Brief regering : Beveiligingsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens; Oslo, 7 november 2023
36 654 Beveiligingsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van gerubriceerde gegevens; Oslo, 7 november 2023
A/ nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op
15 november 2024.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt
onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden
van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven
uiterlijk op 15 december 2024.
Aan de Voorzitters van de Eerste en van Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 november 2024
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van
de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb
ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 7 november
2023 te Oslo tot stand gekomen Beveiligingsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk Noorwegen inzake de uitwisseling en wederzijdse beveiliging van
gerubriceerde gegevens (Trb. 2023, nr. 132).
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt voor het Europese deel en het Caribische deel van Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
C.C.J. Veldkamp
TOELICHTENDE NOTA
Algemeen
Door middel van dit Verdrag verzekeren Nederland en Noorwegen zich ervan dat nationale
gerubriceerde gegevens die onderling worden uitgewisseld in beide landen een vergelijkbaar
niveau van beveiliging ontvangen. Naast maatregelen voor de beveiliging van nationale
gerubriceerde gegevens valt daaronder tevens de strafbaarstelling in het geval van
compromittering van nationale gerubriceerde gegevens.
Het Verdrag maakt de uitwisseling van nationale gerubriceerde gegevens mogelijk, maar
verplicht beide landen daar niet toe. Het is telkens de eigenstandige afweging van
de respectieve overheden om nationale gerubriceerde gegevens al dan niet uit te wisselen.
Deze uitwisseling kan plaatsvinden tussen overheden onderling, of tussen overheid
en bedrijfsleven, wanneer de overheid een gerubriceerde opdracht verleent aan een
bedrijf in het andere land. Dit Verdrag biedt Nederlandse bedrijven daarmee de mogelijkheid
om opdrachten voor Noorwegen uit te voeren waarvoor toegang tot Noorse gerubriceerde
gegevens nodig is en vice versa.
Vanwege de nauwe banden tussen Nederland en Noorwegen biedt dit Verdrag waarborgen
voor samenwerking in het geval dat nationale gerubriceerde gegevens moeten worden
uitgewisseld. Dit is bijvoorbeeld aan de orde op militair gebied.
Tijdens de onderhandelingen hebben vertegenwoordigers van de overheden van beide landen
schriftelijk en in een gezamenlijke fysieke sessie informatie uitgewisseld over de
respectieve nationale wet- en regelgeving voor de bescherming van nationale gerubriceerde
gegevens en de implementatie daarvan. Vervolgens is op basis daarvan de tekst van
het Verdrag afgerond, die aansluit bij de wet- en regelgeving en de uitvoeringspraktijk
in de beide landen.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Het Verdrag strekt ertoe de beveiliging van nationale gerubriceerde gegevens die worden
uitgewisseld tussen Nederland en Noorwegen te waarborgen. Het Verdrag regelt dat de
informatie die onderling onder het Verdrag wordt uitgewisseld in beide landen een
vergelijkbaar en passend niveau van beveiliging krijgt. In het Verdrag zijn de procedures
en regelingen voor de beveiliging vastgelegd.
Artikel 2
Artikel 2 bevat de omschrijvingen van enkele in het Verdrag voorkomende, voor beveiligingsverdragen
overigens gebruikelijke, begrippen.
Artikel 3
De verantwoordelijke autoriteit voor de implementatie en uitvoering van het Verdrag
wordt in het Verdrag omschreven als de Competent Security Authority (CSA, zie ook artikel 2, onder c, van het Verdrag). Deze rol is in Nederland belegd
bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD).
De CSA is het eerste aanspreekpunt voor bedrijven en overheden uit beide landen over
de uitvoering van het Verdrag, ziet toe op de naleving van het Verdrag bij de eigen
overheid en de bedrijven die onder haar jurisdictie vallen en draagt zorg voor de
uitvoering van onderzoek ten behoeve van veiligheidsmachtigingen voor personen en/of
bedrijven.
De CSA is bevoegd bepaalde verantwoordelijkheden te delegeren aan een zogenoemde delegated Competent Security Authority. Voor Nederland is dit de beveiligingsautoriteit (BA) van het Ministerie van Defensie.
De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD)/Bureau Industrieveiligheid
(BIV) heeft hierin een aantal taken in de richting van betrokken bedrijven teneinde
uitvoering te geven aan bepaalde verplichtingen, zoals het afgeven van veiligheidsmachtigingen
in het militaire domein.
Artikel 4
In lid 1 van dit artikel is een vergelijkingstabel opgenomen met de rubriceringsniveaus
van de twee landen. De tabel geeft de equivalentie weer tussen de rubriceringsniveaus
die Nederland en Noorwegen volgens hun wet- en regelgeving hanteren. Gerubriceerde
informatie die Nederland ontvangt van Noorwegen zal worden beveiligd volgens de maatregelen
zoals die in Nederland gelden voor het equivalente nationale rubriceringsniveau. Vice
versa geldt hetzelfde.
Door gerubriceerde informatie afkomstig van de andere partij ook te voorzien van de
equivalente nationale rubricering (de «dubbele markering»), wordt de herkenbaarheid
vergroot en de naleving van de vereiste beveiligingsmaatregelen bevorderd. Deze waarborg
is vastgelegd in het tweede lid.
Het aanbrengen van een initiële rubricering is aan de partij onder wiens verantwoordelijkheid
de informatie in kwestie tot stand is gekomen. Dit brengt met zich mee, dat wijziging
of verwijdering van die rubricering tevens aan die partij is voorbehouden. Deze waarborg
is opgenomen in het derde lid. De partij onder wiens verantwoordelijkheid de informatie
tot stand is gekomen, zal de partij die deze informatie ontvangt altijd informeren
over veranderingen van de rubricering; zie het vierde lid.
Artikel 5
Dit artikel beschrijft onder welke voorwaarden toegang tot gerubriceerde informatie
verstrekt wordt. Zo dient men daarvoor geïnformeerd te zijn over de verantwoordelijkheden
ten aanzien van die toegang. Daarnaast dient de persoon die zich toegang wenst te
verschaffen gebonden te zijn aan geheimhouding, door middel van het ondertekenen van
een geheimhoudingsverklaring. Voor toegang tot gegevens met een rubricering van Stg.
CONFIDENTIEEL en hoger, is daarnaast een persoonlijke veiligheidsmachtiging vereist
(zie het eerste lid van dit artikel). Deze screening vindt in Nederland plaats op
basis van de Wet Veiligheidsonderzoeken (Wvo).
Aangezien volgens de toepasselijke nationale wet- en regelgeving een veiligheidsmachtiging
niet nodig is, alvorens toegang kan worden verkregen tot DEPARTEMENTAAL VERTROUWELIJKE
gegevens, is in het tweede lid van dit artikel opgenomen dat voor die toegang enkel
de overige vereisten als genoemd in het eerste lid gelden.
Artikel 6
Dit artikel beschrijft maatregelen die partijen nemen ter beveiliging van gerubriceerde
gegevens. Zo geeft het eerste lid aan dat partijen gerubriceerde informatie van de
andere partij beveiligen op basis van hun eigen wet- en regelgeving; aldus dezelfde
wijze als waarop ze hun eigen gerubriceerde gegevens beveiligen.
Het tweede en derde lid, omschrijven de verantwoordelijkheden van de verstrekkende
en ontvangende partij van gerubriceerde gegevens. Belangrijk hierbij om te vermelden
is, dat het aan de verdragsluitende partijen is om erop toe te zien dat deze verantwoordelijkheden
worden nageleefd.
Artikel 7
Tijdens de onderhandelingen die hebben geleid tot het Verdrag hebben beide partijen
elkaar geïnformeerd over de wederzijdse wet- en regelgeving en bijbehorende uitvoeringspraktijk.
Het eerste lid van dit artikel voorziet in een blijvende informatie-uitwisseling tussen
partijen daaromtrent.
Dit artikel ziet verder specifiek op samenwerking met betrekking tot de (veiligheidsonderzoeken
ten behoeve van de) afgifte van veiligheidsmachtigingen voor personen of bedrijven.
Het betreft uitsluitend de samenwerking met betrekking tot het afgeven van veiligheidsmachtigingen
voor personen of bedrijven in de gevallen waarbij uitwisseling van onder dit verdrag
bedoelde gerubriceerde gegevens aan de orde is.
Zo kunnen partijen elkaar onderling bevragen over de geldigheid van afgegeven veiligheidsmachtigingen
voor personen of bedrijven, aldus het tweede lid. Ook zullen de partijen elkaar desgevraagd
ondersteunen bij de uitvoering van onderzoeken ten behoeve van de afgifte van voornoemde
veiligheidsmachtigingen, volgens het derde lid. Dit kan bijvoorbeeld door informatie
te verstrekken over personen indien deze personen gedurende een deel van de onderzoeksperiode
in hun land verblijf hebben gehad. Het verstrekken van de informatie – en meer in
het algemeen enige vorm van samenwerking zoals bedoeld in dit artikel – gebeurt uitsluitend
in overeenstemming met de nationale wet- en regelgeving. De relevante wet- en regelgeving
ten behoeve van het afgeven van veiligheidsmachtigingen voor personen in Nederland
betreft de Wet op inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) en de Wet Veiligheidsonderzoeken.
In Nederland is de Unit Veiligheidsonderzoeken van de AIVD en de MIVD belast met het
uitvoeren van de veiligheidsonderzoeken in het kader van de afgifte van veiligheidsmachtigingen
onder dit verdrag en binnen het civiele en militaire domein.
Voorafgaand aan het verstrekken van informatie aan de verdragspartij – in dit geval
Noorwegen – in het kader van de afgifte van veiligheidsmachtigingen wordt nagegaan
of er een zodanige samenwerkingsrelatie ex artikel 88 Wiv 2017 bestaat dat de verstrekking
verantwoord kan gebeuren. Indien een daartoe geëigende samenwerkingsrelatie ontbreekt
zal geen verstrekking van informatie aan Noorwegen plaatsvinden.
De samenwerking met Noorwegen is derhalve te allen tijde onderworpen aan de nationale
wet- en regelgeving en de nadere voorwaarden die daarin aan dergelijke samenwerkingen
zijn gesteld.
In aanvulling hierop, is in het vierde lid van dit artikel bepaald dat partijen elkaar
informeren over wijzigingen in afgegeven veiligheidsmachtigingen voor personen of
bedrijven die werkzaam zijn met gerubriceerde gegevens die onder dit verdrag worden
uitgewisseld.
Artikel 8
Dit artikel regelt de procedures voor het gunnen van gerubriceerde opdrachten door
de overheid van de ene partij aan bedrijven die vallen onder de jurisdictie van de
andere partij. Voor Nederlandse bedrijven die mee willen dingen naar een gerubriceerde
opdracht van de Noorse overheid zal door de Nederlandse overheid onderzoek worden
uitgevoerd ten behoeve van veiligheidsmachtigingen voor personen en bedrijven en zal
tijdens de uitoefening van de gerubriceerde opdracht bovendien periodiek toezicht
worden gehouden bij deze bedrijven. Deze procedure komt op hoofdlijnen overeen met
de gehanteerde procedures voor gerubriceerde opdrachten van internationale organisaties,
namelijk de EU, NAVO en ESA.
Het eerste lid bepaalt dat wanneer een partij of een bedrijf onder diens jurisdictie
een gerubriceerde opdracht (vanaf het niveau Stg. CONFIDENTIEEL en diens Noorse equivalent)
wil gunnen aan een bedrijf werkzaam onder de jurisdictie van de andere partij, dit
bedrijf/ deze partij eerst een schriftelijke bevestiging dient te verkrijgen van de
andere partij dat het bedrijf aan wie zij de opdracht wil gunnen over de benodigde
veiligheidsmachtiging beschikt. Als het bedrijf niet over deze veiligheidsmachtiging
beschikt, moet hij deze aanvragen bij de CSA. In Nederland geldt, binnen het militaire
domein, het vereiste van een veiligheidsmachtiging voor bedrijven tevens voor gerubriceerde
opdrachten op niveau DEPARTEMENTAAL VERTROUWELIJK. Dit verklaart toevoeging van de
laatste zin in het eerste lid.
Het tweede lid kent aan de CSA de verantwoordelijkheid toe om toezicht te houden op
bedrijven die een gerubriceerde opdracht aangaan.
Het derde lid stelt eisen aan de gerubriceerde contracten, teneinde te bewerkstelligen
dat beveiligingseisen in de praktijk voor alle betrokken partijen kenbaar zijn en
juridisch kunnen worden afgedwongen.
Het kan in de praktijk voor komen dat bedrijven een (deel van een) gerubriceerde opdracht
uitbesteden aan een onderaannemer. Vandaar dat ook «sub-contractors» in dit artikel
worden genoemd.
Artikel 9
Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat nationale gerubriceerde gegevens op niveau
Stg. ZEER GEHEIM enkel tussen partijen zal worden uitgewisseld via diplomatieke kanalen.
Voor alle andere niveaus van nationale gerubriceerde gegevens, geldt dat uitwisseling
daarvan plaatsvindt op een wijze die tussen de CSA’s wordt afgestemd.
Voor zover het gaat om elektronische verzending van nationale gerubriceerde gegevens,
geldt het vereiste van cryptografische middelen. De exacte procedure hiervoor zal
tussen CSA’s moeten worden afgestemd, aldus het tweede lid.
Artikel 10
Dit artikel bevat een aantal specifieke bepalingen omtrent de reproductie, vertaling
en vernietiging van gerubriceerde gegevens, met specifieke aandacht voor gegevens
met de hoogste rubricering en voor noodsituaties. Deze bepalingen zijn erop gericht
te waarborgen dat de partij van wie de betreffende gerubriceerde informatie afkomstig
is, zoveel als mogelijk controle houdt over de betreffende informatie.
Artikel 11
Dit artikel omschrijft de procedures voor wanneer een persoon een bedrijf of overheidslocatie
wenst te bezoeken, waarbij toegang tot nationale gerubriceerde gegevens nodig is.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer een medewerker van een Nederlands bedrijf
in de uitvoering van een gerubriceerde opdracht de Noorse overheid of een Noors bedrijf
wil bezoeken waarbij toegang tot (in dit geval Noorse) nationale gerubriceerde gegevens
nodig is. In een dusdanig geval, wordt via de in dit artikel beschreven procedure
bij de Nederlandse CSA nagegaan of de betrokkene op dat moment over een geldige veiligheidsmachtiging
beschikt. Dit wordt vervolgens gemeld aan de Noorse CSA voorafgaand aan het bezoek
en geldt als voorwaarde voor toegang tot de nationale (in dit geval Noorse) gerubriceerde
gegevens. Deze procedure geldt dus tevens vice versa.
Artikel 12
Dit artikel beschrijft de te doorlopen procedure in het geval van (vermoedelijke)
beveiligingsincidenten. Hier is een rol weggelegd voor de CSA’s.
De CSA van het land waar het beveiligingsincident (mogelijk) heeft plaatsgevonden
informeert de CSA van het land waar de gerubriceerde gegevens vandaan komen over het
(vermoedelijke) beveiligingsincident. Dit staat omschreven in het eerste lid.
De CSA van het land waar de gerubriceerde gegevens vandaan komen, kan bovendien assisteren
in onderzoek naar het (vermoedelijke) beveiligingsincident, aldus het tweede lid.
Het derde lid bepaalt vervolgens dat de CSA van het land waar het beveiligingsincident
heeft plaatsgevonden, verantwoordelijk is voor het nemen van mitigerende maatregelen,
alsmede maatregelen teneinde herhaling te voorkomen. Deze CSA informeert de CSA van
het land waar de gerubriceerde gegevens vandaan komen over deze maatregelen.
Artikel 16
Volgens dit artikel zijn CSA’s bevoegd om, indien daar aanleiding toe bestaat, nadere
afspraken te maken ter uitvoering van het Verdrag. In dit geval kan dat gebeuren voor
nadere afspraken die benodigd zijn in het militaire domein. Vanwege het specifieke
beleid dat het Ministerie van Defensie hanteert ten aanzien van beveiliging van gerubriceerde
gegevens in het militaire domein, zou het voor het Ministerie van Defensie noodzakelijk
kunnen zijn dat, indien er defensie of -industrie gerelateerde uitwisseling van gerubriceerde
informatie voortvloeit uit dit Verdrag, er nadere afspraken gemaakt worden. Hiervoor,
alsmede voor de implementatie van die afspraken, is het Ministerie van Defensie als
eerste aanspreekpunt verantwoordelijk.
Artikel 17
Dit artikel bevat de gebruikelijke slotbepalingen.
In het vijfde lid is een bepaling opgenomen voor het geval het Verdrag beëindigd wordt.
De nationale gerubriceerde gegevens die op het moment van beëindiging onder de reikwijdte
van het Verdrag vallen, zullen de bescherming van het Verdrag behouden zolang ze een
onder het Verdrag verkregen nationale rubricering behouden.
Bijlage I
In Bijlage I staan de CSA’s, als verantwoordelijke autoriteiten, voor Nederland en
Noorwegen opgenomen. Noorwegen heeft ervoor gekozen om tevens op te nemen welke partij
aan hun zijde verantwoordelijk is voor de bezoeken als genoemd in artikel 11, omdat
dit een andere partij betreft dan hun CSA.
De Bijlage vormt een geïntegreerd onderdeel van het Verdrag en is van uitvoerende
aard. Verdragen tot wijziging van de Bijlage behoeven, ingevolge artikel 7, onderdeel
f van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, geen parlementaire goedkeuring,
tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring terzake voorbehouden.
Een ieder verbindende bepalingen
Het Verdrag bevat naar het oordeel van de regering enkele eenieder verbindende bepalingen
in de zin van artikel 93 en 94 Grondwet die aan rechtssubjecten rechtstreeks rechten
toekennen of plichten opleggen. Het gaat hierbij om artikel 5, artikel 6, tweede en
derde lid, artikel 8, eerste lid, artikel 9, eerste lid, artikel 10, artikel 11, artikel
12, tweede lid en artikel 17, vijfde lid, in verband met de positie van bedrijven
aan of door wie die gerubriceerde opdrachten zijn verleend of waaraan men opdrachten
wil gunnen.
Koninkrijkspositie
Het Verdrag zal, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, alleen voor het Europese
en het Caribische deel van Nederland gelden (zie ook artikel 17, tweede lid). Dit
is in lijn met de andere bilaterale beveiligingsverdragen die Nederland heeft gesloten
(bijvoorbeeld met de Republiek Polen, Trb. 2023, nr. 18). Dit maakt het mogelijk voor bedrijven in het Caribische deel van
Nederland om gerubriceerde opdrachten voor de Noorse overheid uit te voeren en maakt
het tevens mogelijk om informatie die door de Noorse overheid wordt gedeeld met overheidsinstanties
in het Caribische deel van Nederland te delen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.J.M. Uitermark
De Minister van Buitenlandse Zaken,
C.C.J. Veldkamp
De Minister van Defensie,
R.J. Brekelmans
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.C.J. Veldkamp, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.