Brief regering : Hoofdlijnen 'Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs'
31 293 Primair Onderwijs
31 289
Voortgezet Onderwijs
Nr. 762
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 november 2024
Het onderwijs legt de basis voor het verdere leven van ieder kind in ons land. Het
bepaalt of kinderen die nu opgroeien straks een baan vinden en mee kunnen doen in
de samenleving. De kwaliteit van ons onderwijs staat echter onder druk. Er zijn te
weinig leraren en schoolleiders en de onderwijsresultaten van leerlingen in Nederland
dalen al langere tijd. Steeds meer leerlingen en studenten beheersen het lezen, schrijven
en rekenen onvoldoende. Dat laat internationaal vergelijkend onderzoek, zoals Pisa1, duidelijk zien. Deze dalende onderwijsresultaten zijn niet alleen een probleem voor
de leerlingen zelf, maar ook voor Nederland als geheel.
We moeten daarom de basis weer op orde brengen, zodat de kwaliteit van ons onderwijs
verbetert. Daarom komt dit kabinet met een Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs.
Hiervoor trekken we samen met alle betrokkenen in het onderwijs op, zodat we van het
onderwijs weer een sector kunnen maken waar mensen graag gaan en blijven werken en
die goed onderwijs levert voor ieder kind en elke jongere.
Het proces om te komen tot een Herstelplan
Zoals aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord2 en het regeerprogramma3 wil het kabinet samen met mensen uit de onderwijspraktijk werken aan de basis voor
kwalitatief goed onderwijs voor alle leerlingen. Om tot een Herstelplan te komen,
spreken we dan ook met leraren, schoolleiders, leerlingen, ouders, bestuurders, onderwijsinspecteurs
en wetenschappers. Het is belangrijk om ervaringen uit de klas te horen en deze te
kunnen gebruiken voor het Herstelplan. We spreken ook met vertegenwoordigers van werkgevers,
werknemers/beroepsgroepen, en lerarenopleiders om concrete afspraken te maken en daarmee
de impact van het plan op het onderwijs te vergroten. Om tot herstel van de kwaliteit
van het onderwijs te komen zijn niet alleen maatregelen nodig vanuit Den Haag, maar
ook vanuit de werkgevers en beroepsgroepen zelf. We staan samen aan de lat. De Algemene
Onderwijsbond, het Christelijk Nationaal Vakverbond, de Federatie van Onderwijsvakorganisatie,
de PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, de Academie Vakvereniging Schoolleiders, Vereniging
Hogescholen en Universiteiten van Nederland hebben aangegeven graag tot concrete acties
en afspraken te willen komen. Ook zij voelen een grote verantwoordelijkheid om het
onderwijs beter te maken. Dat is mooi, want deze grote opgave kunnen we alleen in
gezamenlijkheid succesvol oppakken. Dit betekent ook dat alle partijen aan zet zijn
om een deel van het nog gezamenlijk op te stellen plan uit te werken en uit te voeren.
Deze brief is een aanzet op hoofdlijnen om te komen tot een gedragen Herstelplan kwaliteit
funderend onderwijs. Op basis van deze brief ga ik graag in gesprek met uw Kamer over
de ideeën op hoofdlijnen en op basis van uw input zullen we het gesprek vervolgens
voeren met alle betrokkenen uit het onderwijs over de uitwerking van het plan. In
het voorjaar van 2025 deelt het kabinet het uitgewerkte Herstelplan kwaliteit funderend
onderwijs met uw Kamer. Het kabinet werkt het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs
uit binnen de beschikbare middelen op de OCW-begroting.
Invulling Herstelplan op hoofdlijnen
Reikwijdte
Het Herstelplan richt zich op de onderwijsresultaten van de leerlingen in het funderend
onderwijs en een goede aansluiting op het vervolgonderwijs. Het is daarvoor van belang
dat leerlingen aan het einde van hun middelbare schoolcarrière een voldoende niveau
hebben in lezen, schrijven en rekenen. Daarbij is vanuit de inhoud een doorlopende
leerlijn van belang. Zolang het niveau van lezen, schrijven en rekenen van middelbare
scholieren die gaan studeren nog niet op orde is, heeft het vervolgonderwijs de uitdaging
om deze vaardigheden op niveau te brengen. We nemen in het Herstelplan voor- en vroegschoolse
educatie (vve) mee, omdat al vóór een kind op school start, de basis wordt gelegd
voor zijn of haar verdere ontwikkeling. Dat maakt vve met name belangrijk voor de
taalontwikkeling van jonge kinderen die een risico op een taalachterstand hebben.
Ook nemen we de lerarenopleidingen mee, omdat de lerarenopleidingen de basis vormen
voor de kwaliteit van leraren. De lerarenopleidingen (VH, UNL, MBO Raad) dragen ook
actief als partner bij aan de verdere professionalisering van onderwijspersoneel.
Het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs bestaat uit samenhangende maatregelen
waarvan evident is dat ze bijdragen aan het verbeteren van de onderwijsresultaten.
We kijken naar de korte én langere termijn, stellen concrete ambities en doelen op
om de basis op orde te krijgen, werken uit hoe we de ontwikkelingen gaan volgen en
welke resultaten we op korte termijn, over vijf jaar, en op de langere termijn willen
zien. Focus is nodig om de basis op orde te krijgen. Dat betekent dat we ook focus
aanbrengen in het Herstelplan. Om die reden zijn het verbeteren van lezen, schrijven
en rekenen en het zorgen voor voldoende en goed onderwijspersoneel topprioriteit en
vallen de maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma die hieraan
bijdragen onder het Herstelplan. Deze maatregelen alleen zijn echter niet voldoende
om onze ambities waar te maken en kinderen het beste onderwijs te bieden. Daar is
alle denk- en doe-kracht uit het onderwijs voor nodig.
De context
Het funderend onderwijs heeft een brede opdracht. Naast het werken aan onderwijsresultaten
bouwen scholen aan persoonsvorming, socialisatie, burgerschap en kansengelijkheid
voor alle kinderen. Kinderen zitten niet alleen op school, ook de thuisomgeving heeft
grote invloed op de ontwikkeling van het kind. Of je wat je op school leert in je
op kan nemen, hangt van meer omstandigheden af dan de kwaliteit van de lessen en de
leerlingen. Als je je zorgen maakt over thuis, je nergens je huiswerk kunt maken of
als je een lege maag hebt, is leren lastiger. Hoe goed de leerstof ook wordt aangeboden.
Veel van wat er in de maatschappij gebeurt, komt het onderwijs binnen.
Dit zijn omstandigheden die voor een belangrijk deel buiten het onderwijs om liggen:
armoede, huiselijke spanningen of geweld in de wijk of polarisatie in de samenleving.
We trekken samen met de andere ministeries en organisaties in het sociaal domein op
om hier stappen te zetten, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag.
Het kabinet financiert het programma Schoolmaaltijden structureel zodat kinderen zonder
honger in de klas zitten. Met het programma School en Omgeving en via brugfunctionarissen
stimuleren we dat ook buiten school kinderen extra aandacht kunnen krijgen. Daarnaast
stimuleren we hiermee dat de school als natuurlijke vindplaats voor sociale problematiek
kan doorverwijzen naar de juiste instantie, maar dat de leraar dit er niet bij krijgt
op zijn reeds volle bord. Tot slot is het van groot belang dat we in gesprek blijven
met (vertegenwoordigers van) ouders over ouderbetrokkenheid en de thuissituatie van
het kind.
Ook binnen het onderwijs zijn er thema’s naast onderwijskwaliteit die aandacht vragen,
zoals slimme samenwerking met de kinderopvang, inclusiever onderwijs en passende onderwijshuisvesting.
Aan deze thema’s blijven we actief werken maar deze nemen we niet op in het Herstelplan.
De extra inzet van het herstelplan kent een duidelijke focus om de kwaliteit van het
funderend onderwijs te verbeteren.
Focus op 3 thema’s
Het Herstelplan kiest een scherpe focus om de basis op orde te krijgen:
1) prioriteit is het verbeteren van de onderwijsresultaten op lezen, schrijven en rekenen;
2) het borgen van voldoende en kwalitatief goed onderwijspersoneel;
3) zorgen voor randvoorwaarden voor de basis van goed onderwijs in de klas, via structurele
bekostiging voor structurele taken en een veilige leeromgeving.
1. Goed onderwijs voor elk kind: inzetten op lezen, schrijven en rekenen.
De basis die leerlingen in ieder geval mee moeten krijgen in het onderwijs zijn een
goede beheersing van lezen, schrijven en rekenen. Dat is namelijk de basis voor meedoen
in de samenleving, een vervolgopleiding en kansen op de arbeidsmarkt. Dit bepaalt
ook of de kinderen van nu straks in staat zijn te bouwen aan het Nederland van morgen.
Met het Masterplan basisvaardigheden is de afgelopen 1,5 jaar een trendbreuk ingezet
in de aanpak van de overheid en scholen in de basisvaardigheden4 en hebben lezen, schrijven en rekenen prioriteit gekregen. Zo zijn ambitieuze doelen
hierop geformuleerd en heeft dit prioriteit gekregen in het toezicht van de Onderwijsinspectie.
Ook heeft 60% procent van de scholen een meerjarige, financiële impuls gekregen voor
het verbeteren van de basisvaardigheden en krijgen scholen daarbij directe ondersteuning
van het Ministerie van OCW en de relevante expertisepunten om met bewezen effectieve
aanpakken aan de slag te gaan. Ten slotte is de bijstelling van het curriculum op
stoom gekomen. Hiermee wordt de opdracht voor scholen concreter en ontstaat meer focus
op de basisvaardigheden.
Er is echter meer nodig dan we al doen. In het Herstelplan willen we daarom aanvullende
stappen zetten:
1) Nog meer focus in de opdracht voor scholen op lezen, schrijven en rekenen:
In het regeerprogramma is opgenomen dat de huidige curriculumbijstelling, met prioriteit
op lezen, schrijven en rekenen, wordt doorgezet. Recent is uw Kamer geïnformeerd dat
momenteel op de opgeleverde kerndoelen nog een verscherpte selectie plaatsvindt om
het aantal kerndoelen fors terug te brengen. Dat houdt in dat er nog meer aandacht
komt voor lezen, schrijven en rekenen. Niet alleen bij de leergebieden Nederlands
en rekenen-wiskunde, maar bij álle leergebieden. Om een tekst vloeiend te kunnen lezen
moet je immers grofweg 90% van de woorden kennen die in de tekst staan. Daar is kennis
voor nodig die je bij andere vakken ook kunt aanleren door middel van rijke teksten
en schrijfopdrachten. De curriculumbijstelling heeft groot draagvlak van het onderwijsveld;
dit dringt de overladenheid terug en verscherpt het werken aan basisvaardigheden.
2) Beter onderwijs in lezen, schrijven en rekenen in de klas (methodes, toetsen, lerarenopleidingen):
Nu het «wat» voor scholen is verhelderd, is het voor de basisvaardigheden essentieel
dat het «hoe» ook wordt verbeterd. Met andere woorden; hoe zorgen we dat het daadwerkelijk
gerealiseerde curriculum van scholen (de lessen van leraren) daadwerkelijk meer en
beter onderwijs oplevert voor lezen, schrijven en rekenen. Hiervoor is het van belang
dat de overheid en sector de handen ineenslaan op de volgende sporen:
– Het zo snel mogelijk implementeren van het vernieuwde curriculum voor lezen, schrijven
en rekenen op de lerarenopleidingen5, inclusief betere begeleiding om te borgen dat beginnende leraren deze vaardigheden
afdoende beheersen.
– Het goed laten landen van het nieuwe curriculum voor lezen, schrijven en rekenen in
leermiddelen op scholen. Aangezien scholen de leermiddelen zullen moeten vervangen,
is dit het moment om dit direct met bewezen effectieve leermiddelen te doen.
– Betere toetsen op lezen, schrijven en rekenen; dit geldt zowel voor de door de overheid
voorgeschreven toetsen en zoveel mogelijk in de door scholen gebruikte schooleigen
toetsen. Daarbij is het van belang om de juiste balans tussen meer inzicht in onderwijsresultaten
en toetsdruk in het oog te houden.
– Goede, zoveel mogelijk bewezen effectieve bij- en nascholing voor leraren om met het
nieuwe curriculum en leermiddelen voor lezen, schrijven en rekenen te gaan werken.
3) Structurele bekostiging basisvaardigheden:
Via het Masterplan basisvaardigheden hebben scholen de afgelopen jaren tijdelijke
impulsen gekregen via subsidieregelingen om te werken aan basisvaardigheden. Het is
zaak dat dit zo snel als mogelijk wordt omgezet in structurele bekostiging voor basisvaardigheden.
Dit gebeurt per 2027 via het nieuwe instrument gerichte bekostiging. De hiervoor benodigde
wetswijziging en praktische uitvoering vraagt zorgvuldige voorbereiding en overleg.
Bezien wordt hoe de volgende openstelling van de subsidieronde basisvaardigheden in
2025 al kan zorgen voor een goede overgang voor zoveel mogelijk scholen richting structurele
bekostiging in 2027.
4) Betere toeloop tot vve voor taal en rekenen:
Het is het meest doelmatig als kinderen al zo vroeg mogelijk met taal en rekenen in
aanraking komen, zeker daar waar kinderen er in sommige gezinnen niet of beperkt mee
in aanraking komen. In nauwe samenwerking met gemeenten en het Ministerie van SZW
wordt bekeken hoe de toeleiding van deze doelgroep richting de vve verbeterd kan worden.
5) Scholen die bewezen effectief werken en, indien nodig, kwalitatief goede en betaalbare
ondersteuning kunnen inschakelen:
Het is van belang om de verbetercultuur op scholen verder te stimuleren en te ondersteunen.
Dat vraagt om toegankelijke en betrouwbare kennis voor scholen en leraren over bewezen
effectieve aanpakken. Hierbij valt te denken aan een Kennisinstituut voor het onderwijs
dat de verbinding legt tussen wetenschap en de praktijk en een wettelijke eis voor
evidence-informed onderwijs. Om de wettelijke eisen aan evidence-informed werken en
kwaliteitscultuur ook in de praktijk goed te laten landen, willen we scholen van elkaar
laten leren en stimuleren we gesprekken over de invulling van ieders rol hierbij en
een passend professionaliseringsaanbod. Wanneer scholen hulp en expertise van buiten
de school in willen schakelen, is het nodig om ervoor te zorgen dat dit kwalitatief
goede en betaalbare ondersteuning is. In het Herstelplan worden maatregelen opgenomen
die daarvoor zorgen.
6) Toezicht op onderwijskwaliteit:
Toezicht is het sluitstuk bij het sturen op onderwijskwaliteit. Daarom is het essentieel
dat de Inspectie van het Onderwijs goed toezicht houdt op de thema’s die het meest
bijdragen aan onderwijskwaliteit. Focus is daarbij van belang, ook om de toezichtslast
bij scholen en besturen te beperken.
De focus op lezen, schrijven en rekenen is, met name door de arbeidsmarktkrapte, hard
nodig. Er zit namelijk een spanning tussen de personeelstekorten en het zorgen voor
een basis die op orde is. Daarom is het van belang dat we de samenhang tussen de thema’s
in het Herstelplan goed bezien.
2. Goed en voldoende onderwijspersoneel voor ieder kind
Goed onderwijs staat of valt met goede leraren, schoolleiders, bestuurders en onderwijsondersteunend
personeel. Dit is een steeds grotere uitdaging, zeker gezien de demografische ontwikkelingen.
De aanhoudende tekorten zijn een risico voor de kwaliteit en de continuïteit van het
onderwijs. Naast maatregelen gericht op het aantrekken en behouden van personeel vragen
de demografische ontwikkelingen om ook na te denken over hoe we het onderwijs kunnen
inrichten bij aanhoudende schaarste.
De afgelopen periode is met het werkplan «Samen voor het beste onderwijs» een eerste
stap gezet om samenwerking centraal te stellen. Dit omdat samenwerken en solidariteit
nodig zijn in plaats van concurrentie. Bovendien verschilt de opgave en context tussen
en binnen regio’s, zoals de omvang van de tekorten, groei/krimp en de mate van verstedelijking.
Schoolbesturen, de beroepsgroep en lerarenopleidingen werken daarom samen om te zorgen
voor voldoende en (blijvend) goed onderwijspersoneel dat met plezier werkt in een
prettige omgeving. Via de onderwijsregio’s is daarvoor de ruimte om binnen een regio
passende maatregelen te nemen op werving en behoud van personeel en om de opleidingen
aan te laten sluiten op de lokaal gewenste of benodigde professionaliseringswens.
Vanuit Samen Opleiden en Professionaliseren fungeren de opleidingen hierin als partner. De maatschappelijke opgave van de regio
vormt daarbij het uitgangspunt. De regionale aanpak met onderwijsregio’s is onderdeel
van de landelijke strategie.
De landelijke strategie pakt door op complexe thema’s zoals het bevorderen van instroom
en zij-instroom, het faciliteren van meer uren werken en strategisch personeelsbeleid
en het aanpakken van ervaren beperkingen in onderwijstijd en bevoegdheden. Ook zorgen
we voor een goede opleidingsinfrastructuur en een passend curriculum op de lerarenopleidingen,
zodat de opleidingen toegerust en aantrekkelijk zijn voor zowel scholieren die van
het vo komen als voor zij-instromers.
Leraren en schoolleiders maken samen de school tot een lerende organisatie waarin
zij systematisch en cyclisch werken aan onderwijskwaliteit en een aantrekkelijke werkomgeving.
Door de tekorten staan de kwaliteit en de continuïteit onder druk. Naast het aantrekken
van nieuwe leraren en schoolleiders is het daarom van belang om te zorgen dat iedereen
met plezier blijft werken. We verkennen daarom ook hoe we de ervaren administratieve
lasten en werkdruk kunnen aanpakken. Door tegelijkertijd ook in te zetten op professionalisering,
duidelijke rollen, evenwichtige medezeggenschap en strategisch personeelsbeleid werken
wij met een breed pakket aan het creëren van een aantrekkelijke werkomgeving.
De inzet zoals hiervoor omschreven is niet voldoende om de verwachte schaarste te
ondervangen. Om de kwaliteit en continuïteit te borgen, is meer nodig. Met de scholen
en partners werken we daarom ook aan alternatieve vormen om het onderwijs vorm te
geven waarbij de kwaliteit het uitgangspunt is. Afgelopen jaren hebben we in de G5
(G4 en Almere) gezien dat andere professionals een rol kunnen spelen in de ontwikkeling
van kinderen en jongeren en bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Gezien de
grote tekorten is het ook nodig om te kijken naar de organisatie van het onderwijs;
het anders indelen van de dag en/of anders beleggen van niet-lesgebonden taken kan
niet alleen ruimte bieden voor de leraar, maar ook zorgen voor kwaliteit en continuïteit
van het onderwijs.
Om dit verder uit te werken richten we ons op:
1. Goed toegeruste professionals, met als doel dat de school als lerende organisatie
werkt aan onderwijskwaliteit en een aantrekkelijke werkomgeving is. Met inzet op de
vorming van beroepsgroepen voor schoolleiders en leraren, doorlopend professionaliseren
van alle professionals en goed werkgeverschap. Ik steun de beweging die de verschillende
vakorganisaties hier gezamenlijk in willen zetten en daar waar nodig, versterk ik
verdere professionalisering met nader beleid. Ook de Nationale Aanpak Professionalisering
Leraren wordt voorgezet, ten behoeve van een leven lang ontwikkelen in het onderwijs.
2. Duidelijke rollen en het beter benutten van het systeem van medezeggenschap; met als
doel de inspraak van schoolleiders, leraren, ouders en leerlingen beter te borgen.
Dit kan bijvoorbeeld door beroepsbeelden voor onderwijsondersteunend personeel, leraren,
schoolleiders, besturen en intern toezicht beter op elkaar aan te laten sluiten, beter
gebruik te maken van het professioneel statuut en het makkelijker maken om de medezeggenschapsrol
goed in te vullen.
3. Regionaal samenwerken met als doel de doorontwikkeling van de onderwijsregio’s om
samenwerking tussen de partners in de regio – met het mbo als werkgever – te bevorderen,
ook in relatie tot de brede arbeidsmarkt, omdat solidariteit en eerlijker verdelen
nodig is in plaats van concurrentie. Dit moet er toe leiden dat het onderwijs weer
een sector wordt waar mensen graag gaan en blijven werken en die goed onderwijs levert
voor ieder kind, elke jongere en elke student.
4. Opleiden en bevoegdheden, met als doel het aanbrengen van focus in de kwaliteitseisen
van lerarenopleidingen via het Opleidingsberaad Leraren en het borgen van deze kwaliteit
via een bevoegdheid. Bijvoorbeeld inzet op een pabo voor het jonge en oudere kind
en het aanpakken van knelpunten rondom bevoegdheden.
5. Arbeidsorganisatie en arbeidsvoorwaarden, waarbij het doel is dat er meer werkplezier
voor leraren is, bijvoorbeeld door inzet op het verlagen van de werkdruk en door het
verbeteren van het ontwikkel-/loopbaanperspectief van leraren.
3. Randvoorwaarden voor goed onderwijs: bekostiging en veilige leeromgeving
Om te kunnen zorgen voor goed onderwijs met goed onderwijspersoneel, is het van belang
dat we kijken naar de randvoorwaarden voor bekostiging en sociale veiligheid.
Bekostiging: duidelijkheid in bekostiging en structurele bekostiging voor structurele
taken
In het regeerprogramma heeft het kabinet de ambitie opgenomen om structurele taken
structureel te bekostigen. Structurele taken zijn bijvoorbeeld werken aan basisvaardigheden
van leerlingen en personeel. Daarnaast wil het kabinet normen stellen voor het primaire
proces. Zo zorgen we ervoor dat bekostiging in de klas landt. Deze ambities uit het
regeerprogramma werken we nader uit in het Herstelplan. We gaan:
1. De lump sum omvormen tot een bekostiging met normen voor besteding. Er komt een norm
voor de hoeveelheid middelen voor het primaire proces (deze landen in de klas) en
een maximale norm voor overhead. Er kunnen goede redenen zijn waarom de norm niet
gehaald wordt. Er blijft dus ruimte voor maatwerk, maar dan moet dat van goede uitleg
worden voorzien. We zullen de uitzonderingen en uitleg daarbij goed volgen. Ook de
medezeggenschapsraad kan daarop meekijken. Deze maatregel is nodig om het vertrouwen
van leraren – en de politiek – in een verantwoorde besteding van de bekostiging te
borgen.
2. Het uitgangspunt hanteren dat structurele taken structureel bekostigd worden. Dit
is belangrijk om te kunnen werken aan duurzame onderwijsverbetering.
3. Terughoudend omgaan met het verstrekken van subsidies. Het instrument subsidie is
vooral passend als er voor een beperkt aantal scholen of instellingen een taak ligt.
Van de huidige subsidies zal bezien worden welke omgezet kunnen worden in bekostiging
voor scholen.
4. Werken aan het wetsvoorstel gerichte bekostiging. Daardoor wordt het mogelijk om de
middelen voor basisvaardigheden per 2027 te verstrekken aan alle scholen met voorwaarden.
Hierbij moet een goed evenwicht gevonden worden tussen voorwaarden die zorgen voor
grip en de administratieve lasten die scholen ervaren in den brede.
Sociale veiligheid: een veilig leer- en werkklimaat waarin iedereen telt en zichzelf
kan zijn
Een fijne schooltijd draag je je hele leven mee. We weten uit onderzoek dat kinderen
en jongeren zich veilig moeten voelen op school om tot leren te komen. Ook onderwijspersoneel
moet zich veilig voelen om met plezier te werken. Zonder veiligheid en inzet op preventie
is het welbevinden van leerlingen en onderwijspersoneel lager en zijn de inspanningen
om te komen tot goed leren lezen, schrijven en rekenen minder effectief. In het funderend
onderwijs voelt tussen de 95% en 98% van de leerlingen zich veilig. Dat betekent dat
het overgrootste deel van de leerlingen zich gelukkig veilig voelt, maar ook dat dat
helaas nog niet voor iedereen geldt. Sommige groepen, zoals lhbti-leerlingen, voelen
zich minder veilig. Dat mogen we niet accepteren. Dat vraagt ten eerste om een positief
pedagogisch klimaat op scholen middels inzet op preventie. Dat is de belangrijkste
inzet om de veiligheid op scholen te verbeteren en daar zetten we vol op in. Daarnaast
nemen we ook twee maatregelen om situaties waarin het helaas niet goed gaat aan te
kunnen pakken. Ook dat moet immers goed geregeld zijn, ook al gaat er gelukkig veel
goed. Dat leidt tot drie maatregelen:
1. Inzet op preventie en een positief pedagogisch klimaat
Preventie draagt bij aan een positief pedagogisch klimaat waarin leerlingen tot leren
komen, zich optimaal kunnen ontwikkelen en waarmee we voorkomen dat leerlingen elkaar
pesten, hun seksuele oriëntatie moeten verbergen of dat leerlingen verleid worden
tot criminaliteit. Binnen een positief pedagogisch klimaat voelen leerlingen en onderwijspersoneel
zich gezien, veilig en welkom en is er ruimte voor open gesprekken. Ook, of juist,
waar dat soms schuurt. Om die reden gaan OCW en de sociale partners, samen met stichting
School en Veiligheid, onderzoeken hoe we scholen (verder) kunnen ondersteunen bij
het versterken van een positief pedagogisch klimaat op school.
2. Het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt de zorgplicht sociale veiligheid
verder uitgebreid en worden scholen verplicht om het zicht op de veiligheid te vergroten
en tot gedegener veiligheidsbeleid te komen. Het kabinet is voornemens het wetsvoorstel
in de eerste helft van 2025 naar de Tweede Kamer te sturen. Vervolgens zal het wetsvoorstel
naar verwachting per 1 augustus 2026 in werking treden.
3. Intensivering VOG-procedure
In het voorjaar van 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de wens om de VOG-procedure
in het onderwijs aan te scherpen. Op dit moment verkennen wij, samen met de sociale
partners, hoe en onder welke voorwaarden een vorm van continue screening in het funderend
onderwijs mogelijk gemaakt kan worden6. Een keuze voor continue screening heeft de voorkeur omdat dat systeem de meeste
waarborgen voor veiligheid biedt.
Regeldruk en administratieve lasten
Afsluitend is in het regeerprogramma ook opgenomen dat we de regeldruk en administratieve
lasten fors willen verlagen, wat ook kan bijdragen aan focus en het op orde brengen
van de basis. Het totaalpakket aan maatregelen in het Herstelplan zal tegen die achtergrond
worden gewogen. Tevens komt er in 2025 een onderzoek van de Algemene Rekenkamer over
de vermindering van regeldruk en administratieve lasten: ook dat onderzoek kunnen
we goed benutten in onze aanpak.
Tot slot
Met deze brief zijn de eerste kaders geschetst voor de invulling van het Herstelplan.
De komende periode ga ik deze met uiteenlopende partijen uit het onderwijsveld uitwerken.
Hiervoor zullen we volop in gesprek gaan over hoe de basis samen te versterken en
vanuit deze basis toe te werken naar goed onderwijs voor elke leerling.
Ik informeer uw Kamer in het voorjaar 2025 over het Herstelplan onderwijskwaliteit
en kijk uit naar onze gedachtewisselingen hierover met als doel samen te bouwen aan
kwaliteit van onderwijs voor ieder kind.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.L.J. Paul
Indieners
-
Indiener
M.L.J. Paul, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap