Brief regering : Voortgang kabinetsreactie Capaciteitsplan initiële opleidingen
29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Nr. 603
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN ONDERWIJS, CULTUUR
EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 maart 2025
Op 12 januari 2023 heeft het Capaciteitsorgaan de driejaarlijkse integrale raming
uitgebracht voor de instroom in de medische en aanverwante (vervolg-)opleidingen voor
2024, 2025 en 2026 (het Capaciteitsplan). Op 13 juni 2023 heeft de Tweede Kamer de
kabinetsreactie op het Capaciteitsplan 2024–2027 ontvangen1. In een aanvullende Kamerbrief van 13 december 2023 is ingegaan op de uitvoering
van de kabinetsreactie en de consequenties voor de initiële zorgopleidingen2. In deze Kamerbrief stellen we u op de hoogte van de wijzigingen bij de uitvoering
hierin. Daarnaast reageren we op de motie van de leden Van der Plas en Pouw-Verweij
over de wijze waarop in Beieren wordt gewerkt aan voldoende artsencapaciteit3.
Voor de opleiding Tandheelkunde is in de eerder verzonden brieven het voornemen met
de Kamer gedeeld om het minimumadvies van het Capaciteitsorgaan van 345 plaatsen op
te volgen. Dit betreft een uitbreiding van 86 plaatsen. Een deel van die uitbreiding
wordt bekostigd door middel van een (beperkte) verlaging van het aantal opleidingsplaatsen
Geneeskunde. Voor het overige deel had het vorige kabinet de voorwaarde gesteld dat
de opleidingsduur Tandheelkunde wordt verkort van zes naar vijf jaar.
De uitgangspunten van het vorige kabinet waren destijds de urgentie om snel meer tandartsen
op te leiden, te voldoen aan de budgettaire kaders en aan de EU minimumeisen. Deze
uitgangspunten blijven staan. Er heeft echter gedurende de uitwerking uitgebreid overleg
plaatsgevonden met de betrokken instellingen over de verkorting van de opleidingsduur
Tandheelkunde. De betrokken instellingen en beroepsvereniging KNMT hebben hun (juridische)
bezwaren tegen de verkorting aangegeven. In reactie op eerder genoemde Kamerbrief
van 13 december 2023 – waarin de mogelijkheid is geboden om een budgettair neutraal
voorstel uit te werken – hebben zij aangegeven geen passend alternatief te hebben
gevonden. Daarnaast blijkt uit de nadere uitwerking dat de verkorting van de opleidingsduur
pas op een veel later moment leidt tot extra opleidingsplaatsen. Hierdoor sluit deze
oplossing niet meer aan bij de uitgangspunten.
Opleidingsduur Tandheelkunde
Voor de verkorting van de opleidingsduur Tandheelkunde is een wijziging van de Wet
op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW) noodzakelijk. De lange
duur van deze wijziging en het tempo waarin de vrijval van begrotingsmiddelen door
deze verkorting zich zal voordoen, zorgen ervoor dat de uitbreiding met extra plaatsen
pas verwezenlijkt kan worden vanaf studiejaar 2033–2034. Daarnaast hebben de rectoren
van de betrokken instellingen benadrukt een verkorting van de opleidingsduur moeilijk
in overeenstemming te kunnen brengen met hun wettelijke verantwoordelijkheid voor
het opleiden van bekwame tandartsen (volgens de geldende beroepsstandaarden). In algemene
zin achten zij een dergelijke ingreep in strijd met de academische vrijheid, de verantwoordelijkheid
van de instelling voor de inrichting van de opleiding (het curriculum). Deze zorgen
worden gedeeld door de Commissie Onderzoek Verkorting Opleiding Tandheelkunde (COVOT),
die in opdracht en met ondersteuning van de ministeries VWS en OCW hier eind 2023
onderzoek naar heeft gedaan. COVOT stelt dat het verkorten van de opleidingsduur met
een jaar niet op een kwalitatief verantwoorde wijze mogelijk is en dat dit leidt tot
risico’s voor de kwaliteit, de veiligheid en de kosteneffectiviteit van de zorg.
Conclusie
Overwegende dat de urgentie om snel meer tandartsen op te leiden met het oorspronkelijke
kabinetsbesluit niet wordt geadresseerd (gezien de late vrijval van middelen ten behoeve
van extra opleidingsplekken en de sterke weerstand uit het veld tegen de verkorting
van de opleidingsduur), is besloten de bestaande opleidingsduur Tandheelkunde van
6 jaar te handhaven. Dit betekent concreet dat het aantal opleidingsplaatsen voor
Tandheelkunde zal worden verhoogd met 31 in plaats van 86. Deze opleidingsplaatsen
kunnen op korte termijn worden gerealiseerd, namelijk in de studiejaren 2025–2026
(26) en 2026–2027 (5). Het totaal aantal opleidingsplaatsen Tandheelkunde komt hiermee
jaarlijks op 290.
Eind 2025 wordt de eerstvolgende raming van het Capaciteitsorgaan verwacht. Op basis
daarvan zal worden bezien of een aanvullende uitbreiding noodzakelijk is, en of dit
binnen het totale aanbod aan zorgopleidingen en de dan geldende budgettaire kaders
is in te passen. In de tussentijd roepen we de relevante onderwijsinstellingen op
om te (laten) onderzoeken waar zij vanuit hun rol en verantwoordelijkheid kunnen bijdragen
aan mogelijke oplossingen voor knelpunten in het mondzorglandschap, waaronder het
knelpunt van regionale spreiding van mondzorgcapaciteit. Dit bredere thema zal bovendien
worden meegenomen in de strategische keuzes rondom de bekostigingssystematiek, die
nodig zijn om het stelsel van vervolgonderwijs weerbaar te maken voor dalende studentenaantallen.
Over de benadering van die strategische keuzes zult u nader worden geïnformeerd in
de beleidsbrief die u eind eerste kwartaal/begin tweede kwartaal ontvangt van de Minister
van OCW.
Motie Van der Plas en Pouw-Verweij
Ten slotte willen wij graag ingaan op de motie van de leden Van der Plas en Pouw-Verweij.
In Beieren bestaat de mogelijkheid voor studenten die aantoonbaar geïnteresseerd en
gemotiveerd zijn om arts te worden maar uitgeloot zijn in andere bondslanden om toch
een studieplek te kunnen krijgen aan de Beierse universiteiten. Voorwaarde hiervoor
is dat dergelijke studenten een contract tekenen waardoor zij tien jaar lang arts
moeten blijven in Beieren. In de motie wordt het kabinet verzocht om een soortgelijke
regeling uit te werken voor een nader te bepalen aantal extra opleidingsplekken in
Nederland, om zo extra artsen te werven voor inzet in aan te wijzen regio’s buiten
de grote steden.
Bij het uitwerken van deze motie is gebleken dat een dergelijke regeling volgens het
kabinet niet inpasbaar is in het Nederlandse bekostigingsstelsel voor de opleidingsplaatsen
voor basisartsen. Het is binnen ons stelsel op dit moment juridisch niet mogelijk
voorwaarden te verbinden aan de bekostiging voor deze plaatsen via de lumpsum. De
aanpassing van het stelsel die nodig zou zijn om dit wel mogelijk te maken zou zeer
ingrijpend zijn en qua administratieve lasten niet in verhouding staan tot het doel.
In Nederland worden opleidingsplaatsen niet centraal, maar decentraal toegewezen door
de onderwijsinstellingen zelf. Binnen die decentrale toewijzing past deze regeling
niet. Aspirant-studenten worden geselecteerd op basis van ten minste twee kwalitatieve
criteria (bijvoorbeeld motivatie, vakkennis, cognitieve vaardigheden), loting, of
combinatie van loting en selectie. Het is binnen de huidige wetgeving niet toegestaan
dat opleidingen plekken reserveren voor aspirant-studenten op basis van andere voorwaarden
(een contract of belofte). Instellingen hebben dus niet de mogelijkheid om een dergelijk
contract te sluiten en toe te zien op de naleving. Dit zou voor betrokken instellingen
ook een grote administratieve belasting zijn. Het introduceren van centrale sturing
náást het gebruikelijke decentrale toewijzen, is een fundamentele aanpassing die niet
past binnen het stelsel. Het kabinet acht de motie hiermee afgedaan.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. Agema
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
E.E.W. Bruins
Indieners
-
Indiener
M. Agema, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Medeindiener
E.E.W. Bruins, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap