Brief regering : Voortgangsbrief Jeugd
31 839 Jeugdzorg
Nr. 1031
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN JUSTITIE
EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 november 2024
Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende
omgeving. Zodat zij zich kunnen ontwikkelen tot volwassenen die met de uitdagingen
van het leven om kunnen gaan. We zien dat heel veel kinderen gebruik maken van jeugdzorg
en gedrag snel gemedicaliseerd wordt, terwijl jeugdzorg lang niet altijd een passende
reactie is. Dit heeft niet alleen impact op de manier waarop kinderen opgroeien, maar
ook op de druk op de jeugdzorg. Dat is niet wenselijk en niet vol te houden naar de
toekomst toe. We moeten meer accepteren dat opgroeien en opvoeden met vallen en opstaan
gaat. Zorgen en problemen bij kinderen moeten zoveel mogelijk binnen de directe omgeving
van het kind worden aangepakt; dat vraag iets van de samenleving als geheel. Kinderen
die het echt nodig hebben moeten kunnen rekenen op tijdig beschikbare en passende
specialistische jeugdzorg. Jeugdhulpprofessionals moeten zich kunnen focussen op die
kwetsbare kinderen, die hun hulp heel hard nodig hebben. Dit is een opgave voor alle
bij de jeugd betrokken partijen; er worden al mooie stappen gezet, maar de noodzaak
om met alle partijen volop samen door te werken aan de beoogde doelen blijft onverminderd
groot. Alleen dan kunnen we het tij keren en onze jeugd beter en veerkrachtiger helpen
opgroeien.
Het Regeerprogramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96) bevat een duidelijke opdracht op het terrein van jeugd: we zetten de uitvoering
van de Hervormingsagenda Jeugd voortvarend door, we vergroten de veiligheid voor kinderen
en verminderen het aantal uithuisplaatsingen.
De trajecten die de afgelopen periode hiervoor in gang zijn gezet, zetten wij stevig
en – waar mogelijk – versneld door om te zorgen dat kinderen en jongeren weerbaar
opgroeien en de meest kwetsbaren tijdig de passende hulp ontvangen die zij zo hard
nodig hebben. Dit moet tevens bijdragen aan een houdbaar stelsel.
In deze brief gaan wij in op de voortgang van de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario
kind- en gezinsbescherming. In bijlage 1 t/m 3 treft uw Kamer daarnaast de volgende
informatie aan:
− Voortgang t.a.v. de verbetering van jeugdzorg (jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen
en jeugdreclassering);
− Beschikbare informatie n.a.v. afgerond onderzoek of advies (waar mogelijk met kabinetsreactie);
− Een reactie op overige moties en toezeggingen;
Daarnaast zijn diverse onderzoeken en de voortgangsrapportage Toekomstscenario kind-
en gezinsbescherming als bijlage aan deze brief toegevoegd.
1. Hervormingsagenda Jeugd
De beste hulp voor een kind vindt plaats binnen het gezin en via andere mensen die
belangrijk voor het kind zijn (zoals sociale omgeving en onderwijs). Naast ouders
en verzorgers, leerkrachten, jongerenwerkers of sportcoaches is het ook een kabinetsbrede
opgave. Het vraagt om een brede gezinsgerichte aanpak. Die aanpak vereist inzet van
volwassenen-ggz als ouders psychische of verslavingsproblematiek hebben. Het vereist
goed inclusief onderwijs, zodat alle jeugdigen mee kunnen doen. Het vereist een gezamenlijke
inspanning te zorgen voor bestaanszekerheid en voldoende goede huisvesting. Het vraagt
om aanpassingen in onze manier van werken in plaats van dat jeugdigen zich aan het
systeem moeten aanpassen.
Jeugdzorg is lang niet altijd een passend antwoord op een probleem dat zich voortdoet
bij het opvoeden en opgroeien. Bovendien bestaat het risico dat we aan elke situatie
een medische diagnose koppelen, waardoor jeugdigen in de zorg terecht komen terwijl
dat niet nodig is en – zo weten we uit ervaring – ze daar weer moeilijk uit komen.
Toch is dit wat we nu zien: een te groot beroep op de overheid voor jeugdzorg. Te
veel jeugdigen maken gebruik van jeugdzorg (bijna 1 op elke 8 kinderen tot 18 jaar).1 Dit moeten we niet willen en het is niet houdbaar voor de toekomst. We hebben hier
simpelweg de jeugdzorgprofessionals en het geld er niet voor.
Het staat buiten kijf dat jeugdigen die het echt nodig hebben, moeten kunnen rekenen
op tijdig beschikbare en passende (specialistische) jeugdzorg. Dit moet goed worden
ingekocht en georganiseerd, zodat de hulpvraag integraal kan worden bekeken, op- of
afschaling gemakkelijk plaatsvindt en de problematiek in samenhang met andere terreinen
(zoals schulden of wonen) kan worden aangepakt. We willen voorkomen dat een jeugdige
van de ene naar de andere wachtlijst wordt verplaatst.
Met de Hervormingsagenda Jeugd richten we ons daarom op drie doelen:
− Jeugdigen groeien weerbaar op – we faciliteren en stimuleren een sterke, elkaar steunende
samenleving met laagdrempelige algemene voorzieningen om jeugdzorg waar mogelijk te
voorkomen;
− Voor de meest kwetsbare jeugdigen is de zorg beschikbaar en passend – we versterken
de organisatie en inkoop van goede specialistische jeugdzorg;
− Het jeugdzorgstelsel moet houdbaar worden voor de toekomst.
We willen een jeugdstelsel dat gebaseerd is op een aantal uitgangspunten:
− We weten allemaal dat vragen en problemen horen bij opvoeden en opgroeien. Idealiter
is er altijd iemand in de buurt die je om advies kunt vragen. Bijvoorbeeld iemand uit je eigen sociale netwerk, iemand op school of bij de sportvereniging.
Dat hoeft niet altijd een expert te zijn.
Eigen netwerk versterken
Een mooie ontwikkeling in het kader van meer gebruik maken van het eigen netwerk is
het schaduwgezin. Een initiatief om kinderen via school te laten spelen bij een gezin
van een klasgenootje om de ouders even te ontlasten.
Een ander voorbeeld is het Mama Café, een informele ontmoetingsplek voor moeders (en
soms ook vaders) om samen te komen, ervaringen uit te wisselen en elkaar te ondersteunen
bij het ouderschap.
− Ook willen we dat áls er een hulpvraag ligt, de jeugdige en het gezin ergens laagdrempelig terecht kunnen met deze vraag (zoals het wijkteam) en dat zij daar de benodigde hulp en ondersteuning kunnen ontvangen
zonder direct doorverwezen te hoeven worden.
− Dit vraagt om een verbetering van de sociale en fysieke omgeving waarin kinderen en
jongeren opgroeien: een sterke pedagogische basis met algemene, vrij toegankelijke
voorzieningen nabij huis en laagdrempelige en toegankelijke stevige lokale teams,
waardoor de veerkracht van gezinnen en jeugdigen kan worden versterkt.2
Wordt de vraag of benodigde jeugdhulp toch complexer? Dan kan er consultatie gevraagd
worden bij de specialistische jeugdhulp, waarbij de regie bij het gezin blijft.
− Het is heel belangrijk dat bij het verkennen van mogelijke oplossingen voor een hulpvraag
naar de bredere context van het gezin wordt gekeken. Dus niet alleen naar de jeugdigen, maar ook naar de omgeving. Jeugdhulp is lang
niet altijd passend; ondersteuning van de ouders via bijvoorbeeld schuldhulpverlening
of inzet van volwassen-ggz kan veel effectiever zijn. Geschat wordt dat dit geldt
voor 40% van de casussen.3
De impact van armoede
Opgroeien in armoede gaat voor kinderen om meer dan het niet hebben van geld en spullen.
Armoede zorgt voor stress bij ouders. Die stress heeft invloed op de keuzes die zij
maken en op het toekomstperspectief van hun kinderen. Ook kan armoede leiden tot sociale
uitsluiting en een lagere eigenwaarde. Er is een aantal beschermende factoren voor
gezinnen in armoede bekend. Door daar met beleid op in te zetten, kunnen gemeenten
helpen de gevolgen van armoede in gezinnen te verzachten.4
– De hulp hoeft ook niet altijd een-op-een te worden geboden. Er zijn diverse voorbeelden van groepsgewijze interventies die effectief, zo niet
effectiever zijn dan individuele interventies.
Groepsgewijze interventies
Denk aan VRIENDEN, een groepstherapie voor angstklachten of Behavioural Parent Training
Groningen, een gedragstherapeutische groepstraining voor ouders van kinderen met ADHD
en gedragsproblemen (zie Interventies bij veelvoorkomende vragen en problemen | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl)
– Mocht specialistische jeugdhulp nodig zijn, dan moet accuraat worden doorverwezen
naar jeugdhulp op de juiste plek. En wordt rekening gehouden met de context van het gezin waarin het kind opgroeit.
En ook hier is het belangrijk het netwerk te blijven betrekken.
Jouw Ingebrachte Mentor
Een mooie ontwikkeling in het kader van het meer gebruik maken van het eigen netwerk
of de informele steunfiguur, is dat er momenteel 1.000 professionals zijn opgeleid
in de Jouw Ingebrachte Mentor (JIM)-aanpak. Er zijn 16 jeugdhulporganisaties aangesloten
bij de JIMpact.5
Dit vraagt een stevige hervorming van het stelsel, maar bovenal een transformatie
in denken over jeugdzorg en anders handelen.
Maatschappelijke dialoog – anders denken en doen
Als 1 op bijna 8 jeugdigen een vorm van jeugdhulp ontvangt, dan is er iets aan de
hand in onze samenleving. Dat kunnen en mogen we niet als een normaal gegeven beschouwen.
Hoe voorkomen we dat zo’n groot beroep wordt gedaan op jeugdhulp? In welke gevallen
accepteren we dat bepaalde situaties en problemen bij het leven horen en wanneer niet?
Daarover gaat de maatschappelijke dialoog die we breed willen voeren.
Wij zetten in op brede bewustwording, agendering en prioritering, en een duidelijk
handelingsperspectief voor alle relevante partijen in de leefwereld van jongeren.
Dat betreft naast henzelf ouders, hun netwerk, professionals, scholen, gemeenten en
Rijk. Het is nodig op een andere manier naar jeugdigen en de interventies die we plegen
te kijken, want is het nodig om op al het gedrag dat net een beetje anders is een
(medisch) label te plakken en daarvoor een individuele interventie in te zetten waarin
de gezinssituatie soms onvoldoende is meegenomen? Of kunnen we in plaats daarvan zorgen
dat iedereen kan blijven meedoen en ruimte bieden voor verschillen? Niet alle hulpvragen
van jeugdigen of ouders hoeven met jeugdhulp beantwoord te worden, maar er moet wel
een alternatief antwoord vanuit de samenleving beschikbaar zijn. Dit kan ook betekenen
we moeten leren te accepteren dat bepaalde situaties en problemen bij het leven horen.
Dit antwoord dienen we met elkaar, vanuit verschillende invalshoeken, verder vorm
te geven.
Onze ambtsvoorgangers zijn al in gesprek gegaan met jeugdigen, ouders, professionals
en andere belanghebbenden. Wij willen deze dialoog breed verder voeren. Gevoed met
wetenschappelijke inzichten en breed gedragen verhalen en ervaringen vanuit gemeenten
die deze dialogen al lokaal zijn gestart. De aanpak bestaat uit drie sporen:
1. Jeugdigen, hun ouders en hun omgeving – een open gesprek met jeugdigen en hun omgeving
over de achterliggende oorzaken van toegenomen mentale druk en problematiek, het ophalen
van mogelijke oplossingen en deze zichtbaar maken, goede voorbeelden delen en handelingsperspectief
bieden. Dit sluit aan bij de «Aanpak mentale gezondheid van ons allemaal» (zie bijlage
1).
2. Professionals – ophalen waar zij tegenaan lopen, goede voorbeelden delen en handelingsperspectief
bieden.
3. Overheid – eerlijke boodschap over waarvoor je wel een beroep op de overheid kunt
doen en waarvoor niet. Daarbij zal in het gesprek met bestuurders de nadruk liggen
op de beoogde lokale transitie. Richting inwoners zal de nadruk liggen op bewustwording
en de zienswijze vanuit de overheid hierop.
Verkenning afbakening jeugdhulpplicht
Hoever reikt de plicht van de gemeente jeugdhulp te bieden? En welke jeugdhulp dan?
In het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zijn afspraken gemaakt over het thema
reikwijdte. Deze vormen deels de inhoud van een wetsvoorstel (zie volgende paragraaf).
Vooruitlopend op dat wetsvoorstel is een verkenning uitgevoerd naar juridische mogelijkheden
binnen de huidige Jeugdwet voor afbakening van deze jeugdhulpplicht door gemeenten,
met name aan de kant van het aanbod. De huidige Jeugdwet kent mogelijkheden voor gemeenten
de reikwijdte af te bakenen. Gemeenten hebben aangegeven behoefte te hebben aan handvatten
om dit goed te kunnen doen. Daarom is een verkenning uitgevoerd die als bijlage bij
deze brief is gevoegd. De verkenning bevat geen uitspraken over de transformatie van
de jeugdhulp of mogelijke aanpassing in de toeleiding naar jeugdhulp, wel geeft de
verkenning een afwegingskader voor gemeenten om binnen de huidige Jeugdwet keuzes
te maken in de reikwijdte van jeugdhulp. De resultaten van deze verkenning zijn meegenomen
bij het opstellen van de modelverordening Jeugdhulp van de VNG die in november wordt
gepubliceerd.
Wetsvoorstel Reikwijdte
Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om de reikwijdte van de jeugdhulpplicht aan
te passen: wanneer kun je wel of geen beroep doen op jeugdzorg. Het beoogt de op pagina
2 van deze brief genoemde uitgangspunten te verankeren in wet- en regelgeving. Het
wetsvoorstel zal onder meer de volgende elementen bevatten:
− De verantwoordelijkheid van gemeenten met betrekking tot het versterken van de sociale
en pedagogische basis en de inzet op preventie wordt benadrukt. Dit moeten gemeenten
doen op basis van een met het veld op te stellen visie.
− De taken van de stevige lokale teams – die integraal kijken, ook over de grenzen van
jeugdhulp heen (schuldhulpverlening, in verbinding met scholen en onderwijs, etc.)
– worden wettelijk verankerd.6 We kijken daarbij ook hoe een consultatiefunctie met de specialisten vanuit de tweede
en derde lijn kan worden verankerd in de wet.
− Een onderscheid tussen een algemene voorziening en een maatwerkvoorziening, waarbij
het de bedoeling is dat meer hulpvragen worden beantwoord met een algemene voorziening
(zo veel mogelijk groepsgewijs).
− Een beschrijving hoe de toeleiding naar maatwerkvoorzieningen eruit gaat zien. De rol van de verschillende verwijzers
zoals huisarts en lokaal team wordt nader bekeken.
Dit ontwerp wetsvoorstel kan naar verwachting in de zomer van 2025 in consultatie
gaan. Op dit moment worden verschillende vraagstukken uitgewerkt, zoals:
− Is het wenselijk en helpend om een minimumniveau voor algemene voorzieningen op te
nemen in de Jeugdwet om een opwaarts effect te voorkomen?
− Op welke manier borgen we de rechtsbescherming op een goede manier wanneer een groot
deel van de voorzieningen vrij toegankelijk wordt?
Versterken van de lokale teams
Het lokale team speelt een belangrijke rol bij de hervorming van het jeugdhulpstelsel.
We zien in het land diverse voorbeelden van stevige (integrale) lokale teams, zoals
in Amsterdam, Delft, Deventer, Groningen, Nijmegen, Oudewater/Montfoort, Sliedrecht,
Utrecht, Woudenberg en Zwolle. Het doel is dat alle gemeenten gaan werken met stevige
multidisciplinaire lokale teams voor jeugdhulp en Wmo die zelf ook hulp leveren.
Een stevig lokaal team
In de gemeente Woudenberg kijkt het lokale team (de Kleine Schans) goed naar of en
zo ja, welke hulp echt nodig is vanuit een integrale blik (jeugdhulp, maatschappelijke
ondersteuning, werk en inkomen, sociale basis, etc.). Het lokale team biedt zoveel
mogelijk zelf (in groepsvorm) hulp, maar verwijst door wanneer dit nodig is. In de
werkwijze stimuleren de professionals van de Kleine Schans inwoners om mensen uit
hun eigen omgeving deelgenoot te maken van wat er speelt. Ze zoeken naar de kortste
weg, zodat mensen zichzelf weer kunnen redden en zelf regie kunnen pakken.
Om gemeenten te ondersteunen heeft de VNG eerder dit jaar het richtinggevend kader
voor toegang, lokale teams en integrale dienstverlening in het sociaal domein vastgesteld.7 In opvolging van dit kader werkt de VNG aan:
− Het convenant stevige lokale teams, waarbij de betrokken partijen vastleggen wat ze
van elkaar mogen verwachten als het gaat om ontwikkelingen rondom lokale teams. De
ondertekening van dit convenant wordt rond de zomer van 2025 verwacht;
− Een Verkenningsinstrument Toegang (VIT) zodat gemeenten zelf kunnen zien waar ze staan
t.o.v. dit kader en welk ondersteuningsaanbod beschikbaar is.
De ontwikkeling van stevige lokale teams ondersteunen we met de Hervormingsagenda
Jeugd op verschillende manieren:
− Het Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd (OZJ) geeft voorlichting en/of advies, ontwikkelt
werkpakketten en levert waar nodig ook coachtrajecten. Inmiddels zijn gesprekken gevoerd
met 36 individuele gemeenten en hebben 18 daarvan aangegeven zelfstandig verder te
kunnen met behulp van de werkpakketten. Verder zijn 14 coachtrajecten gestart of in
voorbereiding. De verwachting is dat de komende periode een fors aantal extra gemeenten
zich aanmeldt voor deze ondersteuning.
− De Associatie Wijkteams organiseert leernetwerken voor professionals in lokale teams
op thema’s zoals veiligheid en de sociale basis.
− O.a. via het samenwerkingsplatform Sociaal Domein zetten we in op het delen van kennis
en inzichten van gemeenten.
Vanuit het Toekomstscenario kind – en gezinsbescherming wordt de Handreiking veiligheid
ontwikkeld. Vanuit dit programma wordt gewerkt aan de beweging van sterke lokale teams
en een regionaal veiligheidsteam.
Integrale aanpak
Jeugdhulp is effectiever of soms niet nodig wanneer er samenhang is met hulp en ondersteuning
aan ouders op andere levensgebieden. Een aantal vraagstukken vraagt om een specifieke
benadering:
− VWS gaat in samenwerking met SZW, JenV, OCW en BZK werken aan (het samenbrengen van)
beleid dat de situatie van gezinnen in een kwetsbare positie verbetert om kinderarmoede
tegen te gaan.
− Om jeugdigen en hun ouders integraal te kunnen ondersteunen is een domein overstijgende
samenwerking essentieel. De VNG biedt gemeenten eind 2024 een ondersteuningsaanbod
aan voor het werken met de doorbraakmethode.
− Het is belangrijk om jongeren te ondersteunen in de overgang naar volwassenheid vanuit
de jeugdhulp. Het OZJ biedt gemeenten en regio’s vanuit de landelijke aanpak 16–27
ondersteuning gericht op alle terreinen van de big five.8 Dit doen ze o.a. via intensieve ondersteuningstrajecten (Rotterdam, Smallingerland,
Eindhoven), laagdrempelige consultatie- en adviesfunctie, kennissessies en webinars
via o.a. het landelijk gemeentelijk netwerk 16–27.9 Deze aanpak is voornamelijk gericht op de residentiële jeugdhulp.
− Om zorg en ondersteuning voor jeugdigen (en hun ouders) met een levenslange en levensbrede
ondersteunings- en zorgvraag te verbeteren loopt er het volgende:
○ Het NJi en Kenniscentrum LVB brengen momenteel in kaart welke kennis beschikbaar is.
Dit overzicht leveren zij eind van dit jaar op;
○ NJi en Kenniscentrum LVB gaan actieonderzoek uitvoeren om in kaart te brengen hoe
gemeenten kunnen worden ondersteund in het bieden en organiseren van deze ondersteuning
en zorg. We verwachten de resultaten in de zomer van 2025;
○ Daarnaast ontwikkelen Nji en het Kenniscentrum LVB een toekomstgericht perspectiefplan.
We verwachten de resultaten in de zomer van 2025.
○ Ook blijven we werken aan verdere implementatie van het VN-verdrag handicap, ook naar
aanleiding van de «concluding observations» van het VN-comité. Hierbij betrekken we
jeugdigen, ouders, ervaringsdeskundigen en hun vertegenwoordigende organisaties in
het ontwikkelen, uitvoeren en monitoren van beleid.
Beschikbare en kwalitatief goede specialistische jeugdhulp
Het streven is dat door de druk op de jeugdhulp te verminderen met bovenstaande maatregelen,
er meer ruimte is voor hulp aan jeugdigen en gezinnen met meer complexe hulpvragen.
Voor deze jeugdigen en ouders/verzorgers moet tijdige en passende hulp beschikbaar
zijn die zo goed mogelijk aansluit bij hun eigen leefwereld. In dat kader nemen we
een groot aantal maatregelen.
a. Zorg is passend en effectief
Beroepsverenigingen, opleidingen en jeugdhulporganisaties werken in de praktijk voortdurend
aan het verbeteren van kwaliteit van de jeugdhulp. Het is daarnaast belangrijk professionals
te faciliteren bestaande kennis toe te passen in de praktijk, in een lerende omgeving.
Onze ambitie is dat in 2028:
− De jeugdhulp kan bouwen op een stevige gezamenlijke structuur en cultuur waarin voortdurend
leren en veranderen vanzelfsprekend is;
− Van een substantieel deel van de jeugdhulp is vastgesteld wat helpt en dat dit in
de praktijk wordt toegepast en dat hetgeen aantoonbaar niet werkt, niet meer wordt
toegepast10;
− Voor belangrijke delen van de jeugdhulp kwaliteitskaders bestaan.
In de Hervormingsagenda Jeugd zijn daarom afspraken gemaakt om kwaliteit van de jeugdzorg
te verbeteren en kennis over kwaliteit en effectiviteit in de praktijk beter toe te
passen, rekening houdend met de context, de leefwereld van een gezin en wijk, gemeente
of regio. Daartoe is de werkorganisatie Kennis en Blijvend Leren (KBL) van en voor
professionals opgezet. In die werkorganisatie werken inhoudsdeskundigen vanuit het
perspectief van jongeren en ouders, professionals, organisaties, gemeenten, kennis,
onderzoek en innovatie met elkaar samen.
De werkorganisatie heeft de afgelopen periode een analyse op bestaande kwaliteitsstandaarden
uitgevoerd (richtlijnen, zorgstandaarden, generieke modules en kwaliteitskaders) en
zet met partners vervolgstappen om daarin tot samenhang en gezamenlijkheid te komen.
Daarnaast verkent KBL met het werkveld en bestaande bewegingen, programma’s en netwerken
wat nodig is de komende jaren, wat al gaande is op het vlak van leren en kwaliteit
en hoe dit versterkt kan worden. Op basis van die verkenning komt KBL eind 2024 met
een Leeragenda waarin is opgenomen waar het veld de komende tijd aan gaat werken voor
de verbetering van kwaliteit en blijvend leren.
b. Organisatie en inkoop van de specialistische jeugdzorg wordt verbeterd
Om te zorgen dat (hoog)specialistische jeugdzorg voor de meest kwetsbare jeugdigen
en gezinnen tijdig beschikbaar en passend is, is in de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken
dat we deze op regionaal en landelijk niveau gaan inkopen. Daarom werken wij onverminderd
door aan de benodigde wet- en regelgeving.
− Het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, dat op 25 april jl. bij uw Kamer is ingediend,
is een belangrijke stap ter invulling van deze afspraken. Hiermee beoogt de regering
knelpunten weg te nemen die het gevolg zijn van het gebrek aan (robuuste) regionale
samenwerking en contractering. Het wetsvoorstel voorziet in:
○ Een verplichting voor gemeenten om specialistische jeugdzorg regionaal in te kopen;
○ Harmonisering van de administratieve processen bij de inkoop van deze specialistische
jeugdzorg zodat de administratieve lasten voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde
instellingen verminderen;
○ Verplichtingen over de bestuursstructuur en financiële bedrijfsvoering voor jeugdhulpaanbieders
en gecertificeerde instellingen;
○ Het regelen van onderzoekstaken voor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op het terrein
van de Jeugdwet. Deze onderzoekstaken beogen de beschikbaarheid van jeugdzorg beter
in beeld te krijgen en risico’s voor de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg
sneller te signaleren. Daarnaast zal de NZa toezicht houden op de verplichtingen ten
aanzien van de financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde
instellingen.
De eerstvolgende stap is de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel
waarin de door uw Kamer gestelde vragen beantwoord worden. We streven ernaar deze
uiterlijk voor het kerstreces naar uw Kamer te zenden.
− In het ontwerpbesluit Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (hierna: het ontwerpbesluit) is de regio-indeling
vastgelegd en zijn de vormen van jeugdhulp aangewezen die – net als kinderbeschermingsmaatregelen
en jeugdreclassering – minimaal regionaal moeten worden ingekocht. Het ontwerpbesluit
is tijdens de zomer van 2024 ter internetconsultatie voorgelegd. Daarnaast zijn de
IGJ, JenV, VNG en NZa gevraagd de uitvoerbaarheid van dit ontwerpbesluit te toetsen.
Deze uitvoeringstoetsen en de resultaten van de internetconsultatie worden momenteel
verwerkt waarna wij het ontwerpbesluit bij uw Kamer en de Eerste Kamer voorhangen.
We streven ernaar dit ontwerpbesluit parallel aan de beantwoording van de schriftelijke
vragen bij het wetsvoorstel voor het Kerstreces aan uw Kamer te sturen. Nadien zal
het ontwerpbesluit ter advisering worden voorgelegd aan de Raad van State.
De portefeuillehouders Jeugd van alle regio’s zijn voorafgaand aan de internetconsultatie
van het ontwerpbesluit geïnformeerd over de voorgenomen nieuwe regio-indeling en de
gevolgen van het wetsvoorstel voor de regionale samenwerking. We zien dat diverse
regio’s inmiddels werken aan het versterken en formaliseren van hun regionale samenwerking.
Met een aantal regio’s voeren wij in het najaar vervolggesprekken over de verdere
versterking van hun bestuurlijke en organisatorische slagkracht die nodig is om daadwerkelijk
een cruciale rol te kunnen spelen in het bevorderen van de beschikbaarheid van specialistische
jeugdzorg.
Duurzame samenwerking
De zeven Gelderse jeugdregio’s werken als G7 bovenregionaal samen met aanbieders en
andere betrokkenen aan duurzame transformatie van de Gelderse jeugdhulp. Op basis
van een gezamenlijke visie organiseren deze regio’s met elkaar het opdrachtgeverschap
voor een aantal «essentiële functies» om de beschikbaarheid en bereikbaarheid van
hoog specialistische jeugdhulp te verbeteren en zo kwetsbare jeugdigen en gezinnen
in Gelderland op tijd passende hulp te bieden. Vanaf 1 januari 2025 wordt de hoog
specialistische jeugdhulp in heel Gelderland geboden door een samenwerkingsverband.
De bedoeling hiervan is dat er geen kind meer tussen wal en schip valt. Als één van
de aanbieders de zorg niet alleen kan leveren, werken de aanbieders samen om het kind
en het gezin toch te helpen. Kinderen krijgen integrale zorg en die zorg is zo thuis
mogelijk. Ook willen zij sneller passende zorg bieden waardoor er minder beroep nodig
is op de hoog specialistische zorg. Dit zal naar verwachting ook leiden tot het terugbrengen
van het aantal gesloten plaatsingen.
Het proces voor invulling van de landelijke inkoop is onder regie van de VNG ingezet.
Dit geldt ook voor de invulling van de afspraken over regie op bovenregionale transformatievraagstukken
en het traject rondom het voorkomen van residentiële jeugdhulp. Er is een onderzoek
gestart naar de doorontwikkeling van de landelijke inkoop waarin ook de invulling
van de zorglandschapstafel voor 2024 wordt meegenomen. Dit onderzoek is naar verwachting
eind 2024 gereed. Besluitvorming over de landelijk in te kopen zorgvormen is voorzien
in de Algemene Leden Vergadering van de VNG in het voorjaar van 2025.
Wetsvoorstellen versterken elkaar
Het streven is dat de stevige lokale teams op termijn een groot deel van de jeugdhulpvragen
beantwoorden door zelf hulp te bieden, breed de verbinding te zoeken met de sociale
basis, schuldhulpverlening, onderwijs en andere domeinen, zodat een integraal hulpaanbod
ontstaat. Dit maakt onderdeel uit van het wetsvoorstel tot aanpassing van de reikwijdte
van de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet. In die gevallen waarin hulp vanuit het lokale
team ontoereikend is én een maatwerkvoorziening nodig is, moet voldoende aanbod van
specialistische jeugdhulp beschikbaar zijn. Het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid
jeugdzorg beoogt knelpunten weg te nemen bij de inkoop van specialistische jeugdzorg.
Een bepaald aantal vormen van zorg zal minimaal ingekocht moeten worden op regionaal
niveau om de beschikbaarheid van deze specialistische jeugdzorg te garanderen. Ook
zal specialistische hulp zoveel mogelijk moeten aansluiten bij de context en leefwereld
van het kind en gezin. Hiermee versterken beide wetsvoorstellen elkaar. We laten deze
wetsvoorstellen goed op elkaar aansluiten, maar ze lopen hun eigen traject en kunnen
los van elkaar behandeld worden om vertraging in de uitvoering te voorkomen.
c. Forse vermindering van de administratieve lasten – meer tijd voor jeugdzorg
Het streven van dit kabinet is om de administratieve lasten fors te verminderen. Dit
doen wij door in te zetten op twee onderdelen, die ook zijn beschreven in de Hervormingsagenda
Jeugd:
− Opstellen van landelijke standaarden voor contracteren, registreren, declareren en
verantwoorden van specialistische jeugdzorg;
− Harmonisatie en standaardisatie van de administratieve processen bij de verplichte
regionale samenwerking.
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat er landelijke standaarden komen voor
het contracteren, registreren, declareren en verantwoorden van de jeugdzorgvormen
die ten minste op regionaal niveau worden gecontracteerd of gesubsidieerd. Om dit
mogelijk te maken werken wij momenteel aan:
− Een uniforme set aan begrippen en een gelimiteerde set aan producten;
− Die worden vertaald in onder meer één productcodelijst, een gelimiteerde set aan registratie-
en declaratieregels en een controleprotocol;
− Deze standaarden worden vervolgens vertaald naar de ICT-systemen die nu worden gebruikt;
− Een belangrijke wijziging ten opzichte van nu is dat de standaarden formeel worden
vastgesteld en centraal worden onderhouden.
Dit zorgt ervoor dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen deze zorg
maar op één manier hoeven te registreren, declareren en verantwoorden. Dit leidt tot
een verlaging van de regeldruk én zorgt gelijktijdig voor een beter (landelijk) inzicht
in de beschikbare data, zoals bijvoorbeeld wachttijden. Ook zullen professionals hierdoor
minder tijd kwijt zijn aan administratieve lasten, doordat het aantal eisen vanuit
gemeenten, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zal afnemen.
Het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg bevat de verplichting voor
gemeenten om de Jeugdregio verantwoordelijk te maken voor de contractering of subsidiering
van verschillende specialistische jeugdhulpvormen en gecertificeerde instellingen.
Ook wordt de Jeugdregio verantwoordelijk voor – bij ministeriële regeling te bepalen
– administratieve processen. Dit levert een vermindering van lasten en regeldruk op,
doordat:
− Individuele gemeenten deze werkzaamheden niet meer zelf hoeven uit te voeren;
− Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen met minder partijen gesprekken
voeren over af te sluiten contracten en de uitvoering van de in het contract gemaakte
afspraken;
− De contracten die de Jeugdregio ten behoeve van de gemeenten in de regio sluiten géén
andersluidende voorwaarden per gemeente bevatten. Een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde
instelling heeft dus nog maar met één set voorwaarden te maken voor alle gemeenten
in een regio;
− Er stabiele en duurzame samenwerkingsrelaties tussen gemeenten in de regio ontstaan
én de mogelijkheid ontstaat om duurzame samenwerkingsrelaties aan te gaan met jeugdhulpaanbieders
en gecertificeerde instellingen.
Onderzoeken open house en taakgerichte inkoop
Gemeenten hebben onder meer als taak om voldoende kwalitatief goede jeugdzorg in te
kopen en daarbij aanbieders te selecteren die in staat zijn dit te bieden. Gemeenten
kunnen dit op verschillende manieren doen, bijvoorbeeld via aanbesteden, een open
house constructie en subsidies.
Recent is een onderzoek opgeleverd waarin uitvoerig onderzocht is welke invloed de
open house methode heeft op onder meer de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid
van de jeugdzorg. Dit onderzoek treft u als bijlage bij deze brief aan. Conclusie is dat het belangrijk is dat gemeenten weten hoe ze
aan de voorkant duidelijke voorwaarden kunnen stellen aan jeugdzorgaanbieders. Verder
blijkt uit het onderzoek dat de inkoopmethode open house zelf niet de oorzaak is van
problemen als excessieve winsten of een groot aantal aanbieders zoals we soms in de
praktijk zien. Gezien deze conclusie zullen wij inzetten op het ondersteunen van gemeenten
bij het maken van een keuze voor een inkoopmethode en het goed toepassen hiervan.
Daarnaast is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de merites van de taakgerichte
uitvoeringsvariant, waarbij gemeenten afspraken met jeugdzorg-aanbieders maken voor
het uitvoeren van jeugdzorg voor een gehele populatie of een gebied. Een soortgelijk
onderzoek is gedaan voor de Wmo 2015. De uitkomsten van beide onderzoeken zijn gelijkluidend.
Ook deze onderzoeken treft u als bijlagen bij deze brief aan. Anders dan bij de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant wordt
bij de taakgerichte uitvoeringsvariant op een hoger abstractieniveau gecontracteerd,
gedeclareerd en verantwoord. Dit vraagt om vertrouwen tussen de gemeente en de jeugdzorgaanbieder.
Uit het verkennend onderzoek blijkt dat gemeenten het lastig vinden om een uitvoeringsvariant
te kiezen die aansluit bij de visie van de gemeente. Daarom zetten wij in op het ondersteunen
van gemeenten bij de keuze voor een uitvoeringsvariant en het goed toepassen hiervan.
d. Transformatie gesloten jeugdhulp11
Jeugdigen met complexe problemen die veiligheid en bescherming nodig hebben verdienen
passende hulp. Dat vraagt om een transformatie van de gesloten jeugdhulp: de af- en
ombouw van de huidige gesloten jeugdhulp en de opbouw van alternatieven. Dat is meer
dan een vastgoedtransitie. Het gaat om betere en liefdevolle zorg voor jeugdigen die
een intensieve zorgbehoefte hebben. Tegelijk moeten we de ogen niet sluiten voor het
feit dat het soms nodig is dat medewerkers vrijheden van jeugdigen beperken bijvoorbeeld
indien jeugdigen tegen zichzelf beschermd moeten worden. Dat zijn bijvoorbeeld situaties
waarin vrijheidsbeperkende maatregelen noodzakelijk kunnen zijn, zoals dreiging van
automutilatie of suïcide, gevaar of onveiligheid uitgaande van zogeheten «loverboys»
of gevaar vanwege verslavingsproblematiek. Vrijheidsbeperking mogen ze doen bij jeugdigen
met een machtiging gesloten jeugdhulp. Hierbij is het uitgangspunt «nee, tenzij.»
Hieronder beschrijven we de stand van zaken van de transformatie van de gesloten jeugdhulp
en gaan daarbij specifiek in op het erkenningstraject ZIKOS.
Het aantal unieke plaatsingen in de gesloten jeugdhulp is in het eerste half jaar
van 2024 verder gedaald.12 Uit de meest recente monitor JeugdzorgPlus van de Jeugdautoriteit blijkt dat de capaciteit
en de bezettingsgraad van de instellingen voor gesloten jeugdhulp stabiel blijven.13 Dat laatste is te verklaren door het feit dat jongeren die in de eerste helft van
2024 uitgestroomd zijn, langer in de gesloten jeugdhulp verbleven vergeleken met dezelfde
periode in 2023.
De Jeugdautoriteit ziet ook een stijging van het aantal hybride voorzieningen. Dit
zijn voor gesloten jeugdhulp geregistreerde accommodaties waar jeugdigen met en zonder
machtiging gesloten jeugdhulp verblijven. Ook ziet de Jeugdautoriteit bij de voor
gesloten jeugdhulp geregistreerde aanbieders een forse stijging van plaatsingen met
24-uurs begeleiding (1:1) als alternatief voor een plaatsing in een accommodatie voor
gesloten jeugdhulp.
Met deze brief heeft u het Eindrapport Af- en ombouw JeugdzorgPlus van de Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ontvangen. Daarmee heeft de IGJ haar in 2023 begonnen
toezicht op de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp afgerond. De belangrijkste
bevindingen zijn:
1. Het lukt nog onvoldoende tijdig een «verklarende analyse» op te stellen op basis waarvan
een jeugdige in de context van zijn/haar gezin eerder passende hulp krijgen en een
(gesloten) plaatsing voorkomen wordt.
2. De kwaliteit van hulp binnen de gesloten jeugdhulp is niet op orde en onvoldoende
passend. Er zijn wel verbeteringen op aspecten waarop aanbieders zelf invloed hebben.
Dat ziet de IGJ niet op aspecten waar de aanbieders afhankelijk zijn van ketenpartners
of gemeenten.
3. Buiten de gesloten jeugdhulp is onvoldoende passende hulp beschikbaar voor jeugdigen
met een complexe problematiek.
4. De samenwerking tussen aanbieders van jeugd- en opvoedhulp, jeugd-ggz, jeugd-LVB,
forensische zorg en verslavingszorg moet beter.
5. Het decentrale stelsel is niet helpend in de besluitvorming over af- en ombouw en
de opbouw van alternatieven.
Deze bevindingen van de IGJ zijn herkenbaar. Ze tonen dat de verdere af- en ombouw
van gesloten jeugdhulp en de opbouw van passende alternatieven, zoals de IGJ schrijft,
slagkracht vragen. Tegelijkertijd is zorgvuldigheid vereist omdat het gaat om kwetsbare
jeugdigen met complexe problemen die veiligheid en bescherming nodig hebben. De alternatieve
vormen van zorg en huisvesting zijn nog in ontwikkeling en het kost tijd die vormen
te vinden die passend zijn voor deze jeugdigen. Ook moet goed gekeken worden naar
de financiële en maatschappelijke gevolgen van de transformatie van de gesloten jeugdhulp.
Een groot deel van de knelpunten die ook de IGJ nu naar voren brengt in het eindrapport,
was de aanleiding te komen tot hernieuwde bestuurlijke afspraken tussen Rijk, gemeenten
en aanbieders (afgesloten in juni 2024). Voor de uitvoering van die afspraken komt
een landelijk programma om partijen die betrokken zijn bij deze transformatie te ondersteunen
in de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp en de opbouw van passende alternatieven.
Hieronder gaan wij nader in op bovenstaande bevindingen van de IGJ.
1. Verklarende analyse
Eén van de bestuurlijke afspraken is dat altijd een gedeelde verklarende analyse is
opgesteld indien sprake is van een gesloten plaatsing: samen met de jongere en de
omgeving verklaren welk oorzaken aan hun problemen ten grondslag liggen en blijven
om daarna te bepalen wat nodig is. Een gedeelde verklarende analyse draagt er ook
aan bij dat het aantal spoedplaatsingen omlaag gaat. In veel landsdelen is hier reeds
door de Bovenregionale Expertisenetwerken ingezet op trainingen van professionals
en ondersteuning van partijen om tot een goede verklarende analyse te komen. Het bovengenoemde
ondersteuningsprogramma gaat dit jaar met de verwijzers, de Bovenregionale Expertisenetwerken
(BEN’s), Regionale expertteam (RET’s) en de opleidingsinstituten in gesprek over wat
nodig is om steeds meer professionals op te leiden in het opstellen van de verklarende
analyse. Ook worden afspraken gemaakt over wie de verklarende analyse gaan opstellen en hoe de samenwerking met de aanbieders eruit
gaat zien.
2. Kwaliteit van hulp binnen gesloten jeugdhulp
De IGJ ziet dat op onderdelen de kwaliteit verbeterd is:
− de aanpak van wachtlijsten;
− het niet meer standaard insluiten van jeugdigen op hun kamer;
− het verwijderen van generieke afspraken in de huisregels die vrijheidsbeperkend zijn.
Dit zijn vooral onderdelen die de aanbieders zelf kunnen verbeteren. Waar andere partijen
nodig zijn slagen zij er nog niet in de noodzakelijke verbeteringen op te pakken,
aldus de IGJ. Dat is inderdaad het geval bij ketenpartners als het gaat om de aansluiting
van de hulp met het onderwijs of het organiseren van vervolghulp. En bij de opdrachtgevers
als het gaat om het organiseren van de juiste randvoorwaarden, zoals financiële zekerheid
en zekerheid over het voortbestaan van de locatie. Ook op deze punten zijn in juni
jl. bestuurlijke afspraken gemaakt. De bestuurlijk aanjager monitort deze afspraken
en spoort waar nodig partijen aan de afspraken na te komen. De bestuurlijk aanjager
hebben wij gevraagd daarop actief toe te zien.
In 2024 zijn de wijzigingen van de Jeugdwet in werking getreden die tot doel hebben
de rechtspositie van jeugdigen in de gesloten jeugdhulp te verbeteren en de inzet
van vrijheidsbeperkende maatregelen te verminderen. Dat zijn hele belangrijke doelstellingen.
Tegelijk zien we dat medewerkers tegen knelpunten aanlopen bij de implementatie van
de wetswijzigingen. De IGJ constateert dan ook dat het de aanbieders nog niet lukt
deze wijzigingen op alle punten na te komen. Wij delen de mening van de IGJ dat normafwijking
niet langer mag voortduren, ook al omdat de instellingen mede op basis van hun eigen
veldnormen voldoende tijd hebben gehad zich op deze wijzigingen van de Jeugdwet voor
te bereiden. Echter, over één knelpunt willen wij met de aanbieders en de IGJ in gesprek
gaan. Het betreft insluitingen op de eigen kamer die niet meer zijn toegestaan. Hoewel
de aanbieders ook in de eigen veldnormen hebben opgenomen dat insluiting in de eigen
kamer niet is toegestaan, laat de praktijk zien dat sommige instellingen incidenteel
jeugdigen insluiten op hun kamer omdat anders juist zeer onveilige situaties zouden
ontstaan. Dit is het geval bij noodsituaties of seksueel grensoverschrijdend gedrag
tussen de jeugdigen in de instelling. Wij gaan in gesprek met de aanbieders en de
IGJ hoe hiermee om te gaan en te zorgen voor een veilige omgeving in de instellingen
voor zowel de jeugdigen als de medewerkers.
3. Hulp buiten gesloten jeugdhulp voor complexe problematiek
De IGJ constateert dat buiten de gesloten jeugdhulp onvoldoende goede en passende
hulp beschikbaar is voor jeugdigen met complexe problematiek. Dit heeft te maken met
het feit dat aanbieders in de open jeugdhulp vrijheidsbeperkende maatregelen inzetten
zonder dat dit wettelijk is toegestaan. Recent heeft u de beleidsreactie op het RSJ-advies
Vrijheidsbeperkende maatregelen in de open residentiële jeugdhulp gekregen. De komende
vier maanden vindt het maatschappelijk gesprek plaats over de dilemma’s die verbonden
zijn aan het mogelijk maken van vrijheidsbeperkende maatregelen in de open jeugdhulp.
Daarna informeren wij u over de uitkomsten en ons definitieve standpunt op het advies.
4 Samenwerking tussen aanbieders
De oproep van de IGJ dat de samenwerking tussen aanbieders van jeugd- en opvoedhulp,
jeugd-ggz, jeugd-LVB, forensische zorg en verslavingszorg beter moet, onderschrijven
wij volkomen. Want alleen als die samenwerking verbetert lukt de transformatie van
de gesloten jeugdhulp.
− Wij hebben de bestuurlijk aanjager gevraagd hier bij de uitvoering van de bestuurlijke
afspraken prioriteit aan te geven. Want met de aanbieders gesloten jeugdhulp hebben
we afgesproken dat zij actief met de hierboven genoemde collega-aanbieders gaan samenwerken.
Wij verwachten van de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ), mede-voorbereider
van de Hervormingsagenda Jeugd, leiderschap.
− Er zijn al diverse voorbeelden van gemeenten en aanbieders die hierin stevige stappen
zetten. Bijvoorbeeld een intensieve samenwerking tussen een GGZ en gesloten jeugdhulpaanbieder
door middel van een uitwisseling van een psychiater. Of een aanbestedingstraject waarbij
een coalitie van aanbieders met verschillende expertise de taak krijgen om gezamenlijk
hulp te bieden voor jongeren met complexe problematiek. De bestuurlijk aanjager gaat
met de BGZJ in gesprek hoe dit ook landelijk steviger kan worden vormgegeven.
− Versterking van pleegzorg en andere gezinsgerichte en kleinschalige vormen van verblijf
is gewenst om jeugdigen een passende verblijfsplek te bieden buiten de gesloten of
grote, open residentiële jeugdhulp. Het komende halfjaar willen we gebruiken om de
transformatie van de gesloten jeugdhulp te verbreden naar de overige residentiële
jeugdhulp.
5. Af- en ombouw in decentraal stelsel
Tot slot willen wij als stelselverantwoordelijken onze ogen niet sluiten voor de uitdagingen
die het decentrale stelsel geeft voor de transformatie van de gesloten jeugdhulp.
Samen met VNG en Jeugdzorg Nederland heeft het Rijk de landelijke regie verstevigd.
Gedrieën zijn wij opdrachtgever van het uitvoeringsprogramma van de bestuurlijke afspraken.
Onderdeel daarvan is dat in vervolg op de eerder uitgebrachte quick scan over de forensische
doelgroep in de gesloten jeugdhulp een onderzoek start om op onderdelen van de quick
scan een verdiepingsslag te maken om te kunnen bepalen welk alternatief aanbod nodig
is en hoe gezorgd kan worden voor de beschikbaarheid daarvan. Het onderzoek gaat o.a.
over de kenmerken en cijfers van de doelgroep, en kenmerken en knelpunten in bestaande
zorgvormen, waaronder de gesloten jeugdhulp. Voor deze doelgroep met vaak een complexe/specialistische
zorgvraag is specifieke aandacht nodig om te voorkomen dat deze jongeren in criminaliteit
terechtkomen of daarin verder afglijden. Onder landelijke regie komt er onder andere
een landelijk af- en ombouwplan, een landelijk orgaan dat besluiten neemt en worden
gemeenten en aanbieders ondersteund bij de transformatie.
De transformatie heeft ingrijpende financiële gevolgen.
− Wij zijn – conform de bestuurlijke afspraken van juni 2024 – bezig met het vormgeven
van een regeling om de coördinerende gemeenten tegemoet te komen in de frictiekosten
bij de af- en ombouw. Daarmee geven wij tevens invulling aan de coalitie-afspraak
om de gesloten jeugdhulp versneld af te bouwen. Deze SPUK is nog dit jaar voor gemeenten
beschikbaar.
− Daarnaast vindt onderzoek plaats naar de structurele toekomstige kosten van het alternatieve
zorgaanbod voor de huidige doelgroep van de gesloten jeugdhulp. Dat is ingegeven door
signalen dat de alternatieven voor gesloten jeugdhulp (mogelijk) duurder zijn dan
de huidige gesloten jeugdhulp. De eerste resultaten zijn naar verwachting begin 2025
beschikbaar. Na afronding van het onderzoek worden de resultaten in samenhang met
de doelstellingen van de Hervormingsagenda Jeugd bezien en besproken.
− Als ontvangers van de uitkering voor de frictiekosten spelen de coördinerende gemeenten
een cruciale rol in de transformatie. Zij hebben een coördinerende rol binnen hun
landsdeel. VNG en Rijk onderzoeken de mogelijkheden voor het versterken van de bovenregionale
samenwerking en afstemming waaronder positie (zoals het organiseren van mandaat) van
coördinerende gemeente in de landsdelen. Dit gebeurt in samenhang met de opdracht
die een groot aantal van deze coördinerende gemeenten hebben voor de organisatie van
een bovenregionaal expertisenetwerk. Deze expertisenetwerken hebben als missie om
te voorkomen dat jeugdigen met complexe hulpvragen tussen wal en schip vallen. Vanuit
een onafhankelijke positie ondersteunen ze de jeugdhulpregio’s en de regionale expertteams
om samen met jeugdigen, ouders, hulpverleners en gemeenten oplossingen te vinden.
Erkenningstraject ZIKOS
Het rapport «Eenzaam gesloten» van Jason Bhugwandass bevat indringende getuigenissen
van jongeren over hun verblijf op ZIKOS, bedoeld voor jongeren van 12–18 jaar met
complexe en meervoudige gedragsproblemen in combinatie met acute psychiatrische crisis.
Deze jongeren geven aan geen veiligheid en support te hebben gehad, waar zij het wel
nodig hadden. Dat raakt ons en dit nemen wij zeer serieus. Zoals toegezegd informeren
wij u in deze brief over de verdere uitwerking van het traject van erkenning van het
leed van jongeren die verbleven op twee ZIKOS-afdelingen.14 Wij willen daarbij allereerst benadrukken dat dit proces van erkenning tijd vraagt
om tot een zorgvuldige afweging te komen van de volgende stappen.
De twee ZIKOS-afdelingen zijn inmiddels gesloten. Alle jongeren die er verbleven tijdens
publicatie van het rapport zijn uitgestroomd naar een passende plek elders, met medewerking
van het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Onze voorgangers hebben een begin
gemaakt met een erkenningstraject voor jongeren die op deze afdelingen verbleven hebben.
Wij gaan daar voortvarend mee verder.
Zo heeft de Staatssecretaris JPS onder andere een bezoek gebracht aan de locatie Pactum
Zetten waar zich één van de ZIKOS-afdelingen bevond. Hier heeft hij gesproken met
jongeren en professionals over het verblijf en werken in de ZIKOS. Dit waren eerste
indrukwekkende gesprekken en de intentie is om meerdere gesprekken te voeren met jongeren
die binnen ZIKOS en de gesloten jeugdhulp hebben verbleven.
Eén van de aanbevelingen in het rapport «Eenzaam gesloten» was een onderzoek naar
hoe het komt dat niet eerder ingegrepen is. Dit bereiden wij nu voor en willen hier
zo snel mogelijk mee starten. Tegelijkertijd vinden wij het belangrijk zorgvuldig
onderzoek te laten doen. Een dergelijk onderzoek is omvangijker dan aanvankelijk voorzien
en moet worden aanbesteed. Daarom verwachten wij de resultaten van dit onderzoek pas
in het najaar van volgend jaar, in tegenstelling tot de eerdere inschatting die met
u is gecommuniceerd.
Ondertussen verkennen wij met jongeren die zich niet veilig hebben gevoeld op ZIKOS
mogelijkheden support en ondersteuning te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van praktische
begeleiding bij vragen waar jongeren in het dagelijks leven tegen aan lopen en lotgenotencontact
en activiteiten. Dit moet resulteren in activiteiten die helpend zijn voor jongeren.
Dit werken wij verder uit in samenwerking met jongeren, het OZJ, stichting Het Vergeten
Kind en de VNG.15
Wij willen nogmaals benadrukken dat dit proces van erkenning tijd vraagt om tot een
zorgvuldige afweging te komen van de volgende stappen. Hierbij betrekken we het leed
van de jongeren, wat dat van ons vraagt en welke conclusie de overheid daaraan verbindt.
De moties-Dobbe (SP) en Westerveld (GL-PvdA) nemen wij daarin tevens mee.16,
17 Over de verdere uitwerking van dit traject informeren wij uw Kamer in de volgende
voortgangsbrief Jeugd.
Reflectie IGJ
Het rapport «Eenzaam gesloten» was voor de IGJ aanleiding te reflecteren op het eigen
toezicht op ZIKOS-afdelingen. Het heeft de IGJ ook niet onberoerd gelaten dat zij
de bevindingen uit het rapport «Eenzaam gesloten» in het eigen toezicht niet heeft
gezien. De resultaten van deze reflectie zijn met deze brief meegestuurd (zie bijlage).
In deze reflectie is onder andere gekeken naar hoe de IGJ omgaat met signalen en meldingen,
zoals verzocht in de motie Synhaeve.18 De IGJ stelt in haar reflectie terecht dat de overheid als taak en verantwoordelijkheid
heeft kwetsbare jeugdigen te beschermen. Het is verschrikkelijk dat juist deze kinderen
zich tijdens hun verblijf op een ZIKOS-afdeling niet veilig hebben gevoeld en mogelijk
trauma’s hebben opgelopen die impact hebben op de rest van hun leven. De IGJ betreurt
het zeer dat zij dit niet heeft gezien en met haar toezicht niet tijdig heeft kunnen
ingrijpen.
De reflectie is aanleiding voor de IGJ het proces van melden door jeugdigen bij het
Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) te verbeteren. Het LMZ behandelt elk signaal aan de
hand van een aantal vaste criteria. Zo bekijkt het LMZ bijvoorbeeld:
− of het gaat om een situatie die duidt op een mogelijke misstand;
− een ernstige bedreiging is of kan betekenen voor de veiligheid van de jeugdige;
− of het signaal gaat over een situatie die een jeugdhulpaanbieder zelf bij de IGJ had
moeten melden.
Sinds 2023 legt de IGJ vast wanneer een jeugdige zelf contact opneemt om dit beter
te kunnen monitoren. Op het moment dat een jeugdige nu contact opneemt met het LMZ,
wordt binnen 48 uur contact gezocht met de jeugdige. Wanneer een klacht de gesloten
jeugdhulp betreft, stemt het LMZ deze vanaf nu altijd af met de betrokken inspecteurs.
Dit draagt bij aan een zorgvuldigere beoordeling van de (samenhang tussen) signalen
en meldingen over een jeugdhulpaanbieder. Iedere melding kan een onderdeel zijn van
een patroon. De IGJ beoordeelt alle signalen en meldingen, en maakt daarin afwegingen
welke vervolgstappen te nemen. Een negeerverbod, zoals geopperd in bovengenoemde motie
Synhaeve, is daarom niet aan de orde.19
In gesprekken met jeugdigen vraagt het LMZ hen voortaan actief of er signalen zijn
over structurele onveiligheid bij jeugdhulpaanbieders. De IGJ onderzoekt hoe ze anonieme
meldingen beter kan gebruiken in het toezicht. Ook geeft de IGJ vervolg aan de Jongerencampagne
waarmee ze via sociale media ervaringen van jeugdigen over de jeugdhulp ophaalt. De
IGJ wil in het toezicht ook de ervaringsdeskundigheid benutten van jeugdigen die recent
op een gesloten accommodatie verbleven, door met hen te spreken over hun ervaringen.
Tegelijkertijd gaat de IGJ ervaringsdeskundigen nog meer laten meedenken bij de inrichting
van het toezicht, zoals de manier waarop de gesprekken met jeugdigen in de gesloten
jeugdhulp het beste gevoerd kunnen worden. De IGJ voert ook andere verbeteringen door,
zoals het inzoomen op organisatiecultuur in het toezicht, het verbeteren van de bereikbaarheid
voor jongeren en vaker en op andere momenten op inspectiebezoek gaan en verbeteringen
strikter opvolgen. Voor een volledig beeld van de verbeteringen die de IGJ doorvoert,
verwijzen wij naar het reflectierapport in de bijlage.
De Staatssecretaris JPS gaat naar aanleiding van de reflectie in gesprek met de IGJ
over de opgedane inzichten en de verbetermogelijkheden voor het toezicht op de (gesloten)
jeugdhulp.
Voortgang in beeld
Eén van de afspraken in de Hervormingsagenda Jeugd is dat de uitvoering goed wordt
gemonitord. We zetten hiervoor een aantal instrumenten in, zoals de Leefwereldtoets,
de Hervormingsagenda Afspraken Monitor (hierna: HA-monitor) en (op termijn) de structurele
centrale monitor van het jeugdstelsel.
− De uitvoering van de HA-monitor is in handen van een onafhankelijke partij: ICTU. Zij heeft recent haar eerste rapportage
opgeleverd. Deze treft u als bijlage bij deze brief aan. De HA-monitor is primair gericht op het in beeld brengen van
de voortgang op de inspanningsafspraken. Voor het maken van deze rapportage zijn verschillende partijen bevraagd:
Rijk, VNG, jeugdzorgregio’s, gemeenten, aanbieders, professionals en de werkorganisatie
KBL.
− Het rapport vormt input voor de in april jl. gestarte Deskundigencommissie Jeugd die het kabinet heeft ingesteld om begin 2025 een zwaarwegend midterm advies uit
te brengen. Opdracht van de Deskundigencommissie is dat zij advies geeft over de uitvoering
van de maatregelen en de gepleegde inspanningen in het kader van de Hervormingsagenda
Jeugd, mede in relatie tot de uitgavenontwikkeling. Om de jeugdzorguitgaven in beeld
te brengen is onderzoek uitgevoerd voor 2023 en is een prognose gemaakt voor 2024.20 Het onderzoek laat zien dat de uitgaven aan jeugdzorg verder zijn gestegen: van € 6,5
mld. in 2022 naar € 7,2 mld. in 2023 (een toename van 11%). De prognose voor 2024
komt uit op € 8,1 mld. (een toename van 12%). In het onderzoek geven gemeenten aan
van mening te zijn dat de stijging onder andere komt door indexatie van de lonen (CAO-stijging
in 2024 was 9,25%) en door de toegenomen zwaarte van de zorg (zorgintensiteit).
Deze ontwikkeling van de uitgaven onderstreept het belang om voortvarend door te gaan
met de Hervormingsagenda Jeugd.
Conform de afspraken tussen Rijk en VNG in de Hervormingsagenda Jeugd is het aan de
Deskundigencommissie om deze uitkomsten mee te nemen in haar eerste advies in januari
2025. Onderdeel van dit advies zal zijn hoe om te gaan met een uitgavenontwikkeling
die afwijkt van het meerjarig financieel kader. Het advies van de Deskundigencommissie
is zwaarwegend. Na het uitbrengen zullen Rijk en VNG met elkaar in gesprek gaan hoe
er vervolg aan te geven.
− Zoals bekend, zetten we de Leefwereldtoets in om bij beleidsvoornemens input op te halen van jeugdigen en opvoeders en toetsen
we hiermee op termijn of de ingevoerde veranderingen daadwerkelijk leiden tot zichtbare
verbeteringen in de leefwereld. Het OZJ voert de toetsen uit volgens de door de stuurgroep
Hervormingsagenda goedgekeurde aanpak. In oktober en november 2024 organiseert het
OZJ de eerste consultaties, met als focus het ophalen van ervaringen met vrijheidsbeperkende
maatregelen en het organiseren van structurele inspraak in de gesloten jeugdzorg.
De rapportage over de opbrengsten van de consultaties verwachten wij begin 2025. Conform
de motie van de leden Westerveld en Verkuijlen koppelen wij t.z.t. aan jeugdigen en
uw Kamer terug wat hiermee is gedaan.21
2. Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
Het huidige jeugdbeschermingsstelsel voor kwetsbare gezinnen en huishoudens waar sprake
is van onveiligheid en/of een ontwikkelingsbedreiging schiet tekort. Dit is bevestigd
door de Algemene Rekenkamer en (meerdere) Inspectierapporten. Mede daarom zet dit
kabinet in op het sneller bieden van gezinsgerichte passende hulp, zoals opgenomen
in het Regeerprogramma. Op deze manier vergroten we de veiligheid voor kinderen en
verminderen we het aantal uithuisplaatsingen. Daarvoor is een sterk lokaal team nodig
dat om kinderen en gezinnen heen staat en hulp verleent. Waarbij voor deze kinderen
en gezinnen een vast gezicht is binnen het lokale team. Op dit onderdeel is er een
duidelijke verbinding met de Hervormingsagenda Jeugd. Ook werken de lokale teams,
Veilig Thuis, jeugdbescherming en andere organisaties op deze terreinen nauwer met
elkaar samen waardoor onnodig tijdverlies en volgtijdelijk werken (estafettes) voorkomen
kunnen worden. Dat is waar het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming zich op
richt: het realiseren van een kwalitatief verbeterd en vereenvoudigd systeem van kind-
en gezinsbescherming.
De VNG, het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS hebben in 2022 een programma
opgezet dat in de periode tot 2026 de basis legt voor nieuwe werkwijzen en een herziening
van het huidige stelsel.
Het Toekomstscenario kent vier pijlers:
1. Gezinsgericht werken
2. Rechtsbeschermend en transparant
3. Eenvoudig in opzet
4. Gericht op continue verbetering
Voor een overzicht van de voortgang in de verschillende activiteiten van het programma
verwijzen we graag naar de als bijlage bijgevoegde voortgangsrapportage.22
In deze brief lichten we twee punten uit: de ervaringen in de proeftuinen en de voorbereiding
van besluitvorming over een Regionaal Veiligheidsteam.
a. Ervaringen in de proeftuinen
Op 13 plekken in het land beproeven we met ondersteuning van het programma de integrale
systeem- en mensgerichte werkwijze van het Toekomstscenario in de praktijk. Dit gebeurt
door de benodigde samenwerking tussen lokale (wijk)teams, zorg- en veiligheidspartners
en een regionaal veiligheidsteam zoveel mogelijk vorm te geven en uit te werken. Dit
betekent bijvoorbeeld dat huishoudens/gezinnen zoveel mogelijk met een vertrouwd gezicht
te maken krijgen, dat ze niet meer van de ene naar de andere organisatie worden overgedragen
en dat zoveel mogelijk gekeken wordt naar wat het hele gezin/systeem nodig heeft in
plaats van de zorg alleen te richten op het kind.
Vertrouwd gezicht
Een professional vertelt over een gezin waarbij, wegens zorgen over veiligheid, heel
veel instellingen bij zijn betrokken: eentje individueel voor vader, eentje individueel
voor moeder, twee personen vanuit één instelling voor het gezin en dan de school nog.
Het wijkteam vraagt deze professional uit de proeftuin om aan te sluiten.
De professional wordt voor het gezin een vertrouwd gezicht door aan te haken bij degene
die daar normaliter al wekelijks op huisbezoek gaat. Maar ook bij de gesprekken van
andere hulpverleners die reeds betrokken zijn.
Verder bespreekt ze met de andere betrokken hulpverleners wat handig is, welke afspraken
samen gevoegd kunnen worden zodat het voor het gezin overzichtelijk blijft.
Daarnaast geeft ze samen met de hulpverleners van andere instanties aan het gezin
uitleg over wie van de hulpverleners precies wat doet, wat is ieders taak, waarom
ze erbij zitten.
De proeftuinen laten zien dat de nieuwe gezinsgerichte en integrale aanpak positieve
resultaten oplevert voor jeugdigen en gezinnen. Vanuit betrokkenheid in 1.268 gezinnen
en/of huishoudens, blijkt dat volwassenen en kinderen zich beter gehoord en geholpen
voelen. Dit hangt samen met het feit dat vaker hulp wordt ingezet vanuit andere (zorg)domeinen
dan alleen het jeugddomein. Door dit integraal systeemgericht werken lukt het in een
groot deel van de huishoudens om weg te blijven van inzet van gedwongen maatregelen.
Bij een klein deel van de gezinnen en huishoudens lukt dit niet. Binnen de 1.268 gezinnen
en/of huishoudens is op peildatum 30 juni 2024 vanuit de proeftuinen in totaal 109
keer (8,6%) een gedwongen maatregel ingezet.23 Nadere duiding hiervan vindt momenteel plaats.
Hoewel de proeftuinen zoveel mogelijk volgens de nieuwe uitgangspunten werken, stuiten
zij ook nog steeds op dezelfde uitdagingen en beperkingen als elders. Zo lopen de
proeftuinen tegen grenzen aan in de samenwerking binnen de huidige wetgeving en professionals
ervaren dat zij met het opzoeken van die grenzen risico’s lopen. De huidige wettelijke
kaders zijn beperkend voor het beproeven, maar zijn er om de positie van ouders en
kinderen te beschermen. We bekijken hoe we de proeftuinen hierbij kunnen ondersteunen
en hoe we tot werkbare oplossingen kunnen komen voor deze knelpunten terwijl we tegelijkertijd
de rechtsbescherming van ouders en kinderen bewaken.
b. Regionaal veiligheidsteam (RVT)
Naast een andere grondhouding waarin gelijkwaardigheid, transparantie en rechtsbescherming
belangrijke waarden zijn en naast steviger lokale teams is een belangrijk onderdeel
van het Toekomstscenario de inrichting van de Regionale Veiligheidsteams (RVT’s).
Deze teams zullen specialistische kennis op het gebied van onveilige thuissituaties
toegankelijk maken en expertise toevoegen aan het werk van de lokale teams. Medewerkers
van de RVT’s beschikken daarnaast over bevoegdheden om onderzoek te doen en waar nodig
maatregelen te initiëren en uit te voeren. Deze nieuwe organisatie treedt in de plaats
van bestaande organisaties.
In juni 2024 is in opdracht van het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
een onderzoeksrapport opgeleverd met vijf varianten voor de inrichting van RVT’s.
Deze variëren in verantwoordelijkheid, organisatievorm en regio-indeling. Alle varianten
integreren functies van Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde
instellingen en richten zich op een vereenvoudigde, gezinsgerichte werkwijze in samenwerking
met lokale teams.24 Samen met ketenpartners, proeftuinen en gemeenten zijn deze varianten beoordeeld
om alle perspectieven goed in beeld te krijgen.
Op grond hiervan hebben de opdrachtgevers van het programma – VWS, JenV en de VNG
– gezamenlijk een belangrijke eerste stap gezet om de richting voor het vervolg te
bepalen. De komende maanden wordt de hierna beschreven ontwikkelrichting nader uitgewerkt,
inclusief de benodigde transitiemiddelen en de structurele (financiële) randvoorwaarden.
De volgende stap en het transitiepad zullen afhankelijk zijn van de uitkomsten van
die uitwerking.
De ontwikkelrichting ziet er als volgt uit. Een nieuwe zelfstandige organisatie heeft
de voorkeur boven netwerk-samenwerking, omdat hiermee doelen zoals eenvoud en gezinsgerichtheid
het beste worden bereikt. In beginsel gaan de meeste functionaliteiten van de Veilig
Thuis-organisaties en de gecertificeerde instellingen hierin op, evenals een aantal
nader te bepalen taken van de Raad voor de Kinderbescherming die gericht zijn op jeugdbescherming.25 Hiermee richt het RVT zich dus op onveiligheid van zowel kinderen als volwassenen
(ook wel aangeduid als 0 tot 100). Gezien de aard van dit takenpakket valt de keuze op een publiekrechtelijke organisatie.
Zeer nauwe samenwerking met de lokale teams is een belangrijke voorwaarde. Tegelijk
zal samenwerking van het RVT met organisaties in het zorg- en veiligheidsdomein stevig
worden vormgegeven. Uitgangspunt is verder een aantal van 25 RVT’s georganiseerd op
de geografische schaal van de veiligheidsregio’s. Bij de uitwerking hiervan is het
van belang dat de RVT’s voldoende robuust zijn en vormen een doelmatige bedrijfsvoering
en kwaliteit belangrijke toetsstenen.
De aansturing verloopt door gemeenten, waarmee de RVT’s passen in het decentraal georganiseerde
sociale domein. Op deze wijze wordt optimaal aangesloten bij integrale gezinsgerichte
hulp vanuit de lokale teams, bij lokaal en regionaal georganiseerde of bekostigde
opvang en hulp, bij maatschappelijke partners, bij samenwerking tussen zorg en veiligheid,
en bij informele steunstructuren. Jeugdreclassering wordt, gegeven de verantwoordelijkheid
van het Rijk voor de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen, onder centrale
aansturing gebracht. Waarborging van JR-expertise in het RVT zal verder worden uitgewerkt,
waarbij verschillende opties zullen worden beschouwd, inclusief de positionering van
de jeugdreclasseringsmedewerkers binnen het RVT.
Het is van belang om te waarborgen dat de RVT’s kwaliteit, continuïteit en rechtsgelijkheid
bieden. Ook moeten ze doelmatig georganiseerd zijn mede gezien de toenemende krapte
op de arbeidsmarkt die ook voelbaar is in de jeugdzorg en aanpalende terreinen. Dat
vraagt om vast te leggen op welke wijze deze waarborgen te monitoren, toezicht te
organiseren en hierop te sturen, vanuit gemeenten en vanuit het Rijk. Hierbij zal
rekenschap worden gegeven van de adviezen van de Algemene Rekenkamer en de Inspecties
over een betere invulling van onze stelselverantwoordelijkheid.
Deze waarborgen zijn van belang voor een goed werkend stelsel, om politiek verantwoording
af te kunnen leggen, maar ook om te komen tot een lerend stelsel dat ten dienste staat
van de betrokken kinderen, gezinnen en huishoudens. De opdrachtgevers hanteren de
volgende uitgangspunten bij de uitwerking van de waarborgen:
• goede dataverzameling en toezicht, zowel decentraal als landelijk;
• periodiek bestuurlijk overleg over het stelsel waarin afspraken gemaakt kunnen worden;
• een procedure voor het Rijk om in uitzonderlijke situaties in te grijpen;
• vormgeving van RVT’s als openbare lichamen;
• een overkoepelende ondersteuningsstructuur voor de RVT’s.
Van belang is te onderkennen dat de huidige stap een ontwikkelrichting betreft. Pas
bij een verder uitgewerkt beeld hiervan inclusief de juridische consequenties en duidelijkheid
of aan de (financiële) randvoorwaarden kan worden voldaan, kan er een definitief besluit
voor de toekomstige inrichting en het daarbij passende transitiepad genomen worden.
Zorgvuldigheid is geboden bij besluitvorming over een omvangrijke verandering van
het stelsel, niet alleen voor de kinderen en volwassenen die we beter willen helpen
en beschermen, maar ook voor alle professionals bij de betrokken organisaties. De
professionals die we juist duurzaam in positie willen brengen om hun werk goed en
met voldoening uit te voeren. De uitwerking zal, zoals steeds, in gezamenlijkheid
met de betrokken organisaties plaats hebben. De genoemde besluitvorming is daarmee
niet eerder dan in het voorjaar van 2025 te verwachten, waarna uw Kamer nader geïnformeerd
wordt. Ondertussen zullen de proeftuinen worden benut om vanuit de praktijk verder
te blijven leren en ontwikkelen.
Tot slot
Het succes van de vereenvoudiging van het jeugdbeschermingsstelsel hangt sterk samen
met de inspanningen in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd. Het gaat hierbij
in het bijzonder om de versterking van de lokale teams en het verbeteren van de beschikbaarheid
van jeugdhulp, zowel in het vrijwillig als in het gedwongen kader. Beide trajecten
zijn nauw aan elkaar verbonden en versterken elkaar. We pakken de kern van de problemen
aan en werken aan structurele verbeteringen. Dit is nodig om jeugdigen en gezinnen
sneller en beter te kunnen helpen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
V.P.G. Karremans
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
T.H.D. Struycken
BIJLAGE 1 – DE VOORTGANG T.A.V. DE VERBETERING VAN ZORG VOOR JEUGDIGEN
In deze bijlage gaan wij achtereenvolgens in op:
1. Aanpak Mentale gezondheid: van ons allemaal
2. Wachttijden
3. Wachtlijstgegevens JB en JR
4. Wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
5. Rechtsbescherming in vrijwillig kader
6. SPUK niet beoogde jeugdzorgkosten vanwege verblijf in gemeente
7. Dataveiligheid
8. Klachtrecht
1. Aanpak Mentale gezondheid: van ons allemaal
Binnen de kabinetsbrede en integrale «Aanpak Mentale gezondheid: van ons allemaal»
wordt samengewerkt met verschillende ministeries, gemeenten en tal van maatschappelijke
organisaties om de mentale veerkracht inwoners van Nederland en jongeren in het bijzonder
te versterken. De aanpak zet in op verschillende leefgebieden zoals onderwijs, buurt
en online.
Vanuit de aanpak, die loopt tot en met 2025, zijn de volgende activiteiten ondernomen:
− In juni jl. is een nieuwe flight van de «Hey het is oké» campagne gelanceerd. Doel
van deze campagne is het praten over lichte mentale klachten, zoals prestatiedruk
of eenzaamheid, te normaliseren. Er was veel interesse vanuit gemeenten, GGD’en en
andere lokale partners voor de campagne en het campagnemateriaal is veelvuldig aangevraagd
en ingezet, zowel online als offline.
− Er is een onderzoek gestart naar handelingsperspectief bij ouders in relatie tot gezond
en bewust smartphone en social media gebruik bij kinderen. Dit onderzoek kijkt naar
de tips en adviezen die er al zijn voor ouders/opvoeders rondom sociale mediaopvoeding
en welke ondersteuningsbehoeften deze ouders/opvoeders nog hebben om hun kinderen
te kunnen begeleiden. Op basis van o.a. dit onderzoek nemen we een besluit over wat
we in Nederland nog meer kunnen en moeten doen om ouders adequaat te ondersteunen.
Zo nodig passen we bestaande richtlijnen aan. De resultaten van dit onderzoek zijn
naar verwachting begin 2025 gereed.
Online platform
Met financiële ondersteuning van (o.a.) VWS is gestart met de bouw en ontwikkeling
van een online platform mentale gezondheid voor jongeren met lichte mentale klachten.
Op dit online platform kunnen jongeren op een laagdrempelige manier veilig, anoniem,
kosteloos en o.g.v. betrouwbare informatie zelf ontdekken welke (preventieve) ondersteuning
er is en welke ondersteuning, indien nodig, bij hen past om de eigen mentale veerkracht
te versterken. Op het platform zijn meerdere functionaliteiten bijeengebracht, te
weten: betrouwbare informatie, peer-to-peer-support, chatten en bellen. Het online
platform mentale gezondheid draagt hiermee bij aan het versterken van de mentale veerkracht
en het voorkomen van verergering van mentale problemen. Het platform is naar verwachting
in het voorjaar van 2025 gereed.
In 2025 wordt de tweede brede voortgangsrapportage van de «Aanpak Mentale gezondheid:
van ons allemaal» aan uw Kamer aangeboden. Met deze rapportage wordt u uitvoeriger
geïnformeerd over de resultaten vanuit de aanpak. Daarin staat ook meer informatie
over het welzijn van meisjes en mogelijke vervolgacties en/of onderzoek.
De komende periode gaan we aan de slag met de uitwerking van een werkagenda mentale
gezondheid en ggz. Met deze agenda wordt een samenhangende aanpak van preventie tot
zorg gemaakt. De agenda draagt bij aan een betere mentale gezondheid, weerbaarheid
en passende zorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft. In 2025 wordt u nader
geïnformeerd over de concrete invulling.
2. Wachttijden
De Aanpak Wachttijden
Helaas is het zo dat jeugdigen soms lang moeten wachten op hulp. Inzicht in wachttijden
is van belang voor cliënten maar ook voor de andere verantwoordelijke spelers zoals
gemeente/regio’s, aanbieders en professionals. Wachttijden zijn uitingen van onderliggende
problemen in het jeugdzorgstelsel. Om wachttijden in de jeugdzorg duurzaam te kunnen
terugdringen is het nodig om die onderliggende oorzaken in samenhang aan te pakken
in de in-, door- en uitstroom van de gehele jeugdzorg en de domeinen daaromheen. En
dat kost tijd.
Belangrijke onderliggende oorzaken voor wachttijden zijn:
− Onvoldoende samenwerking tussen gemeenten, aanbieders, verwijzers en onderwijsinstellingen;
vaak in combinatie met
− Ontoereikende probleemanalyses als basis voor ondersteuning die aansluit bij de zorgvraag.
Als gevolg hiervan wachten kinderen en jongeren met complexe vragen mogelijk op een
verkeerde plek, krijgen zij geen hulp, worden problemen groter en eindigen zij uiteindelijk
op een wachtlijst voor de zwaardere zorg.
De Aanpak Wachttijden is opgezet om jeugdzorgregio’s intensief te ondersteunen bij
het aanpakken van de dieper gelegen oorzaken. Daarbij wordt aandacht besteed aan datagedreven
werken om regionaal inzicht te krijgen in de wachttijden en onderliggende oorzaken.
Momenteel worden negen jeugdzorgregio’s ondersteund en zijn zestien regio’s actief
binnen de Aanpak Wachttijden.
In de voortgangsrapportage 2024 (zie bijlage) beschrijft OZJ o.a. wat de Aanpak Wachttijden
de deelnemende regio’s heeft gebracht. Ook licht het OZJ enkele voorbeelden uit die
laten zien wat de impact is van de Aanpak Wachttijden en welke verbeteringen zijn
ingezet voor kinderen en gezinnen. Eindhoven ontwikkelde bijvoorbeeld «Eindje Verder»,
een poli waarin jongeren en hun netwerk tijdens het wachten samen met aanbieders alvast
aan hun brede functioneren kunnen werken. Ook leren regio’s van elkaar. Zo is de aanpak
van complexe scheidingen ontwikkeld door regio Twente, maar blijkt deze ook toepasbaar
voor de regio Haarlemmermeer.
Landelijk beeld van wachttijden
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van jeugdhulp. Gemeenten en regio’s
registreren op hun eigen manier de aanmelding en start van een traject. Ook is er
geen landelijk eenduidige definitie van wat de wachttijd precies is. De data die er
is, is daardoor weinig inzichtelijk en niet goed onderling vergelijkbaar. Cijfers
over wachttijden op landelijk niveau zijn als gevolg hiervan nu nog niet beschikbaar.
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken de gehele uitvoeringsketen van de minimaal
op regionaal niveau in te kopen specialistische jeugdzorg te standaardiseren, van
contracteren, registreren, declareren tot verantwoorden. Dit leidt tot meer eenduidige
data, onder meer over wachttijden. Jeugdzorgaanbieders, gemeenten en Rijk werken daarin
samen. De trajecten in dat kader zijn ook relevant voor het komen tot een landelijk
beeld van wachttijden.
Normeren van wachttijden
In het verlengde van inzicht in wachttijden speelt de vraag of normeren van wachttijden
wenselijk is. Naar aanleiding van een in uw Kamer aangenomen motie is recent in opdracht
van TAW door bureau PwC onderzoek gedaan naar de toegevoegde waarde en toepasbaarheid
van wachttijdnormering in de jeugdzorg.
PwC concludeert op basis van een vergelijking met andere zorgsectoren dat het normeren
van wachttijden zoals in andere delen van de zorg gebeurt, nuttig kan zijn als manier
om het goede gesprek aan te gaan in de zorgketen over hoe we de toegankelijkheid van
de jeugdzorg kunnen verbeteren en zorgvraag en aanbod (in de regio) beter op elkaar
af te stemmen. In de jeugdzorg moet dan eerst een aantal randvoorwaarden op orde moet
zijn om dit zin te laten hebben. PwC bevestigt hiermee eerdere adviezen om tot een
eenduidige en versimpelde productstructuur te komen en een valide en betrouwbare registratie
te ontwikkelen. Naast het verbeteren van de registratie adviseert PwC om in de jeugdzorg
te komen tot uniforme kwaliteitskaders, verbetering van de regionale samenwerking,
contractering en sturing op het zorglandschap. Het inzicht en overzicht van wachttijden
moet dus eerst verbeterd worden voor dat er met eventuele normen op gestuurd en toezicht
op gehouden kan worden. In het kader van de Hervormingsagenda lopen reeds diverse
trajecten om invulling te geven aan deze door PwC geadviseerde randvoorwaarden.
De vraag of normeren in de gehele jeugdzorg (uiteindelijk) wenselijk is zal naar aanleiding
van dit rapport worden besproken met het veld. Het is namelijk ook aan het veld om
die normen voor wachttijden, als onderdeel van het grotere gesprek over verbetering
van de kwaliteit van de jeugdzorg, uiteindelijk op te stellen, zoals dit voor de Treeknormen
ook is gebeurd. PwC suggereert om dit gesprek te voeren met die delen van de jeugdsector
waar (langdurig) wachten op zorg- en hulpvormen schadelijk zou zijn. Voor jeugdbescherming,
waar de staat ingrijpt met en maatregel, moet een jeugdbeschermer snel beschikbaar
zijn. Hier gelden dan ook al wettelijke normen. Er zijn tevens afspraken gemaakt over
een uniform prestatie- en kwaliteitskader waarmee voor een deel tegemoet gekomen is
aan de door PwC geadviseerde randvoorwaarden. We houden uw Kamer op de hoogte van
relevante ontwikkelingen.
3. Wachtlijstgegevens JB en JR
De actuele wachtlijstgegevens (en ook de ontwikkeling van de workload) van de jeugdbescherming
en jeugdreclassering (peildatum 1 oktober 2024) zijn op dit moment nog niet beschikbaar.
Deze gegevens nemen wij op in de brief die wij naar uw Kamer sturen ten behoeve van
het commissiedebat jeugdbescherming op 5 december 2024.
4. Wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
Niet integer gedrag van jeugdhulpaanbieders dat risico’s meebrengt voor de kwaliteit,
toegankelijkheid en betaalbaarheid van jeugdhulp willen we aanpakken. Met het wetsvoorstel
«Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders» worden onder meer voorwaarden
gesteld aan het doen van winstuitkeringen door jeugdhulpaanbieders. Het streven is
dit wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2025 aan te bieden aan uw Kamer.
5. Rechtsbescherming in vrijwillig kader
Ouders en jongeren moeten weten wat hun rechten en plichten zijn als zij te maken
hebben met jeugdzorg op het snijvlak van het vrijwillig en gedwongen kader. Een goede
informatiepositie versterkt de rechtspositie. In overleg met ouders, jongeren en professionals
wordt daarom gewerkt aan een eenduidige vorm van voorlichtingsmateriaal waarin wordt
uitgelegd wat de rechten en plichten zijn en hoe zij deze kunnen bespreken met hun
hulpverlener. Dit is van groot belang wanneer er grote zorgen zijn over het gezin
en de jeugdige, en de zorg en ondersteuning daarom mogelijk gedwongen wordt. Het adviesrapport
– dat dient als basis van dit voorlichtingsmateriaal – is in de voortgangsbrief Jeugd
van 26 juni 2024 aan uw Kamer aangeboden.26 Naar verwachting zal dit voorlichtingsmateriaal in het eerste half jaar van 2025
gereed zijn. Met betrekking tot rechtsbescherming van ouders en kinderen in het gedwongen
kader is een concept wetsvoorstel in voorbereiding. Uiterlijk eind november sturen
we daarover een brief aan uw Kamer.
6. SPUK niet beoogde jeugdzorgkosten vanwege verblijf in gemeente
Het woonplaatsbeginsel bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdzorg.
In principe is een gemeente verantwoordelijk voor alle jeugdigen in haar woonplaats.
Bij jeugdhulp met verblijf is de gemeente verantwoordelijk waar de jeugdige woonde
voor het verblijf. Hierdoor blijft de gemeente verantwoordelijk voor haar jeugdigen,
ook als het verblijf in een andere gemeente is. Er zijn echter gemeenten met instellingen
die jeugdigen binnenkrijgen zonder dat deze jeugdigen daarvoor in die gemeente woonden.
Bijvoorbeeld jeugdigen uit het buitenland. Op grond van het woonplaatsbeginsel worden
deze gemeenten financieel verantwoordelijk voor deze jeugdigen louter vanwege het
feit dat de accommodatie voor verblijf in deze gemeente is gevestigd.
De SPUK «niet beoogde jeugdzorgkosten vanwege verblijf in gemeente» heeft voor de
jaren 2022 en 2023 gemeenten die hiermee te maken hebben gecompenseerd. Hiervoor is
€ 60 miljoen uit het Gemeentefonds gehaald. Na beoordeling van de aanvragen is € 30
miljoen herverdeeld. Het restant wordt terug overgeheveld naar de algemene uitkering
en verdeeld via de maatstaven in het cluster Jeugd.
7. Dataveiligheid
Wij hebben bureau Deloitte gevraagd IT-beveiligingstesten uit te voeren bij een aantal
jeugdzorginstellingen teneinde inzicht te krijgen in de huidige stand van de digitale
beveiliging van de systemen binnen de jeugdzorginstellingen. Deloitte heeft dit onderzoek
onlangs afgerond en een rapport opgeleverd, waarvoor geldt dat de resultaten inzicht
geven, maar niet gezien mogen worden als een representatief beeld voor de gehele sector.
Uit het rapport kwamen de volgende punten naar voren:
− De onderzochte instellingen zijn nog steeds kwetsbaar voor cyberaanvallen, maar het
aantal bevindingen geïdentificeerde kwetsbaarheden ligt wel lager ten opzichte van
eerdere de resultaten van vergelijkbare testen in voorgaande jaren. De meeste instellingen
hebben hun kritische systemen en belangrijke data wel in kaart, en het is dan ook
aan de instellingen zelf om bij kwetsbaarheden risico mitigerende maatregelen te nemen
voor de geïdentificeerde kwetsbaarheden.
− Het versterken van informatiebeveiliging is van belang bij een toenemend gebruik van
digitale technologie en een veranderend dreigingslandschap. Continue aandacht voor
verbetering van informatieveiligheid bij jeugdzorginstellingen is belangrijk.
− Uit interviews met zes jeugdzorginstellingen kwam naar voren dat het essentieel is
om voldoende financiële steun te bieden, een gestandaardiseerd zelfbeoordelingsraamwerk
te ontwikkelen, praktische ondersteuning te bieden bij complexiteit in wetgeving en
daarnaast sector-brede bewustwordingscampagnes en gespecialiseerde trainingen te faciliteren.
Dit kwam naar voren uit interviews met 6 jeugdzorginstellingen.
Wij gaan met Jeugdzorg Nederland in gesprek over de uitkomsten van het rapport. Aangezien
in het rapport kwetsbare punten van jeugdzorginstellingen naar voren komen en we willen
voorkomen dat hackers toegang krijgen tot de (specifieke) bevindingen, delen wij het
recente rapport alleen met de instellingen en niet met uw Kamer. Echter, indien uw
Kamer daartoe de wens uitspreekt, kunnen wij het rapport vertrouwelijk met u delen.
8. Klachtrecht
Om het klachtrecht in het jeugddomein te verbeteren zullen de Ministeries van VWS
en JenV op korte termijn een onderzoek laten uitvoeren. Het onderzoek zal een overkoepelend
en actueel overzicht geven van de uitvoeringspraktijken van interne klachtprocedures
bij organisaties in het jeugddomein en is aanvullend op het onderzoek dat Jeugdstem
(toen nog AKJ) in 2021 naar klachtafhandeling in de jeugdbescherming heeft uitgevoerd.27 In het najaar hebben wij hierover met diverse partijen in het veld gesproken. Op
basis van deze gesprekken en het onderzoek wordt gekeken wat er, in aanvulling op
eerder genomen maatregelen, nog meer nodig is om de huidige uitvoering dan wel wetgeving
rondom het klachtrecht in het jeugd(zorg)domein te verbeteren. Over de uitkomsten
zullen wij uw Kamer informeren via de reguliere voortgangsbrieven Jeugdzorg.
BIJLAGE 2 – INFORMATIE DIE BESCHIKBAAR IS GEKOMEN N.A.V. ONDERZOEK
In deze bijlage gaan wij achtereenvolgens in op:
1. Onderzoek Trajectduur
2. Eindrapportage overgang jeugdhulp volwassenheid
3. Voorlopige CBS-cijfers jeugdzorg
4. Stand van de jeugdzorg 2024
5. Inspectierapport over de wachtlijsten bij VT
1. Onderzoek Trajectduur
In de Hervormingsagenda Jeugd is opgenomen dat gemeenten en aanbieders afspraken maken
bij de contractering hoe zij tijdens de looptijd van een contract de gemiddelde trajectduur
monitoren en afspraken maken over sturing. Om meer inzicht te krijgen in de mogelijke
oorzaken van een stijgende trajectduur, heeft Qconsult de opdracht gekregen inzicht
te geven in de ontwikkeling van trajectduur, de mogelijke verklaringen die hieraan
ten grondslag liggen en de eventuele samenhang met ontwikkelingen in het aantal cliënten/trajecten,
de in- en uitstroom en het herhaald beroep.
Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van microdata van CBS, deze data zijn geanalyseerd
en in vier regio’s is op basis van deze analyse een duidingssessie geweest. Met gemeenten,
aanbieders, (ervaringsdeskundige) cliënten en ouders is verkend welke factoren van
invloed zijn op (de ontwikkeling van) trajectduur. Ook is besproken welke beleidsmaatregelen
en interventies gemeenten en aanbieders inzetten om de trajectduur te beïnvloeden.
De conclusie is dat trajectduur niet losstaand moet worden bekeken, maar altijd in
samenhang met andere factoren en met het oog op het realiseren van passende zorg.
Het is belangrijk te kijken naar de gehele zorgketen en naar de beweging die gemeenten
en aanbieders steeds meer maken: hulp zo dicht mogelijk bij inwoners organiseren,
breed kijken naar de zorgbehoeften, en samenwerken met alle betrokken partners in
de keten. Dit vereist het voeren van regie, flexibel kunnen op- en afschalen en langdurig
betrokken blijven waar nodig. Het gevolg van deze aanpak is dat eenvoudigere vraagstukken
veelal lokaal zullen worden aangepakt, zodat (gespecialiseerde) ambulante jeugdhulp
beschikbaar is voor:
− jongeren voor wie dit een passend antwoord is op hun hulpvraag;
− jongeren waarbij veelal complexere vraagstukken spelen en waar trajecten zo lang moeten
duren als nodig.
Gemeenten, aanbieders en cliënten geven aan dat het belangrijk is maatregelen in te
zetten die het stelsel als geheel verbeteren zoals versterking van het lokale voorveld,
verbetering van de triage, realiseren van collectiviteit op wijkniveau, vanaf de start
al werken aan uitstroom en kritische beoordeling door de aanbieder of passende hulp
geboden kan worden. Dit zijn beleidsmaatregelen en interventies die gemeenten en regio’s
kunnen toepassen.
Om te kunnen bepalen waarop er in een gemeente/regio ingezet moet worden, is het nodig
dat gemeenten met aanbieders en cliënten in gesprek gaan op basis van een analyse
van de data in de betreffende gemeente/regio. Om zo zaken die opvallen te kunnen signaleren
en duiden, en vervolgacties per partij te kunnen bepalen.
Daarnaast vragen gemeenten, aanbieders en cliënten vaart te maken met een integraal
kader voor jeugdhulp, met daarin elementen over het luisteren naar cliënten bij het
maken van plannen over uitstroom en het betrekken van beschermende factoren die van
invloed zijn op uitstroom. Deze opdracht is vanuit de Hervormingsagenda Jeugd belegd
bij KBL. Daarnaast is de aanbeveling om samenwerking in de regio te bevorderen, ook
dit is een opdracht uit de Hervormingsagenda Jeugd.
De aanbevelingen uit het rapport komen overeen met de reeds gemaakt afspraken in de
Hervormingsagenda Jeugd en bieden hiermee aanknopingspunten en onderbouwing voor de
afspraken die zijn gemaakt over het verbeteren van kwaliteit, stevige lokale teams
en reikwijdte. De aanbevelingen zullen hier dan ook in worden meegenomen.
2. Eindrapportage overgang jeugdhulp naar volwassenheid
Naar aanleiding van de motie van voormalig lid Raemakers (D66) is AEF gevraagd onderzoek
uit te voeren naar de overgang van jeugdhulp naar volwassenheid. In de bijlage treft
uw Kamer de resultaten van dit onderzoek aan. Het onderzoek bevestigt het belang van
een integrale benadering gericht op de big five (wonen, werk/school/dagbesteding,
inkomen, zorg en support) in de ondersteuning van jongeren in de overgang naar volwassenheid
en hoe belangrijk het is hier ook op tijd mee te beginnen en de juiste partners te
betrekken. Het onderzoek concludeert ook dat standaard verlengde jeugdzorg en het
introduceren van omgekeerde bewijslast geen oplossing lijken te zijn. Er zijn andere
kansrijke (sturings)mogelijkheden die de overgang voor deze jongeren verbeteren en
verschillende aanbevelingen worden gedaan die aansluiten bij trajecten uit de Hervormingsagenda
Jeugd.
Beleidsreactie
Bij veel gemeenten en de VNG staat de thematiek rondom de overgang en de big five
goed op het netvlies, en speelt een rol bij het maken van afspraken met aanbieders
en verwijzers. In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat jeugdhulpaanbieders
en gemeenten zich committeren voor en met jongeren tijdig een toekomstperspectief
(op deze big five) te formuleren.28 Wij nemen de aanbevelingen van dit onderzoek mee in het te ontwikkelen convenant
stevige lokale teams, zoals de vaste betrokkenheid vanuit het lokale team bij de overgang.
Daarnaast organiseert het landelijk gemeentelijk netwerk 16–27 bijeenkomsten waar
gemeenten kennis kunnen opdoen op de thema’s die aansluiten bij de aanbevelingen uit
dit onderzoek, zoals het betrekken van ervaringsdeskundigen bij beleid.
Bij het op orde krijgen van de big five is integraal werken noodzakelijk.
− De VNG komt eind 2024 met ondersteuningsaanbod voor het werken met de doorbraakmethode.
De doorbraakmethode ondersteunt het integraal werken.
− Ook draagt de (ontwikkeling van) richtlijn Toekomstgericht Werken voor jeugdprofessionals
door NJi i.s.m. beroepsverenigingen (NIP, NVO en BPSW) bij aan de verbetering van
integrale ondersteuning aan jongeren in de jeugdzorg bij de overgang naar volwassenheid.
De richtlijn wordt begin 2025 verwacht.
Uit het onderzoek blijkt dat gemeenten behoefte hebben aan (kennis over) mogelijkheden
om jongeren extra te ondersteunen op financieel gebied tijdens de overgang.
− De Participatiewet biedt gemeenten op dit moment mogelijkheden om jongeren vanaf 18
jaar financieel te ondersteunen. Divosa heeft eerder de «Handreiking Maatwerk Participatiewet
bij verblijf in- en uitstroom uit instellingen» voor gemeenten opgesteld. In samenwerking
met VNG zullen we hier meer bekendheid aan geven.
− Daarnaast heeft het Ministerie van SZW op 27 juni 2024 het wetsvoorstel Participatiewet
in balans aan uw Kamer aangeboden. Onderdeel hiervan is de maatregel om de aanvullende
jongerennorm (18–21 jaar) te harmoniseren. Deze maatregel draagt positief bij aan
de financiële ondersteuning van jongeren door gemeenten.
Met de aanbieding van dit rapport is voldaan aan de toezeggingen om de Kamer te informeren
over het onderzoek.
3. Voorlopige CBS-cijfers jeugdzorg
Bijgevoegd bij deze brief ontvangt u de voorlopige CBS-cijfers jeugdzorggebruik over
het eerste halfjaar van 2024.
− Volgens de voorlopige cijfers van het CBS ontving 8,8% van de jongeren t/m 22 jaar (389 duizend) jeugdhulp29 (exclusief jeugdbescherming en jeugdreclassering) in het eerste halfjaar van 2024.
Dit is minder dan in het eerste half jaar van 2023 toen 403.000 jongeren jeugdhulp
ontvingen. Toch verwacht het CBS dat het definitieve aantal jongeren met jeugdhulp
in de eerste zes maanden van 2024 met 18.000 zal toenemen, wat een stijging zou zijn
van 1,3% ten opzichte van het eerste halfjaar van 2023. Dit zou tevens betekenen dat,
in het eerste halfjaar van 2024, 1 op elke 7,9 jongeren tot en met 17 jaar en 1 op
de 10,3 jongere tot 23 jaar jeugdhulp in natura en/of een jeugd-PGB kreeg.
− Net als in voorgaande jaren was jeugdhulp zonder verblijf de meest gebruikte vorm van jeugdzorg; hier maakte 90,9% van de jongeren
gebruik van. Bij jeugdhulp met verblijf was dit 4,7%, en bij zowel jeugdhulp met verblijf
als zonder verblijf was dit 4,4%.
− De daling van het aantal jongeren met voogdij en ondertoezichtstelling zet door. Op
30 juni 2024 was dit respectievelijk 8.190 en 17.775. Ook de daling van machtigingen
uithuisplaatsing zet door, een daling van bijna 5 procent ten opzichte van het tweede
halfjaar van 2023. Er is echter nog steeds sprake van een toename van jongeren met
jeugdreclassering na een jarenlange daling. Het aantal jongeren met een jeugdreclasseringsmaatregel
steeg met 455 (9%) van 5.015 op peildatum 30 juni 2023 naar 5.470 op peildatum 30 juni
2024. Ook neemt de samenloop jeugdbescherming met jeugdreclassering toe. Het aandeel
jongeren tot en met 17 jaar dat in de eerste 6 maanden van 2024 jeugdbescherming ontving
en in datzelfde jaar ook een jeugdreclasseringsmaatregel had was 2,6 procent t.o.v.
2,1 procent in het eerste halfjaar van 2021.
− Jeugdzorg (zowel jeugdhulp als jeugdbescherming en jeugdreclassering) hangt samen
met kenmerken van ouders en huishouden; onder jongeren met jeugdhulp (t.o.v. alle
kinderen in Nederland) woont een lager percentage van de ouders op hetzelfde adres,
is het aandeel WMO en/of van GGZ huishoudens hoger, en is het aandeel huishoudens
met iemand die als verdachte van een misdrijf is aangemerkt hoger. Onder alle jongeren
in de leeftijd van 0 t/m 22 jaar zijn de hoogste percentages jongeren met jeugdhulp
gemeten binnen de 20% laagste huishoudinkomens.
Meer cijfers over andere ontwikkelingen binnen de jeugdzorg vindt u in de bijgevoegde
rapporten.
4. Stand van de jeugdzorg 2024
Op 8 oktober heeft de Jeugdautoriteit (JA) de «Stand van de jeugdzorg 2024» uitgebracht.30 De JA heeft als taak om de continuïteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen
en jeugdreclassering te bevorderen. De rapportage is kritisch op het huidige functioneren
van het jeugdzorgstelsel en kaart knelpunten binnen het veld aan ten aanzien van onder
meer aanbieders, tarieven, personeel en de beschikbaarheid van gegevens.
Het is bekend dat het jeugdzorgstelsel voor grote uitdagingen staat. Daarom is vorig
jaar de Hervormingsagenda Jeugd door een groot aantal partijen ondertekend en zijn
partijen voortvarend met de uitvoering hiervan aan de slag gegaan. Op dit moment maken
veel jeugdigen gebruik van jeugdzorg (1 op de bijna 8 jeugdigen tot 18 jaar). Dit
moet anders. Daarom zetten we in op het zoveel mogelijk voorkomen dat jeugdhulp nodig
is en tijdige en passende hulp geven aan kwetsbare jeugdigen die dit echt nodig hebben.
Het zorgen voor structurele verbeteringen kost tijd. Dit betekent dat een groot deel
van de verbeteringen niet van vandaag op morgen is terug te zien, maar tegelijkertijd
is iedereen doordrongen van de urgentie. In deze voortgangsbrief laten we zien welke
stappen we in dit kader zetten. Hiermee geven wij invulling aan het verzoek van het
lid Paulusma (D66) om te reageren op het artikel «Toezichthouder: toegankelijkheid
jeugdzorg onder druk» (nos.nl, 8 oktober 2024).31
5. Inspectierapport over de wachtlijsten bij VT
Na signalen over toenemende wachtlijsten bij de Veilig Thuis-organisaties in de zomer
van 2023 heeft de IGJ verdiepend toezicht uitgevoerd bij drie Veilig Thuis organisaties
en in de zomer van 2024 opnieuw cijfers over de wachtlijsten bij alle Veilig Thuis
organisaties opgevraagd. De uitkomsten zijn verwerkt in een overkoepelde publicatie
die op 3 oktober 2024 openbaar is gemaakt.32
De publicatie brengt in beeld wat het betekent voor kinderen en gezinnen om bij Veilig
Thuis op de wachtlijst te staan: gezinnen blijven in onveilige situaties verkeren,
hulpverlening stagneert en de twijfel over het nut van het doen van een melding bij
veilig Thuis neemt toe. In de publicatie concludeert de IGJ dat het de Veilig Thuis
organisaties veelal niet lukt de taken waar wettelijke termijnen voor zijn vastgesteld
tijdig uit te voeren. Andere conclusie is dat als het Veilig Thuis niet lukt om meldingen
tijdig te behandelen, het zicht op de veiligheid van de wachtenden vaak onvoldoende
is.
De oorzaken van de wachtlijsten en het ontoereikend zicht op de veiligheid liggen
volgens de publicatie voor een deel bij de verschillende Veilig Thuis organisaties,
maar zijn deels ook ketenbreed. De IGJ heeft de Veilig Thuis organisaties verzocht
met verbeterplannen te komen om de wachtlijsten terug te dringen en te voorkomen.
Beleidsreactie
De conclusies die de IGJ trekt in de publicatie zijn zeer zorgelijk. Kinderen en gezinnen
in een onveilige situatie moeten zo snel mogelijk de juiste hulp krijgen. Ook de professionals
die daarbij moeten helpen, moeten hun werk goed kunnen doen. Bovendien moet, als er
noodgedwongen wachtlijsten ontstaan, het zicht op de veiligheid geregeld zijn.
Zoals de IGJ concludeert ligt een deel van de oplossingen bij de Veilig Thuis organisaties
zelf. Veilig Thuis is regionaal georganiseerd, onder de directe verantwoordelijkheid
van de gemeenten. Dit maakt dat er grote verschillen zijn tussen de 25 Veilig Thuis
organisaties. Om de wachtlijsten aan te pakken, moet elke Veilig Thuis organisatie
zelf stappen zetten. Samen met de Veilig Thuis organisaties en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (de VNG) bespreekt VWS waar we de gemeenten en de Veilig Thuis organisaties
verder kunnen ondersteunen. Dat gesprek staat los van de verbeterplannen die de IGJ
van de Veilig Thuis organisaties gevraagd heeft, maar moet ook bijdragen aan snelle
stappen in de goede richting.
Daarnaast is het belangrijk ook te kijken wat er landelijk opgepakt kan worden en
waar van elkaar kan worden geleerd. Het Landelijk Netwerk Veilig Thuis heeft hierin
een belangrijke taak. We zijn met de VNG en het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT)
in gesprek om tot concrete stappen te komen voor het aanpakken van de wachtlijsten.
Voorbeelden hiervan zijn:
− Betere ondersteuning in de werkprocessen, zodat medewerkers meer tijd hebben voor
de kerntaken
− Inzetten op werving van nieuwe medewerkers
− Good practices delen
− Organiseren van gesprekken tussen de regiogemeenten en de VT’s
Tegelijkertijd moeten ook stappen gezet worden om te werken aan oplossingen in de
bredere zorgketen, zoals het grote aantal meldingen, de personeelstekorten of de beperkingen
in de doorstroom naar andere zorgvormen waar de Veilig Thuis organisaties in hun werk
mee geconfronteerd worden. Er wordt momenteel hard gewerkt aan het versterken van
de lokale teams, en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is ook gericht
op het beter en efficiënter organiseren van de keten en de daarbij behorende focus
op snellere ondersteuning en betere doorstroom.
BIJLAGE 3 – OVERIGE MOTIES EN TOEZEGGINGEN
In deze bijlage gaan wij achtereenvolgens in op:
Moties
1. Motie van de leden Dobbe en Westerveld over een centraal register voor private-equitypartijen
die actief zijn binnen zorg- en jeugdhulpaanbieders
2. Motie van het lid Tielen over advies vragen over in hoeverre gehechtheid meer onderwerp
kan zijn van de ontwikkelingsfactoren die de jeugdgezondheidszorg volgt en signaleert
3. Motie van het lid Den Haan c.s. over overleg over oplossingsrichtingen voor de vergoeding
van kinderopvang voor pleegouders
4. Motie van het lid Synhave over het onderzoeken van draagvlak voor het opzetten van een pilot rechte pad pleegzorg
5. Motie van het lid Synhaeve over een plan voor het inzetten van positieve ervaringen
met het Mockingbirdmodel voor meer pleegouders
6. Motie van de leden Raemakers en Ceder over een evaluatie van de bestuurlijke akkoorden
over pleegzorg en gezinshuizen
7. Motie van het lid Synhaeve c.s over de Kamer voor het volgende WGO Jeugd informeren
op welke wijze de IGJ haar werkwijze gaat verbeteren
8. Motie-Tielen over een concreet actieplan dat het verschil tussen beschikbare en vereiste
bevoegdheden en bekwaamheden van zorgprofessionals significant verkleint.
Toezeggingen
1. Verantwoordingseisen en toezicht door gemeenten op jeugdhulpaanbieders
2. Verkenning vergunningsplicht
3. Schaduwgezinnen
4. Handvatten tarieven
Moties
1. Centraal register voor private-equitypartijen die actief zijn binnen zorg- en jeugdhulpaanbieders
De motie van de leden Dobbe en Westerveld verzoekt de regering in het wetsvoorstel
Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders te komen tot een centraal register
voor private-equitypartijen die actief zijn binnen zorg- en jeugdhulpaanbieders.33 De wenselijkheid van private equity binnen de jeugdhulp is met enige regelmaat onderwerp
van de politieke discussie vanuit de overtuiging dat private equity negatieve gevolgen
heeft voor de kwaliteit, beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. Eind 2023
is de aanwezigheid van private equity binnen de jeugdhulp in samenhang met (excessieve)
winstuitkeringen nader onderzocht. Op basis van dit onderzoek blijkt dat private equity
maar weinig voorkomt binnen de jeugdhulp en daarmee lijkt het risico van excessieve
winstuitkeringen aan private equity investeerders in de jeugdhulp dan ook beperkt.
Er is op dit moment geen grond om jeugdhulpaanbieders te verbieden hun kapitaalbehoefte
te dekken met investeringsmiddelen van private equity partijen. De noodzaak en proportionaliteit
van een dergelijke maatregel vraagt om een stevige onderbouwing om juridisch houdbaar
te zijn en deze onderbouwing ontbreekt. De motie van de leden Dobbe en Westerveld
over een centraal register voor private-equitypartijen die actief zijn binnen zorg-
en jeugdhulpaanbieders kan niet los gezien worden van de bredere discussie rondom
private equity in de zorg34). Wij zullen, in afstemming met de Minister van VWS, onderzoeken wat de mogelijkheden
zijn voor een centraal register voor private-equity partijen.
2. Gehechtheid als onderwerp van de ontwikkelingsfactoren die de jeugdgezondheidszorg
volgt en signaleert
De motie van het lid Tielen (VVD)verzoekt de regering een advies te vragen over in
hoeverre gehechtheid meer onderwerp kan zijn van de ontwikkelingsfactoren die de jeugdgezondheidszorg
(JGZ) volgt en signaleert.35 De professionals van de jeugdgezondheidszorg verkeren bij uitstek in de positie om
de ouder-kindrelatie vroegtijdig ter sprake brengen, mogelijke verstoringen te signaleren
en ouders te ondersteunen in hun ouderrol.
Naar aanleiding van de motie hebben wij advies gevraagd in hoeverre gehechtheid meer
onderwerp kan zijn van de werkzaamheden van de jeugdgezondheidszorg bij het Nederlands
Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) en bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Uit deze
advisering concluderen wij dat de JGZ-professional binnen de kaders van hun werkzaamheden
van het basistakenpakket JGZ uit de Wet publieke gezondheid zich al maximaal inzetten
op het thema gehechtheid. Om hechting goed te kunnen adresseren hebben JGZ-professionals
de richtlijn Ouder-kind relatie en de richtlijn Kindermishandeling tot hun beschikking.
Deze richtlijnen worden regelmatig geactualiseerd aan de hand van onder andere recente
wetenschappelijke inzichten. De ouder-kind richtlijn is onlangs vernieuwd en komt
eind 2024 in de modulaire vorm beschikbaar. De richtlijn Kindermishandeling is in
herziening en is naar verwachting eind 2024/begin 2025 afgerond. De JGZ-professional
kan meer doen aan ondersteuning van ouders, indien gemeenten interventies op het terrein
van opvoedondersteuning inkopen bij hun JGZ-uitvoerder met het budget dat ze hiervoor
verkrijgen vanuit de algemene uitkering van het Gemeentefonds voor het uitvoeren van
de Jeugdwet. In het kader van de Hervormingsagenda Jeugd stimuleren we gemeenten wel
tot het meer inzetten van de JGZ-uitvoerders op het gebied van preventie en opvoedondersteuning.
3. Oplossingsrichtingen voor de vergoeding van kinderopvang en pleegouders
De motie van het lid Den Haan (fractie Den Haan) c.s. verzoekt de regering in overleg
te gaan over mogelijke structurele oplossingsrichtingen voor de vergoeding van kinderopvang
voor pleegouders.36
Het Ministerie van SZW werkt op dit moment aan het stapsgewijs invoeren van een hoge
en inkomensonafhankelijke vergoeding voor kinderopvang voor werkende ouders. Door
deze stapsgewijze verhoging is de verwachting dat de kinderopvang ook voor veel werkende
pleegouders goedkoper zal worden. De Staatssecretaris voor Jeugd, Preventie en Sport
zal de ontwikkelingen van het kinderopvangstelsel nauwlettend blijven volgen.
4. Onderzoeken draagvlak voor opzetten pilot rechte pad pleegzorg
De motie van lid Synhaeve (D66) verzoekt de regering te onderzoeken of draagvlak aanwezig
is om een pilot uit te zetten van «rechte pad pleegzorg», met goede ondersteuning
voor pleegouders, en bij voldoende draagvlak deze pilot op te zetten.
Voor de uitvoering van deze motie hebben wij informatie opgehaald over een eerdere
pilot op dit vlak en is overleg geweest met de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg
Nederland. Uit de evaluatie van deze pilot in 2016 kwamen voorzichtige positieve resultaten
over de doeltreffendheid. De korte verblijfsduur (drie maanden) van de jeugdige, de
extra tijd van jeugdzorgwerkers vanwege de intensieve begeleiding van ouders, een
zeer beperkt aantal gezinnen dat beschikbaar was voor deze vorm van pleegzorg en de
kosten waren redenen om de pilot geen vervolg te geven. Het draagvlak opnieuw een
pilot op te zetten is nu ook niet aanwezig. De inmiddels opgezette Kleinschalige Voorzieningen
Justitiële Jeugd bieden soms een alternatief voor deze doelgroep, zo mogelijk worden
jongeren daar geplaatst.
5. Mockingbird
De motie van het lid Synhaeve (D66) verzoekt de regering met een plan te komen hoe
de positieve ervaringen van het Mockingbirdmodel ingezet kunnen worden voor meer pleegouders.37 In 2024 zijn er vier pleegzorgaanbieders die vijf Mockingbird constellaties ondersteunen.
Om aanbieders, gemeenten en regio’s te faciliteren in de keuze te gaan werken met
Mockingbird, financiert de Staatssecretaris JPS een maatschappelijke kosten-baten
analyse (MKBA) van de Mockingbird werkwijze. Deze MKBA is naar verwachting in het
voorjaar van 2025 gereed.
6. Evaluatie bestuurlijke afspraken verlengde pleegzorg en gezinshuizen
De motie van het lid Raemakers (D66) en het lid Ceder (CU) verzoekt de regering de
bestuurlijke akkoorden ten aanzien van pleegzorg en gezinshuizen goed te evalueren
en de uitkomsten mee te nemen in het besluit over wettelijke verankering van de duur
van gezinshuizen.38
− Verlengde pleegzorg is inmiddels wettelijk vastgelegd. Dit moet in praktijk ook zo
worden uitgevoerd als pleegkind en pleegouders dit willen. Uit de evaluatie blijkt
dat pleegkinderen of pleegouders dit niet in alle gevallen als vanzelfsprekend ervaren.
Daarom zet de Staatssecretaris voor Jeugd, Preventie en Sport samen met de NVP, JZNL
en VNG in op extra informatievoorziening voor pleegkinderen en pleegouders – maar
ook aanbieders en gemeenten – over het wettelijk recht op verlengde pleegzorg. Hiervoor
wordt onder andere platform pleegzorg.nl benut.
− Verblijf in een gezinshuis na 18 jaar is mogelijk gemaakt door de bestuurlijke afspraken
met de sector. Uit de evaluatie blijkt dat verschillen bestaan tussen gemeenten in
o.a. de aanvraag tot verlenging, het doen van een noodzakelijkheidstoets en de geldigheidsduur
van de afgegeven beschikking. De onderzoekers doen aanbevelingen om beter te anticiperen
op de naderende leeftijdsgrens van 18 jaar en de daarmee gepaard gaande verandering
in rechten, plichten en voorzieningen. Dit wordt meegenomen in de gesprekken met de
gezinshuissector en de VNG.
7. Verbetering werkwijze IGJ
De motie Synhaeve c.s. verzoekt de regering om de Kamer voor het volgende WGO Jeugd
te informeren op welke wijze de IGJ haar werkwijze gaat verbeteren en hierin expliciet
aandacht te hebben voor:
− een betere omgang met signalen en meldingen;
− betrokkenheid van ervaringsdeskundigen bij het toezicht;
− de mogelijkheid om een negeerverbod op te nemen bij meldingen van bepaalde ernstige
incidenten.39
In het reflectierapport van de IGJ bijgevoegd aan deze Kamerbrief reflecteert de IGJ
op haar eigen rol en handelen ten aanzien van het toezicht op de ZIKOS in de afgelopen
jaren.
Hierin is onder andere gekeken naar de omgang met signalen en meldingen.
Een toelichting op dit rapport is opgenomen in de paragraaf «Transformatie gesloten
jeugdhulp» eerder in deze brief. Voor een volledig beeld van de verbeteringen die
de IGJ doorvoert in het toezicht verwijzen wij naar het rapport.
8. Beschikbare en vereiste bevoegdheden en bekwaamheden van zorgprofessionals
De motie van het lid Tielen verzoekt om een concreet actieplan dat het verschil tussen
beschikbare en vereiste bevoegdheden en bekwaamheden van zorgprofessionals significant
verkleint.40
Het actieplan waartoe de motie oproept, stipt een uitermate belangrijk thema aan en
is belegd binnen het vijfjarig actieplan van het consortium kleinschaligheid. In het
actieplan van het consortium ontwikkelen instellingen, die bezig zijn met de af- en
ombouw van de gesloten jeugdzorg of deze al hebben omgebouwd naar andere manieren
van residentiële jeugdzorg, samen met onderzoekers en ervaringsdeskundigen, kleinschalige
jeugdhulp met verblijf. Diepgaand onderzoek naar personele randvoorwaarden en implementatie
van kennis hierover is hier onderdeel van. Daarbij wordt zowel gewerkt aan verbeteren
van competenties en kennis, maar ook aan ondersteuning van professionals en een lerende
cultuur.
Een van de concrete opbrengsten van het Consortium Kleinschaligheid is een kwaliteitsontwikkelkompas.
Belangrijke thema’s in dit kompas zijn 1) de kwaliteit & effectiviteit van de zorg
in kleinschaligheid en 2) de personele randvoorwaarden die nodig zijn om op een relatiegerichte,
kleinschalige manier te werken. Dit betreffen de rollen en functies en de functiemix
die vereist zijn om relatiegericht te kunnen werken, terwijl zaken als aandacht voor
teamontwikkeling, supervisie, passende sturing en organisatiecultuur net zo belangrijk
zijn voor medewerkers om kinderen en jongeren in de kleinschalige voorzieningen goed
en verantwoord te kunnen begeleiden. Het consortium verwacht in de loop van volgend
jaar een eerste versie van het ontwikkelkompas te presenteren.
Toezeggingen
1. Verantwoordingseisen en toezicht door gemeenten op jeugdhulpaanbieders
Het lid Dobbe (SP) en het voormalig lid Synhaeve (D66) verzoeken de regering in hun
motie om samen met jeugdhulpmedewerkers, jeugdhulpaanbieders en gemeenten uniforme
toetsingskaders op te stellen die van toepassing zijn op alle jeugdhulpaanbieders
inclusief onderaannemers.41 Zoals eerder gemeld aan uw Kamer zijn wij in het voorjaar een eerste verkenning gestart
rondom mogelijkheden en kwaliteit van informatie in DigiMv om knelpunten beter in
beeld te krijgen.42 Daaruit is naar voren gekomen, ook in relatie tot het verzoek gedaan in de motie,
dat het relevant is om beter zicht te krijgen op de informatiebehoefte van de verschillende
gemeenten in het uitvoeren van hun wettelijke taken en in hoeverre zij dit nu via
separate informatiestromen uitvragen. Hiervoor gaan wij een onderzoek uitzetten. Zodra
de uitkomsten van het onderzoek beschikbaar zijn, zullen wij hierop terugkomen.
2. Verkenning vergunningsplicht
In de Kamerbrief van 14 februari 2024 is uw Kamer toegezegd om in 2024 de verkenning
af te ronden naar de vraag of het in de rede ligt om waar mogelijk aan te sluiten
bij het systeem dat geldt voor de aanbieders van Zvw- en Wlz-zorg ten aanzien van
de vergunningsplicht op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (hierna: Wtza).
Dit is een afspraak die is gemaakt in de Hervormingsagenda Jeugd.
Begin dit jaar is deze verkenning gestart. In dat kader is onder meer onderzocht welke
doelen een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders zou dienen en hoe de vergunningplicht
in het kader van de Wtza functioneert. Ook is bezien wat de impact van dit instrument
zou zijn voor het jeugdveld en welke bestaande en toekomende maatregelen er zijn om
de achterliggende doelen van vergunningplicht te bereiken.
De verkenning is in de afrondende fase. De komende periode benutten wij om met de
VNG en de Branches gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) tot een gedeelde visie
op dit vraagstuk te komen. Besluitvorming op dit punt is beoogd vóór het einde van
dit jaar. Daarna informeren wij uw Kamer over de uitkomst.
3. Schaduwgezinnen
Zoals ook aangekondigd in de brief van 21 juni jl. heeft er in september vanuit het
Ministerie van VWS een vervolgoverleg plaatsgevonden met mw. Doornbos van Schaduwgezin,
met het Ministerie van OCW en de PO-raad.43 In het gesprek is meegedacht over het vergroten van de bekendheid over dit initiatief
in het land. Er is afgesproken dat de partijen hun informatiekanalen en netwerken
benutten om het initiatief van schaduwgezinnen onder de aandacht te brengen van scholen
en gemeenten. Mw Doornbos zal ons op de hoogte houden over de pilots die inmiddels
zijn gestart in de gemeente Zwartwaterland en wat de opbrengsten zijn zodat betrokken
partijen ook hierover kunnen communiceren. Er is afgesproken eind van het jaar bij
te praten over actuele ontwikkelingen.
4. Handvatten tarieven
Via de motie van het voormalig lid Raemakers (D66) heeft uw Kamer verzocht om het
in te richten kennis- en informatiepunt van de Jeugdautoriteit te vragen vóór de zomer
2024 in beeld te brengen welke handvatten benodigd zijn voor de ontwikkeling van tarieven
en hierover de Kamer te informeren.44 De Jeugdautoriteit heeft invulling aan deze motie gegeven door in het rapport «Rode
draden in tarievenonderzoek» enkele handvatten te geven gericht op regio’s en gemeenten
voor het ontwikkelen van tarieven.45 Voorbeelden hiervan zijn:
− het gebruik maken van de handreiking «Inzicht in tarieven»;
− het gebruik maken van zoveel mogelijk algemeen geldende begrippen en definities, zoals
uit de amvb «Reële prijzen Jeugdwet»;
− het goed doorlopen van de voorbereidende stappen voorafgaand aan het traject van de
tariefvorming.
Indieners
-
Indiener
V.P.G. Karremans, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Medeindiener
T.H.D. Struycken, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid