zien op de regionaal in te kopen jeugdhulpvormen
en de bovenregionaal af te stemmen jeugdhulpvormen.
Oordeel Kamer
Het wetsvoorstel regelt al dat amvb’s over deze onderwerpen worden vastgesteld in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK). De regionaal
in te kopen en bovenregionaal af te stemmen jeugdhulpvormen raken immers aan de taakverdeling
tussen gemeenten en Jeugdregio’s. De Minister van BZK is hier dus zeker bij betrokken.
Er is echter bewust niet gekozen voor medeondertekening omdat de vraag welke jeugdhulpvormen
regionaal moeten worden ingekocht of bovenregionaal afgestemd met name het resultaat
is van een zorginhoudelijke afweging.
Of de betrokkenheid van de Minister van BZK verder moet worden benadrukt door te bepalen
dat medeondertekening moet plaatsvinden, laat ik aan het oordeel van de Kamer.
21
Het lid Ceder
In het wetsvoorstel is geregeld dat een ambtenaar van de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (hierna: IGJ) c.q. de Inspectie Justitie en Veiligheid van een solistisch
werkende jeugdhulpverlener een nieuwe verklaring omtrent het gedrag (hierna: vog)
eist indien hij redelijkerwijs mag vermoeden dat die niet meer aan de eisen voor het
verkrijgen van een vog voldoet. Die vog moet vervolgens zo spoedig mogelijk worden
overlegd.
Het amendement verbindt daar een termijn aan van uiterlijk 10 weken.
Oordeel Kamer
Ik begrijp de wens om een duidelijke termijn te verbinden aan de eis voor het overleggen
van een vog.
Daarbij heb ik meegewogen dat de genoemde termijn in het amendement voor het overleggen
van een vog redelijk is en ruim genoeg met het oog op de beslistermijnen genoemd in
artikel 37 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
22
Het lid Stoffer
Het wetsvoorstel regelt dat bij amvb wordt bepaald welke onderwerpen in ieder geval
in de regiovisie worden opgenomen. Het amendement schrapt deze grondslag.
Ontraden
De verplichting om een regiovisie op te stellen sluit aan bij de Norm voor Opdrachtgeverschap,
het zelfregulerend document dat de gemeenten hebben opgesteld en vastgesteld in hun
ledenvergadering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in 2020.1
In de praktijk is de Norm voor Opdrachtgeverschap echter te vrijblijvend gebleken.
Ik acht het nodig hier meer regie te nemen. Daarom is ervoor gekozen niet alleen een
verplichting voor gemeenten op te nemen om een regiovisie vast te stellen maar ook
bij amvb te regelen waar de regiovisie in ieder geval uit moet bestaan. Ik vind het
namelijk belangrijk om gemeenten sturing te geven op welke onderwerpen in de regiovisie
aan de orde moeten komen. Uiteraard vind ik het ook belangrijk om daarbinnen zoveel
mogelijk beleidsvrijheid bij gemeenten te laten. Dat is dan ook de reden dat alleen
het «wat» wordt geregeld en het «hoe» daarbij, met het oog op de beleidsvrijheid,
aan de gemeenten wordt gelaten.
23
Het lid El Abassi
Het amendement regelt dat gemeenten in een regio op eigen verzoek kunnen worden ingedeeld
in subregio’s.
Ernstig ontraden
Dit amendement doet het effect van het wetsvoorstel feitelijk teniet. Het wetsvoorstel
is bedoeld om problemen van versnippering en instabiliteit bij de inkoop van specialistische
jeugdzorg tegen te gaan. Daardoor is voor kwetsbare jeugdigen en gezinnen namelijk
niet altijd passende zorg beschikbaar.
Dat leidt onder meer tot wachttijden, waardoor problemen vaak verergeren en er een
negatieve spiraal ontstaat.
De impact van het wetsvoorstel is voor sommige gemeenten en regio’s groter dan voor
andere. Dat is onvermijdelijk gezien de verbeteringen die dit wetsvoorstel beoogt.
Formeel zijn er nu 42 jeugdregio’s maar uit de toets die in het najaar van 2023 is
gedaan bleek dat aanbieders van specialistische jeugdhulp met op zijn minst 58 (sub)regionale
inkoopverbanden te maken hebben.
Door zoals dit amendement beoogt de mogelijkheid van subregio’s op te nemen in het
wetsvoorstel, wordt de deur opnieuw opengezet voor al deze inkoopverbanden met alle
(negatieve) gevolgen van dien. Uit de toelichting op het amendement maak ik namelijk
op dat het de bedoeling is dat deze subregio’s ook specialistische jeugdhulp kunnen
inkopen. Bovendien regelt het amendement weliswaar dat in de subregio voldoende vraag
naar specialistische jeugdzorg moet zijn maar wordt niet geborgd dat er ook sprake
blijft van voldoende vraag in de overige gemeenten in de regio. Daarmee wordt voorbijgegaan
aan het feit dat voor de regio indeling de regio in samenhang is getoetst op robuustheid.
Het afsplitsen van één of meer gemeenten in een subregio heeft ook gevolgen voor de
robuustheid van het deel van de regio dat over blijft. Ik kan dan ook niet anders
dan dit amendement ernstig ontraden.
24
Het lid Westerveld
Het wetsvoorstel regelt dat bij amvb wordt bepaald welke onderwerpen in ieder geval
in de regiovisie worden opgenomen. Het amendement voegt daaraan toe dat daaronder
in ieder geval valt: «de wijze waarop de gemeenten in de regio samen met jeugdhulpaanbieders
maximaal aanvaardbare wachttijden formuleren».
Oordeel Kamer
Jeugdigen die specialistische jeugdzorg nodig hebben moeten dat tijdig kunnen krijgen.
Zeker daar waar wachten schadelijk is. Het is dus belangrijk dat er aandacht is voor
schaarste van jeugdhulpvormen in de regio. In het ontwerpbesluit is reeds opgenomen
dat gemeenten in de regiovisie in ieder geval aandacht moeten besteden aan de aanpak
van wachttijden. Ik acht het van belang dat in samenspraak met het veld maximaal aanvaardbare
wachttijden worden opgesteld. Deze maximaal aanvaardbare wachttijden kunnen bovendien
behulpzaam zijn bij de vroegsignalering en het stelselonderzoek naar de beschikbaarheid
van specialistische jeugdzorg door de NZa. Het is belangrijk dat het veld dit oppakt
en de regiovisie kan daarbij een goed middel zijn.
25 (tvv 17)
Het lid Ceder
Het amendement voorziet in aanpassing van de definitie van regionaal expertteam waarbij
wordt opgenomen dat de regionaal expertteams zo nodig samenwerken met het lokale team
en het onderwijs.
Oordeel Kamer
De wijze waarop een regionaal expertteam wordt ingericht is afhankelijk van de regionale
context van het expertteam. In de praktijk werken regionale expertteams samen met
onder meer lokale teams het onderwijs. Het amendement expliciteert dit.
26
Het lid Dobbe
Het amendement regelt dat de contractering van alle specialistische jeugdzorg wordt
belegd bij het Rijk.
Ernstig ontraden
Dit amendement zou een ernstig impactvolle wijziging van het wetsvoorstel betekenen.
Het amendement regelt dat de specialistische jeugdzorg niet op regionaal niveau wordt
ingekocht, maar dat deze taak wordt overgeheveld naar de rijksoverheid. Dit zou een
grote, kostbare stelselwijziging zijn en gaat in tegen de afspraken uit de Hervormingsagenda
Jeugd. Maar nog belangrijker is dat hiermee voorbij wordt gegaan aan de vele belangrijke
voordelen van integrale verantwoordelijk van gemeenten voor de toeleiding naar en
bekostiging van alle vormen van jeugdhulp. Daarmee wordt bijvoorbeeld bevorderd dat
er gezinsbreed wordt gekeken. Ook kunnen gemeenten zo het beste de verbinding leggen
met andere taken die zij in het sociaal domein vervullen zoals op het gebied van maatschappelijke
ondersteuning en schuldenproblematiek. Verder wordt hiermee beter geborgd dat er niet
vanwege verkeerde redenen wordt opgeschaald naar zwaardere jeugdzorg. Het amendement
betekent bovendien een toename van administratieve lasten en regeldruk in het stelsel.
Bij het Rijk moet een nieuw inkooporgaan worden opgetuigd evenals een nieuw orgaan
dat beoordeelt of een jeugdige aanspraak kan maken op de landelijk ingekochte jeugdhulp.
Deze organen zijn er op dit moment niet. En alle tijd die het optuigen hiervan kost
brengt het verbeteren van de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg niet dichterbij.
Dit terwijl gemeenten de regionale samenwerking juist in aanloop naar het wetsvoorstel
al aan het verbeteren zijn en met dit wetsvoorstel juist op proportionele wijze en
in aansluiting bij de gemeentelijke verantwoordelijkheden verder wordt gebouwd aan
het stelsel en de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg.
Met het oog hierop kan ik dan ook niet anders dan het amendement ernstig ontraden.
Dat neemt overigens niet weg dat ik de zorgen die aan het amendement ten grondslag
liggen zeer serieus neemt. Zo ben ik vanzelfsprekend van mening dat het belangrijk
is dat de regio’s goed functioneren en dat onnodige administratieve lasten moeten
worden vermeden. Daar doet dit wetsvoorstel dan ook voorstellen voor. Verder wordt
hier de komende jaren verder op voortgebouwd met het traject standaardisatie dat voorziet
in meer uniformiteit tussen regio’s en minder administratieve lasten.
27
Het lid Dobbe
Het gebruik van budgetplafonds in de specialistische jeugdzorg wordt verboden.
Ontraden
Het is aan gemeenten c.q. Jeugdregio’s om als contracterende partij zelf financiële
afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Het werken
met budgetplafonds kan hier onderdeel van zijn. Door dit voor specialistische jeugdhulp
te verbieden wordt gemeenten een sturingsinstrument ontnomen waardoor zij minder goed
kunnen sturen op een toereikend jeugdzorgaanbod én minder grip op hun financiën hebben.
Dat acht ik onwenselijk.
Bovendien kopen veel gemeenten in met een totaalbedrag («taakgerichte variant») om
ruimte voor maatwerk te bieden. Bij een verbod op budgetplafonds kan deze variant
niet meer worden ingezet.
Meer in het algemeen geldt dat aanbieders in gesprek gaan met gemeenten c.q. Jeugdregio’s
op het moment dat in de praktijk blijkt dat het budget gedurende het jaar reeds is
uitgeput. Budgetplafonds mogen er niet toe leiden dat kwetsbare jeugdigen niet de
zorg krijgen die zij nodig hebben. Gemeenten blijven immers verantwoordelijk voor
een toereikend aanbod.
29
Het lid Bruyning
Het amendement bevat de volgende onderdelen:
– Elke Jeugdhulpregio moet een cliëntenraad instellen die adviesrecht krijgt bij beleidsbeslissingen
over de beschikbaarheid en organisatie van jeugdzorg;
– Jeugdhulpaanbieders en GI’s moeten één jaar na de inwerkingtreding van de Wet verbetering
beschikbaarheid jeugdzorg en vervolgens elke twee jaar een cliënttevredenheidsonderzoek
uitvoeren om te toetsen of er sprake is van verantwoorde jeugdhulp als bedoeld in
artikel 4.1.1;
– een jeugdhulpaanbieder c.q. GI die besluit geen familiegroepsplan op te stellen
dient vast te leggen op welke wijze de wensen en behoeften van de jeugdige en ouder
bij dat besluit zijn betrokken;
– in het individuele hulpverleningsplan dat ingevolge 4.1.3 Jeugdwet zoveel mogelijk
in samenspraak met de jeugdige en diens ouders moet worden opgesteld en dat moet worden
afgestemd op de behoeften van de jeugdige.
Ontraden
Het amendement bevat een aantal wijzigingen van paragraaf 4.1 van de Jeugdwet waarin
de kwaliteitseisen zijn opgenomen die gelden voor jeugdhulpaanbieders en GI’s.
Ik acht het amendement deels onwenselijk en deels onnodig. Hieronder zal ik dat puntsgewijs
toelichten.
– Voor wat betreft het instellen van een cliëntenraad door de Jeugdhulpregio:
Ik ben van mening dat het niet passend is dat de Jeugdregio een cliëntenraad instelt.
De Jeugdregio heeft immers geen cliënten en voert geen eigenstandig beleid over «de
beschikbaarheid en organisatie van jeugdzorg». De Jeugdregio is belast met het – namens
de gemeenten in de regio – inkopen van GI’s en specialistische jeugdhulp. De Jeugdregio voert deze taak uit met inachtneming
van de regiovisies van de gemeenteraden uit de regio. De regiovisie is onderdeel van
het gemeentelijke beleidsplan dat de gemeenteraad periodiek vaststelt als richtinggevend
plan voor de beslissingen betreffende jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen
en jeugdreclassering.
Hierboven is toegelicht waarom het inhoudelijk niet passend is om een cliëntenraad
in te stellen bij de Jeugdregio. Daarnaast acht ik een dergelijke verplichting ook
onwenselijk vanwege de verhoging van de regeldruk die dit meebrengt voor gemeenten
en Jeugdregio’s. Zeker nu met dit wetsvoorstel juist ook wordt beoogd de regeldruk
te beperken.
Verder merk ik op dat in de Jeugdwet is geregeld dat de Wet medezeggenschap cliënten
zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) ook van toepassing is op jeugdhulpaanbieders en
GI’s. In de Wmcz 2018 is de inspraak van cliënten uitgebreid geregeld. Zo ziet de
Wmcz 2018 ook op cliëntenraden. Deze cliëntenraden zijn bijvoorbeeld al belangrijke
gesprekspartners voor de IGJ.
De Wmcz 2018 wordt nu geëvalueerd. Als uit deze evaluatie volgt dat de eisen uit de
Wmcz 2018 in het algemeen, of voor jeugdhulpaanbieders en GI’s in het bijzonder, aanscherping
behoeven zal de wet daarop worden aangepast.
– Ten aanzien van de verplichting voor jeugdhulpaanbieders en GI’s om elke twee jaar
een cliënttevredenheidsonderzoek uit te voeren is van belang dat er reeds wordt gewerkt
aan het aanscherpen van de aanlevering van de zogenaamde outcome indicatoren bij het
CBS. Dat zijn bijvoorbeeld ook indicatoren over de tevredenheid van de jeugdige met
de hulp. Het daarbovenop verplichten van een tweejaarlijks cliënttevredenheidsonderzoek
zou naar mijn oordeel leiden tot onnodige extra administratieve lasten.
– Voor wat betreft de onderdelen die zien op (het afzien van) het familiegroepsplan
(artikel 4.1.2 Jeugdwet) en het plan dat wordt opgesteld indien wordt afgezien van
een familiegroepsplan (artikel 4.1.3 Jeugdwet) meen ik dat het amendement overbodig
is. Het uitgangspunt van artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is reeds dat de jeugdhulpaanbieder
of de GI de mogelijkheid biedt om een familiegroepsplan op te stellen. De Jeugdwet
bepaalt limitatief de gevallen waarin van dat uitgangspunt kan worden afgezien. Bovendien
schrijft artikel 4.1.3 van de Jeugdwet vervolgens voor dat indien wordt afgezien van
een familiegroepsplan zoveel mogelijk moet worden gewerkt met een plan dat in samenspraak
met de jeugdige en de ouders is opgesteld en dat is afgestemd op de behoeften van
de jeugdige. Daarmee is dus reeds voorzien in het door indiener gewenste waarborgen
van de stem van de jeugdigen en ouders bij het verlenen van jeugdhulp.
31 (tvv 20)
Het lid Stoffer
In het wetsvoorstel is opgenomen dat een jeugdhulpaanbieder die met meer dan tien
jeugdhulpverleners jeugdhulp verleent of doet verlenen moet beschikken over een intern
toezichthouder.
Het amendement wijzigt deze drempel voor jeugdhulpaanbieders van ambulante jeugdhulp
naar meer dan vijfentwintig jeugdhulpverleners.
Oordeel Kamer
Er is weloverwogen gekozen voor een drempel van meer dan tien jeugdhulpverleners voor
de verplichting tot het aanstellen van een intern toezichthouder. Bovenal vanwege
de belangrijke bijdrage die de interne toezichthouder kan leveren aan een professionelere
opdrachtnemersrol van jeugdhulpaanbieders en GI’s en het feit dat het gaat om zorg
aan een kwetsbare doelgroep. Daarnaast wordt met de drempel van tien jeugdhulpverleners
aangesloten bij de drempel die voor zorgaanbieders geldt op grond van de Wet toetreding
zorgaanbieders en het Uitvoeringsbesluit wet toetreding zorgaanbieders.2 Ik acht het maken van onderscheid tussen zorgaanbieders en jeugdhulpaanbieders op
dit punt moeilijk uitlegbaar.
Ik heb echter ook begrip voor de waarde die uw Kamer hecht aan het beperken van regeldruk
voor jeugdhulpaanbieders.
Bovendien blijft de drempel voor jeugdhulp met verblijf – net als in de zorg voor
intramurale zorg- wel meer dan tien jeugdhulpverleners.
Dit overwegende, laat ik het oordeel over dit amendement aan uw Kamer.
33
Het lid Bruyning
Het amendement regelt dat gemeenten geen onderscheid maken tussen jeugdigen die specialistische
jeugdhulp ontvangen op basis van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering
en jeugdigen die deze hulp vrijwillig ontvangen.
Ontraden
Er wordt noch in de nu geldende Jeugdwet, noch in het voorliggende wetsvoorstel onderscheid
gemaakt tussen kinderen in een gedwongen en een vrijwillig traject.
Als de beschikbare jeugdhulp schaars is, moet een afweging worden gemaakt: wie heeft
de hulp het meest nodig. Het Nederlandse Jeugdinstituut heeft een afwegingskader gemaakt
dat daarbij kan helpen.
Uit de toelichting bij het amendement blijkt dat het doel daarvan is dat de gemeente
kiest welke hulp voor wie wordt ingezet. Dit wordt door de gemeente zelf bepaald.
De GI heeft daarin dan geen bevoegdheid meer.
De jeugdbescherming heeft te maken met heel zware casuïstiek. Het betreft vaak gezinnen
en kinderen die in het vrijwillig kader al jaren hulp hebben gehad maar waar de problematiek
is verergerd. Bij de GI’s zit specifieke kennis met betrekking tot kinderen waar sprake
is van ontwikkelingsbedreiging of veiligheidsvraagstukken. Die specifieke kennis is
nodig bij het bepalen van welke hulp nodig is. De GI heeft de regie over welke hulp
nodig is om haar wettelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid en de onbedreigde
ontwikkeling van het kind waar te kunnen maken.
Als de bevoegdheid om de aangewezen hulp te bepalen bij de GI weg wordt gehaald, dan
kan een jeugdbeschermer zijn of haar verantwoordelijkheid voor de jeugdige niet meer
invullen. Die verantwoordelijkheid berust op door een kinderrechter noodzakelijk geachte
maatregelen waaraan de GI opvolging moet geven. Als dat niet gebeurt raakt dat aan
de legitimiteit van overheidsingrijpen.
Cruciaal is om bij het wettelijk opdragen van een taak en verantwoordelijkheid ook
te zorgen dat de betrokken professionals de juiste instrumenten en bevoegdheden hebben
om hun verantwoordelijkheid te kunnen waarmaken.
Ik acht het van groot belang dat de GI’s de doorverwijzingsfunctie houden; dat wil
zeggen de wettelijk vastgelegde bevoegdheid om te bepalen welke hulp aangewezen is
bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. In het opnieuw
kijken naar deze kinderen met de deskundigheid van de jeugdbescherming zit ook een
checks and balances die voor kinderen en gezinnen waardevol is.
34
Het lid El Abassi
Het amendement wijzigt de termijn waarin de wet moet worden geëvalueerd van vijf jaar
naar drie jaar.
Ontraden
Een kortere termijn dan de gebruikelijke termijn van vijf jaar voor evaluatie van
de wet is niet zinvol omdat er dan nog te weinig ervaring met de regionale inkoop
van specialistische jeugdhulp is opgedaan. Gemeenten krijgen namelijk na de inwerkingtreding
van de wet een jaar de tijd om de regionale inkoop te organiseren. Daarnaast wordt
de looptijd van reeds gesloten of verlengde contracten gerespecteerd.
Daarom is ervoor gekozen het wetsvoorstel, zoals gebruikelijk, na vijf jaar te evalueren.
Overigens wordt vooruitlopend op de wetsevaluatie wel al na twee jaar de regio-indeling
geëvalueerd. Daarnaast is van belang dat het stelselonderzoek en de vroegsignalering
door de NZa ook al een beeld zullen geven van de ontwikkelingen ten aanzien van de
beschikbaarheid van de specialistische jeugdzorg. Daar zal ik de Kamer vanzelfsprekend
over informeren.
36 (tvv 28)
Het lid Bruyning
Het amendement regelt dat Onze Ministers op verzoek van gemeenten een ontheffing kunnen
verlenen voor de verplichte regionale samenwerking voor specialistische jeugdzorg.
Deze ontheffing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de gemeente niet voldoet
aan de gestelde voorwaarden of de resultaten achterblijven bij een bij ministeriële
regeling te bepalen landelijke norm voor jeugdzorg.
Ernstig ontraden
Dit amendement doet het effect van dit wetsvoorstel feitelijk teniet. Het wetsvoorstel
is bedoeld om problemen van versnippering en instabiliteit bij de inkoop van specialistische
jeugdzorg tegen te gaan. Daardoor is voor kwetsbare jeugdigen en gezinnen namelijk
niet altijd passende zorg beschikbaar. Dat leidt onder meer tot wachttijden waardoor
problemen vaak verergeren en er een negatieve spiraal ontstaat.
De impact van het wetsvoorstel is voor sommige gemeenten en regio’s groter dan voor
andere. Dat is onvermijdelijk gezien de verbeteringen die dit wetsvoorstel beoogt.
Formeel zijn er nu 42 jeugdregio’s maar uit de toets die in het najaar van 2023 is
gedaan bleek dat aanbieders van specialistische jeugdhulp met op zijn minst 58 (sub)regionale
inkoopverbanden te maken hebben.
Door zoals dit amendement beoogt, uitzonderingen op de regels voor regionale samenwerking
op te nemen in het wetsvoorstel wordt de deur opnieuw opengezet voor al deze inkoopverbanden
met alle (negatieve) gevolgen van dien.
Bovendien regelt het amendement dat de gemeente die om een ontheffing verzoekt moet
aantonen dat een toereikend aanbod voor de jeugdigen in de gemeente is gewaarborgd.
Daarbij wordt echter niet geborgd dat er ook sprake blijft van een toereikend aanbod
voor de overige gemeenten in de regio. Voor de regio indeling is de regio immers in
samenhang getoetst op robuustheid. Het afsplitsen van één of meer gemeenten in een
subregio heeft ook gevolgen voor de robuustheid van het deel van de regio dat over
blijft.
Verder regelt het amendement dat de ontheffing kan worden ingetrokken, onder meer
als sprake is van «resultaten die achterblijven bij een bij ministeriële regeling
te bepalen landelijke norm voor jeugdzorg». Het is volstrekt onduidelijk wat een dergelijke
norm behelst en hoe deze ministeriële regeling zou moeten luiden. Dit deel van het
amendement is dan ook onuitvoerbaar. Gelet op het voorgaande kan ik dan ook niet anders
dan dit amendement ernstig ontraden.
Voor zover indiener met dit amendement beoogt lokale initiatieven mogelijk te houden
merk ik nog het volgende op. Het verplicht op regionaal niveau inkopen van specialistische
jeugdzorg brengt nadrukkelijk niet mee dat deze jeugdzorg ook regionaal moet worden
georganiseerd.
Het wetsvoorstel ziet namelijk niet op de organisatie van, de toeleiding naar en de
wijze van verlening van de jeugdhulp. Gemeenten blijven zelf verantwoordelijk voor
de toegang tot jeugdhulp, ongeacht het niveau (lokaal, regionaal, landelijk) waarop
de jeugdhulp is ingekocht. Zo kunnen gemeenten specialistische jeugdhulp ook inzetten
als onderdeel van contextgerichte ondersteuning van jeugdigen en gezinnen. Professionals
die (regionaal ingekochte) specialistische jeugdhulp verlenen kunnen bijvoorbeeld
nog steeds onderdeel zijn van of verbonden zijn aan een lokaal team. En deze jeugdhulp
kan nog steeds verleend worden op locaties dichtbij de jeugdige: bij de jeugdhulpaanbieder,
maar ook bij het lokale wijkteam, de jeugdige thuis of op school.
37 (tvv 32)
Het lid Stoffer
Dit amendement regelt twee onderwerpen:
1. dat aantal specialistische vormen van jeugdhulp niet regionaal hoeft te worden
ingekocht en
2. Dat de vormen van jeugdhulp die regionaal moeten worden ingekocht in de wet worden
opgenomen in plaats van in een amvb.
Ontraden
Ik acht het onwenselijk dat een aantal van de in het ontwerpbesluit opgenomen vormen
van specialistische jeugdhulp niet regionaal zou hoeven worden ingekocht. Er is intensief
overleg gevoerd met alle betrokken partijen over de regionaal in te kopen vormen van
jeugdhulp. Al deze jeugdhulpvormen voldoen aan de criteria die in het wetsvoorstel
zijn opgenomen. Bovendien is bij het aanwijzen van de regionaal in te kopen jeugdhulpvormen
steeds een afweging gemaakt tussen de beleidsvrijheid van gemeenten enerzijds en het
waarborgen van beschikbaarheid van deze jeugdhulpvormen anderzijds.
Voorts is er bewust voor gekozen de verplicht minimaal regionaal in te kopen jeugdhulpvormen
bij amvb te regelen. Hierdoor kunnen aanpassingen relatief snel en eenvoudig worden
doorgevoerd. Daarbij is betrokkenheid van uw Kamer en de Eerste Kamer uiteraard wel
wenselijk, vandaar dat is voorzien in een voorhangprocedure.
38 (tvv 30 en 35)
Het lid Bruyning
Het amendement wijzigt de evaluatie bepaling in het wetsvoorstel op verschillende
onderdelen:
– na de eerste evaluatie na vijf jaar wordt er elke twee jaar gerapporteerd over de
wet;
– de evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijke commissie bestaande uit deskundigen
op het gebied van jeugdzorg, bestuurskunde en jeugdrecht, alsmede vertegenwoordigers
van cliëntenorganisaties en gemeenten;
– de evaluatie en de rapportages moeten zien op wettelijk voorgeschreven onderdelen
en
– Als uit twee opeenvolgende rapportages blijkt dat de beoogde doelen van de wet niet
worden behaald en er geen significant positieve impact wordt vastgesteld informeren
Onze Ministers, in overeenstemming met Onze Minister van BZK beide Kamers zo spoedig
mogelijk over de mogelijk benodigde maatregelen.
Oordeel Kamer
Het wetsvoorstel schrijft al voor dat het, zoals gebruikelijk, na vijf jaar wordt
geëvalueerd. Het amendement voegt daar verschillende onderdelen aan toe. Ik kan mij
daarin vinden en laat dit amendement daarom oordeel Kamer.
39
Het lid Krul
Het wetsvoorstel regelt dat bij algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) wordt
bepaald welke onderwerpen in ieder geval in de regiovisie worden opgenomen.
Het amendement daaraan toe dat daaronder in ieder geval valt: de wijze waarop de gemeenten
in de regio samen met jeugdhulpaanbieders en professionals in algemene zin afstemmen
over schaarste van specialistische jeugdhulp
Oordeel Kamer
Voorop staat dat gemeenten moeten zorgen voor een dekkend zorglandschap. Gemeenten
zijn verantwoordelijk voor de toegang tot jeugdzorg en moeten passende zorg bieden.
Het is goed dat gemeenten daarbij met andere gemeenten in de regio, jeugdhulpaanbieders
en professionals in algemene zin afstemmen over schaarste van specialistische jeugdhulp.
Daarom is in het ontwerpbesluit bijvoorbeeld ook opgenomen dat gemeenten in de regiovisie
aandacht besteden aan de aanpak van wachttijden.
X Noot
1
https://vng.nl/sites/default/files/2020-06/5_resolutie_norm_voor_opdrac….
X Noot
2
Voor zorgaanbieders geldt de verplichting tot het aanstellen van intern toezichthouder
voor:
(a) zorgaanbieders die medisch specialistische zorg (doen) verlenen met meer dan tien
zorgverleners,
(b) zorgaanbieders die zorg (doen) verlenen met meer dan tien zorgverleners als sprake
is van verblijf en/of verpleging, persoonlijke verzorging of begeleiding en
(c) zorgaanbieders die zorg (doen) verlenen) met meer dan vijfentwintig zorgverleners
als er géén sprake is van verblijf en/of medisch specialistische zorg, verpleging,
persoonlijke verzorging of begeleiding.
Bij ambulante jeugdhulp is altijd sprake van begeleiding.
Indieners
-
Indiener
V.P.G. Karremans, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport